Gemeente Breda

Planteksten

Op deze pagina vindt u de planteksten behorende bij het plan Parapluplan parkeren 2017.

Toelichting


 

HOOFDSTUK 1 Inleiding

 

1.1 Aanleiding en doel

Dit bestemmingsplan gaat over het aspect parkeren.

 

Sinds de wetswijziging die per 29 november 2014 in werking trad (kortgezegd de Reparatiewet (BZK 2014 Stb. 2014, 458) mogen stedenbouwkundige voorschriften, waaronder regels over de benodigde parkeerruimte, niet meer in de bouwverordening opgenomen worden. Indien gewenst dient de gemeente regels voor parkeren in het kader van de "goede ruimtelijke ordening" in het bestemmingsplan op te nemen. De wetgever heeft de gemeenten hiervoor een overgangstermijn tot
1 juli 2018 gegeven.

 

Dit plan zorgt er voor dat ook in de toekomst getoetst kan worden aan het parkeerbeleid en de parkeernorm van de gemeente Breda. Om dit te kunnen blijven doen worden de “oude” parkeerregels in de bestemmingsplannen vervangen door de planregels uit dit bestemmingsplan.

 

Het plan is een puur wetstechnische wijziging en wijzigt inhoudelijk niets aan het parkeerbeleid, de parkeernormen, de parkeertijden en de parkeertarieven. In het kader van de toekomstige Omgevingsvisie en Omgevingsplan zal het beleid en de normstelling op een ander tijdstip worden geëvalueerd en zo nodig bijgesteld.

 

1.2 Ligging en plangrenzen

Het paraplubestemmingsplan omvat het gehele grondgebied van de gemeente Breda (IDN: 0758),
met uitzondering van de plangebieden van de volgende bestemmingsplannen:

  • Stationskwartier (IDN: NL.IMRO.07580000B035-);

  • Stationskwartier, Herziening Speelhuisplein 12 (IDN: NL.IMRO.0758.BP2012019006-0501);

  • Stationslaan (IDN: NL.IMRO.0758.BP2010019002-0501);

  • Stationslaan, herziening 2012 (IDN: NL.IMRO.0758.BP2012019005-0501).

Voor deze plannen zijn bij de vaststelling specieke bepalingen opgenomen voor het aspect parkeren.

 

1.3 Planvorm

Omdat in de bestemmingsplannen uitsluitend iets moet worden toegevoegd c.q. moet worden vervangen met betrekking tot het aspect parkeren is er voor gekozen om dit te doen door middel van een paraplubestemmingsplan.

 

1.4 Leeswijzer

Deze toelichting is onderdeel van het bestemmingsplan Parkeren 2017. Deze toelichting is opgebouwd uit de volgende hoofdstukken:

  • In hoofdstuk 2 is het relevante ruimtelijke beleid beschreven.

  • In hoofdstuk 3 komen de doelstellingen van het plan aan bod.

  • In hoofdstuk 4 is de juridische planbeschrijving verantwoord.

  • In hoofdstuk 5 is de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan beschreven.

  • In hoofdstuk 6 zijn de bestemmingsprocedure en het bijbehorende communicatieproces opgenomen.

 

 

HOOFDSTUK 2 Beleid

 

2.1 Inleiding

Het beleidskader voor het bestemmingsplan Parkeren 2017 wordt gevormd door het gemeentelijk beleid.

 

2.2 Rijksbeleid

Naast de in paragraaf 1.1 genoemde Reparatiewet BZK 2014 Stb. 2014, 458) zijn ook de CROW-richtlijnen van belang voor het aspect parkeren.

 

CROW-richtlijnen

De naam CROW is oorspronkelijk een afkorting van Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek. Die naam dekte de lading niet meer sinds dat de organisatie een kennisplatform werd. Daarom is CROW niet langer een afkorting, maar een eigennaam. CROW is een non-profit kennispartner voor (decentrale) overheden.

 

Parkeren is al tientallen jaren een belangrijk en een veelbesproken onderwerp in Nederland. Sinds in de jaren zestig, maar vooral de jaren zeventig, het aantal auto’s explosief groeide, zijn we in Nederland druk bezig met het opstellen van beleid om het parkeren van auto’s te reguleren. De parkeerdruk groeide door de jaren heen en het parkeren is een belangrijk onderdeel geworden van het huidige verkeer- en vervoersbeleid.

 

Voor wat betreft de afmetingen van parkeerplaatsen en parkeervakken zijn er door CROW landelijke richtlijnen opgesteld. De gemeente Breda hanteert deze richtlijnen en deze worden bij (stedelijke) ontwikkelingen ook meegegeven aan ontwikkelaar of diens architecten en/of ontwerpers.

 

2.3 Gemeentelijk beleid

 

Structuurvisie Breda 2030

De 'Structuurvisie Breda 2030' (vastgesteld door de gemeenteraad op 26 september 2013) geeft de

gewenste ruimtelijke ontwikkeling tot 2030 weer en biedt een afwegingskader voor onder andere de stedelijke programmering. De Structuurvisie beoogt een stip op de horizon te zetten waar het gaat om de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van Breda tot 2030. Daarnaast is de visie richtinggevend voor de

keuzen die aan de orde zijn voor de korte en middellange termijn. De structuurvisie dient als integrale

basis voor bestemmingsplannen, ontwikkelingsvisies en beleidsdocumenten.

 

Het fundament voor de ontwikkeling van Breda naar 2030 is het ontwikkelen van een compacte,

duurzame stad, waarin ruimte is voor initiatief. De compacte stad koestert haar historie en beseft de

verbondenheid van stedelijk en landelijk gebied. Verstedelijkingsopgaven in het bestaande stedelijk

gebied hebben de voorkeur boven de ontwikkeling van nieuwe buitenstedelijke terreinen. De kracht

van het initiatief staat centraal, burgers, bedrijfsleven en overheid hebben hier allemaal een rol in. De

verschillen in functie en karakter van delen van de stad maken Breda aantrekkelijk voor de diversiteit

aan gebruikers.

 

Consequenties beleid voor voorliggend bestemmingsplan

In onderhavig paraplubestemmingsplan is in het verlengde van het beleid uit de structuurvisie omtrent de compacte stad en de bereikbaarheid daarvan het belang van het aspect parkeren daarin. Voor ontwikkelingen die op grond van de bestemmingsplannen mogelijk zijn geldt in principe dat er voor voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein gezorgd moet worden. De Nota Parkeer en stallingsbeleid geeft hieraan nadere invulling.

 

Nota Parkeer- en stallingsbeleid (2004; herijkt in 2013)

De nota Parkeer- en stallingsbeleid vastgesteld op 21 oktober 2004, beschrijft het beleid op het gebied van parkeren van auto's en het stallen van fietsen. Het parkeerbeleid in Breda levert een bijdrage aan het goed toegankelijk houden van voorzieningen, werk- en woongebieden nu én in de toekomst. Huidige knelpunten worden opgelost en er wordt geanticipeerd op toekomstige ontwikkelingen. Het parkeerbeleid faciliteert de groeiende mobiliteitsbehoefte en is cruciaal voor een goede bereikbaarheid en leefbaarheid van de stad.

 

Gezien het toegenomen autobezit en –gebruik en de ruimtelijke en verkeerskundige gevolgen ervan, zoals bijvoorbeeld overlast van parkeren in de openbare ruimte, onnodig zoekverkeer etc. heeft een actualisatie van de parkeernormen plaatsgevonden in de gemeenteraadsvergadering van 20 juni 2013. De actualisatie heeft betrekking op de hoogte van de parkeernormen en het toevoegen van enkele functies. De nieuwe normen zijn gebaseerd op de laatste inzichten en zijn in overeenstemming met die van vergelijkbare steden.

 

 

HOOFDSTUK 3 Doelstellingen

 

3.1 Inleiding

Dit bestemmingsplan zorgt ervoor dat ook na 1 juli 2018 getoetst kan worden getoetst aan het gemeentelijk parkeerbeleid.

 

Na vaststelling van dit paraplubestemmingsplan wijzigt er juridisch niets. Er wordt nu ook al getoetst aan (de normen uit) het Parkeer en stallingsbeleid. Die toetsing vindt nu plaats via de Bouwverordening of een bestemmingsplan. Met dit plan is er over nagenoeg het gehele grondgebied een uniforme regeling voor het toepassen van de parkeerregels. Verder zijn de planregels zo opgesteld dat via een directe link het parkeerbeleid is te raadplegen. Tevens is in de planregels de mogelijkheid opgenomen om af te wijken van de parkeernormen.

 

 

3.2 Vervallen bouwverordening

Sinds een wetswijziging die per 29 november 2014 in werking trad (kortgezegd de Reparatiewet BZK 2014 Stb. 2014, 458) mogen stedenbouwkundige voorschriften, waaronder regels over de benodigde parkeerruimte, niet meer in de bouwverordening opgenomen. Als een gemeenteraad het stellen van dergelijke regels nodig acht voor een goede ruimtelijke ordening, dient het de benodigde parkeerruimte voortaan in het bestemmingsplan te worden geregeld. In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 mei 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1580) wordt dit bevestigd.

 

Met de Reparatiewet BZK is de grondslag voor stedenbouwkundige voorschriften in de bouw- verordening komen te vervallen. Die grondslag was opgenomen in art. 8 lid 5 Woningwet, dat
nu geschrapt is. Dat bepaalde dat een bouwverordening voorschriften kon bevatten van stedenbouwkundige aard. Ook parkeerregels vallen hier onder, al stond dat niet expliciet in art. 8 lid 5 Woningwet aangegeven. De parkeerregeling is opgenomen in art. 2.5.30 van de bouwverordening en bepaalt kortgezegd dat er voldoende ruimte voor het parkeren van auto’s dient te zijn aangebracht indien de omvang of de bestemming van een gebouw daar aanleiding toe geeft. Gebruikelijk is dat gemeenten verder invulling geven aan deze bepaling door hier parkeerbeleid voor vast te stellen, bijvoorbeeld in een parkeernota. Ook de minimale afmetingen van de parkeerplaatsen staan nu nog in de bouwverordening en worden derhalve in dit parapluplan opgenomen in de planregels.

 

Parkeernota

Vanuit de gemeenten bestond de wens om de mogelijkheid te behouden van een nadere invulling van de parkeerregeling in beleidsregels. Het per 1 november 2014 in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) opgenomen artikel 3.1.2 lid 2 onder a Bro voorziet hierin. Het bepaalt: “Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening kan een bestemmingsplan regels bevatten: a. waarvan de uitleg bij de uitoefening van een daarbij aangegeven bevoegdheid, afhankelijk wordt gesteld van beleidsregels.” De planregel kan op grond hiervan volstaan met een bepaling die verplicht in voldoende parkeerruimte bij een nieuw bouwplan of een functiewijziging. Wat daaronder moet worden verstaan kan dan verder geregeld worden in beleid, zoals de parkeernota. Het is dus niet zo dat het bestemmingsplan parkeernormen moet bevatten.

 

Door het opnemen van deze planregels kan getoetst blijven worden aan het parkeerbeleid en daarmee kan voor wat betreft het thema parkeren gezorgd worden dat er sprake is van een goede ruimtelijke inpassing. Uiteraard dient elk initiatief verder nog getoetst te worden aan de overige regels van het ter plaatse vigerende bestemmingsplan. Zodat er uiteindelijk sprake is van een bredere, integrale toetsing en daarmee een goede ruimtelijke ordening. Tevens krijgt door dit bestemmingsplan het parkeerartikel dezelfde redactie, waarbij wordt aangesloten bij de recente jurisprudentie van de Afdeling.

 

Overgangstermijn

De wetgever heeft de gemeenten de nodige tijd gegund om hun bestemmingsplannen aan te passen aan de wetswijziging. In de Reparatiewet BZK 2014 is een overgangstermijn opgenomen tot 1 juli 2018. In artikel 133 Woningwet is bepaald voor welke situaties de stedenbouwkundige voorschriften in de bouwverordening nog blijven gelden. Voor geldende bestemmingsplannen is artikel 2.5.30 bouwverordening nog tot 1 juli 2018 van toepassing.

 

Dit paraplubestemmingsplan zorgt er voor dat voor het aspect "parkeren" niet alle afzonderlijke bestemmingsplannen gewijzigd hoeven te worden en zorgt ervoor dat ook na 1 juli 2018 getoetst mag worden aan het gemeentelijk parkeerbeleid.

 

Na vaststelling van dit paraplubestemmingsplan wijzigt er juridisch gezien niets. Het plan zorgt er slechts voor dat ook in de nabije toekomst getoetst kan blijven worden aan het gemeentelijk parkeerbeleid. Verder bevordert het parapluplan de vindbaarheid van het parkeerbeleid, de geldende normen en afmetingen. Tevens is aandacht besteed aan de leesbaarheid van de planregels.

 

 

HOOFDSTUK 4 Juridische planbeschrijving

 

4.1 Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de karakteristiek van het paraplubestemmingsplan.
In navolgende paragrafen komt de juridische planbeschrijving aan bod, waarbij allereerst de hoofdopzet van het paraplubestemmingsplan wordt beschreven en daarna de planregels aan bod komen.

 

 

4.2 Standaard vergelijkbare bestemmingsplannen

 

4.2.1 Hoofdopzet

Dit bestemmingsplan bestaat uit een toelichting en plangregels die digitaal gekoppeld wordt aan het plangebied. De planregels vormen het juridisch bindende deel van het paraplubestemmingsplan. De planregels regelen uitsluitend het aspect 'Parkeren'. Het digitale bestemmingsplan is opgesteld volgens de landelijke richtlijnen en standaarden.

 

4.2.2 Indeling

De juridische regeling bestaat uit drie hoofdstukken:

  • Inleidende regels;

  • Algemene regels;

  • Overgangs- en slotregels.

 

Deze volgorde is gebaseerd op in indeling zoals deze is voorgeschreven in de SVBP.

In hoofdstuk 1 ('Inleidende regels') worden de in het bestemmingsplan voorkomende begrippen beschreven, die voor de leesbaarheid en de uitleg van het plan van belang zijn. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. In hoofdstuk 2 ('Algemene regels') wordt ingegaan op het aspect parkeren. Hierbij wordt verwezen naar het gemeentelijke beleid en zijn de minimale afmetingen opgenomen, zoals deze door de CROW in hun richtlijnen worden gadviseerd. Hoofdstuk 3 ('Overgangs- en slotregels') bevat in dit plan alleen de citeertitel van het plan.

 

4.2.3 Voorliggend bestemmingsplan

De basis van het paraplubestemmingsplan is het parkeerbeleid van de gemeente Breda. De doorwerking van dit beleid liep altijd via de bouwverordening, maar door de wetswijzing van
29 november 2014 (kortgezegd de Reparatiewet BZK 2014 Stb. 2014, 458) worden steden- bouwkundige voorschriften, waaronder regels over de benodigde parkeerruimte, niet meer in
de bouwverordening neergelegd. Dit heeft er toe geleid dat in dit paraplubestemmingsplan de doorwerking van het parkeerbeleid opnieuw wordt geregeld.

 

Ook de minimale maatvoering voor parkeervakken werd geregeld in de bouwverordening. Deze voorschriften kunnen niet worden gemist. De verplichting om een bepaald aantal parkeerplaatsen op eigen terrein (of onder eigen dak) aan te brengen zou immers gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door alleen parkeervakken met afmetingen voor het kleinste type personenauto, respectievelijk het grootste type vrachtauto te maken. Voorts is het wenselijk om voor parkeervakken de afwijkende maatvoering vast te leggen van parkeerplaatsen voor bijvoorbeeld rolstoelgebruikers. 

  

Voor de maatvoering is aangesloten bij de “Aanbeveling voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom” (ASVV 2004). Voor langsparkeren zijn daarin afwijkende maten opgenomen, welke thans ook in de bouwverordening zijn opgenomen.

 

HOOFDSTUK 5 Uitvoerbaarheid

 

5.1 Inleiding

Dit hoofdstuk beschrijft de onderdelen die zijn doorlopen voor het zekerstellen van de economische uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond. Er wordt nader ingegaan op de grondexploitatie en de koppeling met het exploitatieplan.

 

 

5.2 Toepassing Grondexploitatiewet

In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom grondexploitatie opgenomen. Centrale doelstelling van deze afdeling is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijke kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij ontwikkeling.
In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen.

 

In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vast moet stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Bij drie ruimtelijke besluiten kan het nodig zijn om een exploitatieplan vast te stellen, namelijk bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of afwijkingsbesluit. Om daadwerkelijk na te kunnen gaan of een exploitatieplan noodzakelijk is, dient beoordeeld te worden of er sprake is van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1. Besluit ruimtelijke ordening (bro). Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is.

 

Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is én er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld. Indien de kosten minder dan € 10.000,- bedragen, kan ervoor gekozen worden deze middels andere wijze dan een exploitatieplan te verhalen.

 

Het onderhavige bestemmingsplan Parkeren 2017 maakt als zodanig geen bouwplan(nen), zoals bedoeld in artikel 6.2.1. Besluit ruimtelijke ordening (bro) mogelijk. Ook is er geen sprake van locatie-eisen. Derhalve hoeft er geen exploitatieplan te worden opgesteld.

 

 

 

HOOFDSTUK 6 Communicatie

 

6.1 Inleiding

In het bestemmingsplanproces bestaan diverse mogelijkheden tot communicatie. De voor dit voorliggende bestemmingsplan relevante communicatie wordt in dit hoofdstuk belicht.

 

6.2 Procedure en communicatie

 

6.2.1 Vooroverleg

Er heeft vooroverleg plaatsgevonden. Dit ontwerpbestemmingsplan is opgestuurd naar:

  1. Provincie Noord-Brabant;

  2. Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT).

De reacties van deze instanties worden in deze paragraaf samengevat en beantwoord. De uitkomsten van het overleg worden verwerkt in het bestemmingsplan.

 

De provincie Noord-Brabant heeft bij brief van 18 september 2017 laten weten dat het voorontwerp geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen.

 

6.2.2 Zienswijzen

Met de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan (voor de duur van zes weken) is de formele vaststellingsprocedure gestart. Gedurende de periode van de terinzagelegging kan iedereen schriftelijk of mondeling zienswijzen tegen het plan inbrengen. De zienswijzen worden samengevat en van commentaar voorzien. Deze zienswijzen zullen worden beoordeeld op het feit of, en zo ja, in hoeverre het ontwerp aanpassing behoeft. Vervolgens zal het college de raad voorstellen het bestemmingsplan al dan niet gewijzigd vast te stellen.

 

6.2.3 Beroep

Na vaststelling wordt het plan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.