Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Waterpark Veerse Meer 2020
Status: voorontwerp
Plan identificatie: NL.IMRO.0687.BPBGMWVMEER2020-VO01

Regels

1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 Bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0687.BPBGMWVMEER2020-VO01 met de bijbehorende regels (en eventuele bijlagen).

1.2 Plan:

het bestemmingsplan 'Waterpark Veerse Meer 2020' met identificatienummer 'NL.IMRO.0687.BPBGMWVMEER2020-VO01' van de Gemeente Middelburg.

1.3 Verbeelding:

de analoge en digitale voorstelling van de in het plan opgenomen digitale ruimtelijk informatie met nummer NL.IMRO.0687.BPBGMWVMEER2020-VO01.

1.4 Aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.5 Aanduidingsgrens:

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.6 Aanlegplaats:

een voorziening waar een pleziervaartuig vastgemaakt kan worden aan de wal voor een beperkte periode, waarbij overnachting in het (plezier)vaartuig is uitgesloten.

1.7 Ander bouwwerk:

een bouwwerk, geen gebouw zijnde.

1.8 Ander werk:

een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid.

1.9 Appartement:

het geheel van bij elkaar behorende vertrekken als afzonderlijke woongelegenheid in een groter gebouw.

1.10 Bebouwd oppervlak:

de buitenwerks gemeten oppervlakte van een gebouw en/of bouwwerk.

1.11 Bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

1.12 Bedrijfswoning:

een woning in of bij een gebouw, die hoort bij en functioneel gebonden is aan een bedrijf, instelling of voorziening en bedoeld is voor (het huishouden van) één of meerdere personen.

1.13 Bestaand gebruik:

het op het tijdstip van het inwerking treden van het plan aanwezige gebruik.

1.14 Bestaande bouwwerken:

een bouwwerk dat op het moment van inwerkingtreding van het plan bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd, krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan is ingediend, tenzij in de regels anders is bepaald.

1.15 Bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak.

1.16 Bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.17 Bevoegd gezag:

bevoegd gezag als bedoeld in artikel 2.4 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

1.18 Bijbehorend bouwwerk:

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op de grond staand gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.

1.19 Bijgebouw:

een, al dan niet vrijstaand, gebouw dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw en niet gebruikt mag worden voor bewoning.

1.20 Bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een standplaats.

1.21 Bouwgrens:

de grens van een bouwvlak.

1.22 Bouwlaag:

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder.

1.23 Bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende, bebouwing is toegelaten.

1.24 Bouwperceelgrens:

een grens van een bouwperceel.

1.25 Bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

1.26 Bouwwerk:

een constructie van enige omvang, direct of indirect of indirect met de aarde verbonden.

1.27 Buitenopslag:

het opslaan, of opgeslagen houden van voorwerpen, stoffen of producten en andere materialen op de onbebouwde gronden van de percelen, daaronder mede begrepen de uitstalling ten verkoop, verhuur en dergelijke.

1.28 Centraal bedrijfsmatige exploitatie:

een wijze van exploiteren waarbij de exploitatie en beheer van het hele verblijfsrecreatiegebied uitgevoerd wordt door één exploitant.

1.29 Coffeeshop:

een horecabedrijf, dat tot doel heeft het verstrekken van niet-alcoholische dranken voor consumptie ter plaatse, met eventueel als nevenactiviteit het verstrekken van kleine etenswaren, al dan niet ter plaatse bereid, en van verdovende en/of hallucinogene stoffen als bedoeld in bijlage II van de Opiumwet.

1.30 Dagrecreatie:

een vorm van recreatie waaronder begrepen activiteiten ter ontspanning in de vorm van sport, spel, toerisme en educatie, waarbij overnachting is uitgesloten.

1.31 Dagrecreatieve voorziening:

voorzieningen ten behoeve van vormen van dagrecreatie, die niet gericht zijn op het verstrekken van nachtverblijf.

1.32 Dak:

iedere bovenbeëindiging van een gebouw of bouwwerk.

1.33 Detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen, die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps– of bedrijfsactiviteit.

1.34 Eerste bouwlaag:

de bouwlaag op de begane grond.

1.35 Eerste verdieping:

de tweede bouwlaag van een hoofdgebouw, een souterrain of kelder niet daaronder begrepen.

1.36 Erf:

al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden.

1.37 Erfafscheiding:

een gebouwde afscheiding die op een grens tussen twee erven is geplaatst.

1.38 Erfgrens:

de grens van een erf.

1.39 Evenement:

elke voor publiek buiten de daarvoor ingerichte inrichtingen toegankelijke festiviteit, grootschalige sportwedstrijd, auto- of motorcrosswedstrijd, optocht, georganiseerd vuurwerk en alle overige tot vermaak en recreatie bedoelde activiteiten, met uitzondering van markten als bedoeld in de Gemeentewet, kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen, en betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

1.40 Extensieve dagrecreatie:

een extensief dagrecreatief medegebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan, zoals wandelen, fietsen, paardrijden, kanoën, de aanleg van een vis- of picknickplaats, of een naar de aard daarmee gelijk te stellen medegebruik.

1.41 Gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.42 Gebruiken:

gebruiken, het doen gebruiken, laten gebruiken en in gebruik geven.

1.43 Groenvoorziening:

een park of plantsoen of bij de gemeente in onderhoud zijnde groenstroken, grasperken of bloembakken.

1.44 Grootschalige detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, hieronder begrepen uitstalling ter verkoop, het verkopen en/of leveren van volumineuze goederen voor gebruik, verbruik of aanwending, anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. Onder volumineuze goederen wordt verstaan goederen die per eenheid een groot vloer- en/of grondoppervlak nodig hebben, zoals meubelen, auto’s, keukens, badkamers, boten, caravans, grove bouwmaterialen en landbouwwerktuigen en uit dien hoofde moeilijk inpasbaar zijn in een traditioneel winkelgebied.

1.45 Growshop:

een detailhandelsvestiging waarin de hoofdactiviteit of een van de activiteiten wordt gevormd door de handel in artikelen ten behoeve van het kweken van cannabis (binnenshuis, niet voor beroepsmatige teelt). Een growshop verkoopt onder meer verwarming- en watersystemen, verlichting, kweekpotten, aarde en meststoffen ten behoeve van het kweken van cannabis.

1.46 Hoofdgebouw:

een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie en/of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste bouwwerk is aan te merken.

1.47 Horeca:

het bedrijfsmatig verstrekken van voedsel en dranken en het bedrijfsmatig exploiteren van zaalaccommodatie.

1.48 Jachthaven:

een natuurlijk of ingegraven waterbekken met de daarbij behorende grond waar overwegend gelegenheid wordt gegeven voor het aanleggen, afmeren of aangemeerd houden van pleziervaartuigen.

1.49 Kap:

een dakafdekking onder een hoek van meer dan 5 graden met het horizontale vlak.

1.50 Kampeermiddelen:

tijdelijke te demonteren en al dan niet zelfstandig te verplaatsen onderkomens of voertuigen, zoals tenten, vouwwagens, caravans, campers of andere onderkomens of voertuigen, gewezen voertuigen of delen daarvan, voor zover niet aan te merken als bouwwerk, die geheel of gedeeltelijk zijn ingericht en kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

1.51 Leisurevoorzieningen:

een voorziening ten behoeve van cultuur en ontspanning, vrijetijdsbesteding, sport en wellness, waaronder in elk geval een zwembad wordt begrepen, al dan niet in combinatie met detailhandel en horeca.

1.52 Ligplaats:

vaste aanlegplaats voor een langere periode voor een pleziervaartuig met een vaste oeververbinding, waarbij overnachting in het pleziervaartuig is uitgesloten.

1.53 Maaiveld:

het oppervlak (of de gemiddelde hoogte daarvan) van het land of de bovenkant van het terrein dat een bouwwerk omgeeft.

1.54 Maatvoeringsvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge een maatvoeringssymbool in het betreffende vlak bepaalde afmetingen, percentages, oppervlakten, hellingshoeken en/of aantallen, zowel ten aanzien van het bouwen als ten aanzien van het gebruik, zijn toegelaten.

1.55 Natuurwaarden:

de aan een gebied toegekende waarden, gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang.

1.56 Normale onderhouds- of exploitatiewerkzaamheden:

werkzaamheden die regelmatig noodzakelijk zijn voor een goed beheer van de gronden, waaronder begrepen de handhaving van de bestemming.

1.57 Nutsvoorziening:

voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, apparatuur voor telecommunicatie en voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie.

1.58 Oever:

de langs een vaarweg aanwezige natuurlijke oever of aangebrachte oevervoorziening met inbegrip van de daarvoor noodzakelijke verankering.

1.59 Omgevingsvergunning:

een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 1.1, lid 1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

1.60 Opslag:

het bewaren van goederen, materialen en stoffen zonder dat ter plaatse sprake is van productie, bewerking, verwerking, handel en/of activiteiten van administratieve aard.

1.61 Parkeervoorziening:

een al dan niet overdekte c.q. ondergrondse stallingsgelegenheid ten behoeve van gemotoriseerd verkeer:
  1. openbare parkeerplaatsen: parkeerplaatsen die in beginsel openbaar toegankelijk zijn;
  2. particuliere parkeerplaatsen: parkeerplaatsen die in beginsel niet openbaar toegankelijk zijn, zoals bijvoorbeeld parkeerplaatsen op eigen terrein.

1.62 Parkeren:

het gedurende een aaneengesloten periode plaatsen van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen.

1.63 Peil:

  1. voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk grenst aan de weg en voor dijkbebouwing: de hoogte van de kruin van de weg;
  2. voor gebouwen die gedeeltelijk in het water staan: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein, gemeten vanaf het maaiveld ter plaatse van de hoofdtoegang;
  3. voor andere gevallen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein, gemeten vanaf het maaiveld ter plaatse van de hoofdtoegang;
  4. als in of op het water wordt gebouwd: de hoogte van het terrein ter plaatse van het meest nabij gelegen punt waar het water grenst aan het vaste land.

1.64 Perceel:

een begrenst stuk grond, al dan niet met de bebouwing, dat bij het kadaster is geregistreerd.

1.65 Permanente bewoning:

het gebruiken van een recreatiewoning of recreatie-appartement als hoofdverblijf.

1.66 Pleziervaartuig:

elk vaartuig, met uitzondering van een zeilplank, dat uitsluitend of hoofdzakelijk wordt gebruikt voor enige vorm van pleziervaart, waterrecreatie of watersport

1.67 Prostitutie:

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.

1.68 Recreatie-appartement:

een deel van een gebouw dat naar de aard en inrichting is bedoeld voor recreatief nachtverblijf door personen die hun vaste woonadres of verblijfplaats elders hebben.

1.69 Recreatie-eenheid:

een recreatiewoning, een recreatieappartement of een chalet.

1.70 Recreatiepark:

afgesloten terrein of park voor verblijfsrecreatie met recreatiewoningen en –appartementen en daarbij behorende voorzieningen zoals dagrecreatie- en leisurevoorzieningen, horeca en detailhandel.

1.71 Recreatiewoning:

een permanent aanwezig gebouw, bedoeld voor niet-permanente bewoning ten behoeve van recreatief nachtverblijf door personen die hun vaste woonadres of verblijfplaats elders hebben.

1.72 Seksinrichting:

een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotische/pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, een seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.

1.73 Smartshop:

een detailhandelsvestiging waarin de hoofdactiviteit of een van de activiteiten wordt gevormd door de handel in producten die psychoactieve stoffen bevatten.

1.74 Speelvoorziening:

ander bouwwerk, zoals attributen en toestellen voor sport en spel, vooral op en rond sport- en speelterreinen.

1.75 Vaartuig:

een voorwerp of een constructie, gereed of in aanbouw, uitsluitend of in hoofdzaak bestemd of ingericht voor het vervoer over water van personen of goederen.

1.76 Verblijfsrecreatie:

een vorm van recreatie waarbij de recreant voor een bepaalde tijd, maar ten minste één nacht in het recreatiepark verblijft.

1.77 Verdieping:

een bouwlaag die is gelegen boven de eerste bouwlaag welke is gelegen op de begane grond.

1.78 Voorgevel:

de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien een perceel met meerdere zijden aan een weg grenst, de als zodanig door burgemeester en wethouders aan te wijzen gevel.

1.79 Waterhuishoudkundige voorziening:

voorzieningen die nodig zijn voor een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging en waterkwaliteit.

1.80 Weg:

een voor het openbaar rij- of ander verkeer bestemde weg of pad, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de weg of pad behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de weg liggende en als zodanig aangeduide parkeerplaatsen.

1.81 Wellness:

een voorziening waar men ter ontspanning in één of meerdere ruimte relaxt, vaak in combinatie met zwembad, sauna, zonnebank, Turks stoombad en/of schoonheidssalon.

1.82 Wonen:

het leven in een permanent dag- en nachtverblijf alwaar een huishouden wordt gevoerd.

1.83 Zwembad:

een recreatieve voorziening bedoeld voor het zwemmen of baden in niet-oppervlaktewater in één of meerdere baden al dan niet in combinatie met glijbanen en daarbij behorende gebouwen en voorzieningen.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 De dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

2.2 De goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

2.3 De inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.4 De bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, liftopbouwen en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.5 De oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.6 De afstand tot de (zijdelingse) perceelgrens:

vanaf enig punt van een bouwwerk tot de (zijdelingse) perceelgrens.

2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Groen

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. groen, bos en bosplantsoen;
  2. water;
  3. (ontsluitings)wegen
  4. extensieve dagrecreatie;
en ter plaatse van de aanduiding
  1. 'specifieke vorm van groen - hoofdentree' de hoofdentree van één recreatiepark;
  2. 'specifieke vorm van groen - propaantank' één of meerdere (bio)propaantank(s);
en bij deze bestemming behorende voorzieningen
  1. sport- en speelterreinen;
  2. overige wegen en paden;
  3. geluidswerende voorzieningen;
  4. grondwallen;
  5. parkeervoorzieningen;
  6. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  7. bruggen, viaducten, taluds, oevers en oeverbeschoeiingen;
  8. beheer- en nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van het opwekken van duurzame energie.

3.2 Bouwregels

3.2.1 Toelaatbaarheid van bouwwerken
Op deze gronden worden uitsluitend gebouwd:
  1. gebouwen ten behoeve van beheer- en nutsvoorzieningen, voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  2. andere bouwwerken.
3.2.2 Gebouwen ten behoeve van beheer- en nutsvoorzieningen, voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie en waterhuishoudkundige voorzieningen
Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen, voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie en waterhuishoudkundige voorzieningen gelden de volgende regels:
  1. het maximum oppervlakte van gebouwen bedraagt 50 m²;
  2. de maximum bouwhoogte van gebouwen bedraagt 4 meter.
3.2.3 Andere bouwwerken
Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende regels:
  1. de maximum bouwhoogte van speeltoestellen bedraagt 10 meter;
  2. de maximum bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt 2 meter;
  3. de maximum bouwhoogte van voorzieningen ten behoeve van de opwekking van duurzame energie bedraagt 10 meter;
  4. de maximum bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt 12 meter;
  5. de maximum bouwhoogte van lichtmasten bedraagt 10 meter;
  6. de maximum bouwhoogte van overige andere bouwwerken bedraagt 3 meter.

Artikel 4 Natuur

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. het behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden, bestaande uit bosgebied, grasland met bijzondere vegetatie, kavelgrensbeplanting, weidevogels en struweelvogels;
  2. extensieve dagrecreatie;
en bij deze bestemming behorende voorzieningen
  1. overige wegen en paden;
  2. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  3. bruggen, taluds, oevers en oeverbeschoeiingen.

4.2 Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende regels:
4.2.1 Toelaatbaarheid van bouwwerken
Op deze gronden worden uitsluitend gebouwd:
  1. andere bouwwerken ten dienste van de in artikel 4.1 opgenomen bestemming.
4.2.2 Andere bouwwerken
Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende regels:
  1. de maximum bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt ten hoogste 2 meter; 
  2. de maximum bouwhoogte van overige andere bouwwerken bedraagt niet meer dan 3 meter.

4.3 Afwijken van de bouwregels

4.3.1 Bouwwerken ten behoeve van extensieve dagrecreatie
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4.2.1 voor het bouwen van een bouwwerk, ten behoeve van extensieve dagrecreatie of een gebouw ten behoeve van het terreinbeheer, met inachtneming van de volgende regels:
  1. de maximum goothoogte van een gebouw bedraagt 4 meter;
  2. de maximum bouwhoogte van een gebouw bedraagt 8 meter;
  3. de maximum oppervlakte van een gebouw bedraagt 100 m²;
  4. de maximum bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde, bedraagt 3 meter;
  5. de afwijking leidt niet tot onevenredige aantasting van de aanwezige natuurwaarden; alvorens afwijking te verlenen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de landschaps- en natuurbeschermingsdeskundige;
  6. bij toepassing van deze regels volgen burgemeester en wethouders de procedure zoals omschreven in artikel 16.1.

4.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

4.4.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning
Het is verboden op de in artikel 4.1 bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het aanleggen van paden, wegen en parkeergelegenheden alsmede het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;
  2. het aanbrengen van boven- en ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatie- leidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  3. het ontginnen, verlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem;
  4. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, greppels, vijvers en andere wateren;
  5. het aanbrengen van oeverbeschoeiingen, kaden of aanlegplaatsen;
  6. het aanleggen van drainage;
  7. het afbranden van vegetatie;
  8. het vellen of rooien van struiken of bomen;
  9. het beplanten van gronden met struiken of bomen.
4.4.2 Uitzonderingen op het aanlegverbod
Het verbod van artikel 4.4.1 geldt niet voor het uitvoeren van werken, of werkzaamheden die:
  1. behoren tot normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming;
  2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan;
  3. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning.
4.4.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning
Werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.4.1 zijn slechts toelaatbaar indien daardoor de in artikel 4.1 sub a genoemde aanwezige waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van de waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.
4.4.4 Advies
Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.4.1 winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in van de landschaps- en natuurbeschermingsdeskundige, omtrent de voorwaarden zoals genoemd in artikel 4.4.3.

Artikel 5 Recreatie - Dagrecreatie

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Recreatie - Dagrecreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen;
  2. speelvoorzieningen;
en bij deze bestemming behorende voorzieningen
  1. overige wegen en paden;
  2. geluidswerende voorzieningen;
  3. parkeervoorzieningen;
  4. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  5. bruggen, viaducten, taluds, oevers en oeverbeschoeiingen;
  6. nutsvoorzieningen.

5.2 Bouwregels

5.2.1 Toelaatbaarheid van bouwwerken
Op deze gronden worden uitsluitend gebouwd:
  1. andere bouwwerken ten dienste van de in artikel 5.1 opgenomen bestemming.
5.2.2 Andere bouwwerken
Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende regels:
  1. de maximum bouwhoogte van lichtmasten bedraagt niet meer dan 4 meter;
  2. de maximum bouwhoogte van overige andere bouwwerken bedraagt niet meer dan 3 meter.

Artikel 6 Recreatie - Verblijfsrecreatie 1

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Recreatie - Verblijfsrecreatie 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. verblijfsrecreatie;
  2. de centraal bedrijfsmatige exploitatie van één recreatiepark;
  3. bedrijfswoningen;
  4. detailhandel met name bedoeld voor gasten van het recreatiepark;
  5. (dag)recreatie- en leisurevoorzieningen;
  6. horeca tot en met categorie 2 van de in bijlage 1 van de bijlagen bij de regels opgenomen Staat van horeca-activiteiten;
en ter plaatse van de aanduiding
  1. 'specifieke vorm van recreatie - hoofdentree' de hoofdentree van één recreatiepark;
  2. 'specifieke vorm van recreatie - bestaande recreatiewoningen' bestaande recreatiewoningen;
  3. 'specifieke vorm van recreatie - bestaande chalets' bestaande chalets;
en bij deze bestemming behorende voorzieningen
  1. aanlegplaatsen voor pleziervaartuigen;
  2. ligplaatsen voor pleziervaartuigen;
  3. sport- en speelterreinen;
  4. zwembaden;
  5. overige (ontsluitings)wegen en paden;
  6. geluidswerende voorzieningen;
  7. parkeervoorzieningen;
  8. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  9. bruggen, taluds, oevers en oeverbeschoeiingen;
  10. groenvoorzieningen, bos en bosplantsoen;
  11. nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van het opwekken van duurzame energie.

6.2 Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende regels:
6.2.1 Toelaatbaarheid van bouwwerken
Op deze gronden worden uitsluitend gebouwd:
  1. grondgebonden recreatiewoningen;
  2. appartementengebouwen voor recreatie-appartementen;
  3. recreatiewoningen en/of -appartementen als onderdeel van gebouwen ten behoeve van beheer-, recreatie- en leisurevoorzieningen;
  4. bestaande recreatiewoningen en chalets;
  5. bedrijfswoningen met bijbehorende bouwwerken;
  6. gebouwen ten behoeve van beheer-, recreatie- en leisurevoorzieningen;
  7. bouwwerken ten behoeve van nutsvoorzieningen;
  8. bouwwerken ten behoeve van waterhuishoudkundige en verkeerskundige voorzieningen;
  9. andere bouwwerken, met uitzondering van erfafscheidingen bij grondgebonden recreatiewoningen.
6.2.2 Bouwhoogte van gebouwen
  1. De maximum bouwhoogte van gebouwen bedraagt niet meer dan zoals aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte';
  2. Ter plaatse van het gebied waar een maximum bouwhoogte van 12 meter geldt is het toegestaan om maximaal 6 appartementengebouwen te realiseren met een maximum bouwhoogte van 15 meter en een maximum bebouwd oppervlak van 800 m² per gebouw;
  3. Ter plaatse van het gebied waar een maximum bouwhoogte van 20 meter geldt is het toegestaan om één of meerdere gebouwen ten behoeve van bij een zwembad behorende glijbanen of andere attracties te realiseren met een maximum bouwhoogte van 35 meter en een maximum bebouwd oppervlak van 600 m².
6.2.3 Grondgebonden recreatiewoningen en appartementengebouwen
Voor het bouwen van grondgebonden recreatiewoningen en appartementengebouwen ten behoeve van recreatie-appartementen gelden de volgende regels:
  1. het bouwen van grondgebonden recreatiewoningen en appartementengebouwen is uitsluitend toegestaan binnen een bouwvlak;
  2. het maximum aantal nieuwe grondgebonden recreatiewoningen en recreatie-appartementen bedraagt 822 eenheden, exclusief het aantal bestaande recreatiewoningen ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie - bestaande recreatiewoningen’ en het aantal bestaande chalets ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – bestaande chalets’, met dien verstande dat maximaal 800 grondgebonden recreatiewoningen zijn toegestaan;
  3. het maximum aantal grondgebonden recreatiewoningen voor 9 personen tot 13 personen bedraagt 85 eenheden;
  4. het maximum aantal grondgebonden recreatiewoningen voor 14 tot en met 24 personen bedraagt 25 eenheden
  5. het maximum bebouwd oppervlak van een grondgebonden recreatiewoning tot en met 8 personen bedraagt 150 m²;
  6. het maximum bebouwd oppervlak van een grondgebonden recreatiewoning voor 9 tot 13 personen bedraagt 250 m²;
  7. het maximum bebouwd oppervlak van een grondgebonden recreatiewoning voor 14 tot en met 24 personen bedraagt 450 m²;
  8. het gezamenlijk maximum bebouwd oppervlak van grondgebonden recreatiewoningen bedraagt 10 hectare;
  9. het maximum aantal aaneen te bouwen grondgebonden recreatiewoningen bedraagt 6 eenheden;
  10. het maximum netto vloeroppervlak van een recreatie-appartement bedraagt 150 m²;
  11. de goothoogte van grondgebonden recreatiewoningen bedraagt 6 meter;
  12. de maximum bouwhoogte en goothoogte van bestaande recreatiewoningen ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie - bestaande recreatiewoningen’ bedraagt niet meer dan de op de verbeelding aangegeven maximum bouwhoogte en maximum goothoogte;
  13. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie - bestaande chalets’ bedraagt het bebouwd oppervlak van een chalet maximaal 65 m², met dien verstande dat het bebouwd oppervlak van een bijgebouw bij een chalet maximaal 6 m² bedraagt met een maximum bouwhoogte van 3,5 meter.
6.2.4 Bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken
Voor het bouwen van bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:
  1. het bouwen van een bedrijfswoning en bijbehorende bouwwerken is uitsluitend toegestaan binnen een bouwvlak;
  2. het maximum aantal bedrijfswoningen bedraagt 8 eenheden;
  3. de maximum inhoud van een bedrijfswoning bedraagt 950 m³;
  4. de maximum goothoogte van een bedrijfswoning bedraagt 6 meter;
  5. het totale maximum oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning bedraagt 100 m²;
  6. de maximum goothoogte van bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning bedraagt 5 meter;
  7. de maximum bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning bedraagt 6 meter.
6.2.5 Gebouwen ten behoeve van recreatie-, leisure- en horecavoorzieningen
Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van recreatie-, leisure- en horecavoorzieningen gelden de volgende regels:
  1. het bouwen van gebouwen ten behoeve van recreatie-, leisure- en horecavoorzieningen is uitsluitend toegestaan binnen een bouwvlak;
  2. het maximum bebouwd oppervlakte van gebouwen ten behoeve van recreatie-, leisure- en horecavoorzieningen bedraagt gezamenlijk 4 hectare.
6.2.6 Andere bouwwerken
Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende regels:
  1. de maximum bouwhoogte van speeltoestellen bedraagt niet meer dan 15 meter, met dien verstande dat de maximum bouwhoogte van bij een zwembad behorende glijbanen 35 meter bedraagt;
  2. de maximum bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt 2 meter;
  3. de maximum bouwhoogte voor voorzieningen ten behoeve van de opwekking van duurzame energie bedraagt 10 meter;
  4. de maximum bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt 12 meter;
  5. de maximum bouwhoogte van lichtmasten bedraagt 10 meter;
  6. de maximum bouwhoogte van overige andere bouwwerken bedraagt 3 meter.
6.2.7 Ondergronds bouwen
De bouwregels als bedoeld in dit bestemmingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op ondergronds bouwen, met dien verstande dat:
  1. uitsluitend ondergronds mag worden gebouwd tussen peil en 5 meer onder peil.

6.3 Specifieke gebruiksregels

6.3.1 Strijdig gebruik
Onder gebruiken of laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan:
  1. permanente bewoning van grondgebonden recreatiewoningen, chalets en recreatie-appartementen;
  2. grootschalige detailhandel;
  3. zelfstandige, bedrijfsmatige exploitatie van een jachthaven.
6.3.2 Centraal bedrijfsmatige exploitatie
Met betrekking tot de centraal bedrijfsmatige exploitatie van het recreatiepark gelden de volgende regels:
  1. het aanbieden van faciliteiten voor en het beheer van een recreatiepark anders dan door middel van een centraal bedrijfsmatige exploitatie is niet toegestaan;
  2. jaarrond is ten minste 60% van het totaal aantal recreatie-eenheden beschikbaar voor verhuur.

6.4 Afwijken van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in artikel 6.1 sub i en toestaan dat, nadat de binnen de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – bestaande chalets’ aanwezige chalets zijn verwijderd, bouwwerken worden gebouwd zoals opgenomen in artikel 6.2.1 ten behoeve van de centraal bedrijfsmatige exploitatie van het recreatiepark, volgens de overeenkomstige bouwregels uit artikel 6.2.2 tot en met artikel 6.2.6.

Artikel 7 Recreatie - Verblijfsrecreatie 2

7.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Recreatie - Verblijfsrecreatie 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. verblijfsrecreatie;
  2. ontsluitingswegen;
en bij deze bestemming behorende voorzieningen
  1. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  2. groenvoorzieningen, bos en bosplantsoen;
  3. nutsvoorzieningen.

7.2 Bouwregels

7.2.1 Toelaatbaarheid van bouwwerken
Op deze gronden worden uitsluitend gebouwd:
  1. andere bouwwerken ten dienste van de in artikel 7.1 opgenomen bestemming.
7.2.2 Andere bouwwerken
Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende regels:
  1. de maximum bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt niet meer dan 2 meter; 
  2. de maximum bouwhoogte van overige andere bouwwerken bedraagt niet meer dan 3 meter.

Artikel 8 Verkeer

8.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. wegen met ten hoogste 2 x 1 doorgaande rijstrook, alsmede opstelstroken, rotondes, busstroken, voet- en fietspaden;
  2. bruggen, viaducten en tunnels;
met daarbij behorende 
  1. geluidswerende voorzieningen;
  2. groenvoorzieningen;
  3. parkeervoorzieningen;
  4. nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de opwekking van duurzame energie;
  5. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

8.2 Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende regels:
8.2.1 Toelaatbaarheid van bouwwerken
Op deze gronden worden uitsluitend gebouwd:
  1. bouwwerken ten behoeve van nutsvoorzieningen;
  2. bouwwerken ten behoeve van voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie;
  3. bouwwerken ten behoeve van waterhuishoudkundige voorzieningen;
  4. overige andere bouwwerken ten dienste van de in artikel 8.1 opgenomen bestemming.
8.2.2 Gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen en voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie en waterhuishoudkundige voorzieningen
Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen, voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie en waterhuishoudkundige voorzieningen gelden de volgende regels:
  1. het maximum oppervlakte van gebouwen bedraagt niet meer dan 50 m²;
  2. de maximum bouwhoogte van gebouwen bedraagt niet meer dan 4 meter.
8.2.3 Andere bouwwerken
Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende regels:
  1. de maximum bouwhoogte van een viaduct bedraagt niet meer dan 15 meter, waarbij het wegdek maximaal 7 meter boven maaiveld mag komen te liggen;
  2. de maximum bouwhoogte van lichtmasten bedraagt niet meer dan 10 meter, of niet meer dan bestaande bouwhoogte indien die meer bedraagt;
  3. de maximum bouwhoogte van overige andere bouwwerken bedraagt niet meer dan 3 meter, of niet meer dan de bestaande bouwhoogte indien die meer bedraagt.

Artikel 9 Water

9.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  2. verkeer te water;
  3. waterberging;
  4. bruggen;
met daarbij behorende
  1. aanlegplaatsen voor (plezier)vaartuigen;
  2. ligplaatsen voor (plezier)vaartuigen;
  3. taluds, oevers en oeverbeschoeiingen;
  4. groenvoorzieningen;
  5. nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van het opwekken van duurzame energie.

9.2 Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende regels:
9.2.1 Toelaatbaarheid van bouwwerken
Op deze gronden worden uitsluitend gebouwd: 
  1. bouwwerken ten behoeve van nutsvoorzieningen;
  2. bouwwerken ten behoeve van voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie;
  3. bouwwerken ten behoeve van waterhuishoudkundige en verkeerskundige voorzieningen.
9.2.2 Gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen, voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie en waterhuishoudkundige voorzieningen
Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen, voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie en waterhuishoudkundige voorzieningen gelden de volgende regels:
  1. het maximum oppervlakte van gebouwen bedraagt niet meer dan 50 m²;
  2. de maximum bouwhoogte van gebouwen bedraagt niet meer dan 4 meter.
9.2.3 Andere bouwwerken
Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende regels:
  1. de maximum bouwhoogte van bruggen bedraagt niet meer dan 15 meter, waarbij het wegdek maximaal 7 meter boven maaiveld ligt;
  2. de maximum bouwhoogte van andere bouwwerken bedraagt niet meer dan 4 meter, of niet meer dan de bestaande bouwhoogte indien die meer bedraagt.

9.3 Specifieke gebruiksregels

9.3.1 Strijdig gebruik
Onder gebruiken of laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan:
  1. het gebruik van aanlegplaatsen voor pleziervaartuigen als ligplaats.

3 Algemene regels

Artikel 10 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 11 Algemene bouwregels

11.1 Bestaande maten

Met betrekking tot bestaande maten gelden de volgende regels:
  1. de bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden;
  2. ingeval van herbouw is dit artikel onder a uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt.

11.2 Overschrijding bouwgrenzen

De bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen in afwijking van de verbeelding en hoofdstuk 2  uitsluitend worden overschreden door:
  1. de bouw van andere bouwwerken ten dienste van nutsvoorzieningen, mits deze voorzieningen van geringe horizontale en verticale afmetingen zijn en de bouwhoogte in ieder geval niet meer dan 10 m; in afwijking van het in vorige zin bepaalde bedraagt de bouwhoogte van voorzieningen voor telecommunicatie ten behoeve van privégebruik maximaal 15 m en voor gemeenschappelijk gebruik maximaal 30 m;
  2. voor de bouw van kleine niet voor bewoning bestemde gebouwen ten dienste van nutsvoorzieningen; de inhoud van deze gebouwtjes bedraagt ten hoogste 50 m³ en de bouwhoogte ten hoogste 4 m.

Artikel 12 Algemene gebruiksregels

12.1 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden de gronden en bouwwerken in dit bestemmingsplan te gebruiken en/of te doen en/of laten gebruiken en/of in gebruik te geven op een wijze of tot een doel strijdig met de gegeven bestemming(en).

12.2 Strijdig gebruik

Onder gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:
  1. permanente bewoning van grondgebonden recreatiewoningen, chalets en recreatie-appartementen, met uitzondering van bedrijfswoningen;
  2. een seksinrichting of een daarmee vergelijkbaar bedrijf;
  3. een coffeeshop, growshop, smartshop of een daarmee vergelijkbaar bedrijf, voor zover daarvoor door de burgemeester geen gedoogtoestemming is verleend;
  4. straatprostitutie;
  5. het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen, van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen en van wagens, tenzij de betreffende bestemming daarin wel uitdrukkelijk voorziet.

12.3 Parkeren

  1. Een omgevingsvergunning voor het oprichten van gebouwen en bouwwerken en gebruik van de gronden ten dienste van de bestemming kan alleen worden verleend indien wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.

Artikel 13 Algemene aanduidingsregels

13.1 Veiligheidszone - propaan

Met betrekking tot de 'Veiligheidszone - propaan' geldt dat binnen de veiligheidszone voor propaan kwetsbare objecten anders dan van de eigen inrichting, zoals bedoeld in respectievelijk het Besluit externe veiligheid inrichtingen (voor lpg) en het Activiteitenbesluit (voor propaan), niet zijn toegestaan.

Artikel 14 Algemene afwijkingsregels

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van de in hoofdstuk 2  opgenomen bestemmingsregels voor:
  1. afwijkingen van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 10%;
  2. de omgevingsvergunning wordt niet verleend, indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  3. bij toepassing van deze regels volgen burgemeester en wethouders de procedure zoals omschreven in artikel 16.1.

Artikel 15 Algemene wijzigingsregels

15.1 Overschrijding bestemmingsgrenzen

Burgemeester en wethouders kunnen de in het plan opgenomen bestemmingen wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De overschrijdingen mogen echter ten hoogste 3 m bedragen en het bestemmingsvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot. Bij toepassing van deze regels volgen burgemeester en wethouders de procedure zoals omschreven in artikel 16.2.

15.2 Wijzigingsbevoegdheid

15.2.1 Aanpassen bouwmogelijkheden gebouwen
Burgemeester en wethouders kunnen het bestemmingsplan per perceel wijzigen door de bestemming 'Recreatie - Verblijfsrecreatie 2’ te wijzigen in de bestemming 'Recreatie - Verblijfsrecreatie 1’, conform de in bijlage 2 van de bijlagen bij de regels opgenomen concept-verbeelding.
15.2.2 Voorwaarden wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders maken slechts gebruik van de wijzigingsbevoegdheid indien:
  1. de exploitant van het gebied waarop het bouwvlak wordt opgenomen dezelfde is als de exploitant van het gebied dat op grond van dit bestemmingsplan een bouwvlak heeft, zodat sprake blijft van een centraal bedrijfsmatige exploitatie;
  2. het totaal aantal toegestane grondgebonden recreatiewoningen en recreatie-appartementen niet toeneemt voor het gehele recreatiepark. Indien in het noordelijk gebied (bestemming 'Recreatie - Verblijfsrecreatie 2') na de bestemmingswijziging grondgebonden recreatiewoningen of recreatie-appartementen worden toegestaan, dienen de toegestane eenheden in het zuidelijk gebied ('Recreatie - Verblijfsrecreatie 1’) in gelijke mate verminderd te worden en dienen de toegevoegde eenheden in gelijke mate aan de regels te voldoen;
  3. er sprake is van een concreet plan voor de inrichting van het gebied;
  4. voldaan wordt aan het bepaalde in artikel 16.2.

Artikel 16 Algemene procedureregels

16.1 Procedure bij toepassing afwijkingsbevoegdheid

Indien in de regels naar deze regel is verwezen, volgen burgemeester en wethouders bij toepassing van een afwijkingsbevoegdheid de volgende procedure.
  1. een ontwerpbesluit ligt gedurende twee weken ter inzage;
  2. burgemeester en wethouders maken de terinzagelegging tevoren bekend in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen, die in de gemeente worden verspreid, en voorts op de gebruikelijke wijze;
  3. de bekendmaking houdt mededeling in van de bevoegdheid voor belanghebbenden tot het schriftelijk indienen van bedenkingen bij burgemeester en wethouders tegen het ontwerpbesluit gedurende de in sub a genoemde termijn;
  4. burgemeester en wethouders beslissen binnen vier weken na afloop van de termijn van terinzagelegging omtrent het verlenen van ontheffing;
  5. indien tegen een ontwerpbesluit bedenkingen zijn ingebracht, wordt het besluit met redenen omkleed;
  6. burgemeester en wethouders delen aan hen, die bedenkingen hebben ingediend, de beslissing daaromtrent mede.

16.2 Procedure bij toepassing wijzigingsbevoegdheid

Indien in de regels naar deze regel is verwezen, is op de voorbereiding van een besluit tot wijziging van een bestemmingsplan de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.

4 Overgangs- en slotregels

Artikel 17 Overgangsrecht

17.1 Overgangsrecht bouwwerken

  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het bestemmingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  2. Het bevoegd gezag kan in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

17.2 Overgangsrecht gebruik

  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met het bestemmingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 18 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als regels van het bestemmingsplan 'Waterpark Veerse Meer 2020'.