Regels
behorende
bij het bestemmingsplan “’s-Gravenpolder, gedeelte Weltevrede deel A en B, 1e
herziening
In deze regels wordt verstaan onder:
1.
plan:
het bestemmingsplan “‘s-Gravenpolder, gedeelte Weltevrede deel A en B, 1e
herziening
2. bestemmingsplan: geometrische bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0654.BPGPWVAB1HZ2010-0005 met de bijbehorende regels;
3. kaart: de geometrische bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0654.BPGPWVAB1HZ2010-0005;
4. aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;
5. aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;
6. aan- of uitbouw: een uit de gevel springend, in architectonisch opzicht ondergeschikt deel van een hoofdgebouw dat door haar indeling en inrichting is bestemd hoofdzakelijk te worden gebruikt ten behoeve van het hoofdgebouw;
7.
achtererf: gedeelte van het
erf dat gelegen is achter de achtergevelrooilijn;
8.
achtergevel: de meest van de
wegzijde afgekeerde gevel van een gebouw;
9.
achtergevelrooilijn: denkbeeldige lijn
die gelegen is op de helft van de afstand tussen de voorgevel van een
hoofdgebouw en de achtergrens van het bouwperceel met een maximum van
10. afgewerkt bouwterrein; de gemiddelde hoogte van de grond die gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, omringt;
11. bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
12. bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak;
13. bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;
14. bijgebouw: een aan het hoofdgebouw gebouwd of daarvan vrijstaand gebouw dat ten dienste staat van het hoofdgebouw en door zijn ligging, functie, constructie of afmetingen ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;
15. bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;
16. bouwgrens: de grens van een bouwvlak;
17. bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;
18. bouwperceelsgrens: de grens van een bouwperceel;
19. bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijn, zijn toegelaten;
20. bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal die hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;
21. detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, hieronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan diegenen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;
22. dienstverlening: het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij de baliefunctie een essentieel onderdeel vormt;
23. erf: al dan niet bebouwd bouwperceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat hoofdgebouw;
24. gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
25. hoofdgebouw: een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste gebouw valt aan te merken;
26. maatschappelijke voorzieningen: educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel ten dienste van deze voorzieningen;
27. nutsvoorzieningen (voorzieningen ten behoeve van openbaar nut;
28. peil:
29. samenhangend straat- en bebouwingsbeeld:
30.
voorgevel: de meest naar de
wegzijde gekeerde gevel van een gebouw;
31. voorgevellijn: denkbeeldige of op de kaart aangegeven lijn die strak langs de voorgevel van een hoofdgebouw loopt tot aan de zijdelingse bouwperceelsgrenzen;
32. weg: weg als bedoeld in artikel 1, lid 1, sub b, van de Wegenverkeerswet 1994, zoals die luidde ten tijde inwerkingtreding van dit plan;
33. woning: een gebouw, dat dient voor de huisvesting van personen;
34. Wro: de Wet ruimtelijke ordening, zoals die luidde ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan;
35. zijerf: gedeelte van het erf dat begrensd wordt door de zijgevellijn van het hoofdgebouw, de voorgevellijn en de achtergevelrooilijn;
36. zijgevel: een gevel van een gebouw, die niet een voorgevel of een achtergevel is;
37. zijgevellijn: (denkbeeldige) lijn die strak loopt langs de zijgevel van een gebouw tot aan de voorste en achterste bouwperceelsgrens
38. zorgwoning: een gebouw, dat dient voor de huisvesting van personen, waarbij gebruik gemaakt kan worden van collectieve voorzieningen gericht op de verzorging, op medisch, therapeutisch of daarmee gelijk te stellen gebied;
Bij het toepassen van deze regels wordt als volgt gemeten:
1.
afstanden van bouwwerken
onderling, alsmede afstanden van bouwwerken tot de bouwperceelsgrens worden
daar gemeten, waar deze afstanden het kleinst zijn;
2.
de afstand van een
gebouw tot de zijdelingse bouwperceelsgrens: vanaf het dichtst bij de bouwperceelsgrens
gelegen punt van het gebouw en haaks op de bouwperceelsgrens;
3.
de bouwhoogte van
een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of bouwwerk,
geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals
schoorstenen, antennes en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
4.
de breedte en
diepte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of tot het
hart van de scheidingsmuren, met dien verstande, dat wanneer de betreffende
gevelvlakken niet evenwijdig lopen of verspringen, het gemiddelde wordt genomen
van de kleinste en de grootste maat;
5.
de dakhelling: langs het
dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
6.
de goothoogte van
een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. druiplijn, het
boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
7.
de inhoud van een
bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de
gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en
dakkapellen;
8.
de oppervlakte van
een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de
scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het
afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
9.
het bebouwde
oppervlak: van een bouwperceel, of een ander terrein wordt bepaald door de
oppervlakten van alle op een terrein gelegen gebouwen bij elkaar op te tellen,
tenzij in de regels anders is bepaald;
10.
het bewoonbaar
vloeroppervlak: binnen de afgewerkte omtrekwanden (in voorkomende gevallen binnen de
balustrade) onder aftrek van de in de ruimte inspringende onderdelen van het
gebouw als schoorsteenstoelen, kanalen en kasten, maar zonder aftrek van
plinten en vast meubilair als aanrechten en verwarmingslichamen; vloeroppervlak
waarboven minder dan
3.1. Bestemmingsomschrijving
3.1.1 Bestemming
De voor ‘Maatschappelijk’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke voorzieningen, alsmede voor voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening;
b. ondergeschikte detailhandels- en/of horeca activiteiten uitsluitend ten dienste van de maatschappelijke voorzieningen;
c. ter plaatse van de aanduiding ‘zorgwoning’: uitsluitend zorgwoningen, met de daarbij behorende ondergeschikte voorzieningen;
d.
wegen, parkeervoorzieningen, tuinen, afvalinzamelvoorzieningen en andere
voorzieningen ten dienste
3.1.2 Toelaatbare bebouwing
Op deze gronden mogen, met inachtneming
a.
gebouwen;
b.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
3.2. Bouwregels
3.2.1 Gebouwen
Met betrekking tot het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:
a. gebouwen mogen uitsluitend binnen het op de kaart aangegeven bouwvlak worden opgericht;
b. gebouwen worden met de voorgevel gebouwd in de op de kaart aangegeven gevellijn, daar waar een dergelijke lijn op de kaart is aangegeven;
c.
de bouwhoogte
d.
de achtergevel mag maximaal op
e. ter plaatse aanduiding “bijgebouwen” mogen uitsluitend bijgebouwen worden opgericht.
3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Bij gebouwen mogen
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met inachtneming van de
volgende regels:
a.
de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde,
bedraagt maximaal voor:
-
antennes:
-
speeltoestellen:
-
openbare nutsvoorzieningen:
-
lichtmasten en overige masten:
-
overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde:
b.
in afwijking van het onder lid 3.2.2, sub a
bepaalde bedraagt de bouwhoogte van een tuin- of erfafscheiding, die gebouwd
wordt vóór (het verlengde van) de voorgevellijn, alsmede binnen
3.3 Ontheffing
van de bouwregels
3.3.1 Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in:
a.
lid 3.2.1, sub c mits deze maat met maximaal
b.
lid 3.2.2, sub a tot een bouwhoogte van maximaal
3.3.2 De in lid 3.3.1 genoemde ontheffingen kunnen slechts worden verleend, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
1.
de samenhang in het straat- en bebouwingsbeeld;
2.
de gebruiksmogelijkheden
3.3.4 Bij het verlenen van ontheffing als bedoeld in lid 3.3.1 is het bepaalde in artikel 9 van toepassing.
Artikel 4
Grond die eenmaal in
aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is
gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere
bouwplannen buiten beschouwing.
5.1 Plaatsbepaling
en dakhelling bouwwerken
5.1.1 Burgemeester en wethouders zijn bevoegd,
met inachtneming van de regels vervat in hoofdstuk 2, bij het verlenen van een
bouwvergunning, nadere eisen te stellen ten aanzien van:
a. de plaatsing van hoofdgebouwen, bijgebouwen en aan- en uitbouwen ten opzichte van de bouwperceelsgrens en ten opzichte van elkaar;
b. de dakhelling van hellende dakvlakken van gebouwen;
c. de plaatsing en vormgeving van bouwwerken geen gebouwen zijnde.
5.1.2 De in lid 5.1.1 bedoelde nadere eisen
mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van
derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan
en met het oog op de bereikbaarheid van gebouwen, bouwwerken geen gebouwen
zijnde en gronden in verband met calamiteiten.
5.2 Bestaande
afstanden en andere maten
5.2.1 Indien afstanden op de datum van de vaststelling van het bestemmingsplan meer dan wel minder bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is toegestaan, mogen de bestaande afstanden als maximaal respectievelijk minimaal toelaatbaar worden aangenomen.
5.2.2 In die gevallen dat hoogten, inhoud, aantal en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken op de dag van de terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan meer of minder bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen de bestaande maten en hoeveelheden als maximaal respectievelijk minimaal worden aangehouden.
Artikel 6
6.1 Verboden
gebruik
6.1.1 Tot het verboden gebruik
als bedoeld in artikel 7.10 Wro wordt in ieder geval gerekend:
a.
Het gebruiken of te doen of laten gebruiken van
bouwwerken, geen gebouwen zijnde en gronden op een wijze of tot een doel
strijdig met de in dit plan aan de grond gegeven bestemming.
6.2 Ontheffing
6.2.1 Burgemeester en
wethouders verlenen ontheffing van het bepaalde in lid 6.1.1:
a.
indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot
een beperking van het meest doelmatige gebruik dat niet door dringende redenen
wordt gerechtvaardigd.
6.2.2 Bij het verlenen van ontheffing als bedoeld in lid 6.2.1, sub a
is het bepaalde in artikel 9 van toepassing.
Artikel
7
7.1 Ontheffingsbevoegdheid
7.1.1 Burgemeester en
wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen
a.
het bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwen
en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, van geringe afmetingen ten dienste van het
openbaar nut met een oppervlakte van maximaal
b.
het overschrijden
-
erkers, balkons en bordessen tot maximaal
-
ingangspartijen tot maximaal
c.
geringe afwijkingen, die in het belang zijn van een
ruimtelijk of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken of die
noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein.
Hierbij zijn verschuivingen
d.
het oprichten van antennes en masten tot een
bouwhoogte van
7.1.2 Ontheffing wordt
uitsluitend verleend indien:
a.
de samenhang in het straat- en bebouwingsbeeld niet
onevenredig wordt aangetast;
b.
de gebruiksmogelijkheden
c.
dit niet leidt tot wijziging
7.1.3 Bij de toepassing van
een ontheffingsbevoegdheid als bedoeld in lid 7.1 is artikel 9 van toepassing.
8.1 Burgemeester
en wethouders zijn bevoegd, met inachtneming van het bepaalde in de Wro, de
regels te wijzigen voor:
a.
het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen
gebouwen zijnde, van geringe afmetingen ten dienste van het openbaar nut met een
oppervlakte van maximaal
b.
het overschrijden van de naar de weg gekeerde
bouwgrens, zomede van de ten opzichte van de zijdelingse bouwperceelsgrens
bepaalde minimumafstand door:
-
erkers, balkons en bordessen tot maximaal
-
ingangspartijen tot maximaal
c.
geringe afwijkingen, die in het belang zijn van een
ruimtelijk of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken of die
noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein.
Hierbij zijn verschuivingen van de bestemmingsgrens met maximaal
Deze regels zijn van toepassing voor het overschrijden van grenzen voor zover deze leiden tot wijziging van bestemmingen.
9.1 Procedure
wijzigingsbevoegdheid
Bij toepassing van een wijzigingsbevoegdheid, zoals deze onderdeel
uitmaakt van dit plan, is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van
afdeling 3.4 Awb van toepassing.
9.2 Procedure
ontheffingsbevoegdheid
Bij toepassing van
een ontheffingsbevoegdheid, zoals deze onderdeel uitmaakt van dit plan, dienen
de navolgende procedureregels in acht te worden genomen:
a.
het verzoek tot ontheffing ligt met bijbehorende
stukken gedurende 4 weken ter inzage;
b.
het college maakt deze terinzagelegging tevoren in
één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huis-bladen die in de gemeente worden
verspreid bekend;
c.
de bekendmaking houdt mededeling in van de
mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen;
gedurende de in lid 9.2, sub a genoemde termijn kunnen belanghebbenden bij het college schriftelijk zienswijzen naar voren brengen tegen het voornemen om medewerking te verlenen
Hoofdstuk 4
10.1 Overgangsrecht
bouwwerken:
a.
Een bouwwerk dat op het tijdstip van
inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel
gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning, en afwijkt van het plan, mag,
mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
1.
gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
2.
na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel
worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt
gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
b.
Burgemeester en wethouders kunnen éénmalig
ontheffing verlenen van lid 10.1, sub a voor het vergroten van de inhoud van
een bouwwerk als bedoeld in het lid 10.1, sub a met maximaal 10%;
c.
Lid 10.1, sub a is niet van toepassing op
bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het
plan, maar zijn gebouwd in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder
begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
10.2 Overgangsrecht
gebruik:
a.
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op
het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd
is, mag worden voortgezet;
b.
Het is verboden het met het bestemmingsplan
strijdige gebruik, bedoeld in lid 10.2, sub a, te veranderen of te laten
veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze
verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;
c.
Indien het gebruik, bedoeld in lid 10.2, sub a, na
de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt
onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten
hervatten;
d.
Lid 10.2, sub a is niet van toepassing op het gebruik
dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder
begrepen de overgangsregels van dat plan.
10.3 Ontheffing
Indien toepassing
van het overeenkomstig lid
Artikel
11
Deze regels worden aangehaald als:
Regels
van het bestemmingsplan “'s-Gravenpolder, gedeelte Weltevrede deel A en B, 1e
herziening