5.5 Wijzigingsbevoegdheid
5.5.1 Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming Gemengd II te wijzigen in de bestemming Verkeer, met inachtneming van de volgende voorwaarden:
-
aangetoond dient te zijn dat wijziging noodzakelijk is voor de realisering van het gemeentelijk beleid inzake verkeersstructuur, groenstructuur en / of de aanpassing van de ondergrondse infrastructuur alsmede voor versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de openbare ruimte;
-
planwijziging wordt niet toegepast indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming Gemengd II gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken;
-
een besluit tot wijziging mag niet eerder worden genomen dan nadat is gebleken dat de bodemkwaliteit ter plaatse geschikt is voor de beoogde functie.
Artikel 6 Groen (G)
6.1 Bestemmingsomschrijving
6.1.1 De voor Groen aangewezen gronden zijn bestemd voor:
-
(openbaar) groen, plantsoen en andere groenvoorzieningen;
-
speelvoorzieningen;
-
waterpartijen;
-
kunstobjecten;
-
voet- en fietspaden;
-
ontsluitingspaden ten behoeve van de aangrenzende bestemmingen met de daarbij behorende andere bouwwerken.
6.2 Bouwregels
6.2.1 Op de in artikel 6.1.1.bedoelde gronden mogen uitsluitend andere bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, waaronder begrepen staatmeubilair, met dien verstande dat:
-
de bouwhoogte van speelvoorzieningen mag ten hoogste 6 meter bedragen;
-
de bouwhoogte van kunstobjecten mag ten hoogste 15 meter bedragen;
-
de bouwhoogte van andere bouwwerken niet meer mag bedragen dan 3 meter.
Artikel 7 Maatschappelijk (M)
7.1 Bestemmingsomschrijving
7.1.1 De voor Maatschappelijk aangewezen gronden zijn bestemd voor:
-
maatschappelijke voorzieningen met de daarbij behorende gebouwen, andere bouwwerken en voorzieningen;
-
overige bij bedrijven bijbehorende voorzieningen zoals ontsluitingswegen, boven- en ondergrondse parkeervoorzieningen, groen en water.
7.2 Bouwregels
7.2.1 Op de in artikel bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de in dat artikel bedoelde bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat:
-
de gebouwen uitsluitend mogen worden opgericht binnen het bouwvlak;
-
de goothoogte en / of bouwhoogte van de hoofdgebouwen niet meer mag bedragen dan ter plaatse van de aanduiding "maximale goot- en bouwhoogte" respectievelijk "maximale bouwhoogte" aangegeven;
-
het bebouwingspercentage per bouwvlak niet meer mag bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘bebouwingspercentage’ is aangegeven; indien geen bebouwingspercentage is opgenomen mag het bouwvlak volledig worden bebouwd;
-
de hoogte van andere bouwwerken niet meer mag bedragen dan 3 meter;
-
er geen (inpandige) dienstwoning is toegestaan;
-
in de eigen parkeerbehoefte op het perceel dient te worden voorzien.
Artikel 8 Tuin (T)
8.1 Bestemmingsomschrijving
8.1.1 De voor Tuin aangewezen gronden zijn bestemd voor:
-
tuinen bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen, met de daarbij behorende bouwwerken;
-
erkers;
-
bijbehorende voorzieningen zoals ontsluitingswegen, boven- en ondergrondse parkeervoorzieningen, groen en water.
8.2 Bouwregels
8.2.1 Op de in artikel bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de in dat artikel bedoelde bestemmingen worden gebouwd, met dien verstande dat:
-
een erker aan de oorspronkelijke voor- of zijgevel van het hoofdgebouw mag worden gebouwd, waarbij:
-
de diepte gemeten uit de voor- of zijgevel niet meer mag bedragen dan 1,5 meter;
-
de afstand tot de openbare weg niet minder mag bedragen dan 2 meter;
-
de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 0,25 meter boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw;
-
de bouwhoogte van erfafscheidingen grenzend aan openbaar gebied niet meer mag bedragen dan 1 meter;
-
de bouwhoogte van erfafscheidingen elders niet meer mag bedragen dan 2 meter;
-
de bouwhoogte van overige andere bouwwerken niet meer mag bedragen dan 3 meter.
Artikel 9 Verkeer (V)
9.1 Bestemmingsomschrijving
9.1.1 De voor Verkeer aangewezen gronden zijn bestemd voor:
-
een gebiedsontsluitingsweg bestaande uit ten hoogste twee rijbanen;
-
wegen deel uitmakend van een verblijfsgebied bestaande uit ten hoogste twee rijstroken;
-
groenvoorzieningen;
-
speelvoorzieningen;
-
kunstobjecten;
-
waterpartijen;
-
boven- en ondergrondse parkeervoorzieningen;
-
voet- en fietspaden;
-
andere verkeersvoorzieningen met de daarbij behorende bouwwerken, waaronder begrepen geluidwerende voorzieningen.
9.2 Bouwregels
9.2.1 Op de in artikel bedoelde gronden mogen uitsluitend andere bouwwerken ten dienste van de in dat artikel bedoelde bestemmingen, waaronder begrepen straatmeubilair en geluidafschermende voorzieningen, worden gebouwd, met dien verstande dat:
-
de bouwhoogte van speelvoorzieningen ten hoogste 6 meter mag bedragen;
-
de bouwhoogte van kunstobjecten ten hoogste 15 meter mag bedragen;
-
de bouwhoogte van andere bouwwerken mag ten hoogste 3 meter bedragen.
9.3 Wijzigingsbevoegdheid
9.3.1 Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming Verkeer te wijzigen in de bestemming Wonen of de bestemming Tuin met de bedoeling percelen en of perceelsgedeelten behorende bij woningen te kunnen vergroten in het kader van de uitgifte van openbare ruimte, met inachtneming van de volgende voorwaarden:
-
aangetoond dient te worden dat de uit te geven openbare ruimte geen structurele betekenis heeft voor de verkeersafwikkeling en/of groenstructuur;
-
door de toevoeging bij een woonperceel mogen geen verkeersonveilige situaties ontstaan of worden vergroot.
Artikel 10 Water (WA)
10.1 Bestemmingsomschrijving
10.1.1 De voor Water aangewezen gronden zijn bestemd voor:
-
waterhuishouding, waterberging, watergangen, groenvoorzieningen, met daarbij behorende bouwwerken en kunstwerken;
-
ter plaatse van de aanduiding “verkeer”: tevens verkeer.
10.2 Bouwregels
10.2.1 Op de in artikel bedoelde gronden mogen uitsluitend andere bouwwerken ten dienste van de in dat artikel bedoelde bestemmingen worden gebouwd met dien verstande dat:
-
de bouwhoogte van andere bouwwerken niet meer mag bedragen dan 3 meter.
10.3 Afwijken van de bouwregels
10.3.1 Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel ten behoeve van andere bouwwerken die hoger zijn dan 3 m en voor gebouwen, met inachtneming van de volgende voorwaarden:
-
het belang van de waterhuishouding met betrekking tot de waterkwaliteit en waterkwantiteit niet onevenredig wordt aangetast en
-
vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de waterbeheerder omtrent de vraag of door de voorgenomen activiteit het belang van de waterhuishouding niet onevenredig wordt aangetast en welke voorwaarden aan de afwijking moeten worden gesteld.
10.4 Aanlegvergunning
10.4.1 Aanlegverbod zonder vergunning
Het is verboden op gronden, welke bestemd zijn als “Water”, zonder of in afwijking van een schriftelijke aanlegvergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, te doen of laten uitvoeren:
-
het aanleggen of aanbrengen van beschoeiingen en puinstortingen;
-
het graven of dempen van waterpartijen en het afdammen van waterpartijen;
-
boringen te verrichten, seismisch of ander bodemonderzoek te doen;
-
het wijzigen van het waterpeil.
10.4.2 Uitzonderingen op het aanlegverbod
Het in artikel 10.4.1 genoemde verbod is niet van toepassing op:
-
werken en werkzaamheden binnen het kader van het op de bestemming gerichte normale onderhoud en beheer;
-
werken en werkzaamheden die ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan in uitvoering waren.
10.4.3 Voorwaarden voor een aanlegvergunning
Een vergunning als bedoeld in artikel 10.4.1 is slechts toelaatbaar indien door de werken of werkzaamheden het waterstaatsbelang niet onevenredig wordt geschaad.
10.4.4 Adviesprocedure aanlegvergunningen
Alvorens te beslissen over een vergunning als bedoeld in artikel 10.4.1 wordt door burgemeester en wethouders schriftelijk advies ingewonnen bij de waterbeheerder.
Artikel 11 Wonen (W)
11.1 Bestemmingsomschrijving
11.1.1 De voor Wonen aangewezen gronden zijn bestemd voor:
-
wonen in een woning;
-
overige bij wonen behorende voorzieningen, zoals behorende bouwwerken, paden, tuinen, boven- en ondergrondse parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, erven, water en nutsvoorzieningen.
11.2 Bouwregels
Op de in artikel 11.1.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de in dat artikel bedoelde bestemmingen worden gebouwd, met dien verstande dat:
11.2.1 Hoofdgebouwen
-
de hoofdgebouwen uitsluitend mogen worden opgericht binnen het bouwvlak;
-
ter plaatse van de aanduiding “vrijstaand” zijn uitsluitend vrijstaande woningen toegestaan;
-
ter plaatse van de aanduiding “twee-aaneen” zijn zowel vrijstaande als twee-aaneengebouwde woningen toegestaan;
-
ter plaatse van de aanduiding “aaneengebouwd” zijn zowel vrijstaande, twee-aaneengebouwde en aaneengebouwde woningen toegestaan;
-
ter plaatse van de aanduiding "minimum aantal bouwlagen -2" moeten minimaal 2 bouwlagen worden gerealiseerd;
-
de goothoogte en / of bouwhoogte van de hoofdgebouwen niet meer mag bedragen dan ter plaatse van de aanduiding "maximale goot- en bouwhoogte" respectievelijk "maximale bouwhoogte" aangegeven;
-
de hoofdgebouwen mogen worden afgedekt met een kap;
-
de hoofdgebouwen dienen een dakhelling van minimaal 12 graden en maximaal 45 graden te bedragen;
-
de afstand van de voorgevel tot het naar de weg gekeerde bouwperceelsgrens moet tenminste 5 meter bedragen;
-
de gezamenlijke oppervlakte van beroepsmatige werkruimten in woningen niet meer mag bedragen dan 30% van de woning tot een maximum van 50 m²;
11.2.2 Bijgebouwen
-
Ter plaatse van de aanduiding “erf" mogen bijgebouwen, aanbouwen, uitbouwen en overkappingen worden opgericht, tevens ten behoeve van de in het bouwvlak al dan niet specifiek aangeduide functies waarbij:
-
de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen, aanbouwen, uitbouwen, en overkappingen niet meer dan 50% van de als “erf” aangeduide gronden mag bedragen, de gronden met de aanduiding “specifieke vorm van wonen - garageboxen” hiertoe niet meegerekend, tot een gezamenlijke oppervlakte van ten hoogste 75 m²;
-
de goothoogte van een aan- of uitbouw of aangebouwde overkapping mag ten hoogste 0,25 meter hoger zijn dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw, tot een maximum van 4 meter;
-
de bouwhoogte van een aan- of uitbouw, bijgebouw, of overkapping mag niet meer bedragen dan 5 meter;
-
de goothoogte van een bijgebouw of vrijstaande overkapping mag niet meer bedragen dan 3 meter;
-
voor zover de gebouwen worden afgedekt met een kap, de dakhelling ten hoogste 45° mag bedragen;
-
bijgebouwen moeten worden geplaatst op een afstand van minimaal 3 meter gemeten vanaf de voorgevel van woning of de in het verlengde daarvan te trekken lijn;
-
ter plaatse van de gronden met de aanduiding “vrijstaand”:
-
de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens niet minder mag bedragen dan 3 meter;
11.2.3 Andere bouwwerken
-
andere bouwwerken zowel binnen als buiten het bouwvlak mogen worden gebouwd;
-
de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer mag bedragen dan:
-
op gronden voor de naar een openbare weg gekeerde gevel 1 meter;
-
ten behoeve van nutsvoorzieningen: 2,5 meter;
-
voor het overige 2 meter;
-
de bouwhoogte van lichtmasten mag niet meer bedragen dan 6 meter;
-
de bouwhoogte van overige andere bouwwerken, gelegen achter de naar een openbare weg gekeerde gevel, niet meer mag bedragen dan 3 meter.
11.3 Afwijken van de bouwregels
11.3.1 Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde
-
uitsluitend ontheffing wordt verleend voor het uitoefenen van bedrijfsactiviteiten in de categorie 2 zoals genoemd in de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten (opgenomen als bijlage) of, indien zij niet voorkomen in die lijst (qua milieuplanologische hinder), gelijkwaardig zijn aan de in categorie 1 of 2 genoemde bedrijfsactiviteiten;
-
de gezamenlijke oppervlakte van bedrijfsmatige en/of beroepsmatige werkruimten mag niet meer bedragen dan 30% van de vloeroppervlakte van de woning tot een maximum van 50 m2;
-
de woonfunctie dient in overwegende mate behouden te blijven;
-
het gebruik geen onevenredige hinder voor het woon- en leefmilieu mag opleveren en geen onevenredige afbreuk doen aan het woonkarakter van de wijk of buurt;
-
het gebruik een kleinschalig karakter heeft en zal behouden;
-
het gebruik naar aard met het karakter van de omgeving in overeenstemming moet zijn;
-
degene die de beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten verricht tevens de gebruiker van de woning is;
-
de activiteiten geen publieksgericht karakter mogen hebben waarbij de verkeersafwikkeling nadelig wordt beïnvloed;
-
er dient te worden voorzien in de eigen parkeerbehoefte op het perceel;
-
er geen detailhandel wordt uitgeoefend, tenzij dit een normaal en ondergeschikt onderdeel van de bedrijfsvoering betreft.
11.3.2
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 11.2.2a1, tot een gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen en aan- en uitbouwen tot ten hoogste 100m2, mits het bij de woning behorende erf voor niet meer dan 50 % wordt bebouwd.
11.4 Afwijken van de gebruiksregels
11.4.1 Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel ten behoeve van bijzondere woonvormen en/of kamerverhuur, met inachtneming van de volgende voorwaarden:
-
er dient sprake te zijn van een woonvorm die verwantschap heeft met bewoning door een gezin of een vorm van een vast samenlevingsverband, met dien verstande dat de samenstelling van personen mag wisselen;
-
bedoeld gebruik mag geen onevenredige hinder voor het woon- en leefmilieu opleveren en geen onevenredige afbreuk doen aan het woonkarakter van de omgeving, waarbij aangetoond dient te worden dat de betreffende woonvorm geen beperking tot gevolg heeft voor het woongenot van aangrenzende woonpercelen en overconcentratie dient te worden voorkomen;
-
er dient te worden voorzien in een adequate ontsluiting en afwikkeling van autoverkeer en toereikende parkeergelegenheid voor personeel en bezoekers;
-
vast dient te staan dat het gebruik een kleinschalig karakter heeft en zal behouden;
-
bij kamerverhuur kan uitsluitend ontheffing worden verleend voor bewoning door maximaal 4 personen per woning.
Artikel 12 Leiding - Gas
12.1 Bestemmingsomschrijving
De voor "Leiding-Gas" aangewezen gronden zijn, ter plaatse van de aanduiding "hartlijn Leiding-Gas" en binnen een afstand van 4 meter aan weerszijden van de aanduiding, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de aanleg en instandhouding van een gasleiding en de belangen van de gasleiding bestaande uit een ongestoorde nuts- en energievoorziening en de veiligheid.
12.2 Bouwregels
Op de in lid 12.1 bedoelde gronden zijn bouwwerken ten behoeve van de overige voor deze gronden geldende regels niet toegestaan, met uitzondering van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals meet- en regelkasten, die noodzakelijk zijn voor een doelmatig beheer van de aangegeven leiding.
12.3 Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 12.2 ten behoeve van bouwwerken, met inachtneming van de volgende voorwaarden:
a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het doelmatig functioneren van leidingen en de veiligheid daarvan;
b. vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de beheerder van de betrokken leidingen omtrent het onder in lid a gestelde.
12.4 Specifieke gebruiksregels
De bestemming “Leiding -Gas” alsmede de voorschriften onder 12.2. en 12.3 zijn slechts van toepassing indien en voor zover de aangeduide leiding in functie is.
12.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
12.5.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning (omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden) op de in artikel 12.2 bedoelde gronden de volgende andere-werken uit te voeren:
a. het aanleggen of verharden van wegen, rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
b. het uitvoeren van graafwerkzaamheden;
c. het uitvoeren van heiwerken of het anderszins indringen van voorwerpen;
d. het aanbrengen van diepwortelende beplanting en/of bomen;
e. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging;
f. het vellen of rooien van houtgewas;
g. het graven van sloten en het leggen van (drainage)leidingen;
h. het ontginnen, ontgronden, bodemverlagen of afgraven, ophogen en/of legaliseren;
i. het permanent opslaan van goederen waaronder ook begrepen het opslaan van afvalstoffen.
12.5.2 voorwaarden voor een aanlegvergunning
Een vergunning als bedoeld in lid 12.5. is slechts toelaatbaar indien daardoor de belangen in verband met de leiding niet worden geschaad.
12.5.3 Uitzonderingen op het aanlegverbod
Het onder 12.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke worden uitgevoerd in het kader van het normale onderhoud en beheer van de aanwezige leiding.
12.5.4 Adviesprocedure aanlegvergunning
Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 11.5 wordt door burgemeester en wethouders schriftelijk advies ingewonnen bij de leidingbeheerder.
Artikel 13 Waarde - Archeologie
13.1 Bestemmingsomschrijving
De voor Waarde - Archeologie aangewezen gronden, zijn behalve voor de ander daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud van de aan deze gronden eigen zijnde archeologische waarde.
13.2 Bouwregels
Op de in lid 13.1 bedoelde gronden zijn bouwwerken ten behoeve van de overige voor deze gronden geldende regels toegestaan.
13.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
13.3.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning (omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden) de volgende andere werken en / of werkzaamheden uit te voeren of te doen uitvoeren dieper dan 0,5 meter en over een oppervlakte groter dan 100 m2:
-
het ophogen, egaliseren en ontginnen van gronden;
-
het bodemverlagen of afgraven van gronden;
-
het aanleggen of verharden van wegen, rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
-
het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie, of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur (voorzover geen bouwwerken zijnde);
-
het graven of dempen van sloten, watergangen en vijvers.
13.3.2 Het bepaalde in artikel 13.3.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden welke uit een oogpunt van het te beschermen archeologische waarde van onder-geschikte betekenis zijn.
13.3.3 Het bepaalde in artikel is niet van toepassing op werken of werkzaamheden welke uit een oogpunt van het te beschermen archeologische waarde van ondergeschikte betekenis zijn.
13.3.4 Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 13.3.1 wordt door het bevoegd gezag schriftelijk advies ingewonnen bij de stadsar-cheoloog van de gemeente Bergen op Zoom.
13.3.5 Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 13.3.1 wordt door het bevoegd gezag schriftelijk advies ingewonnen bij de stadsarcheoloog van de gemeente Bergen op Zoom
13.4 Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, na overleg met de stadsarcheoloog van de gemeente Bergen op Zoom, de in lid 13.1 bedoelde bestemming te laten vervallen indien uit onderzoek is gebleken dat, hetzij door archivering van de aanwezige waarden, het zij anderszins, geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn die handhaving van de bestemming rechtvaardigen.