|
Borsele
bestemmingsplan met verbrede reikwijdte
| identificatie | planstatus | |
| identificatiecode: | datum: | status: |
| NL.IMRO.0654.OPBGB2017-0001 Borsele | 29-10-2016 | voorontwerp |
| projectnummer: | ||
| projectleider: | ||
| ir C.A. Louws | ||
Het bestemmingsplan Buitengebied (Borsels Buiten) van de gemeente Borsele is aan herziening toe. De gemeente wil (in plaats van een bestemmingsplan) een pilot-omgevingsplan opstellen. Een nieuw instrument, vooruitlopend op de Omgevingswet.
Het plangebied van het omgevingsplan Buitengebied Borsele 2017 beslaat het hele buitengebied van de gemeente Borsele: het agrarische gebied, met alle daarbinnen gelegen natuurgebieden en infrastructuur (inclusief de Westerscheldetunnelweg, de verbreding Sloeweg en groenproject 't Sloe) en de Westerschelde. Alle kernen, bedrijventerreinen en twee verblijfsrecreatiegebieden, waarvoor afzonderlijke bestemmingsplannen gelden, maken geen deel uit van het plangebied van het omgevingsplan voor het buitengebied. In figuur 1.1 is de begrenzing van het plangebied weergegeven.
Figuur 1.1 Plangebied
Het bestemmingsplan Borsels Buiten dateert uit 2007 en is op 5 februari 2015 partieel herzien (met betrekking tot de regeling voor Nieuwe Economische Dragers). Dat betekent dat de wettelijke plantermijn van het bestemmingsplan (van 10 jaar) in 2017 afloopt. Om tijdig een actueel planologisch kader te hebben, is de gemeente gestart met de herziening van het bestemmingsplan.
In 2019 treedt de Omgevingswet (naar verwachting) in werking. De gemeente heeft er voor gekozen om, op basis van mogelijkheden die de Crisis- en herstelwet (Chw) biedt, daarop vooruitlopend een pilot- omgevingsplan op te stellen en zo voor te sorteren op het nieuwe wettelijke kader.
Door het opstellen van een pilot-omgevingsplan investeert de gemeente in het instrumentarium van de toekomst en de daarbij behorende filosofie, in plaats van het opstellen van een bestemmingsplan dat vlak na de vaststelling (door de inwerkingtreding van de Omgevingswet) als instrument vervalt.
Artikel 2.4 van de Chw biedt de mogelijkheid om bij wijze van experiment af te wijken van bestaande wet- en regelgeving, indien het experiment bijdraagt aan innovatieve ontwikkelingen en voldoende aannemelijk is dat uitvoering ervan bijdraagt aan het bestrijden van de economische crisis en aan de duurzaamheid. De gemeente heeft deze pilotstatus aangevraagd. De innovatie zit in dit project met name in een andere wijze van beleidsontwikkeling (meer gericht op integraliteit) en in het opstellen en gebruiken van een ander instrumentarium, afgestemd op de uitgangspunten van de Omgevingswet. De innovatie werkt ook door in werkwijze en organisatie. Het omgevingsplan vraagt om een andere wijze van toetsing van initiatieven en heeft daarmee ook gevolgen voor de werkwijzen en organisatie bij toetsing en handhaving. De Provincie Zeeland heeft (in de antwoordnota op de Bevelandse reactie ingediend op de Kadernota herziening Omgevingsplan Zeeland 2012-2018, d.d. 20 okt. 2015) uitgesproken mee te werken aan pilotprojecten in het kader van de omgevingswet zoals een pilot voor het buitengebied van Borsele.
De pilotstatus voor het omgevingsplan Borsele (officieel een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte) is op 15 juli 2016 verleend.
De Omgevingswet gaat uit van een andere filosofie dan de huidige Wet ruimtelijke ordening (Wro):
Doel omgevingsplan
De gemeente Borsele wil de nieuwe planfilosofie graag toepassen in het nieuwe planningsstelsel voor het buitengebied. Daarbij spelen de volgende overwegingen een rol:
De Omgevingswet biedt in de ogen van het gemeentebestuur in dat licht een aantal kansen:
Het huidige planningsstelsel, zoals vertaald in het huidige provinciale en gemeentelijke ruimtelijke ordeningsbeleid heeft, naast bescherming van de ruimtelijke kwaliteit, weliswaar als insteek om ruimte te bieden aan ontwikkelingen, maar beide werken in de praktijk vaak belemmerend. De betrokken beleidsdoelen zijn in het algemeen uitgewerkt in concrete (kwantitatieve en normatieve) regels en kaders. In plaats van faciliterend te zijn voor gewenste ontwikkelingen onder de goede voorwaarden, zijn de huidige regels te zeer gericht op het voorkomen van ongewenste ontwikkelingen. De ruimte ontbreekt vaak om op een andere dan de voorgeschreven manier de doelen te bereiken.
Het is de ambitie van de gemeente om nieuwe – passende – ontwikkelingen zo veel mogelijk rechtstreeks of met zo beperkt mogelijke procedures mogelijk te maken. De gemeente zoekt voor haar buitengebied naar instrumenten om te kunnen komen tot een integratie van haar eigen beleid en regelgeving, waarbij flexibiliteit wordt bereikt door het behalen van de achterliggende beleidsdoelen te borgen in plaats van die uit te werken in concrete normen en maatregelen. Een instrument waarmee effectiever en efficiënter ingespeeld kan worden op gewenste ontwikkelingen, waarbij meer maatwerk kan worden geleverd met een gelijkwaardig en mogelijk zelfs beter resultaat.
Doel voor het omgevingsplan is vierledig:
Deze doelen vragen om een ander instrumentarium dan het vigerende bestemmingsplan Borsels Buiten.
Het gemeentebestuur wil een meer integrale en meer flexibele regeling waarbij met behoud van de omgevingskwaliteit beter kan worden ingespeeld op ontwikkelingen in het buitengebied; een juridisch kader dat meer ruimte biedt voor maatwerk in de belangenafweging (op basis van kwalitatieve criteria en gelijkwaardige oplossingen).
Het omgevingsplan vraagt om een goede mix van loslaten en sturen/vinger aan de pols houden. Daarbij zal een verschuiving optreden van kwantitatief en normatief naar een meer kwalitatieve en faciliterende regeling. De kunst is om gewenste ontwikkelingen direct mogelijk te maken en ongewenste ontwikkelingen te voorkomen. Een spannend en uitdagend traject, waarbij de gebaande paden worden verlaten en nieuwe wegen worden ingeslagen. Een traject met een meerwaarde op meerdere vlakken:
Verbreding
De gemeente wil in ieder geval (een deel van) haar geluidsverordening buitengebied en haar beleid ten aanzien van cultuurhistorie, welstand en landschappelijke kwaliteit opnemen in het op te stellen plan. Ook andere voor het buitengebied relevante regels in de gemeentelijke verordeningen zullen in dit plan worden betrokken.
Mogelijkheden
Bij het benutten van de kansen en mogelijkheden die de Omgevingswet biedt zijn de volgende aspecten van belang.
Goede fysieke leefomgeving
De Omgevingswet richt zich op het in stand houden van 'een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit'. De term 'goede ruimtelijke ordening' verdwijnt. Hiermee heeft het omgevingsplan een verbrede reikwijdte ten opzichte van het huidige bestemmingsplan. Milieu, ruimtelijke ordening en andere aspecten van de fysieke leefomgeving kunnen worden geïntegreerd in het omgevingsplan.
Daardoor ontstaat ook een veel meer integrale beleidsvorming en toetsing. De regelgeving kan zo worden vereenvoudigd. De regels worden inzichtelijker en strijdige en dubbele regelingen worden voorkomen. Ze worden immers op één plek samengebracht.
Afwijken van wettelijke kaders
De pilotstatus op basis van de Chw biedt kansen om op onderdelen af te wijken van het huidige wettelijk kader. Voorbeelden daarvan zijn de mogelijkheid om regels op te nemen die verder gaan dan een goede ruimtelijke ordening (toepassen verbrede reikwijdte) en de mogelijkheid om gebruiks- en bouwmogelijkheden anders dan door bestemmingen aan te geven.
Kwalitatieve én kwantitatieve toetsingsregels
Het omgevingsplan biedt ruimte om nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken met kwalitatieve regels. Het kan een flexibeler kader bieden dan een bestemmingsplan. Het bestemmingsplan kan en mag alleen concreet toetsbare kwantitatieve regels bevatten. Het omgevingsplan biedt mogelijkheden voor meer directe regels, onder voorwaardelijke bepalingen: ja, mits …. Hiermee kunnen gewenste ontwikkelingen makkelijker en sneller mogelijk worden gemaakt.
Houdbaarheidstermijn en aanpassing modules
Het bestemmingsplan heeft een maximale houdbaarheidstermijn van 10 jaar. Het omgevingsplan kent geen einddatum. Het omgevingsplan biedt echter wel meer mogelijkheden om het beleid te monitoren en tussentijds bij te sturen. Periodieke monitoring kan leiden tot tussentijdse aanpassing van inhoudelijke modules. Bijvoorbeeld alleen aanpassing van de geurnormen. Hierbij blijven andere aspecten onaangeroerd. Het aangepaste aspect is dan ook alleen onderwerp van besluitvorming en eventueel bezwaar en beroep. Dit maakt de actualisering van het omgevingsplan eenvoudiger.
De toelichting op het omgevingsplan is relatief kort. In Hoofdstuk 2 Gemeentelijk beleid wordt een toelichting gegeven op het gemeentelijke beleid voor het buitengebied. Dit gemeentelijke beleid is een verdere uitwerking van de Nota van Uitgangspunten van september 2015 die door de gemeenteraad is besproken en geldt als leidraad voor de opstelling van het omgevingsplan. Aan het gemeentelijke beleid liggen diverse bouwstenen ten grondslag die zijn opgenomen in de bijlagen (Provinciaal beleid, Rijksbeleid, Sectorale aspecten en Beleidsregels en verordeningen). Een belangrijke bouwsteen is het planMER waarvan in Hoofdstuk 3 PlanMER een korte samenvatting is opgenomen (voor het uitgebreide planMER zie bijlage 4 PlanMER). Een verdere uitwerking van het gemeentelijke beleid is opgenomen in bijlage 3: Uitwerking gemeentelijk beleid.
In Hoofdstuk 4 Juridische planbeschrijving is opgenomen op welke wijze het gemeentelijke beleid is vertaald in de juridische regeling.
Dit hoofdstuk bevat een beschrijving van het gemeentelijke beleid voor het pilot-omgevingsplan. Het gaat daarbij om het beleid voor de fysieke leefomgeving, voor zover de beleidsonderwerpen relevant zijn voor en zich laten vertalen in een omgevingsplan.
Het nieuwe omgevingsplan vervangt het vigerende bestemmingsplan Borsels Buiten. Het instrumentarium en de filosofie van de Omgevingswet en het omgevingsplan zijn echter anders dan van de Wro en het bestemmingsplan. Bovendien is de reikwijdte van het omgevingsplan breder dan van het bestemmingsplan: de fysieke leefomgeving omvat meer dan de ruimtelijke ordening. In de paragrafen 2.2 en 2.3 worden de in hoofdstuk 1 beschreven doelen voor het omgevingsplan uitgewerkt, als basis voor de verdere uitwerking van het gemeentelijk beleid. Daarbij zijn twee aspecten van belang:
Uitgangspunten planfilosofie
Het omgevingsplan gaat op basis van de Omgevingswet uit van een andere filosofie dan het bestemmingsplan. Daarbij spelen de volgende uitgangspunten een rol.
Deze uitgangspunten vragen om een fundamentele heroverweging van beleid en regelgeving. Daarbij spelen de volgende vragen een rol:
Bij de eerste vraag zijn beleid en regeling meer gewenst en nodig naarmate:
Wat betreft de invulling van beleid en regeling is een goed evenwicht tussen flexibiliteit, duidelijkheid en rechtszekerheid van belang (zie figuur 2.1). Het gemeentebestuur wil meer flexibiliteit bieden, zonder dat daardoor de duidelijkheid en rechtszekerheid onevenredig worden geschaad. Zoals aangegeven zal de regeling meer kwalitatief worden ingestoken dan nu het geval is; meer gericht op de te realiseren beleidsdoelen. Dat betekent dat een verschuiving plaatsvindt van normatieve regels naar een vorm van 'onderhandelingsplanologie', waarbij aan de voorkant van het proces overeenstemming wordt bereikt over de vraag of medewerking kan worden verleend aan een ontwikkeling en onder welke voorwaarden. Dat vraagt om een goede onderbouwing door initiatiefnemers.
Daarom moet het omgevingsplan voorzien in:
De inhoud van beleid en regeling moet een goed evenwicht waarborgen tussen de aspecten flexibiliteit, rechtszekerheid en duidelijkheid. De (digitale) raadpleegbaarheid van het omgevingsplan speelt daarbij een belangrijke ondersteunende rol.
Figuur 2.1. Spanningsveld duidelijkheid-flexibiliteit-rechtszekerheid
In de inleiding is aangegeven dat het doel voor het omgevingsplan vierledig is:
In de paragrafen 2.2.1 tot en met 2.2.4 worden de doelstellingen voor Borsele verder uitgewerkt.
Uitgangspunt van beleid blijft het behoud en de ontwikkeling van de bijzondere kwaliteit van het buitengebied van Borsele. Het gaat daarbij in het omgevingsplan om de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. De kwaliteit van de leefomgeving staat hoog in het gemeentelijk vaandel en dat blijft zo. De ruimtelijke kwaliteit staat daarin centraal; versterkt en ondersteund door andere omgevingskwaliteiten, zoals de rust en de ruimte en de milieukwaliteit.
Ruimtelijke kwaliteit en ontstaansgeschiedenis
De ruimtelijke kwaliteit hangt nauw samen met de ontstaansgeschiedenis en de wijze waarop dit nog zichtbaar is in de landschapsstructuur en de beeldkwaliteit.
Het karakter van het buitengebied van Borsele is in belangrijke mate bepaald door de bedijkingsgeschiedenis van het gebied. Het Borsels buitengebied is een aaneenschakeling van poldergebieden die in de loop van de eeuwen op de zee zijn veroverd. Daarmee is de landschapsopbouw bepaald door het krachtenspel van mens en zee; de wisselwerking van het winnen van land op de zee en periodieke dijkdoorbraken.
De polderstructuur is in schillen opgebouwd rond de zogenaamde oudlandkernen. Tussen Goes en Nisse ligt het oudste gebied namelijk het kerngebied de Poel.
Verder is sprake van oudland rond Hoedekenskerke, Baarland, Oudelande en Ellewoutsdijk. In het begin van de 12e eeuw werden de oudlandkernen bedijkt. In eerste instantie om het doordringen van kreken in het achterland tegen te gaan. In het hedendaagse landschap zijn daarvan nog relicten te vinden, zoals de dijken bij Baarland, Hoedekenskerke en Oudelande en de later aangelegde ringdijken. De oudlandkernen werden van elkaar gescheiden door een stelsel van getijdegeulen (kreken). De belangrijkste geul was het Zwake die overging in het Sloe en de Schenge. In het geulenstelsel lagen zandplaten, de zogenaamde opwassen. Deze droogvallende delen werden na de periode van defensieve bedijking in het kader van landaanwinning bedijkt (offensieve bedijking). Het gaat om Heinkenszand, Ovezande en de polder daar direct omheen. Tegelijkertijd met de opwassen werden de toen nog buitendijks gelegen schorren bedijkt. Deze bedijkte gebieden worden aanwassen genoemd. Tot omstreeks 1500 werd op kleine schaal ingepolderd, hetgeen nu nog te zien is aan de kleine polders en het intensieve dijkenpatroon. Daarna maakte de technologische vooruitgang het mogelijk om grotere stukken in één keer in te polderen. Maar ook de langzame zeespiegelstijging in die tijd bevorderde de grootschalige inpoldering. De inpolderingsgeschiedenis van de grote polders loopt vanaf 1561, toen de Oude Kraaijertpolder werd bedijkt, tot aan de inpoldering van de Sloepolders in de 19e en 20e eeuw. Deze polders worden gekenmerkt door de grotere schaal en de langere, rechte wegen. Bijzonder is de renaissancepolder Borssele die gekenmerkt wordt door een open karakter en de rationele, rechthoekige verkaveling met het daarbij horende patroon van dijken en polderwegen (zie figuur 2.2.). Ook de kern Borssele is volgens dat rechthoekig verkavelingspatroon ingericht, waarbij de gedraaide oriëntatie ten opzichte van de omliggende polder opvallend is.
Figuur 2.2 Renaissancepolder Borssele
De bedijkingsgeschiedenis is daarmee sterk bepalend voor het huidige landschap. De kenmerkende structuur van dijken en wegen is met een aantal oude kreeklopen en de welen de belangrijkste structuurdrager van het landschap. Figuur 2.4. geeft de belangrijkste structuurdragers weer.
De bedijking was gericht op het uitbreiden van het agrarische areaal. De landbouw is nog steeds verreweg de belangrijkste gebruiksfunctie van het polderlandschap. De natuur- en landschapswaarden zijn in belangrijke mate verbonden met het agrarische gebruik. Denk daarbij aan het oude heggenlandschap bij Nisse of de weidereservaten in De Poel. Ook het huidige agrarische gebruik draagt bij aan de landschapswaarden van het buitengebied, bijvoorbeeld in de openheid en de fruitteelt. Natuurgebieden zijn op verschillende plaatsen ontstaan door dijkdoorbraken (welen), langs kreekrestanten en achter de Westerscheldedijk (inlaagpolders).
Behoud en versterking van ruimtelijke kwaliteit en vertaling naar deelgebieden
Het uitgangspunt van het veiligstellen en ontwikkelen van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied wordt langs verschillende sporen in het omgevingsplan vertaald.
In het vigerende bestemmingsplan Borsels Buiten is een onderscheid gemaakt in vijf deelgebieden:
Wat betreft de ontstaansgeschiedenis en de karakteristieke kenmerken zijn deze vijf deelgebieden in het algemeen duidelijk herkenbaar.
Voor het vastleggen van de bestaande kwaliteiten van het Borsels buitengebied in het omgevingsplan is het onderscheid in de aangegeven deelgebieden echter te grofmazig. De kwaliteiten van het landschap hangen samen met de dijkenstructuur, de aanwezige kreeklopen en welen, specifieke landschapselementen en perceelsgebonden landschaps- en natuurwaarden op specifieke locaties. Deze waarden zullen op perceelsniveau van een beschermende regeling worden voorzien. Het niveau van de deelgebieden is daarvoor te grootschalig. Met name de oudlandkern bij Sinoutskerke en het heggengebied bij Nisse zijn gebieden waar in het agrarisch gebied te beschermen landschaps- en natuurwaarden voorkomen. Deze gebieden zullen dan ook van een beschermende regeling worden voorzien.
Het omgevingsplan zal zonder meer - zonder nadere procedures - ruimte bieden aan het versterken en vergroten van de bestaande natuur- en landschapswaarden in het buitengebied.
Figuur 2.3 Omgeving Nisse
De ruimtelijke kwaliteit van het Borsels buitengebied wordt naast de natuurlijke en landschappelijke waarden, bepaald door de beeldkwaliteit van (voormalige) boerderijen en burgerwoningen. Behoud van omgevingskwaliteit wordt mede bereikt door het behoud van deze beeldkwaliteit bij toekomstige bouwinitiatieven. Daartoe worden de vigerende Beeldkwaliteitsnota en de Richtlijnen erfbeplanting vertaald in het omgevingsplan in voorwaarden voor nieuwe ontwikkelingen.
Figuur 2.4 Structuurdragers
Door voorwaarden te stellen aan toekomstige ontwikkelingen zal worden geborgd dat deze ontwikkelingen bijdragen aan de versterking en ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Daarbij zijn de deelgebieden zoals onderscheiden in het bestemmingsplan Borsels Buiten en bij de Beeldkwaliteitsnota en de Richtlijnen erfbeplanting in eerste instantie als uitgangspunt genomen, met dien verstande dat:
De relevante indeling van het plangebied in deelgebieden voor toelaatbare toekomstige ontwikkelingen is weergegeven in figuur 2.4. Voor de onderbouwing wordt verwezen naar bijlage 3; uit de tabel die is opgenomen in deze bijlage blijkt dat er, voor toelaatbare ontwikkelingsmogelijkheden, aanleiding is om een andere indeling van deelgebieden te hanteren.
Het versterken van de landschappelijke waarden (dijken, wegbeplantingen, schaal van het landschap) en de vergroting van de diversiteit aan natuurwaarden is niet alleen van belang voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, het draagt ook bij aan de aantrekkelijkheid van het gebied voor recreanten en toeristen en is daarmee van economische betekenis voor de ontwikkeling van aan het buitengebied verbonden recreatie (kleinschalig kamperen, aantrekkelijke dagrecreatieve functies, routes). De recreatieve gebruiksmogelijkheden van het buitengebied hebben ook een (potentieel) gezondheidsbevorderende functie.
Het gemeentebestuur wil in het buitengebied passende economische ontwikkelingsmogelijkheden, die de kwaliteit van het buitengebied niet aantasten, maar versterken. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën ontwikkelingen. Voor de ontwikkeling van functies in het buitengebied wordt ruim baan geboden aan functies die aan het buitengebied zijn gebonden. Daarnaast wordt passende ontwikkelruimte geboden voor andere functies. Daarbij wordt gekozen voor een grote mate van flexibiliteit. Dat betekent dat zo veel mogelijk wordt gewerkt met algemene regels, zowel voor wat betreft de uitbreidings- en vestigingsmogelijkheden voor functies als voor wat betreft de koppeling aan de locatie. Functies en ontwikkelingen die op voorhand niet gewenst zijn in het buitengebied worden niet mogelijk gemaakt. Functies en ontwikkelingen die niet in het algemeen hoeven te worden uitgesloten, worden voorzien van randvoorwaarden, die in een specifieke situatie, voor een specifieke locatie getoetst worden. In dat kader wordt ook getoetst aan de specifieke locatiekenmerken. De vraag of uitbreiding of vestiging toelaatbaar is, wordt dus in het specifieke geval beantwoord.
Categorieën functies
Primair aan het buitengebied gebonden functies
Grondgebonden landbouw, natuur- en landschapsontwikkeling en recreatief medegebruik zijn functies die onlosmakelijk verbonden zijn aan het buitengebied en mede bepalend zijn voor de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Deze functies krijgen in beginsel (binnen een aantal algemene randvoorwaarden) ruime ontwikkelingsmogelijkheden.
Landbouw
Vanuit een oogpunt van ruimtelijke kwaliteit is het agrarische grondgebruik onmisbaar. De landbouw is een bedrijfstak die – vanuit de bedrijfseconomische noodzaak – continu in ontwikkeling is. Daarbij kunnen verschillende ontwikkelingsrichtingen/strategieën worden onderscheiden:
Dit is een belangrijke tendens in de landbouw in het algemeen, zowel in de akkerbouw als in de veehouderij. In combinatie met het beëindigen van bedrijven breiden andere bedrijven uit. De bedrijfscentra krijgen in de regel een andere functie, veelal wonen met een nieuwe gebruiksfunctie voor de agrarische schuren (nieuwe economische dragers). Soms blijven loodsen in agrarisch gebruik door andere bedrijven. De agrarische gronden worden door de overblijvende bedrijven gebruikt om hun bedrijfsoppervlakte te vergroten. De schaalvergroting uit zich derhalve in bedrijven die qua oppervlakte groter zijn, maar ook in meer en grotere gebouwen en groter materieel.
Een aantal bedrijven richt zich op specialisatie als strategie. Een belangrijk voorbeeld in Borsele is de fruitteelt, Voor de fruitteelt in Nederland is de teelt van hoogwaardige kwaliteitsproducten een logische strategie. De Nederlandse fruitteelt kan niet concurreren met de bulkproductie elders. Met het oog op het leveren van een hoogwaardig kwaliteitsproduct zijn vanuit de sector de nodige beschermende voorzieningen gewenst, zoals regenkappen, hagelnetten en antihagelgeneratoren. Andere voorbeelden van specialisatie zijn de teelt van zwarte bessen, druiventeelt in combinatie met het maken van wijn, de teelt van eetbare bloemen, et cetera.
Diverse bedrijven proberen een sterkere economische basis te creëren door koppeling van passende niet-agrarische activiteiten aan het agrarisch bedrijf. Voorbeelden daarvan zijn de verkoop van eigen producten, kleinschalige verblijfsrecreatie en een theetuin.
In beginsel moeten agrarische ondernemers de ruimte hebben om vanuit hun visie op hun bedrijf eigen accenten te leggen en keuzes te maken in deze ontwikkelingsstrategieën. Dat betekent dat het gemeentebestuur deze ontwikkelingsrichtingen met het pilot-omgevingsplan in beginsel wil faciliteren, binnen kaders. Die kaders worden ingegeven door de ruimtelijke karakteristiek van het buitengebied en cultuurhistorische en natuur- en landschapswaarden. In de teksten hierna wordt daar verder op ingegaan.
Akkerbouw en fruitteelt zijn van oudsher beeldbepalend voor het Borselse buitengebied en dat moet ook zo blijven. De grondgebonden landbouw krijgt dan ook ruime ontwikkelingsmogelijkheden. De omvang van de bouwmogelijkheden wordt begrensd. Aan het grondgebonden agrarische grondgebruik worden nauwelijks randvoorwaarden opgelegd, met uitzondering van de kwetsbare gebieden, zoals het heggengebied bij Nisse en het weidereservaat bij Sinoutskerke. Wel worden voorwaarden gesteld aan teeltondersteunende voorzieningen, voor zover het gaat om bouwwerken, die een duidelijke ruimtelijke invloed op de omgeving hebben. Het bieden van ontwikkelingsruimte voor de agrarische (grondgebonden) sector is noodzakelijk voor het behoud van de bedrijven en de kwaliteiten van het gebied. Intensievere vormen van agrarisch grondgebruik zoals intensieve veehouderij, glastuinbouw en aquacultuur (in gebouwen en in vijvers) zijn minder passend in het Borsels buitengebied. Aan deze categorieën zullen de nodige randvoorwaarden worden opgelegd. In het algemeen zullen verder randvoorwaarden aan de verschijningsvorm van gebouwen en kwalitatieve regels voor landschappelijke inpassing worden opgenomen, overeenkomstig de Beeldkwaliteitsnota en de Richtlijnen erfbeplanting.
Figuur 2.5 Fruitteelt
Natuur en landschapsontwikkeling, cultuurhistorie en archeologie
Bij het karakter en de kwaliteiten van het Borselse buitengebied passende landschaps- en natuurontwikkeling is rechtstreeks mogelijk, ook al is de ecologische hoofdstructuur in beginsel gereed. Bestaande cultuurhistorische, landschappelijke, ecologische waarden en archeologische verwachtingswaarden worden, voor zover dat nodig is, veiliggesteld.
Recreatieve ontwikkelingsmogelijkheden
Context
Op basis van het provinciaal beleid zoals vastgelegd in het Omgevingsplan 2012-2018 is uitbreiding van het aantal kampeerplaatsen in de provincie niet gewenst. Om minimaal het huidige kwaliteitsniveau te kunnen blijven bieden tegen de hiervoor noodzakelijke tarieven is het niet wenselijk dat het aanbod aan kampeerplaatsen in Zeeland verder toeneemt. Bij kwaliteitsverbetering en revitalisering van kampeerbedrijven neemt het aantal kampeerplaatsen geleidelijk af, omdat hoogwaardiger vormen van verblijfsrecreatie worden aangeboden. Kampeerplaatsen die als gevolg hiervan vrijkomen, kunnen opnieuw in de markt worden gezet.
Gemeentelijk beleid
Het gemeentebestuur wil – vanwege de gewenste ruimte voor verbreding binnen de landbouw en de differentiatie van het toeristisch-recreatieve product- ruimte bieden voor de ontwikkeling van kleinschalig kamperen. Daarnaast biedt het gemeentebestuur ruimte aan innovatieve vormen van verblijfsrecreatie in de vorm van bijzondere overnachtingsplaatsen. Het gaat daarbij om kleinschalige (qua aantal en omvang) ontwikkelingen, op bijzondere locaties, die duidelijk onderscheidend zijn in vormgeving en uitstraling en waarbij een inventieve en originele relatie wordt gelegd tussen vormgeving en de locatie. Een bijzondere overnachtingsplaats kan volledig opgaan in het landschap, de karakteristiek van het landschap versterken, of daar juist een spraakmakende toevoeging aan doen. Gedacht kan worden aan een koppeling aan thema's, zoals:
Verwacht wordt dat onder deze noemers (kleinschalig kamperen en bijzondere overnachtingsplaatsen) slechts een beperkt aantal kampeerplaatsen zal worden gerealiseerd. Aangenomen wordt dat door de herstructurering van grootschalige kampeerterreinen elders in de provincie ruimte is of zal ontstaan voor de beperkt te verwachten uitbreiding van het aantal kampeerplaatsen in Borsele.
Aan het buitengebied gebonden recreatiemogelijkheden, zoals routegebonden recreatief medegebruik, van bestaande wegen, dijken en paden, maar ook door middel van nieuwe paden, wordt eenvoudig mogelijk gemaakt. Als grondeigenaren daarmee instemmen, voegt een procedure niet zo veel toe. Overigens wordt daarbij wel rekening gehouden met de belangen van aangrenzende grondeigenaren. Ook kleinschalige, ondersteunende voorzieningen zoals picknickbanken en informatieborden, gekoppeld aan de routes worden eenvoudig mogelijk gemaakt. Voor nieuwe verblijfsrecreatieve voorzieningen worden mogelijkheden geboden voor kleinschalige kampeerterreinen en bijzondere overnachtingsplaatsen. Voor het overige wordt het spoor van de nieuwe economische dragers (ned-regeling) gevolgd.
Figuur 2.6 Boerenlandroute Borsele Zuid
Faciliterende functies
Naast de primair aan het buitengebied gebonden functies is het buitengebied van belang voor een aantal 'faciliterende' functies. Het gaat daarbij om utilitaire functies, zoals waterhuishouding, waterkeringen, leidingen, die belangrijke betekenis hebben voor het functioneren van zowel het buitengebied als de kernen. Voor zover deze voorzieningen planologisch relevant zijn en dat vanuit het oogpunt van veiligheid nodig is, worden deze functies specifiek vastgelegd in het omgevingsplan. Als dat niet nodig is, wordt – met name vanuit het oogpunt van flexibiliteit – de bestaande situatie niet specifiek vastgelegd. Dat speelt bijvoorbeeld voor de waterlopen met een waterhuishoudkundige functie in het plangebied. Mede gelet op de veiligstelling van deze waterlopen in de Keur van het waterschap en de wens om eventuele nieuwe waterlopen eenvoudig te kunnen realiseren, worden deze waterlopen niet vastgelegd op de verbeelding van het omgevingsplan.
Ontwikkelruimte voor bestaande functies
Naast de primair aan het buitengebied gebonden functies, zoals hiervoor omschreven, komen in het buitengebied diverse functies voor die daaraan niet primair zijn gekoppeld, maar daar wel legaal zijn gevestigd. Het buitengebied is naast een agrarisch gebied bijvoorbeeld ook de locatie waarin veel burgerwoningen en niet-agrarische bedrijven zijn gevestigd.
Burgers zoeken het buitengebied onder meer op voor de rust en de ruimte en hebben specifieke gebruikswensen. Aan deze wensen (ruimte voor het houden van hobbydieren, erfbebouwing, kleinschalige beroep- of bedrijfsmatige activiteiten) kan in beginsel – binnen randvoorwaarden – tegemoet worden gekomen. Een strikte scheiding tussen agrarische percelen en gronden met een woonfunctie betekent dat procedures nodig zijn om bijvoorbeeld agrarische grond als schapenweitje bij een woning te gebruiken of een tuin bij een woning uit te breiden, als grond gekocht kan worden van het aangrenzende landbouwbedrijf. Bij dergelijke gebruiksveranderingen is het maken van een afweging in het algemeen niet nodig, tenzij sprake is van gronden met bijzondere natuur- of landschapswaarden. Wel zijn bepaalde voorwaarden gewenst, bijvoorbeeld met betrekking tot het uitbreiden van tuinen bij een woonfunctie in het buitengebied. In het algemeen hoeft dat geen bezwaar te zijn, waarbij wel moet worden voorkomen dat hinder ontstaat voor aangrenzende percelen.
Ook bestaande niet-agrarische bedrijven wordt – onder voorwaarden – ontwikkelingsruimte geboden. Het gaat daarbij om uitbreiding van het bedrijfsperceel en om uitbreiding van bebouwing. Overigens moet daarbij worden afgewogen of verplaatsing naar een bedrijventerrein niet beter is.
Bij de ontwikkeling van functies in het buitengebied ligt het accent, zoals hier voor beschreven, bij de functies die onlosmakelijk met het buitengebied zijn verbonden (grondgebonden landbouw, landschap, natuur en cultuurhistorie, recreatief medegebruik). Deze functies bepalen de kernwaarden van het buitengebied en die mogen niet onevenredig onder druk komen te staan.
Het gemeentebestuur kiest voor een zo faciliterend mogelijke regeling, waarmee passende ontwikkelingen eenvoudiger mogelijk worden gemaakt. Het omgevingsplan biedt de mogelijkheid om ontwikkelingen rechtstreeks toe te staan mits voldaan wordt aan kwalitatieve voorwaarden.
Het rechtstreeks toestaan van ontwikkelingen kan eventueel gekoppeld worden aan een melding zodat is vastgelegd tussen gemeente en initiatiefnemer op welke wijze aan de kwalitatieve voorwaarden wordt voldaan. Daarnaast kan in het omgevingsplan gewerkt worden met 'afwijkingen' en 'delegatie'. Met de afwijkingen van het omgevingsplan kunnen ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt waarvoor in het huidige bestemmingsplan afwijkings- of wijzigingsbevoegdheden zijn opgenomen. Ten opzichte van de wijzigingsprocedure van het bestemmingsplan ontstaat hier tijdswinst. De gemeenteraad kan verder aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid delegeren om het omgevingsplan op afgesproken onderdelen te wijzigen. Ook hier ontstaat tijdwinst ten opzichte van een traditionele partiële bestemmingsplanherziening.
De Omgevingswet biedt voorts mogelijkheden om noodzakelijke afwegingen en onderzoeken voor initiatieven vooruit te schuiven naar het moment van aanvraag. In het omgevingsplan wordt opgenomen aan welke (kwalitatieve) voorwaarden moet worden voldaan, de toetsing vindt in een later stadium plaats.
In het omgevingsplan voor het buitengebied van Borsele wordt de vereenvoudiging van regelgeving onder andere gezocht in:
Nieuwe functies
Wat betreft het toelaten van nieuwe functies (op erven bij aanwezige functies) gaat het gemeentebestuur bij de toetsing nadrukkelijk uit van de kwaliteiten van de betreffende locatie en de invloed daarop van de nieuwe functie. Functies die in het buitengebied in het algemeen niet passend zijn worden algemeen uitgesloten. Het gaat daarbij om functies die ruimtelijk en/of milieuhygiënisch een te grote belasting betekenen, of om functies die naar de aard aan dorpen en kernen zijn gebonden en bijdragen aan het voorzieningenniveau. Anderzijds kunnen kleinschalige, ondergeschikte functies met weinig effecten op de omgeving algemeen worden toegestaan. Voor het overige is het afhankelijk van de specifieke omstandigheden of medewerking kan worden verleend aan een nieuwe ontwikkeling en onder welke voorwaarden.
Voor de toetsing van dergelijke ontwikkelingen wordt een procesbenadering gehanteerd. Afhankelijk van de aard en de omvang van de ontwikkeling worden de daarbij behorende stappen doorlopen. Voor een in schaal en omvang relatief beperkte ontwikkeling kan volstaan worden met een eenvoudige afweging en is landschappelijke inpassing (stap 4 ) en een ruimtelijke meerwaarde (stap 5) niet altijd noodzakelijk. Naarmate een ontwikkeling ingrijpender en grootschaliger is zijn alle stappen aan de orde en is landschappelijke inpassing en/of ruimtelijke kwaliteitswinst noodzakelijk.
Stap 1: Past initiatief in het omgevingsplan?
Initiatieven die op voorhand als passend in het buitengebied (naar aard en omvang van de functie en de daar aan te stellen voorwaarden) gezien worden, worden rechtstreeks of met een melding mogelijk gemaakt in het omgevingsplan.
Als een initiatief niet rechtstreeks in het omgevingsplan past, dan zullen hiervoor mogelijkheden worden geboden (afwijking, delegatie) waarbij dan wordt getoetst volgens de volgende stappen.
Stap 2: Past de functie op de locatie?
Bij de vraag of het initiatief past op de locatie spelen de volgende aspecten een rol:
Bij de beoordeling of een initiatief naar aard en omvang van de functie in het gebied past kan een onderscheid gemaakt worden naar functies die in meer of mindere mate een binding hebben met het buitengebied. Functies die bij uitstek een bijdrage leveren aan het voorzieningenniveau in de kernen (detailhandel, kantoren met een baliefunctie, zorgfuncties) of grootschalige bedrijven met een verkeer aantrekkende werking passen naar aard minder goed in het buitengebied. Alleen als daarbij sprake is van een meerwaarde van de vestiging in het buitengebied, kan daaraan medewerking worden verleend.
Functies die een duidelijke relatie hebben met het buitengebied (zoals aan de landbouw gekoppelde of daarmee verbonden bedrijven, aan het buitengebied gebonden dag- en verblijfsrecreatieve functies, aan de landbouw en/of het buitengebied gerelateerde dienstverlening, maatschappelijke en zorgfuncties en landbouwproduct verwerkende bedrijven) worden eerder als passend beoordeeld. Ook de omvang van een initiatief en de mate waarin uitbreiding van bebouwing aan de orde is, zijn van belang voor de beoordeling.
Bij de beoordeling van een initiatief worden de specifieke kwaliteiten van het betreffende deelgebied (bijvoorbeeld kerngebied de Poel of de grootschalige polders) in ogenschouw genomen.
Stap 3: Past de functie bij de omgevingsaspecten van de locatie?
Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling wordt beoordeeld of de kwaliteiten van de locatie actief worden benut en er zowel economisch als ruimtelijk ook kwaliteit wordt toegevoegd.
Daarbij moet worden aangegeven wat de gevolgen zijn van de ontwikkeling voor aspecten als ecologische en landschappelijke waarden, bodemkwaliteit, waterhuishouding, in de grond aanwezige of te verwachten monumenten en cultuurhistorische waarden. Tevens moet worden aangegeven of voldaan wordt aan sectorale wet- en regelgeving en mogen het woon- en leefklimaat van omwonenden en de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven niet (onevenredig) worden aangetast.
Stap 4: Is sprake van een goede landschappelijke inpassing?
Wat de landschappelijke inpassing betreft wordt uitgegaan van een hoogwaardige en gevarieerde inpassing, passend bij de indeling in deelgebieden.
Stap 5: Is sprake van een meerwaarde voor het gebied?
Om medewerking te verlenen aan een initiatief kan, anders dan met landschappelijke inpassing, ook een meerwaarde worden gecreëerd door een aantoonbare fysieke verbetering van de kwaliteit van het buitengebied. Als uitgangspunt voor het bepalen en invullen van de meerwaarde is een handreiking die door de geraadpleegde klankbordgroep is gedaan gebruikt (economische meerwaarde, maatschappelijke meerwaarde, natuurlijke meerwaarde). Hieronder kan onder andere worden verstaan het versterken van de recreatieve potenties van het buitengebied van Borsele, het versterken van natuur- of landschapswaarden en de versterking van cultuurhistorische waarden.
Figuur 2.7 Zwaakse weel
Het gemeentebestuur vindt het draagvlak van omwonenden en eventuele andere belanghebbenden een belangrijk aspect bij het beoordelen van initiatieven. Initiatiefnemers zijn daarvoor verantwoordelijk, waarbij uit de aanvraag (of eventueel melding) moet blijken hoe de initiatiefnemer het draagvlak heeft getoetst en of er in de omgeving draagvlak is voor de beoogde ontwikkeling. Overigens betekent het aanwezig zijn van draagvlak niet automatisch dat meegewerkt wordt aan een ontwikkeling. Omgekeerd betekent ook het ontbreken van draagvlak niet op voorhand dat geen medewerking wordt verleend. Primair blijft sprake van een toets aan de effecten op de omgevingskwaliteit. Het aanwezige draagvlak speelt daarbij echter wel een aanvullende rol.
De Omgevingswet (en daarmee het omgevingsplan) heeft betrekking op de fysieke leefomgeving. Dat begrip is breder dan de goede ruimtelijke ordening uit de Wro. Op basis van artikel 1.2 van de Omgevingswet omvat de fysieke leefomgeving in ieder geval bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur en cultureel erfgoed. Als gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden onder meer aangemerkt activiteiten waardoor emissies, hinder of risico's worden veroorzaakt. Gevolgen voor de mens, voor zover deze wordt of kan worden beïnvloed via de onderdelen van de fysieke leefomgeving worden ook aangemerkt als gevolgen voor de fysieke leefomgeving.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving worden door het rijk normen en instructieregels opgenomen voor de verschillende aspecten van de leefomgeving. Daarmee wordt de kwaliteit van de fysieke leefomgeving vertaald in concrete normen. Naar aanleiding van een door de Tweede Kamer aangenomen amendement is het mogelijk dat gemeenten aanvullende eisen stellen aan de kwaliteit van de leefomgeving. Dat kan bijvoorbeeld als sprake is van onvoorziene gezondheidsrisico's, die nog niet door de wet worden beschermd. Zo kan een gemeente een omgevingsvergunning weigeren als sprake is van bijzondere omstandigheden, waardoor het verlenen van de vergunning zou leiden tot nadelige gevolgen voor de gezondheid.
De ruimte die de Omgevingswet biedt, kan met het pilot-omgevingsplan in beginsel worden benut. Daarbij spelen twee aspecten een rol:
Vigerend gemeentelijk beleid fysieke leefomgeving
Wat betreft het integreren van de gemeentelijke verordeningen en beleidsregels voor de fysieke leefomgeving in het omgevingsplan kiest het gemeentebestuur voor een selectieve aanpak. Daarbij spelen drie aspecten een rol. In de eerste plaats zijn de verordeningen en beleidsregels niet opgesteld met het oogmerk ze ooit mee te nemen in een omgevingsplan, waardoor er verschillen zijn in plangebieden en definities. De verordeningen en beleidsregels zouden moeten worden aangepast, ingetrokken en/of gedeeltelijk van kracht moeten blijven voor het gebied wat niet in het omgevingsplan wordt opgenomen. In de tweede plaats is de duidelijkheid en toegankelijkheid van het omgevingsplan een belangrijk aandachtspunt. Naarmate meer verordeningen en beleidsregels – die qua opzet niet zijn afgestemd op het omgevingsplan – worden opgenomen, kan de duidelijkheid van het omgevingsplan afnemen. Tot slot is van belang dat er nog geen wettelijke standaarden zijn en het integreren van verordeningen en beleidsregels daardoor relatief veel pionierswerk kost.
Om die reden is besloten om een selectie te maken van de verordeningen en beleidsregels die meegenomen worden in het omgevingsplan. De verordeningen en beleidsregels die aansluiten bij en van belang zijn voor de doelstelling om het bijzondere karakter van het buitengebied te behouden worden in ieder geval meegenomen en zo nodig aangepast (bijvoorbeeld door aanpassing van het gebied waarop de verordening van toepassing is, het op een andere manier raadpleegbaar maken of door een beleidsregel te actualiseren). Het betreft de verordeningen en beleidsregels die van belang zijn voor de landschapsstructuur (erfbeplantingsregels, waardevolle bomen en dergelijke) en voor de beeldkwaliteit (Beeldkwaliteitsnota). Voorts zijn de beleidsregels en verordeningen meegenomen waarvan opname noodzakelijk is (de erfgoednota is opgesteld in afwachting van de vertaling van het archeologiebeleid in een bestemmings- of omgevingsplan en hoeft dus niet te worden opgenomen) of relatief eenvoudig (zoals het stookbeleid). Het omgevingsplan moet zodanig van opzet zijn dat in de toekomst beleidsregels of verordeningen relatief eenvoudig aan het plan kunnen worden toegevoegd. In Bijlage 6 is een overzicht opgenomen van de beleidsregels en -nota's en de afweging of deze wordt vertaald in het omgevingsplan.
Naast het opnemen van de vigerende verordeningen en beleidsregels in het omgevingsplan is het mogelijk om - voor zover de wetgeving zich daar niet tegen verzet - eigen beleid en regels te formuleren voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Dat zou bijvoorbeeld kunnen betekenen dat niet-agrarische bewoners van het buitengebied wat meer hinder van de agrarische bedrijfsvoering moeten accepteren. Omgekeerd zou beleid opgesteld kunnen worden, waarmee bepaalde agrarische ontwikkelingen beperkt worden, met als doel gezondheidsrisico's te beperken. Op een aantal terreinen geldt al specifiek gemeentelijk beleid: geluid en hagelkanonnen. Dit beleid is geëvalueerd en wordt vertaald in het omgevingsplan. Vooralsnog lijkt er geen aanleiding te zijn om specifiek aanvullend beleid te formuleren. In bijlage 5 is een overzicht gegeven van mogelijke aspecten die daarbij een rol kunnen spelen.
De vierledige doelstelling zoals hiervoor beschreven in paragraaf 2.2 vormt de algemene basis voor het gemeentelijke beleid voor de fysieke leefomgeving. Dit algemene beleid is meer in detail uitgewerkt.
Deze uitwerking is opgenomen in bijlage 3 Uitwerking gemeentelijk beleid. In deze paragraaf wordt ingegaan op een aantal specifieke beleidsonderwerpen.
Uitgangspunt voor de uitwerking
Het gemeentelijk overzicht van het beleid voor de fysieke leefomgeving wordt in eerste instantie beschreven aan de hand van de karakteristiek van de verschillende deelgebieden. Hierbij is uitgegaan van de gebiedsindeling zoals deze in het bestemmingsplan Borsels Buiten en verschillende andere gemeentelijke beleidsdocumenten - zoals met name de Structuurvisie 2015-2020 - is gehanteerd. Het betreft de indeling: de Poel, Kleinschalige nieuwlandpolders, Herverkavelde oudlandpolders, Grootschalig polders en Westerschelde.
Gekoppeld aan de kernkwaliteiten van de deelgebieden worden ook de doelen per deelgebied geformuleerd. Kernkwaliteiten en doelen vormen de basis voor de toelaatbaarheid van functies en de toelaatbare ontwikkelingen. Voor zover aspecten van de fysieke leefomgeving niet aan bepaalde deelgebieden kunnen worden gekoppeld, worden deze in algemene zin, voor alle deelgebieden, weergegeven. Uit de uitwerking blijkt dat voor het toelaten van ontwikkelingen de indeling in deelgebieden kan worden aangepast.
Het ruimtelijke beleid is aangevuld met de elementen, relevant voor de fysieke leefomgeving die in diverse andere gemeentelijke nota's, verordeningen en beleidsregels zijn opgenomen (zie hiervoor bijlage 6 Beleidsregels en verordeningen). Daarnaast is het huidige provinciale beleid (zie bijlage 2 Provinciaal beleid) meegewogen.
Het beleid is meer dan een opsomming van alle vigerende beleidsstukken: nadrukkelijk is gekeken naar mogelijkheden om het aantal regels te verminderen en afwegingen meer integraal en kwalitatief te maken.
Vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen
Context
Net als de afgelopen jaren zal het aantal agrarische bedrijven in de planperiode van het omgevingsplan Buitengebied Borsele 2017 afnemen. In het rapport Vrijkomende Agrarische Bebouwing, opgesteld in opdracht van de Rekenkamer Zeeland door Alterra en het Kadaster (2016), is onderzocht wat de te verwachten oppervlakte is van vrijkomende agrarische bebouwing in Zeeland in de periode 2012 tot 2030. Voor de gemeente Borsele is de verwachting dat de volgende oppervlakten gebouwen worden onttrokken aan de agrarische bedrijfsvoering:
| Type gebouwen | Oppervlakte vrijkomende gebouwen in ha | Percentage van totaal aanwezige oppervlakte agrarische bebouwing per categorie |
| Agrarische bedrijfswoningen | 2,7 | 35 |
| Agrarische bedrijfsgebouwen | 8,6 | 23 |
| Totaal | 11,3 | 25 |
In de periode 2000-2012 bedroeg de oppervlakte agrarische bedrijfsgebouwen op beëindigde bedrijven Zeelandbreed op basis van het onderzoek 150 ha (12,5 ha/jr). Voor de periode 2012-2030 wordt Zeelandbreed een afname met 125,5 ha verwacht (6,9 ha/jr). Dat betekent een halvering van de jaarlijks vrijkomende oppervlakte agrarische gebouwen. Qua oppervlakte neemt de jaarlijkse bedrijfsbeëindiging derhalve flink af. Daar komt bij dat de oppervlakte per agrarisch bedrijf die wordt beëindigd toeneemt; 95% van de vrijkomende bedrijven had in de periode 2000-2012 een oppervlakte gebouwen van minder dan 2.000 m2. Voor de periode 2012-2030 is dat 86%. Ervan uitgaande dat het percentage van de totale agrarische bebouwing recht evenredig is met het aantal agrarische bedrijven, zullen in Borsele in de periode tot 2030 ongeveer 85 bedrijven worden beëindigd (uitgaande van de 340 adressen met een agrarische hoofdfunctie in het voorontwerpomgevingsplan). Over een periode van 14 jaar zou het om ongeveer 6 bedrijven per jaar gaan.
Door de verschuiving naar een grotere oppervlakte vrijkomende gebouwen per bedrijf en een verschuiving naar meer recente bebouwing (met in het algemeen een lagere cultuurhistorische waarde en beeldkwaliteit) ligt een verschuiving van hergebruik uitsluitend voor de woonfunctie of voor kleinschalige ondergeschikte functies naar grootschaliger vervolgfuncties voor de hand.
In het Omgevingsplan Zeeland 2012-2018 (herziening 11 maart 2016) is bepaald dat alle bedrijfslocaties van 1 ha of groter worden aangemerkt als bedrijventerrein en worden opgenomen in het regionaal bedrijventerreinprogramma. Voormalige agrarische bedrijfslocaties (percelen) met een omvang van 1 ha of meer, waar niet-agrarische bedrijfsactiviteiten worden gevestigd, tellen mee in de regionale bedrijventerreinprogrammering.
Gemeentelijk beleid
De Rekenkamer Zeeland pleit voor integrale beleidsvorming onder provinciale regie voor de problematiek van de vrijkomende agrarische bedrijven en gebouwen. Aanbeveling is om gemeenten te vragen onderzoek te doen naar de diverse herbestemmingen van reeds vrijgekomen agrarisch vastgoed en een visie te ontwikkelen op de herbestemming voor de toekomst. Bepleit wordt om de beleidsvorming te baseren op de ligging ten opzichte van:
Daarnaast stelt de Rekenkamer voor de bredere vastgoedsituatie in de wijdere omgeving te betrekken bij het beleid. Verder wordt voorgesteld om het beleid voor vrijkomende agrarische bedrijven te koppelen aan beleid en regelgeving voor het saneren van asbestdaken in de landbouw.
Om gericht beleid te kunnen ontwikkelen is een goede inventarisatie van de huidige situatie en de ontwikkelingen in de afgelopen jaren gewenst. Op dit moment is daarover noch bij de provincie noch bij de gemeente goede informatie beschikbaar:
Op grond van de beschikbare informatie kan wel worden geconcludeerd dat er de afgelopen periode geen sprake is van de vestiging van grootschalige bedrijfsfuncties op voormalige agrarische bedrijven in het buitengebied van de gemeente Borsele.
Op grond van het rapport van de Rekenkamer Zeeland is te verwachten dat de jaarlijkse afname van de oppervlakte bedrijfsgebouwen op agrarische bedrijven die de komende tijd vrijkomt substantieel lager zal zijn dan de afgelopen periode. De omvang van de vrijkomende bebouwing per agrarisch bedrijf zal wel toenemen. Verder zal ook in Borsele sprake zijn van recentere bebouwing die vrijkomt, met een lagere cultuurhistorische waarde en beeldkwaliteit.
In het kader van het pilotomgevingsplan voor het buitengebied acht het gemeentebestuur het gewenst om nieuwe ontwikkelingen op een flexibele manier mogelijk te maken. Wat betreft het hergebruik van vrijkomende agrarische bedrijven worden daarbij de volgende uitgangspunten gehanteerd:
Het gemeentebestuur kiest daarbij voor een kwalitatieve insteek, waarbij per locatie een afweging wordt gemaakt op basis van de kenmerken van de functie en van de omgeving. Het hanteren van een strikte zonering in relatie tot de ontsluitingsstructuur, afstanden tot wegen, kernen, recreatiegebieden en natuurgebieden en het hanteren van afstanden doet geen recht aan het gewenste maatwerk.
Wat betreft de ontsluiting is van belang dat voor agrarische transporten en verkeersbewegingen in het buitengebied steeds zwaardere voertuigen worden gebruikt. Dat legt een druk op de ontsluiting en de breedte en fundering van de wegen. In het algemeen is bij vervolgfuncties op agrarische bedrijven sprake van minder en van veel lichter verkeer dan het agrarische verkeer. Vervolgfuncties met een grote verkeersaantrekkende werking (veel verkeersbewegingen of veel zwaar verkeer) zijn in het algemeen niet gewenst in het buitengebied. Alleen in bijzondere situaties zijn dergelijke vervolgfuncties mogelijk in de nabijheid van de doorgaande ontsluitingsroutes.
Wat betreft de sloop van niet karakteristieke en waardevolle gebouwen is een kostendrager nodig. Daarbij kan worden gedacht aan de ruimte-voor-ruimteregeling of een sloopfonds. Een sloopfonds zal Zeelandbreed vorm moeten krijgen. Een interessante optie is om de beschikbare middelen voor asbestsanering te combineren met een dergelijk sloopfonds. Ook is het gewenst om de fiscale aspecten van de functieverandering van agrarisch naar een andere functie in de afweging te betrekken. Het gemeentebestuur werkt graag mee aan een provinciale pilot om deze aspecten uit te werken.
Ontsluiting
Context
Wat betreft de ontsluiting van het buitengebied van Borsele kan onderscheid worden gemaakt in diverse categorieën wegen:
Figuur 2.8. Wegencategorisering gemeente Borsele (bron: gemeente Borsele)
De komende 30 jaar zal de inrichting van de erftoegangswegen en gebiedsontsluitingswegen in het buitengebied verder worden afgestemd op het snelheidsregime van de weg: 60 of 80 km/uur.
De erftoegangswegen zijn in beheer bij het Waterschap Scheldestromen. Het waterschap maakt onderscheid in doorgaande plattelandswegen, wegen voor doorgaand verkeer en wegen voor bestemmingsverkeer.
Naast de wegencategorisering is door de gezamenlijke wegbeheerders in Zeeland een Kwaliteitsnet Landbouwverkeer Zeeland vastgesteld (zie figuur 2.9.). Doel van dit netwerk is dat het landbouwverkeer zich over grotere afstanden vlot en veilig kan verplaatsen zonder dat dit ten koste gaat van de verkeersveiligheid en doorstroming van het overige verkeer. Voor het buitengebied van de gemeente Borsele zijn twee prioritaire knelpunten met betrekking tot het netwerk landbouwverkeer vastgesteld:
Figuur 2.9. Routes landbouwverkeer (bron Gemeentelijk Verkeers- en vervoersplan gemeente Borsele, 2014)
Gemeentelijk beleid
De afgelopen decennia is sprake van een verandering van de functie en het karakter van het buitengebied. Van een primair agrarisch gebied is het buitengebied nadrukkelijk een multifunctioneel gebied geworden. Zo is het aantal niet-agrarische woningen inmiddels veel groter dan het aantal agrarische bedrijven. Bovendien is het recreatief medegebruik van het buitengebied sterk toegenomen: fietsen, wandelen, skeeleren, paardrijden. Tegelijkertijd is de aard van het landbouwverkeer sterk veranderd: tractoren en werktuigen zijn veel groter geworden. De verkeersdruk op de plattelandswegen is daardoor toegenomen. Ook de risico's op onveilige situaties nemen toe, door de grotere voertuigen en het toegenomen toeristische gebruik van het buitengebied. De toegenomen verkeersdruk heeft ook invloed op de recreatieve belevingswaarde. Tot slot kan door verbreding van wegen het karakter van het landschap worden aangetast.
Het beleid in relatie tot de ontsluiting heeft in het licht van het voorgaande twee aspecten:
Voorbeelden van inrichtings- en verkeersmaatregelen zijn de aanleg van fietspaden, verbreding van wegen (met doorgroeistenen of verbreding van het wegdek) en het sluiten van wegen voor doorgaand verkeer.
Daarbij verliest de gemeente Borsele het karakter van het buitengebied niet uit het oog. In het gemeentelijk verkeers- en vervoersplan is het volgende aangegeven:
De Zak van Zuid-Beveland is een deelgebied van het Nationaal Landschap Zuidwest Zeeland. In het Provinciaal Verkeers- en Vervoerplan Zeeland is de mobiliteit in het gebied hoofdzakelijk gekenmerkt door het gebiedsprofiel “cultuurlandschap”. De plattelandswegen in het gebied worden beheerd door het Waterschap Scheldestromen. Vanuit de verschillende invalshoeken leeft bij het waterschap, de provincie en de gemeente Borsele de wens om binnen het raamwerk van stroomwegen en gebiedsontsluitingswegen de plattelandswegen zoveel mogelijk verkeersluw te maken: bestemd voor wandelaars, fietsers en bestemmingsverkeer, ontmoedigen van sluipverkeer. Gekoppeld aan deze wens is het streven om bij de (her)inrichting van deze plattelandswegen, landschapsvriendelijke inrichtingsmaatregelen te treffen ter afremming van de snelheid van het autoverkeer. De gemeente Borsele ondersteunt deze visie met kracht en blijft bij waterschap en provincie aandringen op de realisatie daarvan.
Met betrekking tot het fietsverkeer is het beleid van de gemeente gericht op het bevorderen van het fietsen, door te zorgen voor een veilige en fietsvriendelijke infrastructuur. De gemeente maakt zich sterk voor veilige fietsroutes voor scholieren naar middelbare scholen in Goes en Krabbendijke. De gemeente maakt zich eveneens sterk voor een fietsvriendelijke inrichting van de recreatieve fietsroutes die onderdeel uitmaken van het provinciale fietsknooppuntennetwerk.
Het landbouwverkeer is deels lokaal van aard: tussen agrarische bedrijfscentra en de landbouwpercelen. Deels gaat het om meer interlokaal verkeer, vooral door loonwerkers en de aan- en afvoer van landbouwproducten. Gelet op het economisch belang van deze activiteiten dienen deze uiteraard mogelijk gemaakt te worden. Tegelijkertijd is het ook wenselijk eventuele negatieve effecten van het doorgaand landbouwverkeer zo veel mogelijk te minimaliseren. Het gaat daarbij om verkeersveiligheid en overlast.
Het omgevingsplan Buitengebied Borsele 2017 kan een bijdrage leveren aan het voorkómen van nieuwe verkeersonveilige situaties in de toekomst door middel van het toelatingsbeleid voor nieuwe functies. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt in nieuwe functies op locaties waar nog geen bebouwing aanwezig is en hergebruik van bestaande gebouwen, bijvoorbeeld voormalige agrarische bedrijfsgebouwen. Grootschalige nieuwe functies zoals nieuwe bedrijven voor verwerking, opslag en/of distributie van landbouwproducten, loon- en mechanisatiebedrijven, locaties voor (regionale) mestopslag worden alleen in de directe nabijheid van het landbouwroutenetwerk/ gebiedsontsluitingswegen toegelaten. Voor het hergebruik van agrarische bedrijfslocaties wordt als uitgangspunt gehanteerd dat nieuwe functies op de goede plek worden gesitueerd, aansluitend op de wegenstructuur, uitgaande van de bestaande breedte en zwaarte van de wegen. Nieuwe functies ter plaatse van een voormalig agrarische bedrijf mogen niet meer en zwaarder verkeer genereren dan het voorheen ter plaatse gevestigde agrarisch bedrijf. Daarnaast worden de volgende randvoorwaarden gehanteerd:
Daarnaast is het van groot belang dat het verkeer in het buitengebied op een verkeersveilige manier wordt afgewikkeld. Het omgevingsplan is daarvoor echter niet het juiste instrument. De breedte van wegen zou in beginsel in het omgevingsplan geregeld kunnen worden. In het verleden werd de breedte van de belangrijkste wegen in bestemmingsplannen verankerd via dwarsprofielen. Dat gebeurt echter al jaren niet meer, omdat voor aanpassingen van wegprofielen altijd een planologische procedure doorlopen moest worden. Gelet op het belang van de verkeersveiligheid vond in het planologische spoor niet een fundamentele afweging plaats. Om onnodige procedures te voorkomen is het niet gewenst verhardingsbreedten opnieuw in het omgevingsplan op te nemen.
Gezondheid
Context
Met het oog op de verbreding van de reikwijdte van het omgevingsplan is gezondheid een belangrijk aandachtsveld. In het kader van een goede fysieke leefomgeving kan een gezonde leefomgeving worden gedefinieerd als een leefomgeving die als prettig wordt ervaren (welbevinden/kwaliteit), uitnodigt tot gezond gedrag (gezondheidsbevordering) en waar de druk op de gezondheid zo laag mogelijk is (gezondheidsbescherming). Een gezonde fysieke leefomgeving heeft verschillende maatschappelijke voordelen, waaronder vermindering van de ziektelast, positieve effecten op productiviteit en creativiteit, verminderen van stressproblemen, gezonde ontwikkeling van kinderen, verminderen van psychische problemen. Bovendien biedt een gezonde leefomgeving een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor bewoners en bedrijven. Gezondheidsbevordering: prettige en veilige omgeving om te recreëren en te sporten
Gemeentelijk beleid
Het is belangrijk dat op basis van het omgevingsplan gezondheidsbevorderende voorzieningen en activiteiten zo eenvoudig mogelijk kunnen worden gerealiseerd en dat voorzieningen en activiteiten die een negatieve invloed hebben op de gezondheid zo veel mogelijk worden beperkt.
Wat betreft de inrichting is behoud en versterking van de kwaliteiten van het Borselse landschap een belangrijke voorwaarde voor een gezonde fysieke leefomgeving. Verder is het vanuit het oogpunt van gezondheid wenselijk om voorzieningen zoals nieuwe fiets-, wandel- en ruiterpaden en nieuwe natuurgebieden of ondersteunende recreatieve voorzieningen eenvoudig te kunnen realiseren, zodat het buitengebied nog meer uitnodigt om daar al recreërend gebruik van te maken.
Met betrekking tot activiteiten zijn het gemeentelijk geluidbeleid, de anti-hagelgeneratoren, het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en veehouderij-activiteiten belangrijke aandachtspunten voor het omgevingsplan. Het gemeentelijk geluidbeleid zoals dat is vastgelegd in de geluidverordening is in het pilotomgevingsplan vertaald. Daarbij gelden voor zone 4 (het groen/grijs/bruine gebied, zie figuur 2.10) van het wettelijk kader afwijkende normen, gericht op het handhaven van de bestaande geluidskwaliteit. Het gaat daarbij om een relatief stil gebied, waarbij lagere richt- en grenswaarden worden gehanteerd dan wettelijk toegestaan. Antihagelgeneratoren zijn hiervan overigens uitgezonderd. Het beleid voor de overige zones uit de gemeentelijke geluidverordening (zone 1 t/m 3) komt te vervallen, waarbij dus ook de mogelijkheid om meer geluid toe te staan dan wettelijk geregeld, vervalt.
Figuur 2.10. Geluidverordening gemeente Borsele
Gelet op het belang van anti-hagelgeneratoren voor de fruitteelt, in verband met het beperken van de schade aan het fruit door hagelbuien, en het incidentele gebruik ervan, acht het gemeentebestuur het van belang om ruimte te bieden voor dergelijke voorzieningen. Het omgevingsplan maakt het oprichten van anti-hagelgeneratoren mogelijk. Bij de vergunningverlening wordt vervolgens getoetst aan het wettelijk kader, waarbij aandacht wordt besteed aan gezondheidsaspecten.
Gewasbeschermingsmiddelen kunnen effecten hebben op de gezondheid. In dat licht is voor boomgaarden en fruitteelt een afstandsmaat van 50 meter aangehouden tot tuinen en woningen, tenzij voldoende afschermende maatregelen zijn genomen. Voor overige agrarische teelten is vooralsnog aangenomen dat de wettelijke regels voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voorzien in voldoende bescherming voor kwetsbare functies.
Wat betreft veehouderij-activiteiten biedt het pilot-omgevingsplan primair beperkte ontwikkelingsmogelijkheden. Daarbij is met het oog op het voorkomen van mogelijke significant negatieve effecten op Natura2000 op basis van de planMER een emissie-standstil voor ammoniak opgenomen in de regels. Alleen als wordt aangetoond dat er geen negatieve effecten zijn op Natura2000 en de emissie niet toeneemt, kan worden meegewerkt aan uitbreiding.
In het kader van het pilot-omgevingsplan is vooralsnog geen specifiek nieuw beleid ontwikkeld voor het aspect gezondheid. Wel is gezondheid vertaald in voorwaarden die worden gesteld aan nieuwe ontwikkelingen. In het licht van het voorgaande is wel een aantal voorwaarden opgenomen in het omgevingsplan met betrekking tot het aspect gezondheid, gericht op de aspecten overlast in verband met geur, stof, geluid, verkeer, gevaar en magnetische velden.
Het buitengebied van de gemeente Borsele is opgenomen in de 11e tranche van de Chw. De Chw biedt mogelijkheden om in het omgevingsplan op een andere wijze om te gaan met de toetsing van de milieugevolgen dan gebruikelijk bij een 'regulier' bestemmingsplan. De meest relevante wijzigingen voor de beoordeling van omgevingsaspecten zijn de volgende.
Dit hoofdstuk bevat een toelichting op de wijze waarop in het omgevingsplan de relevante omgevingsaspecten zijn meegewogen.
Waarom een planMER?
Evenals voor een 'regulier' bestemmingsplan buitengebied is voor een omgevingsplan een milieueffectrapportage noodzakelijk. Enerzijds omdat het omgevingsplan mogelijkheden biedt voor (veehouderij)-initiatieven waarbij sprake kan zijn van een overschrijding van de drempelwaarden uit de C- en D-lijst bij het Besluit milieueffectrapportage. Het omgevingsplan is daarmee kaderstellend voor mer-(beoordelings)plichtige vervolgbesluiten. Anderzijds omdat een passende beoordeling noodzakelijk is, aangezien significant negatieve effecten binnen Natura 2000 (als gevolg van een toename van stikstofdepositie) niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. PlanMER en passende beoordeling zijn opgenomen in bijlage 4 PlanMER.
Reikwijdte en detailniveau
Het planMER en de passende beoordeling geven inzicht in de bandbreedte aan mogelijke milieugevolgen die kunnen optreden. Daarbij is zowel gekeken naar de gevolgen van agrarische bedrijfsactiviteiten (in het bijzonder de veehouderijen) als naar de gevolgen van nevenfuncties bij agrarische bedrijven, bedrijven en burgerwoningen.
Eerst is in het planMER per milieuthema de referentiesituatie in beeld gebracht. Bij de beschrijving van de gevolgen van het omgevingsplan is vervolgens onderscheid gemaakt tussen een maximaal en een realistisch ontwikkelingsscenario. In eerste instantie zijn de effecten van het omgevingsplan beoordeeld zonder rekening te houden met maatregelen of randvoorwaarden. Vervolgens wordt bekeken welke uitgangspunten, randvoorwaarden of maatregelen in het omgevingsplan dienen te worden opgenomen om ongewenste situaties te voorkomen en te zorgen dat nieuwe initiatieven een bijdrage leveren aan de beoogde kwaliteit.
Figuur 3.1 Schematisch weergave verhouding planMER en omgevingsplan
Agrarische bedrijven
Voor de agrarische bedrijfsactiviteit leidt de keuze voor een omgevingsplan in vergelijking met een 'regulier' bestemmingsplan, in algemene zin niet tot meer ontwikkelingsruimte of flexibiliteit. De toetsing van de effecten is daarom in principe conform de toetsing in een planMER voor een 'regulier' bestemmingsplan buitengebied. Dit betekent dat uitgebreid onderzoek is uitgevoerd om de gevolgen van ontwikkelingsmogelijkheden voor veehouderijen in beeld te brengen. Het planMER is mede bepalend voor de voorwaarden waaronder veehouderij-initiatieven kunnen worden toegestaan.
Neven- en vervolgfuncties
Het omgevingsplan biedt onder voorwaarden ruime mogelijkheden voor nevenfuncties en vervolgfuncties. Deze mogelijkheden kunnen per deelgebied verschillen. Het betreft onder andere mogelijkheden voor kleinschalige recreatieve functies, horeca en niet-agrarische bedrijvigheid. Door de ruime mogelijkheden die het omgevingsplan biedt, is het onmogelijk om in het planMER een gedetailleerde kwantitatieve toetsing van de (maximale) gevolgen op te nemen. Een dergelijk toetsing past ook niet binnen de algemene visie achter het instrument omgevingsplan. In het planMER is aan de hand van ontwikkelingsscenario's op hoofdlijnen ingegaan op de mogelijke milieugevolgen. Vervolgens is bekeken welke uitgangspunten, randvoorwaarden of maatregelen in het omgevingsplan dienen te worden opgenomen om ongewenste situaties te voorkomen en te zorgen dat nieuwe initiatieven een bijdrage leveren aan de beoogde kwaliteit. In paragraaf 3.3 is dit nader uitgewerkt.
Resultaten en conclusies
Op basis van de sectorale beoordelingen van de (potentiële) effecten zoals opgenomen in het planMER en de passende beoordeling kunnen op hoofdlijnen de volgende conclusies worden getrokken.
Effecten maximaal ontwikkelingsscenario
Uit de resultaten van de effectbeoordeling voor het maximale ontwikkelingsscenario blijkt dat uitbreidingsmogelijkheden en omschakelingsmogelijkheden voor veehouderijen kunnen leiden tot significant negatieve effecten binnen Natura 2000-gebieden in de wijde omgeving van het plangebied. Cumulatief kan bij maximale groei van de veestapel een grote toename van stikstofdepositie optreden in situaties binnen Natura 2000 waar reeds sprake is van een overbelasting. Daarnaast zijn de ontwikkelingsmogelijkheden voor veehouderijen mede bepalend voor het woon- en leefklimaat binnen de gemeente. In het maximale ontwikkelingsscenario is als gevolg van de mogelijkheden voor veehouderijen sprake van beperkte negatieve gevolgen voor de geurbelasting, de concentraties fijn stof en de daarmee samenhangende gezondheidssituatie.
Ook bouw- en gebruiksmogelijkheden die samenhangen met neven- en vervolgfuncties kunnen (zonder aanvullende randvoorwaarden en/of maatregelen) ongewenste effecten met zich meebrengen. Zo kan in het maximale ontwikkelingsscenario sprake zijn van negatieve effecten op beschermde soorten (flora en fauna), water en de verkeerssituatie (en de daarmee samenhangende effecten). Tevens kunnen in bepaalde landschappelijke deelgebieden ongewenste landschappelijke gevolgen optreden.
Effecten realistisch ontwikkelingsscenario
Zoals uit het voorgaande blijkt kunnen in het maximale ontwikkelingsscenario negatieve effecten optreden. Het is echter de vraag of deze (vaak theoretische) maximale situatie in alle gevallen leidend moet zijn voor de wijze waarop de uitkomsten uit het planMER worden doorvertaald in het omgevingsplan. Om een meer genuanceerd beeld te geven van de mogelijke milieugevolgen is ook een meer realistisch ontwikkelingsscenario onderzocht. Daarbij is rekening gehouden met trends in de agrarische sector en specifieke gebiedskenmerken. Uit de beoordeling van de effecten voor dit realistische ontwikkelingsscenario blijkt dat dat de milieugevolgen over het algemeen minder negatief worden beoordeeld dan de effecten van het maximale ontwikkelingsscenario.
Het omgevingsplan maakt relevante ontwikkelingen (functieveranderingen) met een melding, via afwijking en via delegatie mogelijk. Om ongewenste effecten te voorkomen en te borgen dat ontwikkelingen een bijdrage leveren aan de gewenste omgevingskwaliteit worden voorwaarden verbonden aan nieuwe initiatieven. In bijlage 5 Sectorale aspecten is een overzicht opgenomen van de geldende sectorale toetsingskaders en de wijze waarop daarmee in het omgevingsplan is omgegaan. Uitgangspunt voor het omgevingsplan is het vastleggen van de kaders waarbinnen toekomstige ontwikkelingen kunnen plaatsvinden. De verschillende omgevingsaspecten spelen een belangrijke rol bij de uitwerking van de voorwaarden, regels en onderzoeksverplichtingen. Toetsing vindt plaats op het moment dat sprake is van een concreet initiatief en gebruik wordt gemaakt van de flexibiliteitsbepalingen.
Algemene voorwaarden
In de regels is een set van 'standaard' voorwaarden opgenomen die (voor zover relevant/van toepassing) gekoppeld zijn aan de verschillende mogelijkheden voor functieveranderingen. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om voorwaarden als:
Meerwaarde
Voldoen aan de voorwaarden alleen is niet voldoende: om medewerking te verkrijgen is het ook noodzakelijk dat er sprake is van een meerwaarde voor het buitengebied. Het staat de initiatiefnemer vrij om te kiezen voor een (combinatie van) financieel-economische, maatschappelijke of ruimtelijke meerwaarde. Van een ruimtelijke meerwaarde is bijvoorbeeld sprake indien natuurwaarden of cultuurhistorische waarden worden versterkt.
Aanvullende maatregelen planMER en passende beoordeling
Uit de effectbeschrijvingen in het planMER en de passende beoordeling blijkt dat er op onderdelen aanvullende maatregelen wenselijk/noodzakelijk zijn.
Stikstofdepositie Natura 2000
De veehouderijsector levert een belangrijke bijdrage aan de stikstofdepositie binnen Natura 2000. Mede naar aanleiding van de resultaten van de passende beoordeling is besloten in het omgevingsplan geen mogelijkheden te bieden voor omschakeling naar of nieuwvestiging van intensieve veehouderij. Daarnaast dienen voorwaarden te worden verbonden aan de uitbreiding van bestaande veehouderijen. De gemeente kiest er voor om in de regels vast te leggen dat de emissies op perceelsniveau niet mogen toenemen. Dit betekent niet dat alle veehouderijen 'op slot' worden gezet. Uitbreiding is mogelijk door het treffen van voldoende stikstofreducerende maatregelen (toepassen van emissiearme stalsystemen).
Op deze wijze is in het omgevingsplan geborgd dat geen achteruitgang zal optreden en op termijn de depositie zal afnemen. Niet alleen kunnen nieuwe initiatieven leiden tot een daling van de emissies en daarmee tot een afname van de emissie, maar situaties waarin sprake is van bedrijfsbeëindiging kunnen positieve gevolgen hebben voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000.
Een emissiestandstill heeft vergaande gevolgen voor bijvoorbeeld de paardenhouderij omdat voor het houden van paarden geen emissiearme stalsystemen voorhanden zijn. Mede om deze reden wordt een binnenplanse afwijking via omgevingsvergunning opgenomen waarmee onder strikte voorwaarden een toename van emissie wordt toegestaan. Daarbij dient te worden aangetoond dat geen sprake is van een toename van depositie op Natura 2000 of aantasting van andere natuurwaarden, dan wel maatregelen worden getroffen om de negatieve effecten van een toename van depositie te mitigeren.
Teeltondersteunende voorzieningen
Het op grote schaal realiseren van bepaalde teeltondersteunende voorzieningen in de nabijheid van natuurgebieden kan leiden tot verminderde infiltratie en daardoor een nadelige invloed hebben op de natuurwaarden. Het is wenselijk om in bepaalde gevallen voorwaarden te verbinden aan nieuwe initiatieven.In het voorontwerp omgevingsplan zijn op dit punt nog geen voorwaarden verbonden aan nieuwe teeltondersteunende voorzieningen, maar in het ontwerpomgevingsplan zullen naar verwachting nadere voorwaarden worden opgenomen.
In paragraaf 4.2 wordt in hoofdlijnen de gekozen juridische opzet voor het omgevingsplan toegelicht. Paragraaf 4.3 bevat een toelichting op verschillende onderdelen van het plan zoals de opgenomen functies en regels. in bijlage 8 is een inventarisatie opgenomen van diverse functies in het buitengebied.
Bij de vertaling van het gemeentelijke beleid naar een omgevingsplan zijn op hoofdlijnen vier aspecten van belang:
De vier aspecten resulteren in een opzet zoals opgenomen in paragraaf 4.2.5.
Het omgevingsplan verschilt op een aantal onderdelen van het bestemmingsplan. Zo bevat het omgevingsplan regels voor activiteiten die gericht zijn op het bereiken en in stand houden van 'een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit'. Het vertrouwde referentiekader 'goede ruimtelijke ordening' uit de Wro verdwijnt. Een gezonde fysieke leefomgeving is een veel breder kader dan de goede ruimtelijke ordening. Ook bijvoorbeeld milieuaspecten, beeldkwaliteit en welstand zijn onderdeel van de gezonde fysieke leefomgeving en kunnen daarmee onderdeel zijn van een omgevingsplan. Volgens de Omgevingswet gaat het in een omgevingsplan om 'het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid, het beschermen van het milieu, het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden, het behoud van cultureel erfgoed, de natuurbescherming, het tegengaan van klimaatverandering, de kwaliteit van bouwwerken, de evenwichtige toedeling van functies aan locaties, het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten, het beheer van infrastructuur, het beheer van watersystemen, het beheer van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen, het beheer van natuurlijke hulpbronnen, het beheer van natuurgebieden en het gebruik van bouwwerken' (artikel 1.2 Omgevingswet).
Een gemeente mag zelf bepalen of alle regels en bepalingen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving uiteindelijk in een omgevingsplan terecht komen. Er kan ook voor worden gekozen om bepaalde onderdelen separaat te blijven regelen in beleidsregels of verordeningen. Het omgevingsplan heeft dan echter niet het beoogde integrale karakter.
Het omgevingsplan kent geen geldigheidstermijn (uiterste houdbaarheidsdatum): een eenmaal vastgesteld omgevingsplan blijft gelden en kan op onderdelen steeds worden herzien. Alleen het onderdeel dat wordt herzien is daarbij onderdeel van de vaststellingsprocedure en staat open voor beroep. Bij de inrichting van de set van regels voor een omgevingsplan en de opzet van de verbeelding wordt rekening gehouden met deze mogelijkheid om onderdelen (modules) eenvoudig te kunnen herzien. Er hoeft daarmee ook geen uitgebreid feitelijk onderzoek gedaan te worden naar uiteenlopende uitvoeringsvarianten van het plan: dit kan worden doorgeschoven naar het moment waarop er daadwerkelijk sprake is van een ontwikkeling. Het omgevingsplan voor Borsele heeft als 'bestemmingsplan met verbrede reikwijdte' een plantermijn van 20 jaar.
Schematisch zou de opzet van een omgevingsplan er dan als volgt uit kunnen zien.
Figuur 4.1 Lagen in de verbeelding (plat vlak en in digitale laagopbouw) met een voorbeeldmodule van de regels
De raadpleger 'prikt' door op de verbeelding op een bepaalde locatie te klikken als het ware door alle lagen/modules in het omgevingsplan en ziet alle relevante onderdelen van het omgevingsplan, met uitsluitend de onderdelen van de regels die voor de betreffende locatie van belang zijn.
Naar een opzet voor het omgevingsplan voor Borsele
In het omgevingsplan voor Borsele:
Bij de nieuwe doelen en uitgangspunten hoort ook een vernieuwd instrumentarium dat aansluit bij de beoogde doelen (integraal, globaal, doelgericht denken, afwegingsruimte, kwalitatief in plaats van kwantitatief, vertrouwen). Dit instrumentarium bestaat uit verschillende soorten van regels: bouw- en gebruiksregels en beoordelingsregels, meldingsregels, maatwerkvoorschriften en -regels en regels voor gelijkwaardigheid.
Een omgevingsplan kan geen verplichte vergunningen voorschrijven (in bestemmingsplan: omgevingsvergunning voor slopen of omgevingsvergunning voor uitvoeren werken en werkzaamheden) of binnenplanse afwijkingen bevatten: deze worden in de Omgevingswet zelf geregeld. Het omgevingsplan kan wel de criteria bevatten op basis waarvan een omgevingsvergunning voor een afwijkingsactiviteit van de Omgevingswet wordt verleend.
Voor een overzicht van het nieuwe instrumentarium wordt verwezen naar bijlage 7 Instrumentarium omgevingswet.
Naar een opzet voor het omgevingsplan voor Borsele
Bij de keuze voor instrumentarium wordt gestreefd naar minder regels en ontwikkelingen met minder of kortere procedures mogelijk maken. De voorkeur wordt gegeven aan het rechtstreeks toestaan van initiatieven en ontwikkelingen mits voldaan wordt aan een aantal voorwaarden. Het is vervolgens de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer om aan deze voorwaarden te (blijven) voldoen. Dit vraagt extra aandacht en alertheid van de ambtelijke medewerkers die belast zijn met handhaving.
Waar nodig worden de regels aangevuld met de bepaling dat een melding van een ontwikkeling moet worden gedaan bij het college van burgemeester en wethouders. Hierdoor ontstaat een duidelijk signaleringsmoment.
Ontwikkelingen of activiteiten die niet rechtstreeks of met melding worden toegestaan kunnen met een afwijking of delegatie worden toegestaan: het omgevingsplan bevat de voorwaarden waaronder deze instrumenten kunnen worden toegepast.
Uitgangspunt voor omgevingsplannen is het objectgericht benaderen van de informatie en de regels die in een omgevingsplan staan. Gronden en panden zijn objectgericht te benaderen indien de gronden gekoppeld worden aan een getekend vlak waaraan de betreffende regels voor de gronden en panden zijn gekoppeld. Bij het omgevingsplan voor Borsele leidt een dergelijke systematiek er toe dat een van de doelstellingen (flexibiliteit om de begrenzing van bestemmingsvlakken en bouwblokken aan te passen) niet wordt bereikt. Daarnaast is de huidige landelijke raadpleegomgeving voor bestemmingsplannen (www.ruimtelijkeplannen.nl) nog niet geschikt om daadwerkelijk objectgericht te raadplegen.
Naar een opzet voor het omgevingsplan voor Borsele
Voor het omgevingsplan voor Borsele is daarom gekozen voor:
In het omgevingsplan kunnen gemeentelijke beleidsregels en verordeningen worden geïntegreerd of er kan naar worden verwezen. Voordeel van het werken met een verwijzing naar beleidsregels of verordeningen is dat het omgevingsplan niet behoeft te worden gewijzigd bij veranderende inzichten: het wijzigen van de materiële beleidsregel of de verordening is dan voldoende. Nadeel is dat het bedoelde integrale karakter minder goed uit de verf komt. Het uitgangspunt voor het omgevingsplan Buitengebied Borsele 2017 is dan ook dat beleidsregels en verordeningen waar mogelijk in het omgevingsplan worden verwerkt.
De verbrede reikwijdte heeft niet alleen betrekking op de verwerking van beleidsregels en verordeningen die een relatie hebben met de fysieke leefomgeving. Verbrede reikwijdte heeft ook betrekking op het bieden van een handvat om de verschillende aspecten die spelen in de fysieke leefomgeving met elkaar in verbinding te brengen en in onderlinge samenhang af te wegen (integraliteit). In het omgevingsplan wordt de integraliteit bij nieuwe ontwikkelingen in deelgebieden als volgt ingevuld:
Samenvattend leiden de aspecten in de hiervoor beschreven paragrafen tot de volgende opzet van het omgevingsplan voor Borsele.
Algemene regels
Waar mogelijk zijn in het plan algemene regels gehanteerd.
Eenvoudige procedure
Ontwikkelingen worden zoveel mogelijk rechtstreeks of met een melding toegestaan; hieraan zijn kwantitatieve en/of kwalitatieve voorwaarden verbonden.
Ontwikkelingen die met een afwijking of delegatie zijn toegestaan worden getoetst op voorwaarden (kwalitatief en/of kwantitatief) en geboden meerwaarde.
Deelgebieden
Er is een onderscheid in deelgebieden gemaakt; deze deelgebieden zijn op verschillende niveaus van elkaar te onderscheiden:
Objectgerichte raadpleging
De opzet van de regels maakt, samen met de verbeelding, een objectgerichte raadpleging mogelijk; de opzet van de regels en de verbeelding kunnen daarmee niet precies volgens de standaarden van SVBP2012 worden opgesteld; de standaarden zijn gemanipuleerd om de gewenste raadpleegbaarheid mogelijk te maken.
Raadpleegomgeving
Het plan is geschikt voor publicatie op www.ruimtelijkeplannen.nl. De leesbaarheid van het plan komt op de aanvullende raadpleegomgeving beter tot zijn recht. De raadpleging van het plan geschiedt via een vragenstructuur. De toegankelijkheid van de vragen ( 'waarvoor mag ik deze locatie gebruiken', 'wat mag ik op deze locatie bouwen') heeft tot doel de leesbaarheid voor de gebruikers te vergroten.
Verbreding
Verordeningen en beleidsnota's zijn indien mogelijk in het omgevingsplan opgenomen; indien dit niet haalbaar is, wordt verwezen naar de betreffende nota of verordening.
Kwaliteitsverbetering
Het plan is opgezet vanuit de ambitie om bij te dragen aan de verdere verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, ten aanzien van:
Het omgevingsplan heeft de volgende opbouw van de regels en verbeelding.
| module | |
| Gebruik |
Waarvoor mag ik deze locatie gebruiken artikelen 1 tot en met 36 In deze module zijn opgenomen: - de bestaande functies (functies met een aanduiding op de verbeelding zoals agrarische bedrijven en burgerwoningen); - de huidige functies van bovengemeentelijk belang (op de verbeelding opgenomen bestaande natuurgebieden, de primaire waterkering, leidingen, hoofdwegenstructuur en de Westerschelde); - algemeen toelaatbare functies in het overige gebied op de verbeelding; algemeen toelaatbaar is bijvoorbeeld het aanleggen van nieuwe landschapselementen of de aanleg van voet- en fietspaden mits aan de voorwaarden wordt voldaan. |
| Bouwen |
Wat mag ik op deze locatie bouwen
artikel 37 tot en met 61 Deze module is gekoppeld aan aanduidingen op de verbeelding en hierin is opgenomen: - de bouwregels voor de met een symbool aangegeven functies; - de bouwregels die in zijn algemeenheid voor het hele buitengebied gelden; - specifieke bouwregels zoals bijvoorbeeld voor bouwen binnen belemmeringenzones van leidingen of binnen de geluidszone industrielawaai. |
| Veranderen |
Mag het toelaatbare gebruik en het bouwen op deze locatie ook veranderen
artikel 62 tot en met 65 De regels voor veranderingen van functies of afwijken van de bouwregels zijn gekoppeld aan 3 deelgebieden; binnen deze 3 deelgebieden zijn de veranderingen ingedeeld naar veranderingen: - met een melding; - met toepassing van een afwijkingsbevoegdheid; - veranderingen waarvoor het college een herziening van het omgevingsplan vast kan stellen (delegatie). De toelaatbaarheid van veranderingen is afhankelijk van: - de wijze waarop aan de voorwaarden wordt voldaan; - of er sprake is van een meerwaarde voor het buitengebied van Borsele. De regels bevatten ook de mogelijkheid om maatwerk te leveren voor initiatieven (integraliteit). De mogelijkheid om bijzondere overnachtingsplaatsen te realiseren is opgenomen voor het gehele plangebied met uitzondering van de Westerschelde. |
| Landschappelijke inpassing |
Voor het bouwen of de functie geldt de voorwaarde van landschappelijke inpassing;
hiervoor gelden regels artikel 66 tot en met 71 De Richtlijn erfbeplantingen is 'opgeknipt' en gekoppeld aan het desbetreffende deelgebied op de verbeelding; een initiatief waarvoor in de gebruiks- of bouwregels een landschappelijke inpassing is voorgeschreven kan direct aan de eisen voor de landschappelijke inpassing van het deelgebied waarin het initiatief is gelegen, worden getoetst. |
| Bescherming houtopstanden |
Welke regels gelden er voor de houtopstanden op deze locatie artikel 72 De regels voor het kappen van waardevolle bomen zijn gekoppeld aan het hele plangebied; een raadpleger kan via een link doorklikken naar de digitale kaart met daarop de waardevolle bomen; de regels bevatten ook de mogelijkheid voor het college om de lijst met waardevolle bomen te wijzigen. |
| Stoken |
Mag ik op deze locatie afvalstoffen verbranden artikel 73 De regels voor het verbranden van afvalstoffen zijn gekoppeld aan het hele plangebied; een raadpleger kan altijd zien welke regels hiervoor gelden. |
| Geluid |
Welke regels gelden er voor activiteiten die geluid produceren artikel 74 en 75 De Geluidverordening is geëvalueerd en verwerkt in de regels. |
| Archeologie |
Deze locatie bevindt zich in archeologisch waardevol gebied, hiervoor gelden regels artikel 76 tot en met 81 Het vastgestelde archeologiebeleid van de gemeente is vastgelegd in de regels en op de verbeelding; er worden verschillende archeologische verwachtingswaarden onderscheiden. Sinds de vaststelling van het archeologiebeleid zijn al diverse archeologisch onderzoeken gedaan en in een aantal gevallen heeft dit geleid tot de conclusie dat er geen sprake is van archeologische verwachtingswaarden. Voor deze gronden is geen functie 'archeologische verwachtingswaarden' opgenomen. |
| Cultuurhistorie |
Op deze locatie is sprake van cultuurhistorische waarden, hiervoor gelden regels artikel 82 tot en met 86 In de regels en op de verbeelding zijn de molenbiotopen, karakteristieke panden, gemeentelijke monumenten en overige cultuurhistorische elementen zoals sluizen en vliedbergen weergegeven; de regels zijn alleen te raadplegen indien binnen de molenbiotoop of op een waardevol pand wordt geklikt. |
| Natuur en landschap |
Op deze locatie is sprake van natuur en landschapswaarden, hiervoor gelden regels artikel 87 en 88 Deze regels zijn opgenomen en gekoppeld op de verbeelding aan: - agrarische gronden met natuur of landschapswaarden; - dijken met natuur of landschapswaarden. Voor deze gebieden is bepaald dat het uitvoeren van werken en werkzaamheden alleen is toegestaan indien door het college een afwijking van het verbod is verleend. |
| Waterkering |
Op deze locatie gelden regels voor de bescherming van de waterkering artikel 31 en 89 De regel ter bescherming van de waterkering is gekoppeld aan de primaire waterkering langs de Westerschelde. De beschermingszones grenzend aan de primaire waterkering en de secundaire waterkeringen zijn beschermd met de functie Waterstaat - Waterkering. |
| Verklarende regels |
Verklarende regels artikel 90 en 91 Begripsbepalingen en wijze van meten. |
| Overige regels |
Welke regels gelden er nog meer op deze locatie artikel 92 tot en met 94 Overgangs- en slotbepalingen. |
Bij het gebruik van de aanvullende raadpleegomgeving zijn door het aanklikken van een locatie alleen de modules zichtbaar die op de betreffende locatie van toepassing zijn.
In grote delen van het plangebied zijn de functies agrarisch grondgebruik, wegen en waterlopen, extensief dagrecreatief medegebruik, tuinen, nieuwe natuur en nieuwe landschapselementen rechtstreeks toegestaan. Bestaande functies, zoals agrarische bedrijven, burgerwoningen en niet agrarische bedrijven, zijn op de verbeelding aangeduid met een symbool (een aanduiding). In de regels van artikel 36 Algemeen toelaatbare functies, is opgenomen dat het algemeen toelaatbare gebruik is toegestaan én de bestaande functies zoals aangegeven met een indicatieve aanduiding. De indicatieve aanduiding heeft niet tot doel om de locatie en de begrenzing van het bestaande gebruik exact vast te leggen. Het symbool geeft aan waar de functie zich bevindt: indien nodig wordt de omvang van het gebruik en de mate van concentratie van bebouwing in de regels vastgelegd.
Bestaande functies zoals natuurgebieden, de Westerschelde, Sloegroen en de primaire waterkering hebben een functievlak gekregen.
Bij de hiervoor genoemde algemeen toelaatbare functies en bestaande functies is aangegeven wat rechtstreeks toelaatbaar is aan functieveranderingen en bouwmogelijkheden. Voor veranderingen die niet rechtstreeks zijn toegestaan, zijn de deelgebieden van belang. In het omgevingsplan worden 3 deelgebieden onderscheiden, te weten:
Veranderingen van functies en (bouw)ontwikkelingen zijn in principe toegestaan indien ze naar aard en omvang passend zijn in het betreffende deelgebied en voldoen aan algemene voorwaarden, zoals geluid, milieuhygiënische inpasbaarheid en verkeer. De regels bevatten een gebiedsbeschrijving waarin de specifieke en onderscheidende kenmerken van een deelgebied zijn beschreven. Deze gebiedsbeschrijving én het beleidsuitgangspunt dat gestreefd wordt naar versterking van de ruimtelijke kwaliteit zijn bepalend voor het toestaan van nieuwe ontwikkelingen. Behalve dat aan de voorwaarden moet worden voldaan, moet een initiatief ook een meerwaarde hebben voor het buitengebied en een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. Deze meerwaarde kan onder andere bestaan uit het versterken van natuurwaarden, het slopen van detonerende bebouwing of het versterken van een cultuurhistorisch element. De mate waarin sprake moet zijn van een meerwaarde is afhankelijk van de aard en omvang van het initiatief en het is aan de initiatiefnemer om een keuze te maken in de wijze waarop de meerwaarde wordt gerealiseerd.
Veranderingen met melding
Bij een beperkt aantal veranderingen kan met een melding van de initiatiefnemer aan het college worden volstaan. Om gebruik te kunnen maken van het instrument melding moet voldaan worden aan de voorwaarden die aan de verandering worden gesteld. De gemeente kan achteraf controleren of er daadwerkelijk aan de voorwaarden wordt voldaan. Onder andere de uitbreiding van een kleinschalig kampeerterrein naar 25 standplaatsen kan met een melding worden gedaan mits voldaan wordt aan de voorwaarden.
Verandering met afwijking
De mogelijkheid om van het plan af te wijken is opgenomen voor onder andere nevenactiviteiten die naar aard en omvang de beperkte rechtstreekse mogelijkheden voor nevenfuncties overstijgen, bouwen vóór de voorgevelrooilijn, plattelandswoningen en nieuwbouw ten behoeve van nevenfuncties.
Verandering met delegatie
Met toepassing van de delegatiebevoegdheid wordt een deel van het omgevingsplan herzien waarbij het college van burgemeester en wethouders het besluit tot vaststelling van de herziening neemt. In het plan is een delegatiebevoegdheid opgenomen voor onder andere het omzetten van een agrarisch functie naar wonen bij bedrijfsbeëindiging, de nieuwvestiging van een grondgebonden agrarisch bedrijf en het realiseren van duurzame initiatieven voor zonne-energie.
Deze zonneweides kunnen passend zijn in het grootschalige polderlandschap; om te beoordelen of een locatie geschikt is voor een dergelijk initiatief zijn de volgende (aanvullende) voorwaarden opgenomen in de regels:
Indeling in bedrijven
In het omgevingsplan is een onderscheid gemaakt tussen verschillende soorten van agrarische bedrijven. De noodzaak om een onderscheid te maken wordt enerzijds ingegeven door het provinciale beleid dat specifieke regels kent voor intensieve veehouderijen en glastuinbouwbedrijven. Anderzijds vormen ook het gemeentelijke beleid en de resultaten van het planMER aanleiding voor de volgende indeling van agrarische bedrijven:
De in het plangebied aanwezige bedrijven zijn geïnventariseerd en hebben een aanduiding gekregen overeenkomstig de aanwezige bedrijfsvoering. Daarbij kan sprake zijn van hoofd- en neventakken of gemengde bedrijven. Neventakken intensieve veehouderij bij grondgebonden agrarische bedrijven zijn niet algemeen toelaatbaar en worden om die reden aangeduid. Een neventak grondgebonden teeltbedrijf is bij alle agrarische bedrijven toegestaan en wordt om die reden niet apart aangeduid maar als algemeen toelaatbaar opgenomen bij het toelaatbare gebruik.
Bouwblok
Ten behoeve van een agrarisch bedrijf mag worden gebouwd binnen een denkbeeldig vlak met zijden van 175 m en een oppervlakte van 1 ha (bouwblok). Het bouwblok kan vierkant, rechthoekig, een combinatie daarvan of meerhoekig zijn. Verder gelden voor de bebouwing binnen deze bouwblokken nog aanvullende voorwaarden zoals afstanden tot wegen en perceelsgrenzen, aansluiten bij de situering en lengterichting van bestaande bebouwing, geen onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen en handhaven van de voorgevelrooilijn. Bouwen binnen een bouwblok met een oppervlakte van 1,5 ha is ook mogelijk maar hiervoor gelden aanvullende voorwaarden. Voor glastuinbouwbedrijven zijn denkbeeldige bouwblokken van 2 ha mogelijk gemaakt, met uitzondering van het glastuinbouwbedrijf Hellenburgstraat 32. Deze locatie is in de structuurvisie aangewezen als herstructurering- transformatielocatie voor woningbouw. Voor deze locatie zijn specifieke (bouw)aanduidingen opgenomen om de bouw van een bedrijfswoning en de uitbreiding van bedrijfsgebouwen en kassen te voorkomen.
Ammoniakemissiestandstill
Voor bouwblokken waar het houden van dieren is toegestaan is een ammoniakemissiestandstill opgenomen. Dit betekent dat het aantal legaal gerealiseerde dierplaatsen op het moment van vaststelling van het omgevingsplan, het stalsysteem dat hiervoor op dat moment was vergund en de diersoort waarvoor de dierplaatsen zijn gerealiseerd, slechts mogen worden gewijzigd indien dit niet gepaard gaat met een toename van ammoniakemissie. In voorkomende situaties waarbij een toename van emissie niet leidt tot een aantasting van natuurwaarden en Natura 2000-gebieden, kan met toepassing van een afwijkingsbevoegdheid medewerking worden verleend aan een wijziging van de aantallen dierplaatsen, de diersoort of het stalsysteem.
Uitbreiding intensieve veehouderij
Voor intensieve veehouderijen gelden de regels uit de Verordening ruimte provincie Zeeland waarbij er een grens is gesteld aan de maximale omvang van hoofd- en neventakken intensieve veehouderij. Bouwen ten behoeve van een uitbreiding van de bedrijfsvloeroppervlakte is mogelijk indien onder andere aan eisen van verduurzaming wordt voldaan.
Teeltondersteunende voorzieningen
Bij grondgebonden teeltbedrijven komt het gebruik van teeltondersteunende voorzieningen voor. Het omgevingsplan maakt een onderscheid tussen lage teeltondersteunende voorzieningen die worden aangelegd (zoals gebruik van folies en containervelden) en hoge voorzieningen waarvoor wordt gebouwd (zoals kassen, boog- en gaaskassen en hagelnetten). Het gebruik van de gronden voor lage voorzieningen is zonder meer toegestaan met uitzondering van het gebruik in deelgebied Kerngebied de Poel en heggengebied Nisse.
Voor de bouw van teeltondersteunende kassen is een regel opgenomen bij de bouwblokken (de kassen moeten binnen het bouwblok worden gerealiseerd). Overige teeltondersteunende voorzieningen zoals hagelnetten mogen buiten bouwblokken worden gebouwd, overeenkomstig de regels die in de algemene bouwregels zijn opgenomen.
Niet-agrarische nevenactiviteiten
Bij de beschrijving van de specifieke regels voor gebruik is per functie ook aangegeven dat een aantal niet-agrarische nevenactiviteiten is toegestaan. Rechtstreeks toelaatbaar, mits aan de voorwaarden wordt voldaan, is de verkoop van (regionale) agrarische producten, kleinschalige plattelandshoreca, kleinschalige zorginitiatieven en kleinschalige kampeerterreinen tot 15 eenheden. Voor de realisering van een kleinschalig kampeerterrein gelden onder andere voorwaarden voor landschappelijke inpassing, situering van de standplaatsen, veiligheid en een gezonde leefomgeving.
Huisvesting van arbeidsmigranten
Overeenkomstig de Beleidsnota huisvesting arbeidsmigranten worden in het plan mogelijkheden geboden om arbeidsmigranten te huisvesten op zogenoemde agrarische campings (rechtstreeks toegestaan overeenkomstig de mogelijkheden voor kleinschalig kamperen), in agrarische bedrijfsgebouwen en in leegstaande gebouwen (met toepassing van de delegatiebevoegdheid).
De bestaande burgerwoningen zijn met een aanduiding Wonen opgenomen op de verbeelding. Het symbool geeft weer dat ter plaatse één woning, erf en tuin zijn toegestaan. De omvang van dit gebruik is niet begrensd, het gebied waarbinnen mag worden gebouwd voor deze functie is evenmin op de verbeelding met een vlak vastgelegd. Uitgangspunt van de formuleringen in de regels is dat er wel sprake moet zijn van een concentratie van bebouwing (beperking van het erf en een maximale onderlinge afstand van woningen tot vrijstaande bijbehorende bouwwerken.
De gronden mogen gebruikt worden voor de huisvesting van personen: behalve de bewoning door huishoudens en gezinnen is daarmee ook de huisvesting van bijvoorbeeld arbeidsmigranten mogelijk.
De maximale inhoud, goot- of bouwhoogte van woningen is niet in het plan vastgelegd. Bij bouw, uitbreiding of verbouw is het uitgangspunt dat:
Ook bij burgerwoningen zijn nevenactiviteiten toegestaan zoals aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige kampeerterreinen tot 15 eenheden. Voor de realisering van een kleinschalig kampeerterrein gelden onder andere voorwaarden voor landschappelijke inpassing, situering van de standplaatsen, veiligheid en een gezonde leefomgeving.
In het plangebied komen verschillende niet-agrarische bedrijfsmatige activiteiten voor die zijn voorzien van de volgende aanduidingen:
Agrarisch aanverwante bedrijven en maneges
Zowel de agrarisch aanverwante bedrijven als de maneges zijn functioneel aan het buitengebied verbonden; het buitengebied is voor deze bedrijven de meest voor de hand liggende vestigingslocatie. De bestaande agrarisch aanverwante bedrijven en maneges zijn met een aanduiding op de verbeelding opgenomen. In de regels voor bouwen is opgenomen dat bebouwing is toegestaan binnen een denkbeeldig bouwblok met zijden van 175 m en een maximale oppervlakte van 1 ha. Het bouwblok kan vierkant, rechthoekig, een combinatie daarvan of meerhoekig zijn.
Overige bedrijvigheid
Voor de overige genoemde bedrijvigheid is in mindere mate sprake van een functionele relatie met het buitengebied. Ook voor deze bedrijven zijn symbolen opgenomen waarbij in het plan tevens de oppervlakte in gebruik en de toelaatbare oppervlakte aan bebouwing is vastgelegd. Met behulp van de Staat van Bedrijfsactiviteiten en Staat van Horeca-activiteiten zijn de bedrijven ingedeeld naar de mate van milieubelasting en invloed op de omgeving.
Nevenactiviteiten
Bij de beschrijving van de specifieke regels voor gebruik is per functie ook aangegeven dat een beperkt aantal nevenactiviteiten is toegestaan. Rechtstreeks toelaatbaar, mits aan de voorwaarden wordt voldaan, zijn het bieden van recreatief nachtverblijf tot een vloeroppervlakte van niet meer dan 40 m², beroepsmatige en/of bedrijfsmatige activiteiten in een woning en/of bijbehorende bouwwerken en kleinschalige kampeerterreinen tot 15 eenheden. Voor de realisering van een kleinschalig kampeerterrein gelden onder andere voorwaarden voor landschappelijke inpassing, situering van de standplaatsen, veiligheid en een gezonde leefomgeving.
In het bestemmingsplan Borsels Buiten is voor de percelen met een hoofdfunctie horeca, detailhandel of bedrijf de uitbreidings- en ontwikkelingsruimte bepaald op 20 % en al vastgelegd in de voorschriften en bijlagen van het plan. Deze regeling wordt overgenomen in het omgevingsplan.
Voor de nevenfuncties die met melding of afwijking zijn of kunnen ontstaan geldt in principe dat de bestaande bebouwing mag worden gebruikt voor de nevenfunctie en dat deze oppervlakte met 20% mag worden uitgebreid tot een maximum van 250 m2.
In het huidige Borsels Buiten is een quotum geïntroduceerd voor kleinschalig kamperen: er zijn in totaal 14 kleinschalige kampeerterreinen toegestaan (op het moment van vaststelling Borsels Buiten waren er al 7 aanwezig, momenteel in de fase van voorontwerp zijn er 12 kleinschalige kampeerterreinen). Het quotum wordt losgelaten: nieuwe kleinschalige kampeerterreinen zijn rechtstreeks toegestaan mits voldaan wordt aan kwalitatieve randvoorwaarden. In kerngebied de Poel en het heggengebied Nisse zijn geen kleinschalige kampeerterreinen toegestaan.
Bij diverse ontwikkelingen die met het plan mogelijk zijn en worden gemaakt is het vereiste van een landschappelijke inpassing opgenomen. De Richtlijn voor erfbeplanting die hiervoor binnen de gemeente wordt gehanteerd is opgenomen in het omgevingsplan. Daarbij is de richtlijn 'opgeknipt' naar deelgebieden. De raadpleger van het plan wordt via de verbeelding en het deelgebied direct naar de relevante onderdelen van de richtlijn geleid.
In het plangebied is een aantal bouwbeperkingen opgenomen of zijn voorwaarden gesteld aan het bouwen. Het betreft het bouwen binnen belemmeringenzones van leidingen, het bouwen binnen geluidszones industrielawaai, het bouwen binnen de walradarketen en straalpaden en het bouwen op de waterkering. Voor deze bouwbeperkingen zijn vlakken opgenomen op de verbeelding zodat de raadpleger direct op de bouwbeperking wordt gewezen.
De regels met betrekking tot het kappen, vellen en rooien van houtopstanden zijn opgenomen in de APV en in het huidige bestemmingsplan Borsels Buiten. In het omgevingsplan worden deze regelingen samengebracht.
In de APV is in zijn algemeenheid het kappen of vellen van bomen niet toegestaan, waarbij de APV tevens voorziet in een uitzondering indien een lijst van waardevolle bomen is vastgesteld. Het algemene verbod geldt dan niet voor bomen die niet op de lijst staan. Deze regeling is omslachtig en bovendien heeft Borsele een dergelijke lijst van waardevolle bomen vastgesteld.
In het omgevingsplan wordt volstaan met een verbod om deze waardevolle bomen te kappen en de bevoegdheid om de lijst met waardevolle bomen te wijzigen. De lijst met waardevolle bomen is ook digitaal te raadplegen en het plan bevat een link naar deze digitale raadpleegomgeving.
De lijst met waardevolle bomen biedt onvoldoende bescherming voor de kenmerkende dijkbeplantingen.
Agrarische gebieden en dijken met natuur- en/of landschapswaarden zijn specifiek aangeduid op de verbeelding. Het uitvoeren van verschillende werken en werkzaamheden is op deze gronden niet zonder omgevingsvergunning toegestaan. De kenmerkende dijkbeplanting – voor zover deze niet onder de Boswet valt of, indien ze daar wel onder valt, de herplantplicht niet op hetzelfde dijkvlak is gelegen – wordt met deze regeling beschermd.
De huidige geluidsverordening biedt in delen van het buitengebied van Borsele meer en in andere delen minder geluidsruimte voor inrichtingen om geluid te produceren. Een van de belangrijke doelstellingen van het omgevingsplan is om de geluidsverordening te integreren in het omgevingsplan. Een andere doelstelling van het omgevingsplan is om regelgeving op elkaar af te stemmen en dubbele regelgeving te voorkomen. De geluidsverordening is dan ook geëvalueerd. In de zones 1 en 2 waar meer ruimte werd geboden om geluid te produceren, blijkt van deze mogelijkheid niet of nauwelijks gebruik te zijn gemaakt. Zone 3 heeft weinig betekenis omdat hier de wettelijke normen gelden en er geen sprake was van een verruiming of vermindering van de mogelijkheid om geluid te produceren. Zone 4 heeft tot doel de stilte te behouden en biedt minder ruimte dan wettelijk toegestaan om geluid te produceren. Samenvattend is het behoud van de geluidsverordening voor zone 4 zinvol en wenselijk; voor de overige gebieden kan de verordening komen te vervallen.
Ook de beleidsregel voor het toepassen van antihagelgeneratoren is in het plan verwerkt. In de regels is voor het gebied waar strengere normen gelden dan wettelijk is vastgelegd, opgenomen dat de strengere normen voor geluid niet van toepassing zijn op antihagelgeneratoren.
In het archeologiebeleid zijn 8 categorieën van archeologische verwachtingswaarden onderscheiden die als volgt zijn vertaald.
| beleidscategorie in het vastgestelde archeologiebeleid | weergave op verbeelding en in de regels | relevante omvang en diepte waarbij sprake is van verplicht archeologisch onderzoek |
| categorie 1: archeologisch rijksmonumenten met een wettelijk beschermde status | niet vertaald in het omgevingsplan; gemeente geen bevoegd gezag | n.v.t. |
| categorie 2: terrein van archeologische verwachtingswaarde = AMK-terreinen | Waarde - Archeologie 1 | dieper dan 40 cm, groter dan 50 m² |
| categorie 3: stads- en dorpskernen met een archeologische verwachtingswaarde en nieuwe vindplaatsen | Waarde - Archeologie 1 | dieper dan 40 cm, groter dan 50 m² |
| categorie 4: hoge archeologische verwachtingswaarde | Waarde - Archeologie 2 | dieper dan 40 cm, groter dan 250 m² |
| categorie 5: gematigde archeologische verwachtingswaarde | Waarde - Archeologie 3 | dieper dan 40 cm, groter dan 500 m² |
| categorie 6: lage archeologische verwachtingswaarde | niet vertaald in het omgevingsplan | n.v.t. |
| categorie 7: waterbodem met verwachte maritiem archeologische verwachtingswaarde | Waarde - Archeologie 4 | groter dan 2.500 m² |
| categorie 8: geen archeologische verwachtingswaarde; geen verder onderzoek nodig | niet vertaald in het omgevingsplan | n.v.t. |
Daarnaast is in het plan het rijksinpassingsplan ' net op zee, Borssele' verwerkt: dit inpassingsplan heeft een specifieke archeologische bestemming die als Waarde - Archeologie 5 is overgenomen.
Molenbiotopen
De molenbiotopen zijn in het plan opgenomen waarbij een onderscheid is gemaakt tussen de biotoop van de stellingmolen in Heinkenszand en de overige molens.
Waardevolle panden
De bescherming van de gemeentelijke monumenten en de (wijziging van de) aanwijzing van gemeentelijke monumenten wordt opgenomen in het omgevingsplan. Bij raadpleging is dan direct zichtbaar welke regels er gelden ter bescherming van de gemeentelijke monumenten.
In het buitengebied zijn ook vele panden gelegen die als karakteristiek en cultuurhistorisch waardevol zijn aangemerkt. Voorstel is om voor deze panden een bescherming tegen sloop op te nemen. Een omgevingsvergunning om van het verbod tot slopen af te wijken kan worden verleend indien de karakteristiek van de gronden/omgeving niet onevenredig wordt aangetast of, gelet op de staat van het bouwwerk, handhaving niet in redelijkheid kan worden verlangd.
Rijksmonumenten
De aanwijzing en bescherming van rijksmonumenten hoeft niet in het omgevingsplan te worden geregeld (de gemeente heeft en krijgt hierin geen leidende rol). Bij de beoordeling van vergunningaanvragen heeft de gemeente wel een taak en toetst zij overeenkomstig hetgeen in paragraaf 10.1.7 van de Beeldkwaliteitsnota is verwoord. Dit is in de regels vertaald.
Overige elementen
Cultuurhistorisch waardevolle objecten zoals vliedbergen en sluizen worden aangeduid en beschermd.
In het kader van de Grondexploitatiewet is de gemeente verplicht kosten die ten behoeve van het omgevingsplan worden gemaakt, te verhalen (het huidige regime van Wro en Grondexploitatiewet is nog aan de orde).
De gemeente maakt geen kosten voor plannen die op grond van dit omgevingsplan worden uitgevoerd. Dat betreft in alle gevallen particulier initiatief, waaraan in beginsel geen kosten voor de gemeente zijn verbonden, afgezien van kosten van het ambtelijk apparaat voor de begeleiding en toetsing van aanvragen. Deze kosten worden door middel van leges gedekt. Mochten er andere kosten zijn, die op grond van artikel 6.13 Wet ruimtelijke ordening dienen te worden verhaald, dan zal uitsluitend worden meegewerkt aan de omgevingsvergunning voor afwijken of herziening van het plan, nadat een exploitatieovereenkomst is gesloten. De initiatiefnemers zijn hiervoor verantwoordelijk.
Wel maakt de gemeente plankosten, dit zijn de kosten die zijn gemoeid bij het opstellen van het omgevingsplan. Deze kosten zijn niet toe te schrijven aan een specifieke groep gebruikers. De gemeente neemt deze plankosten daarom voor haar rekening. Indien er aanvullende plankosten gemaakt worden voor het uitvoeren van het omgevingsplan, bijvoorbeeld in de vorm van kosten voor het toepassen van een delegatie- of afwijkingsbevoegdheid, worden dergelijke plankosten verhaald op de initiatiefnemer.
In lijn met deze redenering is er geen sprake van verhaalbare kosten en is voor het omgevingsplan geen exploitatieplan opgesteld.
De gemeente hecht veel waarde aan de grote betrokkenheid van haar inwoners bij het buitengebied en heeft het voorontwerp opgesteld met behulp van een klankbordgroep. In deze klankbordgroep zijn verschillende partijen vertegenwoording zoals de dorpsraden, stichting Behoud Zak van Zuid-Beveland, ZLTO-afdeling, waterschap Scheldestromen, provincie Zeeland, Recron, veiligheidsregio en GGD. Deze klankbordgroep is in de fase van opstelling van de Nota van Uitgangspunten en het voorontwerp veelvuldig geconsulteerd en bijgepraat.
Vooroverleg en inspraak
Het omgevingsplan Buitengebied Borsele 2017 wordt in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening aan diverse instanties toegezonden. Tevens wordt het voorontwerpomgevingsplan gedurende 6 weken ter inzage gelegd en wordt een inspraakavond georganiseerd voor bewoners en gebruikers van het buitengebied en hun adviseurs. Na de inspraakavond volgen inloopspreekuren om specifieke vragen te beantwoorden en informatie te delen.
Vaststellingsfase
De resultaten van de zienswijzefase worden te zijner tijd verwerkt.
Met dit omgevingsplan wordt beoogd een voor de burgers duidelijk en herkenbaar beleid voor de fysieke leefomgeving te formuleren. Het omgevingsplan is zodanig opgezet dat het ruimte biedt voor ontwikkelingen binnen de randvoorwaarden die volgen uit 'een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit'. Het omgevingsplan biedt daarmee meer flexibiliteit en ruimte dan het traditionele bestemmingsplan.
Het omgevingsplan bevat ook meer rechtstreekse bouw- en ontwikkelingsmogelijkheden waaraan voorwaarden zijn verbonden.
De ontwikkelingen die mogelijk zijn na het doen van een melding zijn aan voorwaarden gebonden die niet vooraf door het ambtelijk apparaat worden getoetst (het is de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer om te blijven voldoen).
Daarnaast is er sprake van kwalitatieve voorwaarden.
Het uitgangspunt is dat er handhavend wordt opgetreden wanneer de regels van het omgevingsplan niet worden nageleefd. Het achterwege laten van handhaving kan ertoe leiden dat zich ongewenste ruimtelijke ontwikkelingen voordoen, die negatieve gevolgen hebben voor de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Het omgevingsplan in combinatie met een goede handhaving van de vastgestelde regels beschermen de kwaliteiten van het buitengebied en geven ook veel beter sturing aan ontwikkelingen.
Aangezien het omgevingsplan meer kwalitatieve regels bevat en een aantal ontwikkelingen rechtstreeks of met melding mogelijk worden gemaakt, zal het accent bij veranderen 'toetsing vooraf' naar 'handhaving achteraf' en naar handhaving van kwantitatieve en kwalitatieve normen.
Vanuit diverse overheidsinstanties is beleid voor het buitengebied geformuleerd. Deze beleidskaders en de daarin opgenomen randvoorwaarden bepalen mede de beleidsvrijheid die de gemeente heeft bij het opstellen van het omgevingsplan Borsele Buitengebied 2017. De gemeente kan, als daar goede redenen voor zijn, er voor kiezen buiten de door de overheid aangegeven kaders beleid te formuleren. In dit hoofdstuk is een overzicht gegeven van het landelijke beleid dat relevant is voor het omgevingsplan Buitengebied Borsele 2017.
De 'Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte' (SVIR) is op 13 maart 2012 door de minister van Infrastructuur en Milieu vastgesteld. De SVIR vervangt de 'Nota Ruimte', de 'Structuurvisie Randstad 2040', de ' Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak' en de 'Structuurvisie voor de Snelwegomgeving'. Tevens vervangt het de ruimtelijke doelen en uitspraken in de volgende documenten: 'PKB Tweede structuurschema Militaire terreinen', de 'Agenda Landschap', de 'Agenda Vitaal Platteland' en 'Pieken in de Delta'. De SVIR geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.
Van rijksdoelen naar nationaal belang
In de structuurvisie formuleert het Rijk drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):
Figuur B1.2.1 Uitsnede Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Voor de drie rijksdoelen worden de volgende onderwerpen van nationaal belang benoemd:
Gebiedsgerichte nationale belangen
In de Structuurvisie worden verschillende deelgebieden onderscheiden. De Zuidwestelijke Delta beslaat de gehele provincie Zeeland.
Voor Borsele zijn de volgende relevante gebiedsgerichte nationale belangen en opgaven van belang:
Waterveiligheid en zoetwatervoorziening in relatie tot klimaatveranderingen is een van de opgaven voor de Zuidwestelijke Delta. De Deltawateren vormen een kans voor economische sectoren zoals visserij en aquacultuur, recreatie en toerisme.
Door de Zuidwestelijke Delta loopt de belangrijke internationale achterlandverbinding van de haven van Rotterdam met Antwerpen/Parijs, die met de geplande uitbreiding van de Seine-Scheldeverbinding nog in betekenis zal toenemen. De delta is ook belangrijk voor verdere havensamenwerking. Samen met het Vlaams Gewest werkt het Rijk aan de uitvoering van de Scheldeverdragen voor een veilig, toegankelijk en natuurlijk Schelde-estuarium.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 (grotendeels) in werking getreden en omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de EHS, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij het Barro kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit.
Voor dit plangebied zijn de volgende doelstellingen vanuit het Barro van belang:
Het Nationaal Waterplan beschrijft de maatregelen die genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Het Nationaal Waterplan bestaat uit een thematische uitwerking en een gebiedsuitwerking. Thema's die behandeld worden zijn: waterveiligheid, watertekort en zoetwatervoorziening, wateroverlast, waterkwaliteit en gebruik van water. Gebiedsuitwerkingen zijn er voor de Kust, Rivieren, IJsselmeergebied, Zuidwestelijke Delta, Randstad, Noordzee, Noord-Nederland en de Waddenzee, Hoog Nederland en het stedelijk gebied. Op basis van de Waterwet en de Wro heeft het Nationaal Waterplan de status van structuurvisie.
De centrale opgave voor de Zuidwestelijke Delta is duurzaam herstel van het evenwicht tussen veiligheid, economie en ecologie. Het perspectief van integrale gebiedsontwikkeling staat voorop, waarbij een betere verbinding wordt gelegd tussen water en ruimtelijke ordening. Het huidige stelsel van dijken en waterkeringen blijft ook in de toekomst de basis voor waterveiligheid in de Zuidwestelijke Delta. Voor de Oosterschelde en de Westerschelde kiest het kabinet voor het optimaliseren van de huidige veiligheidsstrategie.
Figuur B1.2.2 Agenda voor de toekomst
In de Vlaams-Nederlandse Scheldecommissie (VNSC) zetten Vlaanderen en Nederland samen hun schouders onder het beheer van het Schelde-estuarium. De VNSC werkt vanuit een integrale aanpak, die tegelijk de veerkracht van de natuur versterkt, ons beschermt tegen overstromingen en de havens toegankelijk houdt. De Agenda voor de Toekomst duidt de noodzakelijke stappen aan om die duurzame balans op lange termijn te garanderen.
Door de Omgevingswet wordt het wettelijke kader voor burgers, ondernemers en overheden inzichtelijker en ontwikkeling en beheer van de leefomgeving beter beheersbaar. Onderwerpen die in de nieuwe wet worden geregeld verdwijnen uit de bestaande wetgeving, daartoe worden (delen van) bestaande wetten ingetrokken. De nieuwe wet zal daarmee een aanzienlijke inhoudelijke reductie van regels, wetten en regelingen op het terrein van de fysieke leefomgeving betekenen. De nieuwe wet regelt:
De Omgevingswet omvat een aantal integrale instrumenten als de omgevingsvisie, het omgevingsplan en de omgevingsvergunning. Hierin worden soortgelijke sectorale instrumenten geïntegreerd in één instrument. De omgevingsvisie vervangt de (gebiedsdekkende) structuurvisie voor ruimtelijke ordening, het waterplan, het milieubeleidsplan, het verkeers- en vervoerplan en de ruimtelijke aspecten van de natuurvisie uit de voorziene Wet natuurbescherming. Procedures worden al in de eerste fase geüniformeerd. Het omgevingsplan is een gebiedsdekkend plan voor de leefomgeving. Het vervangt onder meer:
Het verschil met het bestemmingsplan is dat in het omgevingsplan meer regels kunnen worden opgenomen dan enkel over de bestemming van grond; ook afspraken over natuur en milieu en bijvoorbeeld erfgoed kunnen er in. Gemeenten kunnen het plan zo 'breed' maken, als zij willen: van 'een goede ruimtelijke ordening' tot 'een goede fysieke leefomgeving'.
Op 1 juli 2015 heeft de Tweede Kamer ingestemd met de Omgevingswet De Eerste Kamer heeft vervolgens op 22 maart 2016 ook met een ruime meerderheid ingestemd met de wet. Momenteel (zomer en najaar 2016) zijn de Algemene maatregelen van Bestuur (AmvB's) die bij de Omgevingswet horen, vrijgegeven voor consultatie.
Hierna volgt nog de publicatie in het Staatsblad en wordt er invoeringsregelgeving gemaakt. Naar verwachting treedt de Omgevingswet met de bijbehorende AmvB's in 2019 in werking.
Toetsingskader
Wet geurhinder en veehouderij
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt:
Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en niet-concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, deze zijn weergegeven in de onderstaande tabel (de gemeente Borsele is niet binnen een concentratiegebied gelegen).
Tabel B5.1.1 Overzicht geurnormen Wgv
Voor geurgevoelige objecten die onderdeel uitmaken van een andere veehouderij gelden niet de maximale geurbelastingen, maar de minimale afstanden van 100 m binnen de bebouwde kom en 50 m buiten de bebouwde kom.
Voor pelsdieren gelden afstandseisen, waarbij de minimaal aan te houden afstand tot geurgevoelige objecten binnen en buiten de bebouwde kom afhankelijk is van het aantal fokteven. De minimaal aan te houden afstand tot objecten binnen de bebouwde kom loopt op van 175 m tot 275 m. De minimaal aan te houden afstand tot objecten buiten de bebouwde kom loopt op van 100 m tot 200 m.
Activiteitenbesluit
Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelasting geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee).
De Wgv en het Activiteitenbesluit stellen eisen aan de maximaal optredende voorgrondbelasting (als gevolg van een individuele veehouderij). Voor de achtergrondbelasting (de cumulatieve geurbelasting door de bedrijven in een bepaald gebied) gelden op grond van de Wgv geen wettelijke normen.
Het omgevingsplan
Het omgevingsplan kan gevolgen hebben voor de geurbelasting. In het planMER is ingegaan op de optredende achtergrondconcentraties, de daarmee samenhangende gezondheidseffecten en de wijze waarop hiermee kan worden omgegaan in het omgevingsplan. Uit de resultaten blijkt dat de maximale gevolgen van het omgevingsplan voor de optredende geurbelastingen beperkt blijven. De resultaten geven geen aanleiding om in het bestemmingsplan maatregelen vast te leggen.
Conclusie
Het omgevingsplan voldoet aan de geldende toetsingskaders.
Toetsingskader
Wet milieubeheer
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer (Wm) luchtkwaliteitseisen 2007 (ook wel Wet luchtkwaliteit, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang en rond veehouderijen uitsluitend de grenswaarden voor fijn stof. De grenswaarden zijn in onderstaande tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet.
Tabel B5.2.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wlk
1) Bij de beoordeling hiervan blijven de aanwezige concentraties van zeezout buiten beschouwing (volgens de bij de Wlk behorende Regeling beoordeling Luchtkwaliteit 2007).
Op grond van artikel 5.16 van de Wlk kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit uitoefenen indien:
Besluit niet in betekenende mate (nibm)
In dit Besluit is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden:
Het omgevingsplan
In het planMER is ingegaan op de mogelijke gevolgen van het omgevingsplan voor de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Daarbij gaat het enerzijds om een toename van emissies als gevolg van de uitbreiding van bedrijfsactiviteiten. Anderzijds kunnen ook ontwikkelingen die leiden tot extra verkeer leiden tot een toename van de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Uit het planMER blijkt dat de effecten relatief beperkt zijn en het omgevingsplan in geen geval leidt tot een overschrijding van de wettelijke grenswaarden.
Conclusie
Het omgevingsplan voldoet aan de geldende wet- en regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit.
Toetsingskader
Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:
Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
Risicovolle inrichtingen
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet aan deze normen worden voldaan.
Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties.
Vervoer van gevaarlijke stoffen
Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) bevat de wet- en regelgeving voor het transport van gevaarlijke stoffen. De concrete uitwerking is vastgelegd in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water.
Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maken bij het PR onderscheid in bestaande en in nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6-waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6-contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.
Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden (het gebied waarin bij het realiseren van kwetsbare objecten rekening gehouden dient te worden met de effecten van een plasbrand) benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden.
Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.
Besluit externe veiligheid buisleidingen
In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Bevi zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering.
Buisleidingenstraat
Figuur B5.3.1 Buisleidingenstrook uit Structuurvisie Buisleidingen
In de Structuurvisie Buisleidingen is voor de gemeente Borsele een buisleidingenstrook opgenomen waarvoor een breedte wordt gehanteerd van 50 m.
Het omgevingsplan
Binnen het plangebied en in de omgeving daarvan zijn verschillende risicobronnen aanwezig (inrichtingen, wegen, spoorwegen, buisleidingen en vervoer over water). Voor een overzicht wordt verwezen naar de paragraaf externe veiligheid in het planMER. Nieuwe Bevi-inrichtingen worden niet toegestaan.
In het omgevingsplan is vastgelegd dat geen nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogen worden gerealiseerd binnen een PR 10-6-contour. Daarnaast dient bij ontwikkelingen binnen het invloedsgebied voor het GR een verantwoording van het GR plaats te vinden.
Conclusie
Met de voorwaarden zoals vastgelegd in het omgevingsplan is geborgd dat nieuwe ontwikkelingen passen binnen de geldende toetsingskaders voor externe veiligheid. Verdere toetsing vindt plaats op het moment dat sprake is van een concreet initiatief.
Toetsingskader
Rond hoogspanningsverbindingen ontstaan magnetische velden. Er is uitgebreid wetenschappelijk onderzoek gedaan naar dit onderwerp. Er is geen sprake van wettelijke limieten voor blootstelling aan deze magnetische velden, maar wel sprake van Europees en nationaal beleid.
Voor nieuwe situaties, waaronder begrepen nieuwe bovengrondse hoogspanningsverbindingen, hanteert het Rijk het beleidsadvies op basis van het voorzorgbeginsel, zoals opgenomen in het 'Advies met betrekking tot hoogspanningslijnen' (2005) en de 'Verduidelijking' van dit beleidsadvies (2008). Het beleidsadvies inzake magneetvelden is om zoveel als redelijkerwijs mogelijk te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen (0-15 jaar) langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla. Dit beleidsadvies is van toepassing op nieuwe bovengrondse verbindingen. Op ondergrondse verbindingen, hoogspanningsstations en opstijgpunten is het beleidsadvies niet van toepassing. Het Ministerie van VROM (inmiddels Ministerie van Infrastructuur en Milieu geheten) heeft in 2005 advies uitgebracht aan gemeenten en provincies over het omgaan met ruimtelijke ontwikkelingen in de buurt van bovengrondse hoogspanningsleidingen. Zij adviseert om geen nieuwe gevoelige functies (functies waar kinderen van 0 tot 15 jaar langdurig kunnen verblijven, zoals wonen, scholen en kinderopvangvoorzieningen) te realiseren binnen de 0,4 microtesla zone rond een hoogspanningslijn. Aanleiding voor dit rijksbeleid voor hoogspanningsleidingen vormen mogelijke gezondheidsrisico's bij langdurige blootstelling van kinderen aan elektromagnetische velden.
Het omgevingsplan
In het plangebied zijn bestaande 150 kV- en 380 kV-hoogspanningsverbindingen gelegen. Deze verbindingen hebben een (indicatieve) magneetveldzone van 80 tot 100 m aan weerszijden. Het omgevingsplan biedt ontwikkelingsmogelijkheden voor diverse functies binnen de indicatieve magneetveldzone van de hoogspanningsverbindingen.
In het plangebied wordt ook de aanleg verwacht van:
Conclusie
De verschillende ontwikkelingsmogelijkheden die in het omgevingsplan worden geboden zijn gekoppeld aan voorwaarden waaronder gezondheid. In de regels wordt bepaald dat ontwikkelingen waarbij kinderen langdurig worden blootgesteld aan de magneetvelden, niet voldoen aan de voorwaarden voor gezondheid.
Toetsingskader
Het vliegveld Midden Zeeland is gelegen aan de Calandweg in Arnemuiden. Sinds 15 mei 2014 is voor het vliegveld de Verordening Luchthavenbesluit Midden Zeeland van toepassing. In deze verordening worden gebieden in en rond het vliegveld aangewezen als 'Luchthavengebied', 'Beperkingengebieden' en 'Aanvullend beperkingengebied'. Voor het plangebied is het deelgebied met hoogtebeperkingen (onderdeel van het Beperkingengebied) van belang. Binnen dit gebied geldt een hoogtebeperking van 45 m rondom Lewedorp, oplopend tot 100 m ten zuiden van Nieuwdorp.
Figuur B5.5.1. Vliegveld Midden Zeeland
Het plangebied is in het radarverstoringsgebied van vliegveld Woensdrecht gelegen. Het radarverstoringsgebied legt beperkingen op aan de bouw van hoge bouwwerken zoals hoogspanningsmasten. Daarbij gaat het om bouwwerken met een hoogte van meer dan 113 m ten opzichte van NAP.
In het plangebied bevindt zich een optisch vrij veld ten behoeve van de walradarketen langs de Westerschelde. Dit optisch vrije veld begint bij de radartoren bij Baarland, en bestrijkt globaal het gebied ten zuiden van de lijn Baarland-Borssele. Om een goed radarbeeld te waarborgen is het nodig om hoge bebouwing en beplanting in het straalveld zoveel mogelijk te voorkomen. Daarbij gaat het op land om beplanting en bebouwing hoger van 10 m ten opzichte van NAP.
Figuur B5.5.2 Walradarketen
In het plangebied bevinden zich vier optisch vrije paden ten behoeve van straalverbindingen. Deze optisch vrije paden hebben allen een breedte van 200 m. De eerste straalverbinding bevindt zich tussen Goes (Tv-toren) en Terneuzen. De overige optisch vrije paden zijn ten behoeve van de kerncentrale bij Borssele. De hoogtebeperkingen die hiermee samenhangen lopen op van 36 tot 93 m ten opzichte van NAP.
Figuur B5.5.3 Straalverbindingen
Het omgevingsplan
De huidige in het plan aanwezige windturbines en hoogspanningsmasten zijn gedeeltelijk in gebieden gelegen waar sprake is van hoogtebeperkingen door vliegveld Midden Zeeland of de optisch vrije paden. Andere hoge bouwwerken die verstoring kunnen veroorzaken worden in het plan niet voorzien.
In het optisch vrije veld van de walradarketen kan bij bouwwerken hoger dan 10 m +NAP sprake zijn van verstoring.
Conclusie
Het plan biedt geen mogelijkheden voor nieuwe of grotere windturbines. Voor wat betreft de hoogspanningsverbindingen zal bij de bouwbepalingen worden verwezen naar de verschillende hoogtebeperkingen waarmee rekening moet worden gehouden.
In het gebied van de walradarketen zal een hoogtebeperking worden opgenomen.
Toetsingskader
Langs alle wegen – met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven – bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging.
Ook langs spoorwegen en rond/op industrie- en bedrijventerreinen waarop inrichtingen zijn of kunnen worden gevestigd die in belangrijke mate geluidshinder kunnen veroorzaken zijn geluidszones gelegen.
Het omgevingsplan
Binnen het plangebied en in de directe omgeving daarvan zijn verschillende geluidbronnen gelegen, waaronder gezoneerde wegen en het gezoneerde industrieterreinen Sloegebied. In de toekomst worden mogelijk nieuwe geluidsgevoelige functies gerealiseerd, zoals bedrijfswoningen. Het omgevingsplan zal geen rechtstreekse bouwmogelijkheden voor de nieuwbouw van woningen bieden waardoor een akoestisch onderzoek achterwege kan blijven. Ten behoeve van de ontwikkelingsmogelijkheden voor nieuw- en/of herbouw van woningen wordt, omdat de plaats en de situering niet bekend is en omdat de geluidsbelasting in de loop der jaren kan wijzigen, een oplossing gezocht in een bepaling die een koppeling legt tussen het omgevingsplan en de wettelijk toelaatbare geluidsbelasting.
Conclusie
In het omgevingsplan is vastgelegd dat voor nieuwe geluidsgevoelige objecten of de wijziging/uitbreiding van bestaande geluidsgevoelige objecten dient te worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde of de vast te stellen hogere waarde. Toetsing (en vaststelling van eventuele hogere waarden) vindt plaats op het moment dat sprake is van een concreet initiatief.
Toetsingskader
Natuurbeschermingswet 1998
Uit het oogpunt van gebiedsbescherming is de Natuurbeschermingswet 1998 (Nb-wet) van belang. Deze wet onderscheidt drie soorten gebieden, te weten:
De wet bevat een zwaar beschermingsregime voor de onder a en b bedoelde gebieden (in de vorm van verboden voor allerlei handelingen, behoudens vergunning van Gedeputeerde Staten of de minister van EZ). De bescherming van de onder c bedoelde gebieden vindt plaats door middel van het omgevingsplan. De speciale beschermingszones (a) hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze zones plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Hetzelfde geldt voor de ecologische doelen van de beschermde natuurmonumenten (b), voor zover deze gebieden niet overlappen met Natura 2000. In de passende beoordeling (zie bijlage bij het planMER) is nader ingegaan op de eisen uit de Nb-wet.
Verordening ruimte provincie Zeeland
Nationaal Natuurnetwerk/Ecologische Hoofdstructuur
Het Rijksbeleid ten aanzien van de bescherming van soorten (flora en fauna) en de bescherming van de leefgebieden van soorten (habitats) is opgenomen in de SVIR. De uitwerking van dit nationale belang ligt bij de provincies. De bescherming van gebieden is geregeld via de Verordening ruimte provincie Zeeland (VrpZ).
Het Nationaal Natuurnetwerk (NNN, voorheen EHS) is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, legt de provincie nieuwe natuur aan.
Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor planten en dieren zijn nodig om soorten voor uitsterven te behoeden. Maar het netwerk is er ook voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur, om te recreëren en tot rust komen.
Flora- en faunawet
Voor de soortenbescherming is de Flora- en faunawet (Ffw) van toepassing. Deze wet is gericht op de bescherming van dier- en plantensoorten in hun natuurlijke leefgebied. De Ffw bevat onder meer verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfsplaatsen. De wet maakt hierbij een onderscheid tussen 'licht' en 'zwaar' beschermde soorten. Indien sprake is van bestendig beheer, onderhoud of gebruik, gelden voor sommige, met name genoemde soorten, de verbodsbepalingen van de Ffw niet. Er is dan sprake van vrijstelling op grond van de wet. Voor zover deze vrijstelling niet van toepassing is, bestaat de mogelijkheid om van de verbodsbepalingen ontheffing te verkrijgen van het Ministerie van EZ. Voor de zwaar beschermde soorten wordt deze ontheffing slechts verleend, indien:
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient in het geval van zwaar beschermde soorten of broedende vogels overtreding van de Ffw voorkomen te worden door het treffen van maatregelen, aangezien voor dergelijke situaties geen ontheffing kan worden verleend.
Met betrekking tot vogels hanteert het Ministerie van EZ de volgende interpretatie van artikel 11:
De verbodsbepalingen van artikel 11 beperken zich bij vogels tot alleen de plaatsen waar gebroed wordt, inclusief de functionele omgeving om het broeden succesvol te doen zijn, en slechts gedurende de periode dat er gebroed wordt. Er zijn hierop echter verschillende uitzonderingen, te weten:
Nesten die het hele jaar door zijn beschermd
Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van artikel 11 van de Ffw het gehele seizoen.
Nesten die niet het hele jaar door zijn beschermd
In de 'aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten' worden de volgende soorten aangegeven als categorie 5. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd.
Het omgevingsplan
Natura 2000
Binnen en in de (wijde) omgeving van het plangebied is een aantal Natura 2000-gebieden gelegen. Het betreft binnen het plangebied het gebied Westerschelde & Saeftinghe en daarbuiten de gebieden Yerseke & Kapelse Moer, Oosterschelde, Veerse Meer en Manteling van Walcheren. Er bevinden zich buiten de Natura 2000-gebieden geen beschermde natuurmonumenten. De gebieden Westerschelde & Saeftinghe, Yerseke & Kapelse Moer, Oosterschelde en Manteling van Walcheren zijn gevoelig voor stikstofdepositie. De Westerschelde & Saeftinghe, Yerseke & Kapelse Moer, Oosterschelde en Veerse Meer zijn ook gevoelig voor verstoring.
In het planMER is een passende beoordeling opgenomen vanwege de mogelijke effecten op Natura 2000 door de ontwikkelingsmogelijkheden voor veehouderijen (stikstofdepositie). In Hoofdstuk 3 PlanMER is uitgewerkt op welke wijze in het omgevingsplan wordt omgegaan met de resultaten van de passende beoordeling.
Nationaal Natuurnetwerk
Verspreid door het buitengebied van Borsele liggen gebieden die deel uitmaken van het NNN. In het plangebied komen vooral veel dijkbeplantingen voor die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Zeeland (NNZ). Ook de delen van het plangebied die deel uitmaken van het Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe zijn onderdeel van het NNZ. Daarnaast maken enkele verspreid liggende gebieden ook deel uit van het NNZ, zoals het Ganzenreservaat Sinoutskerke, de Zwaakse weel, Heggengebied Nisse en het Poelbos. De Kaloot is ook aangewezen als WAV-gebied (Wet Ammoniak en Veehouderij). In het plangebied zijn in de VrpZ ook enkele gebieden aangewezen als agrarisch gebied van ecologische betekenis (zie figuur 4.4), deze gebieden maken deel uit van het NNZ.
Een deel van de natuurgebieden is gevoelig voor veranderingen in het grondwater. In het Omgevingsplan Zeeland is aangegeven dat ten opzichte van natuurgebieden rekening moet worden gehouden met een afwegings(buffer)zone van 100 m. Als aangetoond wordt dat geen schadelijke gevolgen voor de volksgezondheid of de natuur zullen optreden, kan een kleinere afstand toelaatbaar zijn. Evenals binnen Natura 2000 kan ook binnen het NNN een toename van stikstofdepositie leiden tot negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. De maatregelen die worden getroffen om significante negatieve effecten binnen Natura 2000 uit te sluiten (zie hoofdstuk 3 PlanMER) hebben tot gevolg dat ook binnen het NNN geen toename van depositie zal optreden.
Flora en fauna
In het planMER is (op basis van een bureaustudie) inzicht gegeven in de beschermde soorten binnen het plangebied. Uit de effectbeschrijving blijkt dat het omgevingsplan zonder het treffen van maatregelen gevolgen kan hebben voor beschermde soorten. De aantasting van individuen is niet uit te sluiten, maar effecten op populatieniveau kunnen echter wel worden uitgesloten. Over het algemeen zijn goede mitigerende maatregelen te treffen. De kans dat de Ffw een belemmering zal vormen voor de uitvoering van het omgevingsplan is daardoor zeer gering. In het omgevingsplan is in de verschillende flexibiliteitsbepalingen een toets van de effecten op natuurwaarden opgenomen.
Veranderende wetgeving
Naar verwachting treedt op 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming in werking. Deze wet vervangt de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Dit hoofdstuk zal hier te zijner tijd op worden aangepast.
Conclusie
In het omgevingsplan is geborgd dat geen sprake zal zijn van negatieve effecten op natuurwaarden.
Toetsingskader
Bij functieveranderingen is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bestaande bodemkwaliteit niet verslechtert. Nieuwe bodemverontreiniging moet worden voorkomen en indien er toch bodemverontreiniging ontstaat, dient deze direct te worden opgeruimd. Bij bestaande mobiele verontreinigingen die voor 1987 ontstaan zijn (zogenaamde erfenisgevallen), zal bij de sanering ook naar de kosteneffectiviteit worden gekeken. Uitgangspunt voor verontreinigingen die zich in het grondwater manifesteren is dat deze beheersbaar zijn en blijven.
Het omgevingsplan
In de regels voor functieveranderingen is waar relevant als voorwaarde opgenomen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. Toetsing vindt plaats op het moment dat sprake is van een concreet initiatief. Als de onderzoeksresultaten daar aanleiding toe geven, zullen eventueel aanwezige verontreinigingen moeten worden gesaneerd.
Conclusie
In de regels van het omgevingsplan is geborgd dat bij functieveranderingen de kwaliteit van de bodem voldoende is voor het beoogde gebruik.
Toetsingskader
Diverse beleidsdocumenten op verschillende bestuursniveaus liggen ten grondslag aan de uitgangspunten op het gebied van duurzaam waterbeheer:
Europa:
Nationaal:
De provincie en het waterschap hebben deze uitgangspunten verder doorvertaald in regionaal beleid en uitvoeringsplannen. Wettelijke verankering van het waterbeleid vindt plaats in de Waterwet en onderliggende uitvoeringsregels. De regels die zijn vastgelegd in een verordening van de waterschappen, worden 'de Keur' genoemd. De Keur geeft met verboden aan welke activiteiten in de buurt van water en waterkeringen niet zijn toegestaan. Daarnaast geeft de Keur met geboden aan welke onderhoudsverplichtingen eigenaren en gebruikers van wateren en waterkeringen hebben. De Waterwet kent één watervergunning, de voormalige Keurvergunning is hierin opgenomen.
De watertoets is een proces waarmee in ruimtelijke plannen de mogelijke risico's (zoals waterveiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verdroging en verzilting van grond- en oppervlaktewater) en kansen van water vroegtijdig in beeld worden gebracht in overleg met de waterbeheerders. In het kader van het omgevingsplan Buitengebied Borsele 2017 vindt afstemming plaats met de waterbeheerders, in dit geval het Waterschap Scheldestromen, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer van regionale wateren.
In het Deltaprogramma heeft het rijk aangegeven dat de leefomgeving adaptief dient te worden gemaakt voor klimaatverandering. Klimaatadaptatie zal daartoe vanzelfsprekend als aandachtspunt moeten worden mee genomen bij nieuwe ontwikkelingen en herstructurering in het buitengebied. Uitgangspunt is dat de leefomgeving klimaatbestendig en waterrobuust wordt ingericht.
Het omgevingsplan
Watersysteem
Binnen het plangebied komen meerdere grondwatertrappen voor. De grondwatertrap VI komt in het grootste deel van het plangebied voor. Dit houdt in dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand varieert tussen 0,4 en 0,8 m beneden maaiveld en dat de gemiddelde laagste grondwaterstand op meer dan 1,2 m beneden het maaiveld is gelegen. Verder komen ook de grondwatertrappen II, III, IIIb, VI, VIb en VII voor.
In het plangebied is over het algemeen geen sprake van zoute kwel. Bij de inlagen in het zuidwestelijk gedeelte van het plangebied is lokaal wel sterke, veelal matige tot afnemend geringe kwel aanwezig tot circa 1000 m landinwaarts. Aan de zuidoostkust zijn bandstroken zoute kwel aanwezig, met name in de zware schorgronden en de oude kreekbeddingen. De zoute kwel is hier tot circa 2.200 m landinwaarts aanwezig.
In het kreekruggen- en kreekopvullingensysteem rondom De Poel komt een zoetwaterbel voor. Overmatige grondwateronttrekking in dit gebied heeft een sterke stijging van het zich onder de zoetwaterbel bevindende zoute grondwater tot gevolg. In dit gebied is het beleid er dan ook op gericht om een gelijkblijvende omvang van de zoetwaterbel te behouden en het beperken van de vermenging van zoet water met zout water.
Waterlopen
Binnen het plangebied komen verschillende waterafvoergebieden voor, te weten De Poel, Maelstede, Van Borsele, Groenewege, Hellewoud, Baarland en Coudorpe. Deze gebieden wateren bijna allemaal af op de Westerschelde. Het afvoergebied Baarland watert af op het gebied Hellewoud en Maelstede ontvangt het water van De Poel.
Het plangebied wordt doorkruist door meerder primaire watergangen. Daarnaast komen ook talrijke andere oppervlaktewateren voor. Tevens komen op diverse plaatsen welen voor, zoals de welen aan de Brilletjesdijk, de polder 't Vlaandertje en de Westeindse weel. Een weel is een voormalig kolkgat, dat is ontstaan bij een dijkdoorbraak of een dijkval. Naast deze welen komen er in het plangebied ook voormalige kreken en kreekrestanten voor. Dit zijn langgerekte wateren, omzoomd door rietkragen en/of drassige oeverlanden en laaggelegen graslanden.
Waterveiligheid
De kust langs de Westerschelde wordt volledig begrensd door een primaire waterkering. Binnen het plangebied zijn verder nog verschillende regionale keringen gelegen. Rondom deze keringen is sprake van een beschermingszone waarbinnen beperkingen gelden voor bouwen en aanleggen. Delen van het plangebied zijn binnen deze zones gelegen.
Afvalwaterketen en riolering
Het plangebied is grotendeels aangesloten op een gescheiden rioleringsstelsel.
In het gemeentelijk waterplan is aangegeven dat 878 panden zijn aangesloten op drukriolering en 679 panden niet zijn aangesloten op de riolering.
Conclusie
In de regels van het omgevingsplan is geborgd dat bij functieveranderingen getoetst wordt op wateraspecten. Ook de bescherming tegen het water is in het omgevingsplan verwerkt.
Toetsingskader
De gemeente Borsele heeft eigen archeologiebeleid geformuleerd en op 11 oktober 2011 vastgesteld in de Beleidskaart en Beleidsnota Borsele.
In het archeologiebeleid zijn verwachtingskaarten gemaakt voor het gehele grondgebied van de gemeente. Hierin worden 4 verschillende archeologische niveaus onderscheiden:
Uit de onderzoeken is gebleken dat de verwachtingskaart laag 1 Walcheren voor Borsele het meest relevant is. De verwachtingen uit de lagen 2, 3 en 4 komen ook weer terug in laag 1.
Figuur B5.10.1 Huidig archeologiebeleid
De archeologische verwachtingen zijn onderverdeeld in de volgende beleidscategorieën:
Het omgevingsplan
In het plangebied van dit omgevingsplan komen alle categorieën voor, inclusief buitendijks gelegen gebieden uit de categorie 7 en gebieden zonder een archeologische verwachtingswaarde (categorie 8).
Voor de archeologische rijksmonumenten is geen gemeentelijk beleid geformuleerd (rijksoverheid is immers bevoegd gezag).
Als uitgangspunt voor beleid voor de categorieën 2 tot en met 6 geldt dat, ongeacht het te verstoren oppervlak, geen vooronderzoek hoeft plaats te vinden als de dieptemaat van 40 cm bij bodemverstorende activiteiten niet wordt overschreden. Het verbod geldt evenmin indien een rapport is overgelegd waaruit blijkt dat aanwezige archeologische waarden in voldoende mate kunnen worden veiliggesteld of dat deze niet onevenredig worden geschaad dan wel dat in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn.
Voor de gronden gelegen in categorie 7, waterbodems, geldt specifiek beleid. Het aantreffen van archeologische waarden in deze zone dient gemeld te worden waarna in overleg met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, een vervolgtraject zal worden bepaald.
De gronden in categorie 8 behoeven geen archeologische bescherming.
Sinds de vaststelling van het archeologiebeleid zijn al diverse archeologisch onderzoeken gedaan en in een aantal gevallen heeft dit geleid tot de conclusie dat er geen sprake is van archeologische verwachtingswaarden.
Conclusie
De gemeentelijke Archeologische waardenkaart is vertaald in het omgevingsplan. Daarmee is geborgd dat geen aantasting van archeologische waarden plaatsvindt.
De gronden met de indicatieve aanduiding 'aquacultuur' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:
Voor het in 1.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:
De gronden met de indicatieve aanduiding 'glastuinbouw' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:
Voor het in 2.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:
De gronden met de indicatieve aanduiding 'grondgebonden' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:
Voor het in 3.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:
Het is verboden voor grondgebonden agrarische bedrijven om zonder voorafgaande melding aan burgemeester en wethouders, weidegang te beëindigen.
Grondgebonden agrarische bedrijven die in plaats van weidegang voldoende ruwvoer telen, worden aangemerkt als grondgebonden agrarische bedrijven indien voldaan wordt aan het volgende:
Voor het doen van een melding geldt de volgende procedureregel:
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2 onder c en een toename van ammoniakemissie per bouwblok als gevolg van wijziging van aanwezige dierplaatsen, diersoorten en/of stalsystemen toestaan indien:
Voor de functie op deze indicatief aangeduide locatie is de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - neventak intensieve veehouderij' opgenomen.
De gronden met de indicatieve aanduiding 'intensieve kwekerij' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:
Voor het in 5.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:
De gronden met de indicatieve aanduiding 'intensieve veehouderij' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:
Voor het in 6.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 6.2 onder a en een toename van ammoniakemissie per bouwblok als gevolg van wijziging van aanwezige dierplaatsen, diersoorten en/of stalsystemen toestaan indien:
De gronden met de indicatieve aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - agrarisch aanverwant' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:
Voor het in 7.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:
De gronden met de indicatieve aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:
Voor het in 8.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:
De gronden met de indicatieve aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1' of 'bedrijf tot en met categorie 3.2' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:
Voor het in 9.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:
Toelaatbaar gebruik
De gronden met de indicatieve aanduiding 'begraafplaats' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor een begraafplaats.
Toelaatbaar gebruik
De gronden met de indicatieve begrenzing aanduiding 'cultuurhistorie' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:
De gronden met de indicatieve aanduiding 'dagrecreatie' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:
Voor het in 12.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:
De gronden met de indicatieve aanduiding 'detailhandel' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:
Voor het in 13.1 toelaatbare gebruik geldt het volgende:
Toegestaan is het gebruik van de gronden voor:
Voor het in 14.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:
De gronden met de indicatieve aanduiding 'horeca' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:
Voor het in 15.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:
Toegestaan is het gebruik van de gronden voor:
Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:
Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit) kan pas worden verleend, indien:
Toegestaan is het gebruik van de gronden voor bestaande bovengrondse hoogspanningsverbindingen alsmede hoogspanningsverbindingen met een zodanig voltage dat de daarbij behorende belemmeringenstrook en 10-6-risicocontour binnen het geometrisch bepaald vlak met de functie Leiding - Hoogspanningsverbinding zijn gelegen.
Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:
Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit) kan pas worden verleend, indien:
Toegestaan is het gebruik van de gronden voor ondergrondse hoogspanningsverbindingen, dit met een maximum van twee verbindingen, elk bestaand uit twee elektriciteitskabels (drie fasen per kabel) met een maximum spanning van 220 kV per kabel met de daarbij behorende voorzieningen en toegangswegen.
Voor het in 19.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:
Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:
Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit) kan pas worden verleend indien:
Toegestaan is het gebruik van de gronden voor:
Voor het in 20.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:
Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:
Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit) kan pas worden verleend indien:
Toegestaan is het gebruik van de gronden voor leidingen met een zodanige druk en diameter dat de daarbij behorende belemmeringenstrook en de 10-6-risicocontour binnen het geometrisch bepaald vlak met de functie Leiding - Leidingstrook zijn gelegen.
Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:
Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit) kan pas worden verleend, indien:
Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:
Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit) kan pas worden verleend, indien:
De gronden met de indicatieve aanduiding 'manege' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:
Voor het in 23.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:
Toegestaan is het gebruik van de gronden voor:
De gronden met de indicatieve aanduiding 'verblijfsrecreatie' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:
Toegestaan is het gebruik van gronden voor:
Toegestaan is het gebruik van gronden voor:
Toegestaan is het gebruik van de gronden voor:
Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:
Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit) kan worden verleend, indien:
De gronden met de indicatieve aanduiding 'wonen' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:
Voor het in 33.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:
Voor de functie op deze indicatief aangeduide locatie is de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' opgenomen.
Voor de functie op deze indicatief aangeduide locatie bedraagt de maximale oppervlakte in gebruik zoals bedoeld in de regels: xm², zijnde de maximale oppervlakte in gebruik zoals vermeld op de verbeelding.
Toegestaan is het gebruik van de gronden voor:
algemeen:
verkeer:
natuur en landschap:
overig:
Het is verboden:
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 36.2 onder c en een tijdelijke baggerdepot toestaan indien:
Toegestaan zijn:
Ter plaatse van en in de directe omgeving van de met een indicatieve aanduiding aangegeven functies mag worden gebouwd ten beheove van deze functie volgens de regels die voor de bebouwing van deze functies gelden.
Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functies Agrarisch - aquacultuurbedrijf, Agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf of Agrarisch - intensieve kwekerij geldt het volgende:
met dien verstande dat bebouwing ook kan worden toegestaan:
Bij aanvragen voor omgevingsvergunning voor bouwen wordt door initiatiefnemers in ieder geval ook een tekening overlegd van het – eventueel gewijzigde – bouwblok met alle aanwezige bebouwing zodat eenvoudig bepaald kan worden of de aangevraagde bebouwing binnen het bouwblok is gesitueerd.
Voor de functie op deze indicatief aangeduide locatie is de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - neventak intensieve veehouderij' opgenomen.
Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functie Agrarisch - glastuinbouw geldt het volgende:
Bij aanvragen voor omgevingsvergunning voor bouwen wordt door initiatiefnemers in ieder geval ook een tekening overlegd van het – eventueel gewijzigde – bouwblok met alle aanwezige bebouwing zodat eenvoudig bepaald kan worden of de aangevraagde bebouwing binnen het bouwblok is gesitueerd.
Voor de functie op deze indicatief aangeduide locatie is de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - uitbreiding uitgesloten' opgenomen.
Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functie Agrarisch - intensieve veehouderij geldt het volgende:
met dien verstande dat bebouwing ook kan worden toegestaan:
Bij aanvragen voor omgevingsvergunning voor bouwen wordt door initiatiefnemers in ieder geval ook een tekening overlegd van het – eventueel gewijzigde – bouwblok met alle aanwezige bebouwing zodat eenvoudig bepaald kan worden of de aangevraagde bebouwing binnen het bouwblok is gesitueerd.
Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functie Bedrijf - agrarisch aanverwant geldt het volgende:
Bij aanvragen voor omgevingsvergunning voor bouwen wordt door initiatiefnemers in ieder geval ook een tekening overlegd van het – eventueel gewijzigde – bouwblok met alle aanwezige bebouwing zodat eenvoudig bepaald kan worden of de aangevraagde bebouwing binnen het bouwblok is gesitueerd.
Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functie Manege geldt het volgende:
Bij aanvragen voor omgevingsvergunning voor bouwen wordt door initiatiefnemers in ieder geval ook een tekening overlegd van het – eventueel gewijzigde – bouwblok met alle aanwezige bebouwing zodat eenvoudig bepaald kan worden of de aangevraagde bebouwing binnen het bouwblok is gesitueerd.
Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functies Bedrijf tot en met categorie 2, Bedrijven uit een hogere categorie, Detailhandel, Horeca of Dagrecreatie geldt het volgende:
Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functie Begraafplaats geldt het volgende:
Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functie Cultuurhistorie geldt het volgende:
Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de functie Jachthaven geldt het volgende:
Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functie Nutsvoorziening geldt het volgende:
Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functie Sport geldt het volgende:
Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functie Verblijfsrecreatie geldt het volgende:
Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functie Volkstuin geldt het volgende:
Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functie Wonen geldt het volgende:
Voor de functie op deze indicatief aangeduide locatie bedraagt de maximale bebouwingsoppervlakte zoals bedoeld in de regels: xm², zijnde de maximale bebouwingsoppervlakte zoals vermeld op de verbeelding.
Voor de functie op deze indicatief aangeduide locatie bedraagt het aantal bedrijfswoningen: x, zijnde het aantal bedrijfswoningen zoals vermeld op de verbeelding.
Indien en voorzover hier op grond van dit plan bebouwing is toegestaan geldt het volgende:
Bouwen binnen het gebied van de walradarketen is uitsluitend toegestaan tot een bouwhoogte van 10 m + NAP. Voor bebouwing hoger dan 10 m + NAP binnen dit gebied geldt dat bebouwing uitsluitend is toegestaan indien het belang van de walradarketen niet onevenredig wordt geschaad; hierover wordt de beheerder van de walradarketen advies gevraagd.
Bouwen ten behoeve van de leiding en vervanging van de bestaande hoogspanningsmasten is toegestaan tot een bouwhoogte waarbij geen ontoelaatbare verstoring plaatsvindt van de radar van vliegveld Woensdrecht, de veiligheid van het vliegverkeer Midden Zeeland is gewaarborgd en de optische vrije paden niet worden verstoord.
Toegestaan zijn:
De volgende teeltondersteunende voorzieningen op gronden in agrarisch gebruik, waarbij het volgende geldt:
Voorts zijn nog toegestaan:
Indien afstanden op de datum van de inwerkingtreding van dit plan meer dan wel minder bedragen dan ingevolge het plan is toegestaan, mogen de bestaande afstanden als maximaal respectievelijk minimaal toelaatbaar worden aangenomen.
In die gevallen dat hoogten, inhoud, aantal en/of (bebouwings)oppervlakten van bestaande bouwwerken op de dag van de inwerkingtreding van dit plan meer of minder bedragen dan ingevolge het plan is toegestaan, mogen de bestaande maten en hoeveelheden als maximaal respectievelijk minimaal toelaatbaar worden aangehouden.
De volgende gebouwen en overkappingen, uitsluitend ten behoeve van de toegelaten functie, waarbij het volgende geldt:
De volgende bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, uitsluitend ten behoeve van de toegelaten functie, waarbij het volgende geldt:
Omgevingsvergunning om van het toelaatbare gebruik en bouwen af te wijken kan door het bevoegd gezag worden verleend voor bijzondere overnachtingsplaatsen op bijzondere locaties.
De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing waarbij geldt dat:
Voor de toepassing van de beoordelingsregel zoals genoemd in lid 62.2 onder b gelden de volgende, niet limitatieve, referentiebeelden ter ondersteuning van de creatieve invulling van bijzondere overnachtingsplaatsen.
In het kerngebied de Poel en Heggengebied Nisse zijn veranderingen van gebruik en bouwen toegestaan met dien verstande dat:
waarbij:
De ruimtelijke kwaliteit van het kerngebied de Poel en het heggenlandschap rond Nisse wordt bepaald door:
Het is verboden het toegelaten gebruik in de volgende situaties te veranderen zonder voorafgaande melding aan burgemeester en wethouders:
De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing waarbij geldt dat ten minste voldaan moet worden aan de voorwaarden zoals vermeld in tabel 57.1.
Tabel 57.1
| Passend op de locatie | |
| de ontwikkeling | is kleinschalig van omvang gelet op de oppervlakte die in gebruik wordt genomen ten opzichte van de totale bebouwde oppervlakte en/of de omvang van de werkzaamheden die nodig zijn om de activiteit uit te oefenen en/of de omvang van bezoekersaantallen en/of in relatie tot de andere functie waarvoor de gronden gebruikt mogen worden |
| de activiteit past naar de omvang in het buitengebied | |
| de activiteit past in het Kerngebied de Poel en Heggengebied Nisse gelet op de Gebiedsbeschrijving van dat gebied | |
| Passend bij omgevingsaspecten locatie | |
| verkeer | de verkeersveiligheid is in voldoende mate gewaarborgd |
| er is in voldoende mate sprake van parkeervoorzieningen op eigen terrein | |
| er is sprake van een beperkte verkeersaantrekkende werking | |
| aangrenzende percelen | er is geen sprake van onevenredige aantasting van gebruiksmogelijkheden van naastgelegen percelen en bedrijven |
| draagvlak | er wordt inzicht geboden in het draagvlak voor het initiatief in de omgeving |
Voor het doen van een melding geldt de volgende procedureregel:
wordt ingediend via het gemeentelijke digitale loket of schriftelijk voor aanvang van de realisatie van de voorgenomen verandering en het vereveningsplan.
Omgevingsvergunning om van het toelaatbare gebruik en bouwen af te wijken kan door het bevoegd gezag worden verleend voor de volgende functies of bouwwerken:
De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing waarbij geldt dat ten minste voldaan moet worden aan de voorwaarden – voor zover relevant – zoals vermeld in tabel 57.2.
Tabel 57.2
| Passend op de locatie | |
| de ontwikkeling | kleinschalige functies zijn kleinschalig van omvang gelet op de oppervlakte die in gebruik wordt genomen ten opzichte van de totale bebouwde oppervlakte en/of de omvang van de werkzaamheden die nodig zijn om de activiteit uit te oefenen en/of de omvang van bezoekersaantallen en/of in relatie tot de andere functie waarvoor de gronden gebruikt mogen worden |
| de activiteit past naar de aard en omvang in het buitengebied met dien verstande dat uitsluitend bedrijfsactiviteiten die naar aard en omvang vergelijkbaar zijn met categorie 1 of 2 uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan | |
| de activiteit past in het Kerngebied de Poel en Heggengebied Nisse gelet op de Gebiedsbeschrijving van dat gebied | |
| Passend bij omgevingsaspecten locatie | |
| ondergrond | de kwaliteit van de ondergrond is voldoende voor de voorgenomen activiteit |
| geluid | voor zover sprake is van een nieuw geluidsgevoelig object wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde of een nog vast te stellen hogere waarde |
| voor zover relevant is het bepaalde in Hoofdstuk 7 Deze locatie bevindt zich in een relatief stil gebied, hier gelden regels voor activiteiten die geluid produceren van toepassing | |
| gezondheid en milieu | de activiteiten mogen geen onevenredige overlast op het gebied van geur, stof, geluid, gevaar, verkeer of vergelijkbare gevolgen voor de fysieke leefomgeving veroorzaken; bij het indienen worden de benodigde inhoudelijke gegevens en bescheiden aangeleverd om dit te beoordelen |
| er is geen sprake van kwetsbare objecten binnen 10-6-risicocontouren van leidingen of inrichtingen | |
| er vindt indien nodig een verantwoording plaats van het groepsrisico | |
| activiteiten mogen er niet toe leiden dat kinderen langdurig worden blootgesteld aan de magnetische velden van hoogspanningsverbindingen (veldsterkte (jaargemiddeld) hoger dan 0,4 microtesla) | |
| water | er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de waterkwaliteit |
| er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling | |
| verkeer | de verkeersveiligheid is in voldoende mate gewaarborgd |
| er is in voldoende mate sprake van parkeervoorzieningen op eigen terrein | |
| er is sprake van een beperkte verkeersaantrekkende werking | |
| aangrenzende percelen | er is geen sprake van onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen en bedrijven |
| waarden | er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige archeologische waarden |
| er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige natuurwaarden indien sprake is van een paardenpension geldt specifiek dat ook wordt aangetoond dat er geen sprake is van negatieve effecten op Natura 2000 |
|
| er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige landschappelijke waarden | |
| er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige cultuurhistorische en monumentale waarden | |
| beeldkwaliteit | er is sprake van een versterking van de beeldkwaliteit van het buitengebied zoals uitgewerkt in de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele' |
| landschappelijke inpassing verblijfsrecreatieve eenheden | er is sprake van een goede landschappelijke inpassing; het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing dient gericht te zijn op de in stand houding ervan |
| landschappelijke inpassing bij overige ontwikkelingen | er is sprake van een goede landschappelijke inpassing; het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing dient gericht te zijn op de in stand houding ervan |
| draagvlak | er wordt inzicht geboden in het draagvlak voor het initiatief in de omgeving |
In afwijking van de beoordelingsregels in lid 63.4.2 kan medewerking worden verleend indien het initiatief, na een integrale afweging van alle beoordelingsaspecten, als aanvaardbaar en passend binnen de Gebiedsbeschrijving kan worden aangemerkt, waarbij sprake is van een voldoende mate van compensatie van de beoordelingsregels waaraan niet in voldoende mate wordt voldaan.
Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften voorschrijven gericht op de realisering en instandhouding van de landschappelijke inpassing.
Voor de beoordelingsregels in lid 63.4.2 geldt dat tevens kan worden voldaan aan het gestelde in lid 63.4.2 onder b door middel van het treffen van een gelijkwaardige maatregel. Deze maatregel kan alleen worden getroffen voor zover daarmee ten minste hetzelfde doel wordt bereikt als met de betreffende beoordelingsregel.
Burgemeester en wethouders kunnen het plan herzien voor:
Burgemeester en wethouders kunnen het plan herzien voor:
Voor een verandering als bedoeld in 63.5.1 gelden de volgende beoordelingsregels waarbij geldt dat:
Tabel 57.3
| Passend op de locatie | |
| de ontwikkeling | de activiteit past naar de aard en omvang in het buitengebied |
| de activiteit past in het Kerngebied de Poel en Heggengebied Nisse gelet op de Gebiedsbeschrijving van dat gebied | |
| Passend bij omgevingsaspecten locatie | |
| ondergrond | de kwaliteit van de ondergrond is voldoende voor de voorgenomen activiteit |
| geluid | voor zover sprake is van een nieuw geluidsgevoelig object wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde of een nog vast te stellen hogere waarde |
| gezondheid en milieu | er is geen sprake van kwetsbare objecten binnen 10-6-risicocontouren van leidingen of inrichtingen |
| er vindt indien nodig een verantwoording plaats van het groepsrisico | |
| activiteiten mogen er niet toe leiden dat kinderen langdurig worden blootgesteld aan de magnetische velden van hoogspanningsverbindingen (veldsterkte (jaargemiddeld) hoger dan 0,4 microtesla) | |
| water | er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de waterkwaliteit |
| er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling | |
| verkeer | de verkeersveiligheid is in voldoende mate gewaarborgd |
| er is in voldoende mate sprake van parkeervoorzieningen op eigen terrein | |
| er is sprake van een beperkte verkeersaantrekkende werking | |
| aangrenzende percelen | er is geen sprake van onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen en bedrijven |
| waarden | er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige archeologische waarden |
| er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige natuurwaarden | |
| er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige landschappelijke waarden | |
| er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige cultuurhistorische en monumentale waarden | |
| beeldkwaliteit | er is sprake van een versterking van de beeldkwaliteit van het buitengebied zoals uitgewerkt in de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele' |
| landschappelijke inpassing | er is sprake van een goede landschappelijke inpassing; het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing dient gericht te zijn op de in stand houding ervan |
| draagvlak | er wordt inzicht geboden in het draagvlak voor het initiatief in de omgeving |
Tabel 57.4
| Meerwaarde, in redelijke verhouding tot aard en omvang van de verandering | |
| maatschappelijke meerwaarde | er is onderzoek gedaan naar de wijze waarop en de mate waarin het initiatief energieneutraal ontwikkeld zou kunnen worden en hier wordt in redelijkheid uitvoering aan gegeven |
| ruimtelijke meerwaarde | detonerende bebouwing wordt gesaneerd |
| natuurwaarden worden versterkt en in stand gehouden | |
| landschapswaarden worden versterkt en in stand gehouden | |
| cultuurhistorische waarden worden versterkt | |
| er is sprake van extra waterretentie en/of de waterkwaliteit wordt verbeterd | |
Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften voorschrijven gericht op de realisering en instandhouding van de landschappelijke inpassing.
Voor de beoordelingsregels in lid 63.5.3 geldt dat tevens kan worden voldaan aan het gestelde in lid 63.5.3 onder b door middel van het treffen van een gelijkwaardige maatregel. Deze maatregel kan alleen worden getroffen voor zover daarmee ten minste hetzelfde doel wordt bereikt als met de betreffende beoordelingsregel.
In de kleinschalige polders zijn veranderingen van gebruik en bouwen toegestaan met dien verstande dat:
waarbij:
De ruimtelijke kwaliteit kleinschalige polders wordt bepaald door:
Het is verboden het toegelaten gebruik in de volgende situaties te veranderen zonder voorafgaande melding aan burgemeester en wethouders:
De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing waarbij geldt dat:
Tabel 58.1
| Passend op de locatie | |
| de ontwikkeling | kleinschalige functies zijn kleinschalig van omvang gelet op de oppervlakte die in gebruik wordt genomen ten opzichte van de totale bebouwde oppervlakte en/of de omvang van de werkzaamheden die nodig zijn om de activiteit uit te oefenen en/of de omvang van bezoekersaantallen en/of in relatie tot de andere functie waarvoor de gronden gebruikt mogen worden |
| de activiteit past naar de omvang in het buitengebied | |
| de activiteit past in de Kleinschalige polders gelet op de Gebiedsbeschrijving van dat gebied | |
| Passend bij omgevingsaspecten locatie | |
| water | er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling |
| gezondheid | er is geen sprake van kwetsbare objecten binnen 10-6-risicocontouren van leidingen of inrichtingen |
| verkeer | de verkeersveiligheid is in voldoende mate gewaarborgd |
| er is in voldoende mate sprake van parkeervoorzieningen op eigen terrein | |
| er is sprake van een beperkte verkeersaantrekkende werking | |
| aangrenzende percelen | er is geen sprake van onevenredige aantasting van gebruiksmogelijkheden van naastgelegen percelen en bedrijven |
| landschappelijke inpassing bij uitbreiding kleinschalig kamperen | er is sprake van een goede landschappelijke inpassing; het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing dient gericht te zijn op de in stand houding ervan |
| draagvlak | er wordt inzicht geboden in het draagvlak voor het initiatief in de omgeving |
Tabel 58.2
| Meerwaarde, in redelijke verhouding tot aard en omvang van de verandering | |
| financieel-economische meerwaarde | er is sprake van een versterking van de recreatieve potentie |
| ruimtelijke meerwaarde | detonerende bebouwing wordt gesaneerd |
| natuurwaarden worden in beperkte mate versterkt en in stand gehouden | |
| landschapswaarden worden in beperkte mate versterkt en in stand gehouden | |
| cultuurhistorische waarden worden in beperkte mate versterkt | |
| er is sprake van extra waterretentie en/of de waterkwaliteit wordt in beperkte mate verbeterd | |
Voor het doen van een melding geldt de volgende procedureregel:
wordt ingediend via het gemeentelijke digitale loket of schriftelijk voor aanvang van de realisatie van de voorgenomen verandering en het vereveningsplan.
Omgevingsvergunning om van het toelaatbare gebruik en bouwen af te wijken kan door het bevoegd gezag worden verleend voor de volgende functies of bouwwerken:
De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing waarbij geldt dat ten minste voldaan moet worden aan de voorwaarden – voor zover relevant – zoals vermeld in tabel 58.3.
Tabel 58.3
| Passend op de locatie | |
| de ontwikkeling | kleinschalige functies zijn kleinschalig van omvang gelet op de oppervlakte die in gebruik wordt genomen ten opzichte van de totale bebouwde oppervlakte en/of de omvang van de werkzaamheden die nodig zijn om de activiteit uit te oefenen en/of de omvang van bezoekersaantallen en/of in relatie tot de andere functie waarvoor de gronden gebruikt mogen worden |
| de activiteit past naar de aard en omvang in het buitengebied met dien verstande dat uitsluitend bedrijfsactiviteiten die naar aard en omvang vergelijkbaar zijn met categorie 1 of 2 uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan | |
| de activiteit past in de Kleinschalige polders gelet op de Gebiedsbeschrijving van dat gebied | |
| Passend bij omgevingsaspecten locatie | |
| ondergrond | de kwaliteit van de ondergrond is voldoende voor de voorgenomen activiteit |
| geluid | voor zover sprake is van een nieuw geluidsgevoelig object wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde of een nog vast te stellen hogere waarde |
| voor zover relevant is het bepaalde in Hoofdstuk 7 Deze locatie bevindt zich in een relatief stil gebied, hier gelden regels voor activiteiten die geluid produceren van toepassing | |
| gezondheid en milieu | de activiteiten mogen geen onevenredige overlast op het gebied van geur, stof, geluid, gevaar, verkeer of vergelijkbare gevolgen voor de fysieke leefomgeving veroorzaken; bij het indienen worden de benodigde inhoudelijke gegevens en bescheiden aangeleverd om dit te beoordelen |
| er is geen sprake van kwetsbare objecten binnen 10-6-risicocontouren van leidingen of inrichtingen | |
| er vindt indien nodig een verantwoording plaats van het groepsrisico | |
| activiteiten mogen er niet toe leiden dat kinderen langdurig worden blootgesteld aan de magnetische velden van hoogspanningsverbindingen (veldsterkte (jaargemiddeld) hoger dan 0,4 microtesla) | |
| water | er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de waterkwaliteit |
| er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling | |
| verkeer | de verkeersveiligheid is in voldoende mate gewaarborgd |
| er is in voldoende mate sprake van parkeervoorzieningen op eigen terrein | |
| er is sprake van een beperkte verkeersaantrekkende werking | |
| aangrenzende percelen | er is geen sprake van onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen en bedrijven |
| waarden | er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige archeologische waarden |
| er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige natuurwaarden indien sprake is van een paardenpension geldt specifiek dat ook wordt aangetoond dat er geen sprake is van negatieve effecten op Natura 2000 |
|
| er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige landschappelijke waarden | |
| er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige cultuurhistorische en monumentale waarden | |
| beeldkwaliteit | er is sprake van een versterking van de beeldkwaliteit van het buitengebied zoals uitgewerkt in de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele' |
| landschappelijke inpassing verblijfsrecreatieve eenheden | er is sprake van een goede landschappelijke inpassing; het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing dient gericht te zijn op de in stand houding ervan |
| landschappelijke inpassing bij overige ontwikkelingen | er is sprake van een goede landschappelijke inpassing; het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing dient gericht te zijn op de in stand houding ervan |
| draagvlak | er wordt inzicht geboden in het draagvlak voor het initiatief in de omgeving |
In afwijking van de beoordelingsregels in lid 64.4.2 kan medewerking worden verleend indien het initiatief, na een integrale afweging van alle beoordelingsaspecten, als aanvaardbaar en passend binnen de Gebiedsbeschrijving kan worden aangemerkt, waarbij sprake is van een voldoende mate van compensatie van de beoordelingsregels waaraan niet in voldoende mate wordt voldaan.
Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften voorschrijven gericht op de realisering en instandhouding van de landschappelijke inpassing.
Voor de beoordelingsregels in lid 64.4.2 geldt dat tevens kan worden voldaan aan het gestelde in lid 64.4.2 onder b door middel van het treffen van een gelijkwaardige maatregel. Deze maatregel kan alleen worden getroffen voor zover daarmee ten minste hetzelfde doel wordt bereikt als met de betreffende beoordelingsregel.
Burgemeester en wethouders kunnen het plan herzien voor:
Burgemeester en wethouders kunnen het plan herzien voor:
Voor een verandering als bedoeld in 64.5.1 gelden de volgende beoordelingsregels waarbij geldt dat:
Tabel 58.4
| Passend op de locatie | |
| de ontwikkeling | de activiteit past naar de aard en omvang in het buitengebied |
| de activiteit past in de Kleinschalige polders gelet op de Gebiedsbeschrijving van dat gebied | |
| Passend bij omgevingsaspecten locatie | |
| ondergrond | de kwaliteit van de ondergrond is voldoende voor de voorgenomen activiteit |
| geluid | voor zover sprake is van een nieuw geluidsgevoelig object wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde of een nog vast te stellen hogere waarde |
| voor zover relevant is het bepaalde in Hoofdstuk 7 Deze locatie bevindt zich in een relatief stil gebied, hier gelden regels voor activiteiten die geluid produceren van toepassing | |
| gezondheid en milieu | de activiteiten mogen geen onevenredige overlast op het gebied van geur, stof, geluid, gevaar, verkeer of vergelijkbare gevolgen voor de fysieke leefomgeving veroorzaken; bij het indienen worden de benodigde inhoudelijke gegevens en bescheiden aangeleverd om dit te beoordelen |
| er is geen sprake van kwetsbare objecten binnen 10-6-risicocontouren van leidingen of inrichtingen | |
| er vindt indien nodig een verantwoording plaats van het groepsrisico | |
| activiteiten mogen er niet toe leiden dat kinderen langdurig worden blootgesteld aan de magnetische velden van hoogspanningsverbindingen (veldsterkte (jaargemiddeld) hoger dan 0,4 microtesla) | |
| water | er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de waterkwaliteit |
| er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling | |
| verkeer | de verkeersveiligheid is in voldoende mate gewaarborgd |
| er is in voldoende mate sprake van parkeervoorzieningen op eigen terrein | |
| er is sprake van een beperkte verkeersaantrekkende werking | |
| aangrenzende percelen | er is geen sprake van onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen en bedrijven |
| waarden | er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige archeologische waarden |
| er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige natuurwaarden | |
| er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige landschappelijke waarden | |
| er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige cultuurhistorische en monumentale waarden | |
| beeldkwaliteit | er is sprake van een versterking van de beeldkwaliteit van het buitengebied zoals uitgewerkt in de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele' |
| landschappelijke inpassing | er is sprake van een goede landschappelijke inpassing; het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing dient gericht te zijn op de in stand houding ervan |
| draagvlak | er wordt inzicht geboden in het draagvlak voor het initiatief in de omgeving |
Tabel 58.5
| Meerwaarde, in redelijke verhouding tot aard en omvang van de verandering | |
| financieel-economische meerwaarde | er is sprake van een versterking van de recreatieve potentie |
| maatschappelijke meerwaarde | de activiteit maakt onderdeel uit van een netwerk van verbindingen en initiatieven |
| er is onderzoek gedaan naar de wijze waarop en de mate waarin het initiatief energieneutraal ontwikkeld zou kunnen worden en hier wordt in redelijkheid uitvoering aan gegeven | |
| ruimtelijke meerwaarde | detonerende bebouwing wordt gesaneerd |
| natuurwaarden worden versterkt en in stand gehouden | |
| landschapswaarden worden versterkt en in stand gehouden | |
| cultuurhistorische waarden worden versterkt | |
| stilte en/of duisternis worden gerespecteerd | |
| er is sprake van extra waterretentie en/of de waterkwaliteit wordt verbeterd | |
Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften voorschrijven gericht op de realisering en instandhouding van de landschappelijke inpassing.
Voor de beoordelingsregels in lid 64.5.3 geldt dat tevens kan worden voldaan aan het gestelde in lid 64.5.3 onder b door middel van het treffen van een gelijkwaardige maatregel. Deze maatregel kan alleen worden getroffen voor zover daarmee ten minste hetzelfde doel wordt bereikt als met de betreffende beoordelingsregel.
In de grootschalige polders zijn veranderingen van gebruik en bouwen toegestaan met dien verstande dat:
waarbij:
De ruimtelijke kwaliteit van de grootschalige polders wordt bepaald door:
Het is verboden het toegelaten gebruik in de volgende situaties te veranderen zonder voorafgaande melding aan burgemeester en wethouders:
De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing waarbij geldt dat:
Tabel 59.1
| Passend op de locatie | |
| de ontwikkeling | kleinschalige functies zijn kleinschalig van omvang gelet op de oppervlakte die in gebruik wordt genomen ten opzichte van de totale bebouwde oppervlakte en/of de omvang van de werkzaamheden die nodig zijn om de activiteit uit te oefenen en/of de omvang van bezoekersaantallen en/of in relatie tot de andere functie waarvoor de gronden gebruikt mogen worden |
| de activiteit past naar de omvang in het buitengebied | |
| de activiteit past in de Grootschalige polders gelet op de Gebiedsbeschrijving van dat gebied | |
| Passend bij omgevingsaspecten locatie | |
| gezondheid | er is geen sprake van kwetsbare objecten binnen 10-6-risicocontouren van leidingen of inrichtingen |
| water | er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling |
| verkeer | de verkeersveiligheid is in voldoende mate gewaarborgd |
| er is in voldoende mate sprake van parkeervoorzieningen op eigen terrein | |
| er is sprake van een beperkte verkeersaantrekkende werking | |
| aangrenzende percelen | er is geen sprake van onevenredige aantasting van gebruiksmogelijkheden van naastgelegen percelen en bedrijven |
| landschappelijke inpassing bij uitbreiding kleinschalig kampeerterrein | er is sprake van een goede landschappelijke inpassing; het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing dient gericht te zijn op de in stand houding ervan |
| draagvlak | er wordt inzicht geboden in het draagvlak voor het initiatief in de omgeving |
Tabel 59.2
| Meerwaarde, in redelijke verhouding tot aard en omvang van de verandering | |
| financieel-economische meerwaarde | er is sprake van een versterking van de recreatieve potentie |
| ruimtelijke meerwaarde | detonerende bebouwing wordt gesaneerd |
| natuurwaarden worden in beperkte mate versterkt en in stand gehouden | |
| landschapswaarden worden in beperkte mate versterkt en in stand gehouden | |
| cultuurhistorische waarden worden in beperkte mate versterkt | |
| er is sprake van extra waterretentie en/of de waterkwaliteit wordt in beperkte mate verbeterd | |
Voor het doen van een melding geldt de volgende procedureregel:
wordt ingediend via het gemeentelijke digitale loket of schriftelijk voor aanvang van de realisatie van de voorgenomen verandering en het vereveningsplan.
Omgevingsvergunning om van het toelaatbare gebruik en bouwen af te wijken kan door het bevoegd gezag worden verleend voor de volgende functies of bouwwerken:
De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing waarbij geldt dat ten minste voldaan moet worden aan de voorwaarden – voor zover relevant – zoals vermeld in tabel 59.3.
Tabel 59.3
| Passend op de locatie | |
| de ontwikkeling | kleinschalige functies zijn kleinschalig van omvang gelet op de oppervlakte die in gebruik wordt genomen ten opzichte van de totale bebouwde oppervlakte en/of de omvang van de werkzaamheden die nodig zijn om de activiteit uit te oefenen en/of de omvang van bezoekersaantallen en/of in relatie tot de andere functie waarvoor de gronden gebruikt mogen worden |
| de activiteit past naar de aard en omvang in het buitengebied met dien verstande dat uitsluitend bedrijfsactiviteiten die naar aard en omvang vergelijkbaar zijn met categorie 1 of 2 uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan | |
| de activiteit past in de Grootschalige polders gelet op de Gebiedsbeschrijving van dat gebied | |
| Passend bij omgevingsaspecten locatie | |
| ondergrond | de kwaliteit van de ondergrond is voldoende voor de voorgenomen activiteit |
| geluid | voor zover sprake is van een nieuw geluidsgevoelig object wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde of een nog vast te stellen hogere waarde |
| voor zover relevant is het bepaalde in Hoofdstuk 7 Deze locatie bevindt zich in een relatief stil gebied, hier gelden regels voor activiteiten die geluid produceren van toepassing | |
| gezondheid en milieu | de activiteiten mogen geen onevenredige overlast op het gebied van geur, stof, geluid, gevaar, verkeer of vergelijkbare gevolgen voor de fysieke leefomgeving veroorzaken; bij het indienen worden de benodigde inhoudelijke gegevens en bescheiden aangeleverd om dit te beoordelen |
| er is geen sprake van kwetsbare objecten binnen 10-6-risicocontouren van leidingen of inrichtingen | |
| er vindt indien nodig een verantwoording plaats van het groepsrisico | |
| activiteiten mogen er niet toe leiden dat kinderen langdurig worden blootgesteld aan de magnetische velden van hoogspanningsverbindingen (veldsterkte (jaargemiddeld) hoger dan 0,4 microtesla) | |
| water | er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de waterkwaliteit |
| er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling | |
| verkeer | de verkeersveiligheid is in voldoende mate gewaarborgd |
| er is in voldoende mate sprake van parkeervoorzieningen op eigen terrein | |
| er is sprake van een beperkte verkeersaantrekkende werking | |
| aangrenzende percelen | er is geen sprake van onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen en bedrijven |
| waarden | er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige archeologische waarden |
| er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige natuurwaarden indien sprake is van een paardenpension geldt specifiek dat ook wordt aangetoond dat er geen sprake is van negatieve effecten op Natura 2000 |
|
| er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige landschappelijke waarden | |
| er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige cultuurhistorische en monumentale waarden | |
| beeldkwaliteit | er is sprake van een versterking van de beeldkwaliteit van het buitengebied zoals uitgewerkt in de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele' |
| landschappelijke inpassing verblijfsrecreatieve eenheden | er is sprake van een goede landschappelijke inpassing; het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing dient gericht te zijn op de in stand houding ervan |
| landschappelijke inpassing bij overige ontwikkelingen | er is sprake van een goede landschappelijke inpassing; het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing dient gericht te zijn op de in stand houding ervan |
| draagvlak | er wordt inzicht geboden in het draagvlak voor het initiatief in de omgeving |
In afwijking van de beoordelingsregels in lid 65.4.2 kan medewerking worden verleend indien het initiatief, na een integrale afweging van alle beoordelingsaspecten, als aanvaardbaar en passend binnen de Gebiedsbeschrijving kan worden aangemerkt, waarbij sprake is van een voldoende mate van compensatie van de beoordelingsregels waaraan niet in voldoende mate wordt voldaan.
Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften voorschrijven gericht op de realisering en instandhouding van de landschappelijke inpassing.
Voor de beoordelingsregels in lid 65.4.2 geldt dat tevens kan worden voldaan aan het gestelde in lid 65.4.2 onder b door middel van het treffen van een gelijkwaardige maatregel. Deze maatregel kan alleen worden getroffen voor zover daarmee ten minste hetzelfde doel wordt bereikt als met de betreffende beoordelingsregel.
Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen voor:
Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen voor:
Voor een verandering als bedoeld in 65.5.1 gelden de volgende beoordelingsregels waarbij geldt dat:
Tabel 59.4
| Passend op de locatie | |
| de ontwikkeling | de activiteit past naar de aard en omvang in het buitengebied |
| de activiteit past in de Grootschalige polders gelet op de Gebiedsbeschrijving van dat gebied | |
| Passend bij omgevingsaspecten locatie | |
| ondergrond | de kwaliteit van de ondergrond is voldoende voor de voorgenomen activiteit |
| geluid | voor zover sprake is van een nieuw geluidsgevoelig object wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde of een nog vast te stellen hogere waarde |
| voor zover relevant is het bepaalde in Hoofdstuk 7 Deze locatie bevindt zich in een relatief stil gebied, hier gelden regels voor activiteiten die geluid produceren van toepassing | |
| gezondheid en milieu | de activiteiten mogen geen onevenredige overlast op het gebied van geur, stof, geluid, gevaar, verkeer of vergelijkbare gevolgen voor de fysieke leefomgeving veroorzaken; bij het indienen worden de benodigde inhoudelijke gegevens en bescheiden aangeleverd om dit te beoordelen |
| er is geen sprake van kwetsbare objecten binnen 10-6-risicocontouren van leidingen of inrichtingen | |
| er vindt indien nodig een verantwoording plaats van het groepsrisico | |
| activiteiten mogen er niet toe leiden dat kinderen langdurig worden blootgesteld aan de magnetische velden van hoogspanningsverbindingen (veldsterkte (jaargemiddeld) hoger dan 0,4 microtesla) | |
| water | er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de waterkwaliteit |
| er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling | |
| verkeer | de verkeersveiligheid is in voldoende mate gewaarborgd |
| er is in voldoende mate sprake van parkeervoorzieningen op eigen terrein | |
| er is sprake van een beperkte verkeersaantrekkende werking | |
| aangrenzende percelen | er is geen sprake van onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen en bedrijven |
| waarden | er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige archeologische waarden |
| er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige natuurwaarden | |
| er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige landschappelijke waarden | |
| er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige cultuurhistorische en monumentale waarden | |
| beeldkwaliteit | er is sprake van een versterking van de beeldkwaliteit van het buitengebied zoals uitgewerkt in de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele' |
| landschappelijke inpassing | er is sprake van een goede landschappelijke inpassing; het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing dient gericht te zijn op de in stand houding ervan |
| draagvlak | er wordt inzicht geboden in het draagvlak voor het initiatief in de omgeving |
Tabel 59.5
| Meerwaarde, in redelijke verhouding tot aard en omvang van de verandering | |
| financieel-economische meerwaarde | er is sprake van een versterking van de recreatieve potentie |
| maatschappelijke meerwaarde | de activiteit maakt onderdeel uit van een netwerk van verbindingen en initiatieven |
| er is onderzoek gedaan naar de wijze waarop en de mate waarin het initiatief energieneutraal ontwikkeld zou kunnen worden en hier wordt in redelijkheid uitvoering aan gegeven | |
| ruimtelijke meerwaarde | detonerende bebouwing wordt gesaneerd |
| natuurwaarden worden versterkt en in stand gehouden | |
| landschapswaarden worden versterkt en in stand gehouden | |
| cultuurhistorische waarden worden versterkt | |
| stilte en/of duisternis worden gerespecteerd | |
| er is sprake van extra waterretentie en/of de waterkwaliteit wordt verbeterd | |
Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften voorschrijven gericht op de realisering en instandhouding van de landschappelijke inpassing.
Voor de beoordelingsregels in lid 65.5.3 geldt dat tevens kan worden voldaan aan het gestelde in lid 65.5.3 onder b door middel van het treffen van een gelijkwaardige maatregel. Deze maatregel kan alleen worden getroffen voor zover daarmee ten minste hetzelfde doel wordt bereikt als met de betreffende beoordelingsregel.
Voor een goede landschappelijke inpassing gelden de volgende algemene regels:
De Poel is een grootschalig en open gebied. De (opgaande) erfbeplantingen spelen hier een belangrijke rol in het landschapsbeeld. In de randen komen de karakteristieke heggengebieden voor. Van oorsprong werd de zogenaamde Zeeuwse haag aangeplant op de perceelsgrenzen of langs slootjes en diende als veekering. Het vormt een losse (niet geschoren) haag en bestaat uit soorten die een dichte ondoordringbare begroeiing vormen. Vaak zitten hier doornen aan, zoals bijvoorbeeld aan de meidoorn.
Het meest verdichte deel vormt het gebied rondom Nisse, dat gekenmerkt wordt door meidoornheggen op de perceelsgrenzen. Hierdoor ontstaat een besloten beeld en zijn de erfbeplantingen iets minder beeldbepalend.
De nadruk ligt op de toepassing van streekeigen elementen, omdat de traditionele, streekeigen erven een belangrijke landschappelijke karakteristiek vormen. De eisen die gesteld worden aan de basisinrichting (Zeeuwse haag) zijn minder zwaar. In combinatie met de basisinrichting wordt minimaal één aan het erf toegevoegd streekeigen element gevraagd.
Regels:
Voor kleinschalige kampeerterreinen gelden de volgende aanvullende regels:
Voor een goede landschappelijke inpassing gelden de volgende algemene regels:
De polders zijn vaak kleinschalig van opzet. De boerderijen komen op twee manieren voor: onderaan de dijk en midden in de polder, gelegen aan de polderweg. In de kleinste polders komt alleen de eerste variant voor. In de grotere polders waar sprake is van een (stelsel) van polderwegen komen beide varianten voor.
In het geval dat de boerderijen onder aan de dijk liggen speelt de erfbeplanting mee met de beplanting op de dijken. Midden in een polder is een erfbeplanting te beschouwen als een eiland in een ruimte die dikwijls door de omringende beplanting wordt gedomineerd.
Opvallend is de veelal ruime opzet van de erven. In dit gebied zijn niet alleen de hoog opgaande beplantingen bepalend voor het boerenerf.
Doordat in dit gebied de nadruk op de fruitteelt ligt, komen rondom het erf veel boomgaarden met laagstamfruit voor. De elzenhagen die het fruit omsluiten zijn zeer karakteristiek voor dit gebied. Af en toe wordt een boomgaard met hoogstamfruit aangetroffen, meestal dichtbij de woning. Naast de woning is ook vaak een huisweitje aanwezig. Knotbomen komen veelvuldig voor. Het betreft de traditionele, streekeigen erven van de Zak van Zuid-Beveland.
De nadruk ligt op de toepassing van streekeigen elementen, omdat de traditionele, streekeigen erven een belangrijke landschappelijke karakteristiek vormen. De eisen die gesteld worden aan de basisinrichting (5 m brede singelbeplanting zonder boomvormers) zijn minder zwaar. In combinatie met de basisinrichting wordt minimaal één aan het erf toegevoegd streekeigen element gevraagd.
Regels:
Voor kleinschalige kampeerterreinen gelden de volgende aanvullende regels:
Voor een goede landschappelijke inpassing gelden de volgende algemene regels:
Qua openheid neemt dit gebied een positie in tussen de open grootschalige polders en de kleinschalige, besloten polders. Het gebied rondom Ellewoutsdijk maakt de meest open en grootschalige indruk.
De hoofdstructuur van het landschap wordt bepaald door de wegbeplantingen. Het gaat hier om boomsingels met een onderbeplanting, waarbij de bomen vaak in een onregelmatig plantverband staan. Bij Baarland en Hoedekenskerke is het landschap fijnmazig gestructureerd door dijken. Richting Oudelande en Ellewoutsdijk krijgt het landschap een meer open en grootschalig karakter.
Ruimtelijk vormen de erfbeplantingen een belangrijke aanvulling op de landschappelijke opbouw. De erven komen meestal voor langs de beplante polderwegen. In de buurt van de dorpen wordt de concentratie hoger. De erven in dit gebied zijn over het algemeen vrij bescheiden van opzet. De variatie aan beplantingen en beplantingsvormen is in deze gebieden gering. De samenstelling is eenzijdiger. Iep, es en populier komen veelvuldig in de beplantingen voor.
In de Herverkavelde Oudlandpolders kan een keuze worden gemaakt uit een singelbeplanting met heesters (minimaal 5 m breed), in combinatie met één streekeigen beplantingselement, of een singelbeplanting met bomen en heesters (minimaal 10 m breed)
De nadruk ligt in de omgeving van Hoedekenskerke en Baarland op de toepassing van streekeigen elementen. De traditionele, streekeigen erven vormen een belangrijke landschappelijke karakteristiek. De eisen die gesteld worden aan de basisinrichting (singelbeplanting met heesters) zijn minder zwaar. In combinatie met de basisinrichting wordt minimaal één aan het erf toegevoegd streekeigen element gevraagd.
Het gebied in de richting van Oudelande en Ellewoutsdijk heeft een meer open karakter. Een stevige beplanting, bestaande uit een brede singelbeplanting is wenselijk. Streekeigen elementen kunnen meer terughoudend worden toegepast, maar worden niet uitgesloten. Voor de singelbeplantingen met bomen is minimaal 10 m benodigd. Als voldoende (vrije) ruimte voor de kroon van de bomen aanwezig is naast de beplantingsstrook, kan met een smallere beplantingsstrook worden volstaan. Voor een goede ontwikkeling moeten de bomen dan ook enig licht doorlaten en de struiken schaduw verdragen. Verder moet bij de soortkeuze rekening worden gehouden met de verschillen in de groeisnelheid. Voorkomen moet worden dat de beplanting transparant wordt.
Regels:
Voor kleinschalige kampeerterreinen gelden de volgende aanvullende regels:
Voor een goede landschappelijke inpassing gelden de volgende algemene regels:
De grootschalige polders hebben een minder luisterrijke uitstraling in vergelijking met andere delen van de gemeente. Het gebied is open en efficiënt ingedeeld. De polders zijn grootschalig en de dijken dikwijls onbeplant, evenals de bermen van de meeste polderwegen. De nabijheid van het Sloegebied versterkt het industriële karakter van het gebied.
De erfbeplantingen zijn over het algemeen beperkt van opzet en weinig gevarieerd in beplantingsvormen en soortensamenstelling. De erven komen voor onder aan de dijk of midden in de polder aan een weg. Door de openheid van het gebied vervullen de erfbeplantingen een belangrijke rol in het landschappelijke beeld. De erfbeplantingen zijn hier op een aantal plaatsen de enige opgaande elementen. De erfbeplantingen van de Kraaijertpolder en omgeving kenmerken zich in het algemeen door weinig variatie in beplantingsvormen en soortensamenstelling.
Gelet op het open, grootschalige karakter van de Kraaijertpolders is een stevige beplanting, bestaande uit een brede singelbeplanting wenselijk. Streekeigen elementen kunnen meer terughoudend worden toegepast, maar worden niet uitgesloten. Voor de singelbeplantingen met bomen is minimaal 10 m benodigd. Als voldoende (vrije) ruimte voor de kroon van de bomen aanwezig is naast de beplantingsstrook, kan met een smallere beplantingsstrook worden volstaan. Voor een goede ontwikkeling moeten de bomen dan ook enig licht doorlaten en de struiken schaduw verdragen. Verder moet bij de soortkeuze rekening worden gehouden met de verschillen in de groeisnelheid. Voorkomen moet worden dat de beplanting transparant wordt.
Regels:
Voor kleinschalige kampeerterreinen gelden de volgende aanvullende regels:
Voor een goede landschappelijke inpassing gelden de volgende algemene regels:
De polder kenmerkt zich door een grootschalige opzet met, in dit geval, een vierkante wegenstructuur. Het industriegebied vormt een belangrijke beeldbepalende factor. De hoge Westerscheldedijk vormt een ander dominant gegeven.
De polderwegen zijn momenteel onbeplant. De erven liggen langs de wegen, waarbij op een gedeelte van de Monsterweg sprake is van lintbebouwing. Langs de andere wegen vormen de erven eilanden in de grootschalige open ruimte. De variatie in beplantingsvormen en soortensamenstelling is in de Borsselepolder niet groot.
Gelet op het open, grootschalige karakter van de Borsselepolder is een stevige beplanting, bestaande uit een brede singelbeplanting wenselijk. Streekeigen elementen kunnen meer terughoudend worden toegepast, maar worden niet uitgesloten. Voor de singelbeplantingen met bomen is minimaal 10 m breed benodigd. Als voldoende (vrije) ruimte voor de kroon van de bomen aanwezig is naast de beplantingsstrook, kan met een smallere beplantingsstrook worden volstaan. Voor een goede ontwikkeling moeten de bomen dan ook enig licht doorlaten en de struiken schaduw verdragen. Verder moet bij de soortkeuze rekening worden gehouden met de verschillen in de groeisnelheid. Voorkomen moet worden dat de beplanting transparant wordt.
Regels:
Voor kleinschalige kampeerterreinen gelden de volgende aanvullende regels:
De raad heeft aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid gedelegeerd om een herziening van dit omgevingsplan vast te stellen met het doel:
met dien verstande dat daarbij sprake moet blijven van een goede regeling voor landschappelijke inpassing die aansluit bij de landschappelijke en cultuurhistorische kenmerken van deelgebieden.
Het is verboden de houtopstanden die aangemerkt zijn op de lijst van beschermwaardige bomen te vellen of te doen vellen. Het verbod geldt niet voor bomen die moeten worden geveld krachtens de Plantenziektewet of krachtens een Aanwijzing of last bij iepenziekte van het college van burgemeester en wethouders.
Een omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit) kan worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:
Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften voorschrijven, gericht op herplant.
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bomen aan te wijzen als beschermwaardige boom en deze toe te voegen aan de lijst beschermwaardige bomen of te verwijderen van de lijst beschermwaardige bomen.
Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren voor de verspreiding van de iepziekte of de vermeerdering van iepenspintkevers is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college van burgemeester en wethouders is aangeschreven verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn:
Het is verboden in de open lucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. Het verbod geldt niet voor zover het betreft:
Een omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit) kan worden verleend voor het zich ontdoen van bepaalde afvalstoffen door deze buiten de inrichting te verbranden met dien verstande dat:
Voor het aanvragen van de omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit kan het volgende aanvraagformulier worden gebruikt.
Voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT ) ten gevolge van inrichtingen die in dit gebied zijn gelegen geldt dat de niveaus op de gevel van geluidsgevoelige functies of wanneer er geen woning binnen 50 m staat, dan geldt de afstand van 50 m vanaf de grens van de inrichting, binnen de in tabel 68.1 genoemde dagdelen niet meer mag bedragen dan de aangegeven richtwaarden.
Tabel 68.1: Richt- en grenswaarden (handhaving bestaande geluidskwaliteit)
| In afwijking van de volgende regelgeving | Referentieniveau | Beleid voor bedrijven |
Richtwaarde (etmaalwaarde) |
Grenswaarde (etmaalwaarde) |
|
| Handreiking industrielawaai en vergunningverlening |
<40 dB(A) | Afwijking mogelijk tot maximaal de wettelijke waarde |
Dag: 40 Avond: 35 Nacht: 30 |
Dag: 45 Avond: 40 Nacht: 35 |
|
| Activiteitenbesluit milieubeheer | <40 dB(A) | Afwijking mogelijk tot maximaal de wettelijke waarde |
Dag: 45 Avond: 40 Nacht: 35 |
Dag: 50 Avond: 45 Nacht: 40 |
|
Omgevingsvergunning om van de richtwaarde af te wijken tot maximaal de grenswaarde kan door burgemeester en wethouders worden verleend indien:
De bepalingen zoals opgenomen in lid 74.1 zijn niet van toepassing op anti-hagelgeneratoren.
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde in dit artikel zijn belast de bij besluit van burgemeester en wethouders aan te wijzen personen.
Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van de bepalingen in dit artikel, indien naar hun oordeel een strikte toepassing daarvan voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de bepaling(en) te dienen doelen, dan wel zou leiden tot onbillijkheden van zwaarwegende aard.
De raad heeft aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid gedelegeerd om een herziening van dit omgevingsplan vast te stellen met het doel:
Op deze gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van:
Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:
Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit) kan worden verleend, indien:
voorts zijn de werken en werkzaamheden toelaatbaar, indien:
Het rapport, het onderzoeksproces dat tot het rapport heeft geleid als ook de archeologische waardestelling dienen te voldoen aan de binnen de beroepsgroep algemeen gangbare kwaliteitsafspraken en -criteria, zoals verwoord in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA) en de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland.
Burgemeester en wethouders winnen ter beoordeling van het rapport schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige.
Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften aan de omgevingsvergunning voor het bouwen of de omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit verbinden om schade aan de archeologische waarden te voorkomen. Maatwerkvoorschriften zijn gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige.
Op deze gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van:
Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:
Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit) kan worden verleend, indien:
voorts zijn de werken en werkzaamheden toelaatbaar, indien:
Het rapport, het onderzoeksproces dat tot het rapport heeft geleid als ook de archeologische waardestelling dienen te voldoen aan de binnen de beroepsgroep algemeen gangbare kwaliteitsafspraken en -criteria, zoals verwoord in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA) en de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland.
Burgemeester en wethouders winnen ter beoordeling van het rapport schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige.
Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften aan de omgevingsvergunning voor het bouwen of de omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit verbinden om schade aan de archeologische waarden te voorkomen. Maatwerkvoorschriften zijn gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige.
Op deze gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van:
Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:
Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit) kan worden verleend, indien:
voorts zijn de werken en werkzaamheden toelaatbaar, indien:
Het rapport, het onderzoeksproces dat tot het rapport heeft geleid als ook de archeologische waardestelling dienen te voldoen aan de binnen de beroepsgroep algemeen gangbare kwaliteitsafspraken en -criteria, zoals verwoord in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA) en de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland.
Burgemeester en wethouders winnen ter beoordeling van het rapport schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige.
Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften aan de omgevingsvergunning voor het bouwen of de omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit verbinden om schade aan de archeologische waarden te voorkomen. Maatwerkvoorschriften zijn gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige.
Op deze gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van:
Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:
Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit) kan worden verleend, indien:
voorts zijn de werken en werkzaamheden toelaatbaar, indien:
Het rapport, het onderzoeksproces dat tot het rapport heeft geleid als ook de archeologische waardestelling dienen te voldoen aan de binnen de beroepsgroep algemeen gangbare kwaliteitsafspraken en -criteria, zoals verwoord in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA) en de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland.
Burgemeester en wethouders winnen ter beoordeling van het rapport schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige.
Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften aan de omgevingsvergunning voor het bouwen of de omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit verbinden om schade aan de archeologische waarden te voorkomen. Maatwerkvoorschriften zijn gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige.
Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden ten behoeve van de functie Leiding - Hoogspanning 2 uit te voeren:
Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit) kan worden verleend, indien mede op basis van archeologisch onderzoek met betrekking tot scheepswrakken is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad.
De raad heeft aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid gedelegeerd om een herziening van dit omgevingsplan vast te stellen met het doel:
Op deze gronden gelden bij de bouw van enig bouwwerk de volgende hoogteregels:
Omgevingsvergunning om van de hoogteregels in 82.1 en/of het gestelde verbod in 82.2.1 af te wijken (omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit) kan worden verleend, indien:
Op deze gronden gelden bij de bouw van enig bouwwerk de volgende hoogteregels:
Omgevingsvergunning om van de hoogteregels in 83.1 en/of het gestelde verbod in 83.2.1 af te wijken (omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit) kan worden verleend, indien:
Bij de toepassing van het bepaalde in Hoofdstuk 2 Wat mag ik op deze locatie bouwen (bouwregels) gelden de volgende bepalingen:
Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:
Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod in 85.2.1 af te wijken (omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit) kan door het bevoegd gezag worden verleend, indien:
(vliedbergen, sluizen pm)
Bij de beoordeling van aanvragen voor rijksmonumenten wordt het bepaalde in paragraaf 10.1.7 van de Beeldkwaliteitsnota in acht genomen.
De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod in 86.2 af te wijken (omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit) kan door het bevoegd gezag worden verleend, indien:
Het is verboden de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:
Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
Het is verboden de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:
Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
Een omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit) kan worden verleend, indien de werken en werkzaamheden geen onevenredige nadelige invloed hebben op de natuurwaarden, cultuurhistorische waarden en/of de landschappelijke waarden.
Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften voorschrijven om schade aan de natuurwaarden en/of de landschappelijke kwaliteiten te voorkomen. Maatwerkvoorschriften zijn gericht op het behoud van de natuurwaarden, cultuurhistorische waarden en/of landschappelijke kwaliteiten.
Het bebouwen van de gronden mag niet leiden tot een aantasting van de waterkerende functie van de secundaire waterkering of van de aangrenzende primaire waterkering.
Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:
Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit) kan worden verleend, indien de werken en werkzaamheden geen onevenredige nadelige invloed hebben op de waterkerende functie van de secundaire of aangrenzende primaire waterkering. Omtrent het verlenen van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd van de beheerder van de waterkering.
het Omgevingsplan Buitengebied Borsele 2017 met identificatienummer NL.IMRO.0654.OPBGB2017-0001 van de gemeente Borsele.
de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0654.OPBGB2017-0001
een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waar gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
een bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen (of veredelen) van gewassen en/of het houden van dieren, nader te onderscheiden in:
de Agrarische Adviescommissie Zeeland dan wel een andere door het bevoegd gezag aan te wijzen deskundige, of commissie van deskundigen, op het gebied van land- en tuinbouw.
het gebruik van onbebouwde gronden voor:
een antennemast of andere constructie bedoeld voor de bevestiging van een antenne.
een aan het agrarisch buitengebied gelieerd bedrijf, nader te onderscheiden in:
een niet-industrieel bedrijf gericht op het opslaan en leveren van goederen aan agrarische bedrijven en/of het opslaan, bewerken en verwerken van producten, die afkomstig zijn van agrarische bedrijven, waaronder tevens wordt begrepen een zaadveredelingsbedrijf;
een niet-industrieel bedrijf dat met behulp van verplaatsbare landbouwwerktuigen en landbouwapparatuur, uitsluitend of overwegend diensten verleent aan agrarische bedrijven ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering.
een installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie.
de gemeentelijke archeoloog dan wel een andere door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige of commissie van deskundigen op het gebied van archeologie.
onderzoek verricht door of namens de gemeente, door een dienst, bedrijf of instelling erkend door de Rijksdienst van het Cultureel Erfgoed (RCE) en werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA).
de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op in dat gebied voorkomende archeologische sporen en relicten.
de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied aanwezige archeologische sporen en relicten.
de in het kader van dit plan aan een gebouw toegekende waarde gekenmerkt door de opbouw en/of indeling van de gevels, de dakopbouw en het materiaal en/of kleurgebruik eventueel in samenhang met de omgeving.
een onderneming met winstoogmerk gericht op het uitvoeren van werkzaamheden en/of het produceren, bewerken, herstellen, installeren, inzamelen, verwerken, verhuren, opslaan en/of distribueren van goederen.
het gebruik van (een gedeelte van) een woning en/of bijbehorende bouwwerken voor bedrijfs- en/of beroepsmatige activiteiten of een praktijkruimte, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt.
de gezamenlijke vloeroppervlakte van verkoopruimten, magazijnen, bergingen, kantoren en verblijfsruimten en de overige voor de bedrijfsvoering benodigde vloeroppervlakte.
een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die slechts is bestemd voor bewoning door (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar noodzakelijk is, vanwege de toegestane functie van het gebouw of het terrein.
de gezamenlijke oppervlakte van vaste vloeren in gebouwen en andere bouwwerken, geen gebouw zijnde, – mestdoorlatende vloeren daaronder begrepen – die worden of kunnen worden gebruikt voor de huisvesting van dieren ten behoeve van intensieve veehouderij, waaronder begrepen de hok- of stalruimte, inclusief scheidingswanden en gangpaden, zoals die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen.
als beperkt kwetsbare objecten worden aangemerkt:
beschermd monument als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
bomen opgenomen op de lijst van waardevolle bomen zoals deze is weergegeven op de website beschermwaardige bomen van de gemeente Borsele.
het aantal legaal gerealiseerde dierplaatsen zoals aanwezig ten tijde van de vaststelling van het plan, met dien verstande dat indien met verifieerbare informatie (zoals bedrijfsregister, identificatie en registratiesysteem) aangetoond kan worden dat op het moment van vaststelling van het plan het feitelijk, legaal aanwezige aantal dieren meer bedraagt dan het legaal aanwezige aantal dierplaatsen, de legaal aanwezige aantallen dieren bepalend zijn voor de bestaande ammoniakemissie.
de afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen van een bouwwerk dat bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden.
bestaande aantal dierplaatsen voor de bestaande diersoorten, vermenigvuldigd met de ammoniakemissiefactoren van het bestaande stalsysteem.
de diersoorten waarvoor de legaal gerealiseerde dierplaatsen zoals aanwezig ten tijde van de vaststelling van het plan zijn gebouwd.
gebouwen die op het tijdstip van de functieverandering tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
het legaal gerealiseerde stalsysteem ten tijde van de vaststelling van het plan; bedoeld zijn de stalsystemen overeenkomstig de unieke stalbeschrijvingen van de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav).
voor het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu de meest doeltreffende technieken om de emissies en andere nadelige gevolgen voor het milieu, die een inrichting kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken, die – kosten en baten in aanmerking genomen – economisch en technisch haalbaar in de bedrijfstak waartoe de inrichting behoort, kunnen worden toegepast, en die voor degene die de inrichting drijft, redelijkerwijs in Nederland of daarbuiten te verkrijgen zijn; daarbij wordt onder technieken mede begrepen het ontwerp van de inrichting, de wijze waarop zij wordt gebouwd en onderhouden, alsmede de wijze van bedrijfsvoering en de wijze waarop de inrichting buiten gebruik wordt gesteld.
een bedrijf zoals bedoeld in artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak, nader te onderscheiden in:
een, ter plaatse van en aansluitend aan een indicatieve aanduiding, gesitueerd denkbeeldig vlak met flexibele grenzen zoals in het plan beschreven waar de bebouwing ten behoeve van een agrarisch bedrijf, manege of een agrarisch aanverwant bedrijf is toegestaan.
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat is begrensd door op (nagenoeg) gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen en dat zodanige afmetingen en vormen heeft dat dit gedeelte zonder ingrijpende voorzieningen voor de toegelaten functies geschikt of geschikt te maken is.
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van de functie hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond bedoeld om ter plaatse te functioneren.
een horecabedrijf, niet zijnde een discotheek of bar/dancing, uitsluitend of overwegend gericht op het verstrekken van dranken voor consumptie ter plaatse, met als nevenactiviteit het verstrekken van kleine etenswaren.
een door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige of commissie van deskundigen op het gebied van cultuurhistorie.
de in het kader van dit plan aan een bouwwerk of een gebied toegekende waarde in verband met ouderdom en gaafheid.
activiteiten ter ontspanning in de vorm van sport, spel, toerisme en educatie, waarbij overnachting uitdrukkelijk is uitgesloten.
speciaal aangelegde accommodatie al dan niet overdekt ten behoeve van dagrecreatie.
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, hieronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan diegenen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
het beroepsmatig/bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek op het bezoekadres rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen zoals een reis- of uitzendbureau, kapsalon, pedicure, schoonheidssalon, medische of therapeutische praktijk, juridisch adviesbureau of bankfiliaal.
een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van drank voor gebruik ter plaatse, waarbij het doen beluisteren van overwegend mechanische muziek en het gelegenheid geven tot dans een wezenlijk onderdeel vormen.
mest die verpompbaar is en die bestaat uit faeces of urine van landbouwhuisdieren, al dan niet vermengd met mors-, spoel-, reinigings- of regenwater.
al dan niet bebouwd bouwperceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat hoofdgebouw.
die vormen van dagrecreatie die zijn gericht op de beleving van en/of kennismaking met natuur, landschap en cultuur van het platteland dan wel de plattelandskernen, zoals wandelen, fietsen, skaten, paardrijden, vissen, kanoën, zwemmen en natuurobservatie.
een gebeurtenis, gericht op een groot publiek, met betrekking tot kunst, sport, ontspanning en cultuur.
een ruimte gericht op het verstrekken van al dan niet ter plaatse bereide en al dan niet ter plaatse te nuttigen dranken en/of etenswaren en/of het exploiteren van zaalaccommodaties.
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen, zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder.
onder geluidsgevoelige bestemmingen wordt verstaan:
een overeenkomstig dit plan als beschermd gemeentelijk monument aangewezen:
de lijst in de bijlage waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig dit plan als gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen bedoeld in lid 90.59.
de aan een gebied toegekende waarde gekenmerkt door een karakteristieke hogere dan wel lagere ligging, veroorzaakt door de ontstaansgeschiedenis van het grondgebied.
detailhandel in een of meer van de volgende categorieën:
een gebouw of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige toegestane functie van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die functie het belangrijkst is.
een onderneming gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken, het bedrijfsmatig exploiteren van een zaalaccommodatie en/of het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf.
hakhout (een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen), een houtwal of een of meer bomen.
een horecabedrijf, dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van logies (per nacht) met – al dan niet – als nevenactiviteit het verstrekken van maaltijden en dranken voor consumptie ter plaatse.
een bedrijf, gericht op de aanleg, de inrichting en het onderhoud van tuinen en groen, met gebruikmaking van de daarbij behorende materialen en gereedschappen, zonder dat detailhandel wordt uitgeoefend.
het insect, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.) en Scolytus multistratus (Marsch) en Scolytus pygmaeus.
de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C. M).
tent, tentwagen, kampeerauto, caravan of stacaravan, dan wel enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde waarvoor ingevolge artikel 2.1, lid 1, sub a van de Wabo een omgevingsvergunning vereist is, een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor nachtverblijf.
het beroepsmatig/bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek niet of slechts in beperkte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen zoals een administratiekantoor, ontwerp-technisch bureau, makelaarskantoor of assurantiekantoor.
een bouwwerk van glas of ander lichtdoorlatend materiaal ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering met een hoogte van 1,5 m of meer, trek-, tunnel-, schaduw-, boog- en gaaskassen daaronder begrepen.
terrein of plaats, geheel of gedeeltelijk ingericht, en zoals blijkt uit die inrichting bestemd, om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf.
een aan het plattelandstoerisme gerelateerde inrichting van geringe omvang bestemd voor het bedrijfsmatig, voor gebruik ter plaatse, verstrekken van alcoholische en/of niet-alcoholische dranken, eventueel in combinatie met het verstrekken van al dan niet ter plaatse bereide etenswaren; verblijfsrecreatieve voorzieningen hieronder niet begrepen.
nevenfunctie die bij een andere hoofdfunctie op een bouwperceel – al dan niet door een bewoner, samen met personeelsleden – op bedrijfsmatige wijze wordt uitgeoefend, waarbij de hoofdfunctie in overwegende mate aanwezig blijft en het bouwperceel een ruimtelijke uitstraling behoudt die daarbij past.
voorzieningen, zoals aanlegsteigers, picknickplaatsen, observatiepunten, informatieborden en banken, ten behoeve van extensief dagrecreatief medegebruik.
als kwetsbare objecten worden aangemerkt:
een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen inzake landschap en natuur.
de in het kader van dit plan aan een gebied toegekende waarde, wat betreft het waarneembare deel van het aardoppervlak, welke waarde wordt bepaald door de herkenbaarheid en identiteit van de onderlinge samenhang en beïnvloeding van niet-levende en levende natuur.
langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT ) het gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse optredende geluid, gemeten in een bepaalde periode en vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai.
een kleinschalige overnachtingsaccommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en veelal kortdurend verblijf met het serveren van ontbijt, ondergeschikt aan de (woon)bestemming.
een bedrijf dat gericht is op het lesgeven in paardrijden en daarvoor paarden en/of pony's houdt, al dan niet in combinatie met een of meer van de volgende hiermee samenhangende activiteiten of voorzieningen:
een reservoir bestemd en geschikt voor het bewaren van dunne mest, dat niet geheel of gedeeltelijk is gelegen onder een stal.
een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen inzake milieu.
een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen inzake molens.
een op basis van artikel 15 Monumentenwet 1988 ingestelde commissie met als taak het college op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van de Monumentenwet 1988, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, dit plan en het monumentenbeleid.
de in het kader van dit plan aan een gebied toegekende waarde gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang.
de door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven norm, zoals deze luidde op het moment van vaststelling van het plan.
verblijfsrecreatie waarbij uitsluitend van seizoensgebonden standplaatsen voor kampeermiddelen gebruik wordt gemaakt.
de voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.
bestemmingsplan met verruimde reikwijdte op grond van artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening, artikel 2.4 Crisis- en herstelwet en artikel 7c Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet; het bestemmingsplan met verruimde reikwijdte bestaat uit de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.
detailhandel die als nevenactiviteit een duidelijke relatie heeft met de toegestane hoofdactiviteit en in ruimtelijk en functioneel opzicht duidelijk ondergeschikt is aan de toegestane hoofdactiviteit.
een buitenrijbaan ten behoeve van paardrijactiviteiten, met een bodem van zand, hout, boomschors of ander materiaal om de bodem te verstevigen en al dan niet voorzien van een omheining; onder vergelijkbare voorzieningen worden verstaan paddocks (relatief kleine omheinde uitloop, veelal voorzien van een zandbodem, in aansluiting op de stalling en ten behoeve van de vrije uitloop van paarden en pony's), stap- en trainingsmolens en longeercirkels.
het houden van paarden en/of pony's, alsmede het bieden van gelegenheid aan derden om hun paarden en/of pony's in pension te stallen en te weiden.
kampeermiddel, inclusief bij dat kampeermiddel behorende ondergeschikte onderkomens, zoals bijzettenten, dat gedurende het gehele jaar op een gedeelte van een terrein bestemd voor de plaatsing van kampeermiddelen aanwezig is of mag zijn.
maximaal geluidsniveau (LAmax) gemeten in de meterstand «F» of «fast», als vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai.
een horizontaal vlak, ter afdekking van een gebouw, dat meer dan tweederde van de grondoppervlakte van het gebouw beslaat.
alle vormen van kleinschalige recreatie en toerisme (met de nadruk op dagtoerisme en klein verblijfstoerisme), die plaatsvinden op en gebonden zijn aan het platteland.
een agrarische bedrijfswoning welke gebruikt mag worden door derden die geen binding hebben met het op hetzelfde perceel aanwezige agrarische bedrijfscomplex.
een gebouw of een gedeelte daarvan, dat dient voor het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, architectonisch, kunstzinnig, juridisch, medisch, paramedisch, therapeutisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied.
een kleinschalige verblijfsaccommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch verblijf, ondergeschikt aan de (woon)bestemming, zoals een recreatie appartement of het bieden van logies met ontbijt.
de Staat van Horeca-activiteiten die van deze regels deel uitmaakt.
de Staat van Bedrijfsactiviteiten die van deze regels deel uitmaakt.
een gedeelte van een terrein bestemd voor de plaatsing van een kampeermiddel, inclusief bij dat kampeermiddel behorende ondergeschikte onderkomens, zoals bijzettenten.
een gebouw dat in zijn geheel kan worden verplaatst en is bestemd voor recreatief verblijf, waarbij de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben.
voorzieningen of constructies die bij agrarische bedrijven worden toegepast ten behoeve van de bescherming van plantaardige agrarische teelten (tegen neerslag, zonlicht, vogelvraat) en/of de voorkweek van ten behoeve van het eigen bedrijf benodigd plantmateriaal en/of de voorkoming van verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen, ten behoeve van grondgebonden agrarische teelten, nader te onderscheiden in:
een gedeelte van een terrein bestemd voor de plaatsing van een kampeermiddel, inclusief bij dat kampeermiddel behorende ondergeschikte onderkomens, zoals bijzettenten, gedurende een beperkte tijd zoals enkele weken.
een bedrijf, gericht op de teelt en de verhandeling van bomen, heesters, planten, bloemen en andere siergewassen en in samenhang daarmee op de verkoop van artikelen die met de tuinbewerking of de inrichting van tuinen verband houden, zoals tuingereedschap, tuinmeubilair en tuingrond.
omhakken of -zagen van houtopstand; onder vellen wordt mede verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.
de voor verblijf geschikte - al dan niet aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken - voer- en vaartuigen, arken, caravans, tenten en andere soortgelijke constructies, voor zover geen bouwwerken en geen kampeermiddelen zijnde.
de vloeroppervlakte van voor het publiek toegankelijke winkelruimten.
particuliere tuin of complex van particuliere tuinen die niet bij de eigen woning zijn gelegen en die gebruikt worden als moestuin of siertuin.
denkbeeldige lijn die strak langs de voorgevel van een hoofdgebouw en/of woning loopt tot aan de zijdelingse bouwperceelsgrenzen.
gedurende een substantieel gedeelte van het jaar, nagenoeg dagelijks buiten laten lopen van dieren, op een substantiële oppervlakte landbouwgrond, waarbij een deel van de voerbehoefte door de dieren buiten verzameld wordt en waarbij meer dan 50% van de betreffende landbouwgrond is begroeid.
bedrijven, zoals bedoeld in artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht, die in belangrijke mate geluidshinder kunnen veroorzaken.
Bij het toepassen van deze regels wordt als volgt gemeten:
van bouwwerken onderling, alsmede afstanden van bouwwerken tot de bouwperceelsgrens worden daar gemeten, waar deze afstanden het kleinst zijn.
vanaf het dichtst bij de bouwperceelsgrens gelegen punt van het gebouw en haaks op de bouwperceelsgrens.
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of tot het hart van de scheidingsmuren, met dien verstande, dat wanneer de betreffende gevelvlakken niet evenwijdig lopen of verspringen, het gemiddelde wordt genomen van de kleinste en de grootste maat.
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. druiplijn, het boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Voor bouwwerken luidt het overgangsrecht als volgt:
Op bouwwerken waarvoor in deze regels is bepaald dat de bestaande afstand, inhoud, (bebouwings)oppervlakte, dakhelling, goot- of bouwhoogte in afwijking van de algemeen geldende regels, als maximaal of minimaal toelaatbare maat mag gelden, is het Overgangsrecht bouwwerken zoals opgenomen in lid 93.1 niet van toepassing.
Voor gebruik luidt het overgangsrecht als volgt: