Regels
Bestemmingsplan
Oude Molen


Hoofdstuk 3 Algemene regels

 

Artikel 14 Anti-dubbeltelregel

Grond welke eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

 

Artikel 15 Algemene bouwregels

 

15.1 Bescherming van het plan

 

15.1.1 Geen bouwwerk mag worden opgericht, indien hierdoor op enig terrein of bouwperceel een toestand zou ontstaan waardoor aan deze regels niet langer meer zou worden voldaan, dan wel een reeds bestaande afwijking van deze regels zou worden vergroot.

 

15.2 Bestaande maten

Met betrekking tot bestaande maten gelden de volgende regels:

  1. de bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden;

  2. de bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen die minder bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten minste toelaatbaar worden aangehouden;

  3. in geval van (her) oprichting is dit lid onder a en b uitsluitend van toepassing, indien de (her) oprichting op dezelfde plaats plaatsvindt;

  4. met toepassing van het bepaalde onder a en b worden de daar genoemde afwijkingen geacht in overeenstemming te zijn met het bestemmingsplan; op deze afwijkingen is het overgangsrecht bouwwerken als bedoeld in Artikel 19 niet van toepassing.

 

15.3 Bouwgrenzen

 

15.3.1 De bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen in afwijking van aanduidingsgrenzen, maatvoeringsaanduidingen en bestemmingsregels worden overschreden door:

  1. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits de overschrijding niet meer dan 2,5 meter bedraagt;

  2. tot gebouwen behorende erkers en serres, mits de overschrijding niet meer dan 2,5 meter bedraagt;

  3. andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer dan 1,5 meter bedraagt;

  4. antennes, kunstwerken, lichtmasten, vlaggenmasten tot een bouwhoogte van 10 meter.

 

15.4 Percentages

Een in een maatvoeringsaanduiding aangegeven percentage geeft aan hoeveel van het bouwperceel ten hoogste mag worden bebouwd met gebouwen en overkappingen. Bij het ontbreken van een percentage mag het bouwvlak volledig worden bebouwd, tenzij in hoofdstuk 2 anders is geregeld.

 

Artikel 16 algemene aanduidingsregels

 

16.1 Veiligheidszone- bevi

 

16.1.1 Bouwregels

Op de gronden, ter plaatse van de aanduiding “veiligheidszone-bevi”, zijn geen beperkt kwetsbare objecten en kwetsbare objecten toegestaan.

16.1.2 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 16.1.1 ten behoeve van bouwwerken als bedoeld in lid 16.1.1 met inachtneming van de volgende voorwaarden:

a. het bouwwerk brengt enkel een beperkte toename van de normering van het groepsrisico met zich mee;

b. vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de milieudeskundige over het onder in lid a gestelde.

16.1.3 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de in lid 16.1 bedoelde aanduiding te laten vervallen indien uit milieu onderzoek is gebleken dat er geen sprake meer is van een veiligheidszone- bevi, danwel dat de hinder veroorzakende activiteiten zijn gestaakt.

 

16.2 Veiligheidszone- lpg

 

16.2.1 Bouwregels

Op de gronden, ter plaatse van de aanduiding “veiligheidszone-lpg”, zijn geen beperkt kwetsbare objecten en kwetsbare objecten toegestaan.

16.2.2 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 16.2.1 ten behoeve van bouwwerken als bedoeld in lid 16.2.1 met inachtneming van de volgende voorwaarden:

a. het bouwwerk brengt enkel een beperkte toename van de normering van het groepsrisico met zich mee;

b. vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de milieudeskundige over het onder in lid a gestelde.

16.2.3 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de in lid 16.2 bedoelde aanduiding te laten vervallen indien uit milieu onderzoek is gebleken dat er geen sprake meer is van een veiligheidszone- lpg, danwel dat de hinder veroorzakende activiteiten zijn gestaakt.

 

Artikel 17 Algemene afwijkingsregels

 

17.1 Algemene afwijkingsregels

 

17.1.1 Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels van het plan voor:

  1. de bouw ten dienste van het openbaar nut van:

    1. niet voor bewoning bestemde gebouwen ten dienste van het openbaar nut waarbij de inhoud ten hoogste 75 m3 en de goothoogte ten hoogste 2.25 meter mag bedragen, gasdrukregel- en gasdrukmeetstations uitgezonderd;

    2. andere bouwwerken, zoals standbeelden, uitingen van kunst en dergelijke tot een maximale hoogte van 10 meter.

Bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de omgevingsvergunning dient in de belangenafweging eveneens te worden gelet op de effecten met betrekking tot de verkeersveiligheid (voldoende ruimte voor voetgangers en / of bedienend verkeer);

  1. het in geringe mate aanpassen van het plan, zoals een bouwgrens, indien bij definitieve uitmeting of verkaveling blijkt, dat deze nadere regel of aanpassing in het belang van een juiste verwerkelijking van het plan redelijk gewenst of noodzakelijk is, waarbij de grenzen met niet meer dan 2 m mogen worden verschoven;

  2. het afwijken van de voorgeschreven maatvoeringen voor bouwwerken, indien in verband met ingekomen bouwplannen deze wijzigingen nodig zijn, waarbij van de maatvoeringen met ten hoogste 10% mag worden afgeweken; met betrekking tot deze omgevingsvergunning geldt, dat:

    1. geen onevenredige afbreuk mag worden gedaan aan de stedenbouwkundige hoofdopzet;

    2. die omgevingsvergunning slechts mag worden toegepast op primaire bouwnormen (normen welke "als recht" zijn toegestaan); cumulatieve toepassing van deze regel op een eerder verleende omgevingsvergunning ten aanzien van de bouwnorm is niet toegestaan;

  3. het oprichten van andere bouwwerken voor telecommunicatiedoeleinden:

    1. met een hoogte van ten hoogste 40 meter;

    2. met een hoogte van ten hoogste 10 meter meer dan de toegestane hoogte van bouwwerken indien het bouwwerk op een gebouw wordt geplaatst;

met dien verstande dat door de omgevingsvergunning voor het bepaalde onder 1 en 2 geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de stedenbouwkundige hoofdopzet ter plaatse. Bij het verlenen van omgevingsvergunning kunnen door het bevoegd gezag voorwaarden en / of (nadere) eisen worden gesteld aan de stedenbouwkundige inpassing en/of de combinatie van aanbieders van telecomdiensten op masten;

  1. het oprichten van andere bouwwerken van geringe oppervlakte, zoals antenne installaties, vlaggenmasten, windmolens, verlichtingsarmaturen en voorzieningen ten dienste van het ontvangen en zenden van radio en televisiesignalen, tot een bouwhoogte van ten hoogste 15 meter.

 

Artikel 18 Algemene wijzigingsregels

 

18.1 Algemene wijzigingsregels

 

18.1.1 Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen, indien de wijziging betrekking heeft op:

  1. het oprichten van transformatorhuisjes, gemaalgebouwtjes en andere nutsgebouwtjes met een inhoud van ten hoogste 150 m3 en een goothoogte van ten hoogste 3 m, welke in het kader van de nutsvoorzieningen nodig zijn, zulks voor zover deze op grond van het bepaalde in artikel 17.1.1a, niet kunnen worden gebouwd;

  2. een enigszins andere situering en / of begrenzing van de bestemmingsgrenzen, bestemmingsvlakken, bouwpercelen, dan wel bouwvlak, indien bij de uitvoering van het plan mocht blijken, dat verschuivingen in verband met ingekomen bouwaanvragen nodig zijn ter uitvoering van een bouwplan, mits de oppervlakte van het betreffende bouwperceel, dan wel bouwvlak niet meer dan 10% zal worden gewijzigd;

  3. het wijzigen van het plan in die zin dat bouwwerken welke op grond van nader onderzoek, cultuurhistorische waarde bezitten waarbij handhaving, versterking en / of herstel van die waarde gerechtvaardigd wordt geacht; voor de hier bedoelde bebouwing geldt alsdan dat de op het tijdstip van het wijzigingsbesluit bestaande grondoppervlakte, goothoogte, dakhelling en / of hoogte niet mag worden gewijzigd, behoudens afwijking;

  4. het afwijken van de voorgeschreven maatvoeringen voor bouwwerken, indien in verband met ingekomen bouwplannen deze wijzigingen nodig zijn, waarbij van de maatvoeringen met ten hoogste 30% mag worden afgeweken, op voorwaarde, dat geen onevenredige afbreuk mag worden gedaan aan de stedenbouwkundige hoofdopzet; de wijzigingsbevoegdheid slechts mag worden toegepast op primaire bouwnormen (normen welke "als recht" zijn toegestaan); cumulatieve toepassing van deze regel op een eerder verleende ontheffing en / of wijzigingsregel ten aanzien van de bouwnorm is niet toegestaan.

 

18.2 Wro-zone Wijzigingsgebied

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening, de bestemming ter plaatse van de aanduiding “WRO-zone wijzigingsgebied” te wijzigen in de bestemming Bedrijf, met inachtneming van de volgende voorwaarden:

a. planwijziging is gericht op herstructurering en versterking van de ruimtelijk- functionele kwaliteit van de locatie, door een integrale aanpak met het aanliggende deel;

b. de bouwregels van artikel 3 Bedrijf zijn van toepassing;

c. er dient in voldoende mate te worden voorzien in benodigde parkeergelegenheid op eigen terrein;

d.  vooraf dient inzicht in de milieuaspecten te zijn verkregen, tenzij anders uit onderzoek is aangetoond zijn bedrijven tot categorie 2 zoals opgenomen in de bijlage van dit bestemmingsplan gevoegde Staat van Bedrijfsactiviteiten maximaal toegestaan; 

e.  vooraf dient advies te worden ingewonnen bij het Waterschap.