direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Max Euwekwartier
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0599.BP2209MaxEuwekwar-on01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De ambitie bestaat om Brainpark I van kantorenpark te transformeren naar een levendige stadswijk waar ruimte is om te wonen, werken en te verblijven. In het Brainpark bestaan momenteel een aantal initiatieven om deze transformatie in te zetten. Eén van deze initiatieven is voorzien op drie aaneengesloten kantorenkavels aan de Max Euwelaan. Daarnaast maakt ook de voormalige ADP-locatie deel uit van dit initiatief. Bakkers Hommen Waerdevast B.V. heeft deze gronden en gebouwen aangekocht en is voornemens om hier woningen, bedrijfsruimtes en commerciële voorzieningen te realiseren. Dit gebied wordt omgedoopt tot het 'Max Euwekwartier'.

Het vigerende bestemmingsplan staat deze ontwikkeling echter niet toe. Om deze reden is een nieuw juridisch-planologisch kader noodzakelijk. Voorliggend bestemmingsplan met verbrede reikwijdte voorziet hierin en maakt de ontwikkeling van het gemengde gebied mogelijk.

1.2 Gekozen planopzet

Dit bestemmingsplan biedt een globale juridisch-planologische regeling, zodat flexibiliteit bestaat om de geplande ontwikkeling te realiseren. De regeling geschiedt door middel van de bindende planstukken, te weten de planregels en de verbeelding. Zij omvatten enerzijds een vertaling van de beleidsvoorwaarden (hoofdstuk 2) en anderzijds een juridisch kader voor de te realiseren ontwikkeling (hoofdstuk 3). De bindende planstukken worden nader onderbouwd met de toelichting op zowel de planregels als de verbeelding. Wat betreft de planopzet sluit het bestemmingsplan aan op de gangbare systematiek binnen de gemeente Rotterdam, met inachtneming van de standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen (SVBP 2012) en het Informatie Model Ruimtelijke Ordening (IMRO 2012).

1.3 Ligging en begrenzing

Brainpark I ligt aan de oostzijde van Rotterdam in de buurt Kralingen Oost. Aan de oostzijde van dit kantorenpark ligt de Rijksweg A16. In afbeelding 1.1 is de globale ligging van het plangebied op grotere schaal weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP2209MaxEuwekwar-on01_0002.png"

Afbeelding 1.1: Globale ligging van het plangebied op grotere schaal.

Het plangebied ligt in het noordwestelijk deel van het kantorenpark Brainpark I. Het gebied ligt aan de hoofdinvalroutes richting het centrum. Aan de westzijde wordt het plangebied begrensd door de Kralingse Zoom. Aan zowel de zuid- als oostzijde wordt het plangebied begrensd door bestaande bedrijven die op Brainpark 1 zijn gevestigd. Ten noorden van het plangebied ligt een groen- en watervoorziening en is bedrijvigheid gevestigd. In afbeelding 1.2 is de ligging van het plangebied in de directe omgeving weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP2209MaxEuwekwar-on01_0003.jpg"

Afbeelding 1.2: Globale ligging van het plangebied in de directe omgeving.

Ten westen van het plangebied ligt de campus van de Erasmus Universiteit. Momenteel worden beide gebieden van elkaar gescheiden door de Kralingse Zoom. Ten noorden van het plangebied ligt op korte afstand het metrostation Kralingse Zoom.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP2209MaxEuwekwar-on01_0004.jpg"

Afbeelding 1.3: Ligging van het plangebied ten opzichte van omliggende functies.

Het plan is opgedeeld in twee fases. Het westelijke deelgebied vormt de eerste fase en zal als eerste worden ontwikkeld. Het oostelijke deelgebied is onderdeel van de tweede fase (2a). Het overige deel van de tweede fase (2b) wordt later ontwikkeld en wordt momenteel nog verfijnd. In afbeelding 1.4 is een overzicht van de fasering weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP2209MaxEuwekwar-on01_0005.jpg"

Afbeelding 1.4: Overzicht van de fasering.

1.4 Vigerende bestemmingsplannen

Ter plaatse van het plangebied vigeert momenteel het bestemmingsplan 'Kralingse Zoom' dat op 14 juni 2018 is vastgesteld door de gemeenteraad van Rotterdam. In dit bestemmingsplan kent het plangebied de enkelbestemmingen 'Gemengd - 1', 'Groen' en 'Verkeer - Verblijfsgebied'. Daarnaast kent het gehele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. In afbeelding 1.5 is een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP2209MaxEuwekwar-on01_0006.jpg"

Afbeelding 1.5: uitsnede vigerende bestemmingsplan, het plangebied is rood omkaderd (bron:ruimtelijkeplannen.nl)

Op grond van de bestemming 'Gemengd - 1' zijn diverse functies zoals kantoren, bedrijven en horeca toegestaan. Binnen de bestemming 'Gemengd - 1' zijn bouwvlakken opgenomen waarbinnen gebouwen zijn toegestaan. De bestemming 'Groen' laat slechts groenvoorzieningen en bepaalde, specifieke, infrastructurele voorzieningen toe. Binnen de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' zijn alleen infrastructerele voorzieningen en kleinere ondergeschikte bouwwerken toegestaan.

Een deel van de voorgenomen functies is toegestaan op basis van de huidige bestemming 'Gemengd -1'. In het plangebied zijn echter ook woningen voorzien. Deze zijn niet toegestaan op basis van het vigerende bestemmingsplan. De ontwikkelingen zijn daarnaast ook voor een deel geprojecteerd op de gronden met de bestemmingen 'Groen' en 'Verkeer - Verblijfsgebied'. De voorgenomen functies zijn op deze gronden ook niet toegestaan. Daarmee is voorgenomen ontwikkeling (deels) strijdig met het vigerende bestemmingsplan.

Ten slotte is ook een deel van de toekomstige bebouwing voorzien buiten de huidige bouwvlakken en is de maximale bouwhoogte niet toereikend. In ruimtelijke opzicht bestaat daardoor ook strijd met het vigerende bestemmingsplan.

Hoofdstuk 2 Beleid

2.1 Rijksbeleid

2.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Naar verwachting treedt de Omgevingswet in 2022 in werking. De Omgevingswet bundelt alle huidige wetten over de leefomgeving. Daarbij hoort ook één Rijksvisie op de leefomgeving: de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld.

In Nederland staan we voor een aantal urgente opgaven, die zowel lokaal, nationaal als wereldwijd spelen. Denk aan de opgaven op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Deze opgaven zullen Nederland flink veranderen. Door goed in te spelen op deze veranderingen kan Nederland vooroplopen en kansen verzilveren. Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland.

In de NOVI zijn deze maatschappelijke opgaven samengevat in vier prioriteiten:

  • 1. Naar een duurzame en concurrerende economie;
  • 2. Naar een klimaatbestendige en klimaatneutrale samenleving;
  • 3. Naar een toekomstbestendige en bereikbare woon- en werkomgeving;
  • 4. Naar een waardevolle leefomgeving.

Deze vier opgaven kunnen alleen in samenhang verder worden gebracht wanneer aandacht is voor thema's die hier dwars doorheen lopen, zoals omgevingskwaliteit, gezondheid, cultuurhistorie, klimaatadaptatie, water, bodem, (nationale) veiligheid en milieukwaliteit.

Een gezonde leefomgeving die zo min mogelijk negatieve invloed heeft op de gezondheid is volgens het Rijk van belang. De omgeving dient uitnodigend te zijn voor gezond gedrag en dient een plek te zijn waar inwoners zich prettig voelen.

De omvang van de vraag is afhankelijk van het tempo van economische groei, maar ook van de specifieke bedrijfstaksamenstelling per regio, omdat de ramingen voor verschillende bedrijfstakken uiteenlopen. Het Rijk stelt dat een zorgvuldige raming van ruimtebehoefte- en aanbod van groot belang is. Om voldoende ruimte voor economische activiteit te faciliteren en deze optimaal te benutten, stellen overheden regionale programma's en transitieagenda's op.

Locaties van nieuwe kantoren, bedrijventerreinen en (groot)winkelbedrijven moeten passen bij het verkeers- en vervoersnetwerk. Deze locaties moeten goed afgestemd zijn op de vraag van bedrijven én de economische vitaliteit en de kwaliteit en aantrekkelijkheid van stad en land versterken.

Het Max Euwekwartier is een nieuwe levendige stadswijk waar voorzien wordt in een behoefte aan woningen, werkruimten en overige voorzieningen. Bij de ontwikkeling van dit gebied is aandacht besteed aan verschillende thema's zoals duurzaamheid, groen en geluid. Ook is de stedenbouwkundige aansluiting op het omliggende gebied een belangrijk onderdeel van het proces geweest. Daarnaast is bekeken in hoeverre de omliggende infrastructuur passend is. Hiermee is de voorgenomen ontwikkeling in lijn met de NOVI.

2.1.2 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Vastgesteld op 13 maart 2012

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. Deze structuurvisie vervangt de Nota Ruimte. De structuurvisie geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op Rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw Rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de structuurvisie schetst het Rijk ambities tot 2040 en doelen, belangen en opgaven tot 2028.

De leidende gedachte in de SVIR is ruimte maken voor groei en beweging. De SVIR is de eerste Rijksnota die de onderwerpen infrastructuur en ruimte integraal behandelt. In de SVIR richt het Rijk zich vooral op decentralisatie. De verantwoordelijkheid wordt verplaatst van Rijksniveau naar provinciaal en gemeentelijk niveau.

Door urbanisatie, individualisering, vergrijzing en ontgroening nemen de ruimtelijke verschillen toe. Vanaf 2035 groeit de bevolking niet meer. De samenstelling van de bevolking, en daarmee de samenstelling van huishoudens, verandert. Ambities tot 2040 zijn onder andere het aansluiten van woon- en werklocaties op de (kwalitatieve) vraag en het zoveel mogelijk benutten van locaties voor transformatie en herstructurering. Ook wil het Rijk ervoor zorgen dat in 2040 een veilige en gezonde leefomgeving met een goede milieukwaliteit wordt geboden. Dit moet voor zowel het landelijk als het stedelijk gebied gelden. In de SVIR is verder vastgelegd dat provincies en (samenwerkende) gemeenten verantwoordelijk zijn voor programmering van verstedelijking. (Samenwerkende) gemeenten zorgen voor (boven)lokale afstemming van woningbouwprogrammering die past binnen de provinciale kaders. Ook zijn de gemeenten verantwoordelijk voor de uitvoering van de woningbouwprogramma's.

Ter versterking van het vestigingsklimaat in de stedelijke regio's rondom de main-, brain- en greenports geldt een gebiedsgerichte, programmatische urgentieaanpak. In krimpregio's wordt het interbestuurlijke programma bevolkingsdaling doorgezet.

Met voorgenomen ontwikkeling wordt het vestigingsklimaat van Rotterdam vergroot en ontstaat een levendige stadswijk met diverse functies. In de SVIR worden geen specifieke uitspraken gedaan met betrekking tot het voorliggende plangebied.

2.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Vastgesteld op 22 augustus 2011, geconsolideerde versie 5 juni 2014

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de juridische vertaling van nationaal ruimtelijk beleid. Het besluit bevat regels die doorwerken op gemeentelijk niveau, en dus relevant zijn voor bestemmingsplannen. Voorbeelden van zaken die geregeld zijn in het Barro zijn rijksvaarwegen, hoofdwegen, het 380 kV-netwerk en buisleidingen van nationaal belang.

Relevant beleid voor het plangebied

Net als de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte kenmerkt het Barro zich tot een hoog abstractieniveau en is het beleid alleen aan de orde op specifieke locaties (bijvoorbeeld in de mainports of nabij de kust) of bij specifieke projecten (zoals het project 'Randstad 380 kV'). Het plangebied ligt niet in een dergelijk gebied en bevat ook geen grootschalige ontwikkelingen die opgenomen zijn in het Barro. Om die reden bevat het Barro geen concreet beleid voor het plangebied.

2.1.4 Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking)

In werking getreden op 1 oktober 2012, gewijzigd per 1 juli 2017

Het doel van de ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten. Dit belang staat beschreven in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte binnen een breder kader van een goede ruimtelijke ordening. Gemeenten moeten plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken motiveren volgens de Ladder.

Concreet betekent dit dat het bestemmingsplan een beschrijving bevat van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Wanneer deze ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied gerealiseerd wordt, moet gemotiveerd worden waarom er niet binnen het stedelijk gebied voorzien kan worden in de behoefte. Een stedelijke ontwikkeling is in het Bro gedefinieerd als de ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Planspecifieke toets

Het plangebied wordt in de toekomst getransformeerd naar een gemengd woongebied waar ruimte is voor verschillende functies. Het gebied ligt op steenworp afstand van het metrostation 'Kralingse Zoom'. Aan de overzijde van de Kralingse Zoom ligt de campus van de Erasmus Universiteit en via dezelfde Kralingse Zoom en de Abram van Rijckevorselweg kunnen de toekomstige gebruikers van het gebied via de A16 op een eenvoudige manier hun weg vervolgen. De ligging van het plangebied is daarmee uitermate gunstig. Voorgenomen ontwikkeling voorziet in een verdichting nabij een binnenstedelijke OV-knooppunt.

Woningen

Dit bestemmingsplan voorziet in het totaal in 1.198 woningen. In tabel 2.1 is een verdeling van het woonprogramma weergegeven.

Type woning   Aantal  
woning < 40 m2 gbo   22  
woning 40-65 m2 gbo   681  
woning 65-85 m2 gbo   468  
woning 85-120 m2 gbo   27  
Totaal   1.198  

Tabel 2.1: overzicht aantal en type woningen

Uit de prognose van de gewenste woningvoorraadtoename uit de Staat van Zuid-Holland blijkt dat in de regio Rotterdam tot 2030 in totaal 51.310 woningen benodigd zijn. Dit plan levert met een totaal van 1.198 woningen een aanzienlijke bijdrage aan de provinciale, regionale en lokale woningbehoefte.

Daarnaast is door ABF research in 2018 in opdracht van de provincie Zuid-Holland een onderzoek uitgevoerd naar de kwalitatieve woningbouwbehoefte in de provincie. Uit dit onderzoek blijkt dat 46% van de nieuwbouw zou moeten bestaan uit huurwoningen. In voorliggend plan worden alle woningen uitgevoerd als huurwoning en daarmee wordt tegemoet gekomen aan de grote behoefte aan huurwoningen.

Uit het genoemde onderzoek blijkt ook dat in de huursector met name behoefte bestaat aan meergezinswoningen (70%). In dit plan worden alleen meergezinswoningen gerealiseerd. Hiermee wordt aangesloten bij de grote vraag aan dit type woning.

De ontwikkeling van de woningen voorziet daarmee in een behoefte en wordt tevens binnenstedelijk gerealiseerd.

Kantoren en bedrijven

In de toekomstige situatie wordt er 2.800 m2 aan bedrijfsverzamelgebouwen / ateliers gerealiseerd. De definitieve invulling hiervan is nog niet volledig duidelijk. In de huidige situatie zijn in het plangebied diverse kantoorpanden gesitueerd met een veel grotere omvang dan deze 2.800 m2. Voor wat betreft de kantoorruimte kan geconcludeerd worden dat het aantal vierkante meters in ieder geval afneemt en dat er eventueel bedrijfsverzamelgebouwen / ateliers voor terugkomen die beter aansluiten bij de huidige vraag op de kantorenmarkt.

Commerciële voorzieningen

Aan het plangebied worden ook commerciële voorzieningen toegevoegd met een omvang van circa 2.200 m2 en een gezondheidscentra. Momenteel is nog niet volledig duidelijk wat voor commerciële voorzieningen in het plangebied worden gerealiseerd. Wel is in paragraaf 4.3 een beter beeld van de commerciële voorzieningen gegeven. In de huidige situatie zijn geen commerciële voorzieningen in het plangebied gesitueerd. De ligging ten opzichte van het metrostation en de Erasmus Universiteit maken dat het gebied potentie heeft om getransformeerd te worden naar een gemengd en levendig gebied. In de omgeving van het plangebied is het aantal commerciële voorzieningen beperkt en de toevoeging van de commerciële voorzieningen zorgt ervoor dat het aanbod wordt uitgebreid. Ook de toekomstige gebruikers van het plangebied worden met deze voorzieningen bediend in de behoefte. Het bestemmingsplan staat enkel kleinschalige detailhandel, tot een maximum van 150 m2 b.v.o..

Conclusie

De voorzieningen die in dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt voorzien in een actuele behoefte en liggen binnen bestaand stedelijk gebied. Gezien het bovenstaande voldoet het bestemmingsplan aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

2.2 Provinciaal en regionaal beleid

Algemeen

Het provinciale omgevingsbeleid voor de fysieke leefomgeving bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Deze kaders zijn vastgesteld door provinciale staten van Zuid-Holland op 20 februari 2019 en zijn op 1 april 2019 in werking getreden. Naast de kaders maken uitvoeringsprogramma's en plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit, onderdeel uit van het provinciale omgevingsbeleid. In de uitvoeringsprogramma's en plannen staan operationele doelstellingen opgenomen om zichtbaar te maken op welke wijze het beleid wordt gerealiseerd.

Het Omgevingsbeleid krijgt vorm via een opgave gerichte aanpak. Vanuit maatschappelijke opgaven wordt er, samen met belanghebbenden, bepaald welke onderdelen van het omgevingsbeleid worden toegepast. Op deze wijze wordt er een uitnodigend perspectief geboden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Daarom omvat de Omgevingsvisie geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven.

De ambities geven vorm aan de volgende provinciale 'Opgaven Omgevingskwaliteit':

  • 1. Landschap en cultuurhistorie,
    Beschermen, versterken en beleefbaar maken van de kwaliteit van het landschap, cultuurhistorische waarden en natuurlijke karakteristieken van de leefomgeving.
  • 2. Gezondheid en veiligheid,
    Zorgen voor een gezonde en veilige leefomgeving en het beperken van hinder
  • 3. Natuur en recreatie.
    Behouden en versterken van natuurwaarden en het ontwikkelen van voldoende, aantrekkelijk en beleefbaar groen en water, waar mensen met plezier recreëren.
  • 4. Ruimte en verstedelijking,
    Zorgen voor een zorgvuldig ruimtegebruik en een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied.
  • 5. Wonen,
    Bevorderen van de beschikbaarheid van voldoende passende woningen in een aantrekkelijke leefomgeving, aansluitend op de behoeften van verschillende doelgroepen.
  • 6. Bodem en ondergrond,
    Zorgen voor een duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond.
  • 7. Cultuurparticipatie en bibliotheken,
    Ondersteunen van cultuurparticipatie en bibliotheken.
  • 8. Klimaatadaptatie,
    Bevorderen van een leefomgeving die de gevolgen van klimaatverandering en weersextremen kan opvangen.
  • 9. Zoetwater en drinkwater,
    Duurzaam voorzien in de behoefte aan zoetwater en waarborgen van de beschikbaarheid van voldoende drinkwater.
  • 10. Bereikbaarheid,
    Bevorderen van een goede en veilige bereikbaarheid, met een mobiliteitsnetwerk dat keuzevrijheid biedt en aansluit op de behoeften van reizigers en vervoerders.
  • 11. Regionale economie,
    Versterken van een vitale, innovatieve en toekomstbestendige regionale economie.
  • 12. Energievoorziening,
    Bevorderen van een betrouwbare, duurzame en efficiënte energievoorziening met een minimale uitstoot van broeikasgassen.

Naast de twaalf provinciale 'Opgaven Omgevingskwaliteit' wil de provincie een volledige circulaire economie in Zuid-Holland bereiken in 2050 met als tussendoel 50% reductie van (primaire) materialen in 2030. De provincie zet daarbij in op de transitiethema’s Bouw, Kunststoffen, Groene grondstoffen & Voedsel en Maakindustrie. Dit doet de provincie vanuit verschillende rollen in samenwerking met verschillende partners.

Met voorgenomen ontwikkeling wordt aangesloten bij diverse provinciale opgaven. Zo draagt de ontwikkeling bij aan een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied. Om te kunnen voorzien in de ontwikkeling, worden de bestaande kantoren gesloopt en wordt nieuwe bebouwing gerealiseerd. De nieuwe gebouwen zullen duurzamer dan de bestaande kantoren worden gebouwd. Hierin is plaats voor woningen, bedrijfsverzamelgebouwen / ateliers en commerciële voorzieningen. Door de herontwikkeling wordt het bestaand stedelijk gebied intensiever gebruikt.

Daarnaast wordt de woningbehoefte, door middel van de realisatie van de voorgenomen woningen, voor een deel beantwoord. De woningen worden gerealiseerd in verschillende segmenten en daarmee worden verschillende doelgroepen bediend.

Het plangebied ligt op een goed bereikbare locatie. Via de Kralingse Zoom is het gebied op een adequate wijze ontsloten en met de A16 op korte afstand is de autobereikbaarheid van het gebied goed. Ten noorden van het plangebied ligt daarnaast het metrostation 'Kralingse Zoom'. Met de herontwikkeling en verdichting van het plangebied wordt daarmee gebouwd op een strategische locatie. De ontwikkeling draagt hiermee bij aan diverse provinciale opgaven.

2.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland

Vastgesteld door Provinciale Staten in 2019

Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Daarnaast zijn in het Omgevingsbeleid operationele doelstellingen opgenomen, zodat zichtbaar is hoe de provincie zelf invulling geeft aan de realisatie van haar beleid. Deze operationele doelstellingen maken onderdeel uit van verschillende uitvoeringsprogramma's en –plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit.

De Omgevingsvisie omvat de volgende wettelijk verplichte plannen:

  • de provinciale ruimtelijke structuurvisie, artikel 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro);
  • het milieubeleidsplan, artikel 4.9 van de Wet milieubeheer (Wm);
  • het regionale waterplan, artikel 4.4 van de Waterwet (Ww);
  • het verkeers- en vervoersplan, artikel 5 van de Planwet verkeer en vervoer;
  • de natuurvisie, artikel 1.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb).

2.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland

Vastgesteld door Provinciale Staten in 2019

Het provinciaal beleid wordt planologisch geborgd door de Omgevingsverordening. Hierin is de Ladder voor duurzame verstedelijking juridisch geborgd. Verder worden regels gesteld ten aanzien van (nieuwe) functies.

Afdeling 6.2 heeft betrekking op Bestemmingsplannen Bestaand en Nieuw

Ladder voor duurzame verstedelijking:

Het doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. Bij elk project dient allereerst te worden bepaald of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Dit is gedefinieerd als 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Hiernaast dient te worden beoordeeld of het project ook gezien zijn schaal en aard moet worden getoetst aan de Ladder. Als sprake is van een stedelijke ontwikkeling, dan dient de toetsing aan de Ladder plaats te vinden.

De provincie verwijst naar artikel 3.1.6 van het Bro

De provincie Zuid-Holland heeft de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in artikel 6.10 van de Omgevingsverordening. Een bestemmingsplan gericht op stedelijke ontwikkeling moet worden getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening;
  • b. indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.

In paragraaf 2.1.4 is reeds aandacht besteed aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

Detailhandel

Uitgangspunt van het provinciaal detailhandelsbeleid (Omgevingsverordening artikel 6.13 lid 1) is dat nieuwe detailhandel primair gevestigd wordt binnen of aansluitend aan de bestaande winkelconcentraties in de centra van steden, dorpen en wijken of binnen een nieuwe wijkgebonden winkelconcentratie in een nieuwe woonwijk. Buiten de centra kan alleen ruimte worden geboden aan specifieke branches van detailhandel of, onder voorwaarden, een aantal vormen van kleinschalige detailhandel, ondergeschikte detailhandel en afhaalpunten voor niet-dagelijkse goederen.

Het plangebied is geen locatie zoals bedoeld in artikel 6.13 lid 1 van de Omgevingsverordening. Het provinciale beleid biedt wel de mogelijkheid voor vestiging buiten de bestaande winkelconcentraties aan enkele vormen van kleinschalige detailhandel. Op grond van Artikel 6.13, lid 3, sub b t/m e van de verordening zijn daarnaast nog enkele mogelijkheden voor kleinschalige detailhandel die buiten de centra goed gemotiveerd gerealiseerd kunnen worden.

Het plangebied maakt (zeer) kleinschalige detailhandel mogelijk (maximaal 150 m2 b.v.o.) die past bij de detailhandel buiten het centrum. De mensen die binnen dit plangebied gaan wonen kunnen hier hun kleine boodschappen doen. Momenteel wordt gedacht aan bijvoorbeeld een 'mandjessupermarkt'. Fase 1 en 2A (voorliggend plangebied) zijn de eerste fases die ontwikkeld gaan worden. Uiteindelijk zal heel Brainpark ontwikkeld worden tot woongebied. Hierdoor zal meer gebruik gemaakt kunnen worden van de detailhandel die hier ontwikkeld gaat worden.

Kantoren

Op grond van artikel 6.11 lid 1 ‘Kantoren’ van de Omgevingsverordening Zuid-Holland is het uitgangspunt van het provinciaal kantorenbeleid dat nieuwe kantoren worden gerealiseerd binnen de locaties die indicatief geometrisch zijn bepaald en verbeeld op kaart 10 in bijlage II van de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Dit zijn onder andere de grootstedelijke top- en centrumlocaties, OV-knooppuntlocaties en centrum- en (intercity)stationslocaties. Voorgelegde planlocatie bevindt zich niet binnen één van deze aangewezen locaties. Echter past het plan wel binnen de MRDH-kantorenvisie. De locatie wordt opgenomen in de nieuwe planlijst die door de MRDH wordt aangeboden aan de Provincie Zuid-Holland.

2.2.3 Strategie Werklocaties 2019 - 2030

De Strategie Werklocaties bevat de visie tot 2030 en regionale afspraken tot 2023 over werklocaties in de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH). De MRDH is een samenwerkingsverband waar concrete ruimtelijk-economische vraagstukken worden geagendeerd. Die rol is ook het uitgangspunt van deze strategie. Regionale afstemming is ook een vereiste vanuit de provincie Zuid-Holland bij wijzigingen in gemeentelijke bestemmingsplannen. De strategie is een samenhangende visie op de ontwikkeling van werklocaties vanuit de bestaande situatie, en richting de gewenste ramingen tot 2030.

Brainpark I is benoemd in de bijlage van de visie. Aangegeven is dat hier door marktpartijen geïnvesteerd wordt om herontwikkeling mogelijk te maken. Met voorgenomen ontwikkeling wordt de levendigheid in het plangebied en de omgeving vergroot en worden de verschillende deelgebieden ook beter op elkaar aangesloten. Met voorgenomen ontwikkeling wordt (deels) voorzien in een werklocatie van de toekomst waar niet alleen plaats is voor werken maar waar dit gepaard gaat met diverse andere functies.

Strategie kantoren: op weg naar een goede balans

Het beleid voor kantoren stuurt op het kwalitatief versterken van de bestaande voorraad en het onttrekken van incourant bestaand aanbod en overmatige plancapaciteit (geplande nieuwbouw). De geactualiseerde aanbodinventarisatie geeft nieuwe inzichten. Op toplocaties en binnen (inter)nationaal concurrerende vestigingsmilieus kan uitbreiding plaatsvinden, en op minder goed met OV-bereikbare locaties wordt het aanbod geoptimaliseerd. Daarnaast wordt op veel snelweglocaties de overmaat in het vastgoed gereduceerd door transformatie naar nieuwe functies (zoals wonen). Met maatwerk stemmen de regiogemeenten het aanbod af op specifieke ruimtelijk-economische ontwikkelingen.

Voor kantorenlocaties met een strategische opgave (versterken, optimaliseren of herbestemmen) stellen de regiogemeenten gebiedsvisies op om de goede voornemens concreet te maken.

In aanvulling op de Ladder van de Duurzame Verstedelijking is een regionaal “Afwegingskader nieuwe plancapaciteit kantoren” opgenomen in de strategie werklocaties om de toevoeging van plancapaciteit te kunnen toetsen. Daarbij wordt vooral gekeken naar marktruimte, onderscheidende kwaliteiten en toegevoegde waarde voor de regionale kantorenmarkt.

Met voorgenomen ontwikkeling wordt, incourant bestaand aanbod aan de markt onttrokken en wordt nieuw en kwalitatief beter passend aanbod, in samenhang met diverse andere functies, gerealiseerd. Hiermee wordt aangesloten bij de uitgangspunten van de strategie.

2.3 Gemeentelijk beleid

Op grond van de Wet ruimtelijke ordening kunnen gemeenten hun gemeentelijk beleid vastleggen in structuurvisies. Ter verwezenlijking van de doelen in het ruimtelijk beleid stelt de gemeente bestemmingsplannen op. In Rotterdam zijn twee typen bestemmingsplannen te onderscheiden, gebiedsbestemmingsplannen en projectbestemmingsplannen. Gebiedsbestemmingsplannen worden opgesteld door het cluster Stadsontwikkeling naar aanleiding van een meerjarenplanning. Wanneer een bepaalde ontwikkeling buiten het opstellen van een gebiedbestemmingsplan valt, kan daar een projectbestemmingsplan voor opgesteld worden of een omgevingsvergunningprocedure voor doorlopen worden, door een initiatiefnemer.

2.3.1 Omgevingsvisie 'De Veranderstad, werken aan een wereldstad voor iedereen'

Vastgesteld door gemeenteraad op 2 december 2021

De omgevingsvisie beschrijft de stedelijke koers voor de ontwikkeling van Rotterdam. Het is een nieuwe stadsvisie die richting geeft aan de verdere ontwikkeling van Rotterdam. Deze Omgevingsvisie vervangt de in 2007 vastgestelde Stadsvisie Rotterdam 2030.

Tot de datum van invoering van de Omgevingswet krijgt de Omgevingsvisie de status van structuurvisie onder het huidige regime van de Wet ruimtelijke ordening

Hoofdlijn van de Omgevingsvisie is dat Rotterdam kiest voor goede groei. Groei die bijdraagt aan het welzijn van de inwoners, aan een duurzame samenleving en aan economische vooruitgang. Groei die het Rotterdamse rijke erfgoed en de identiteit ondersteunt en versterkt.

De omgevingsvisie gaat uit van 5 langetermijndoelen (perspectieven): compact, inclusief, duurzaam, gezond, productief. Mede aan de hand daarvan worden in de omgevingsvisie vijf hoofdkeuzes benoemd waarmee invulling wordt gegeven aan de koers voor Rotterdam voor goede groei:

  • Rotterdam zet in op prettig leven in de delta: Rotterdam wordt een gezonde, groene en aantrekkelijke stad in de grotere metropoolregio om te wonen, werken, recreëren, sporten en bewegen.
  • Rotterdam gaat verstedelijken & verbinden. Er wordt verstedelijkt binnen de bestaande stad om de stad te versterken. Verstedelijking gebeurt vooral bij en rondom bestaand of nieuw hoogwaardig openbaar vervoer.
  • Rotterdam zet in op vitale wijken met een divers aanbod aan woon- en werkruimte en passende maatschappelijke voorzieningen. Het moet niet uitmaken waar je opgroeit om dezelfde kans te hebben op goed onderwijs, een goede woning en passend werk. In de wijken komen een heleboel opgaven samen: deze worden in samenhang aangepakt om de wijken toekomstbestendig te maken.
  • Rotterdam zet de schouders onder de energie- en grondstoffentransitie: Er wordt gewerkt aan een stad die klimaatneutraal is en waar w grondstoffen hergebruikt worden. Zo wordt een duurzaam Rotterdam gecreeërd met een bloeiende en innovatieve economie. Voor nu en toekomstige generaties.
  • Rotterdam vernieuwt het verdienvermogen: Rotterdam heeft een sterke economische uitgangspositie. Tegelijkertijd is Rotterdam, onder meer door zijn uitstekende (internationale) bereikbaarheid, een middelpunt van innovatie en van kennisintensieve dienstverlening.

Er is een aantal gebieden waar meerdere grote opgaven bij elkaar komen en waar er tegelijkertijd kansen liggen om veel van onze stedelijke doelstellingen te realiseren. Deze strategische gebieden vragen om gebiedsspecifieke richtinggevende keuzes. Het betreft de binnenstad, Alexander tot en met Zuidplein en Rotterdam-Zuid. Voor de ontwikkeling van deze gebieden formuleert de omgevingsvisie enkele gebiedskeuzes.

De voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan de vijf perspectieven. De bestaande kantoren maken plaats voor woningen en voorzieningen. Deze ontwikkeling vindt plaats binnen de bestaande contouren van de stad. Tevens wordt er een gemengd programma gerealiseerd waardoor de stad inclusiever wordt. De nieuwe bebouwingen worden duurzamer gebouwd dan de bestaande kantoren. De nieuwbouw wordt aardgasvrij gerealiseerd. Zo draagt de voorgenomen ontwikkeling bij aan een klimaatneutrale Rotterdam in 2050. Paragraaf 6.11 gaat dieper in op circulair slopen en bouwen wat bijdraagt aan een duurzame stad.

2.3.2 Stadsvisie Rotterdam: Ruimtelijke ontwikkelingsstrategie 2030

Vastgesteld op 29 november 2007 door de Rotterdamse gemeenteraad

De Stadsvisie vormt het ruimtelijk kader voor alle investeringen, projecten en plannen die in de stad worden gerealiseerd. De Stadsvisie is een ontwikkelingsstrategie voor de stad Rotterdam, voor de periode tot 2030. De Stadsvisie heeft als missie een sterke economie en een aantrekkelijke woonstad.

Deze missie is uitgewerkt in een aantal kernbeslissingen op de onderwerpen wonen en economie en deze bepalen wat er de komende jaren op deze gebieden gebeurt in de stad. Veel van de kernbeslissingen zullen de komende vijftien jaar worden omgezet in de uitvoering van een aantal (bouw) projecten in de stad, waardoor Rotterdam over pakweg vijftien jaar inderdaad een sterke economie heeft en aantrekkelijke woongebieden kent, ook voor haar hoogopgeleide bewoners.

Op basis van effectmeting zijn dertien gebiedsontwikkelingen aangewezen die het belangrijkst zijn voor de realisatie van de doelen 'sterke economie' en 'aantrekkelijke woonstad', zogenoemde VIP-gebieden. Deze dertien grote gebiedsontwikkelingen krijgen prioriteit in de nabije toekomst (de komende 10 jaar). 

Voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij diverse kernbeslissingen. Allereerst sluit de ontwikkeling bij aan de kernbeslissing om vrije tijd als aanjager van de stedelijke economie te benutten. In de huidige situatie kent het plangebied geen functie die bijdraagt aan de benutting van de vrije tijd. In de toekomstige situatie zijn naast woningen ook voorzien in de realisatie van diverese andere functies. Hiermee krijgt het plangebied een bredere functie en kan het gebruikt worden om te verblijven, óók in de vrije tijd.

Een andere kernbeslissing waar voorgenomen ontwikkeling aan bijdraagt, is het ruimte maken voor ondernemers. In de toekomstige situatie is voorzien in bedrijfsverzamelgebouwen / ateliers. Dit zorgt voor een stimulans voor ondernemers en draagt bij aan de flexibiliteit van het gebied.

Ten slotte wordt nog aangesloten bij de kernbeslissing om in bestaand stedelijk gebied in de woningbehoefte te voorzien. Voorliggend plangebied ligt in het bestaand stedelijk gebied van Rotterdam. In de huidige situatie is het plangebied in gebruik als kantorenpark. In de toekomstige situatie wordt voorzien in gemengd gebied waar ruimte is voor 1.198 woningen in diverse segmenten. Hiermee wordt de woningbehoefte voor een deel voorzien binnen het bestaand stedelijk gebied van de stad.

In de visie is daarnaast aangegeven dat het plangebied ligt in een gebied waar ingezet wordt op het (uit)bouwen van sterke woonmilieus. Met voorgenomen ontwikkeling wordt voorzien in de realisatie van een gemengd gebied waarin plaats is voor een aanzienlijk aantal woningen in diverse segmenten.

Op het gebied van milieu zijn voor het Brainpark de aspecten externe veiligheid, luchtkwaliteit en geluid meegegeven als aandachtspunten. In hoofdstuk 6 wordt hier uitgebreid op ingegaan.

2.3.3 Woonvisie Rotterdam, koers naar 2030, agenda tot 2020

Vastgesteld op 15 december 2016 door de Rotterdamse gemeenteraad

De Woonvisie verwoordt de ambities om van Rotterdam een aantrekkelijke woonstad te maken voor iedereen. Centraal in de opgave staat het beantwoorden van de groeiende vraag naar wonen in Rotterdam. Onlosmakelijk daaraan verbonden is de noodzaak om een betere balans in de woningvoorraad te creëren, de kwaliteit van woningen en woonmilieus te versterken en te borgen dat het voor iedereen en op een dagelijkse basis goed wonen is in de stad. In de Woonvisie zijn drie hoofddoelen en daarbij horende prioriteiten gesteld.

Meer aantrekkelijke woonmilieus realiseren door:

  • de toenemende woningvraag van huishoudens met een modaal of hoger inkomen, sociale stijgers en young potentials te accommoderen;
  • te zorgen voor een meer gedifferentieerd woningbestand in gebieden waar dit nu nog eenzijdig is en waar de kwaliteit van het wonen onder druk staat; en
  • woonmilieus versterken, met een duidelijke profilering en aandacht voor kindvriendelijkheid.

Zorgen voor een woningvoorraad met toekomstwaarde door: 

  • een goede woningkwaliteit te realiseren in de nieuwbouw en bestaande voorraad;
  • ruimte voor tijdelijkheid, flexibiliteit, innovatie en experiment te bieden; en
  • energiezuinig en milieuvriendelijk wonen te bevorderen.

De basis op orde houden door:

  • het borgen van voldoende aanbod van goedkope huurwoningen;
  • betaalbaarheidproblemen aan te pakken bij de bron en met toepassing van maatwerk;
  • goed zelfstandig wonen voor iedereen mogelijk te maken;
  • toe te zien op goed verhuurschap en een transparante woningmarkt; en
  • woningeigenaren en bewoners aan te spreken op hun verantwoordelijkheid voor een ongestoord woongenot in en om de woning.

De Woonvisie is een visie op hoofdlijnen en doet geen gebiedsgerichte uitspraken. De Woonvisie is een instrumentele uitwerking van de Stadsvisie op het onderwerp wonen op de korte termijn. De Woonvisie richt zich op acties in de huidige woningmarkt, binnen de kaders van het collegeprogramma, om zo de ambitie van de Stadsvisie te helpen realiseren.

Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de ontwikkeling van 1.198 woningen. Deze woningen worden uitgevoerd in verschillende segmenten. Aangesloten wordt bij de ambitie om de toenemende woningvraag van huishoudens met een modaal of hoger inkomen, sociale stijgers en young potentials te accommoderen.

Daarnaast wordt ook aangesloten bij de prioriteit om het aanbod van goedkope huurwoningen te borgen.

Voorgenomen ontwikkeling sluit hiermee aan bij de prioriteiten die in de Woonvisie van Rotterdam zijn benoemd.

2.3.4 Nota kantoren Rotterdam

Vastgesteld 19 juni 2019 door B&W

De 'Nota Kantoren' volgt uit de 'Visie Werklocaties 2030' die eind 2019 door het college van B&W is vastgesteld. De doelstelling van de nota is om tot 2030 richting te geven aan de ontwikkeling van de Rotterdamse kantorenmarkt, met als bovenliggende doelen:

  • 1. Het optimaal faciliteren van de (nieuwe) economie in gebieden en in vastgoed;
  • 2. Een goede balans tussen vraag en aanbod van kantoorruimte op stedelijk en gebiedsniveau;
  • 3. Een verduurzaming van de kantorenvoorraad en -omgeving.

De Nota kantoren Rotterdam vormt de Rotterdamse uitwerking van de regionale strategie werklocaties 2019-2030 van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH). In de regionale strategie is een programma afgesproken ten aanzien van nieuwbouw, transformatie en planreductie waarbinnen gemeenten een eigen uitwerking ontwikkelen.

In deze nota is aangegeven dat er verschillende toekomstbestendige vestigingsgebieden voor kantoren, de zogenaamde concentratiegebieden, bestaan. Het Brainpark wordt in deze nota aangeduid als één van deze concentratiegebieden. Aangegeven is dat voor de locatie de (OV)-bereikbaarheid, de mogelijkheden voor functiemenging en de aantrekkelijkheid voor een brede groep gebruikers kenmerkend zijn.

Met voorgenomen ontwikkeling wordt voorzien in de herontwikkeling van een deel van het Brainpark. Ook in de toekomstige situatie is nog sprake van kantoorruimte. Deze is echter anders vormgegeven en bovendien worden diverse andere functies aan het gebied toegevoegd. Hierdoor ontstaat een aantrekkelijker gebied. Daarnaast is het aantal vierkante meters dat in de toekomstige situatie wordt gerealiseerd kleiner dan het aantal vierkante meters in de huidige situatie. Het oppervlak aan kantoren neemt dan ook af. Voorgenomen ontwikkeling is daarmee in lijn met de Nota kantoren.

2.3.5 Nota bedrijfsruimte Rotterdam

Bedrijfsruimte

Doel van het beleid is om voldoende bedrijfsruimte in Rotterdam te waarborgen - en richting te geven aan de ontwikkeling van bestaande en nieuwe bedrijfslocaties.

Behoud van bedrijfsruimte door:

  • de totale omvang van de voorraad bedrijfsruimte wordt behouden en zo efficiënt mogelijk benut.
  • bedrijfsruimte in de wijken wordt zoveel mogelijk behouden.
  • nieuwe bedrijventerreinen krijgen een plek in de regio.

Functiemenging waar kan, functiescheiding waar moet:

  • ruimte-extensieve en zware bedrijvigheid wordt ingepast aan de rand van de stad of in de regio, arbeidsintensieve en lichte bedrijvigheid behoudt een plek in de stad;
  • op bedrijventerreinen met een transformatieopgave wordt ingezet op woonwerkgebieden met behoud van (vervangende) werkgelegenheid.

Stadsgebonden bedrijvigheid:

  • focus op vestiging van bedrijven die vanwege hun klanten- en werknemerskring een directe relatie hebben met de stad, en op kleinschalige datacenters (digitalisering), city hubs en XS-warehouses (ecommerce), incubators en bedrijfsverzamelgebouwen ('de nieuwe economie').

Herontwikkeling bedrijventerreinen:

  • focus op verduurzaming (energietransitie, circulariteit en klimaatadaptatie), en op verbetering van de gebruiks-, belevings- en toekomstwaarde en van de multimodale bereikbaarheid.

Voorgenomen ontwikkeling voorziet slechts beperkt in de ontwikkeling van bedrijvigheid. Ingezet is op bedrijvigheid die te combineren is met woningbouw en bijdraagt aan de leefbaarheid en beleving in het plangebied. Het gaat om bedrijfsverzamelgebouwen / ateliers en commerciële ruimten. Aangesloten wordt bij het uitgangspunt dat functiemenging kan. Hierdoor ontstaat een woonwerkgebied wat de aantrekkingskracht van het gebied vergroot. De ontwikkeling is in lijn met de nota bedrijfsruimte.

2.3.6 Hoogbouwvisie 2019

Vastgesteld door de gemeenteraad op 12 december 2019

In de Hoogbouwvisie 2019 is de hoogbouwzone aangegeven die loopt van het Centraal Station tot aan de Wilhelminapier. Pompenburg en de omgeving van de Rijnhaven horen er ook bij. Binnen de hoogbouwzone is hoogbouw mogelijk tot maximaal 250 meter hoog. Er zijn ook drie andere gebieden waar hoogbouw is toegestaan (tot maximaal 150 meter): Feyenoord City, Hart van Zuid en de Alexanderknoop.

Hoogte
De benedenverdieping en daarmee de Rotterdamse laag van de hoogbouw is essentieel. De programmering van de Rotterdamse laag moet een bijdrage leveren aan de stedelijke dynamiek en de continuïteit van het stadsbeeld. Denk hierbij aan lobby's voor kantoren, entrees voor woningen, commerciële en maatschappelijke functies.

De hoogte van de Rotterdamse laag verschilt per plek in de stad. Door de Rotterdamse laag onderdeel te maken van het gebouw, is er een goede aansluiting op de aangrenzende gebouwen en stimuleert dit de continuïteit van wanden, straten en pleinen.

De omvang van de bovenbouw wordt door twee invalshoeken bepaald:een percentage voor de maximale oppervlakte van hoogbouw en een absolute maat, gebaseerd op het programma (wonen of kantoren). Naar boven toe zal de hoeveelheid oppervlakte afnemen. Door beperkingen op te leggen aan hoogbouw, gerelateerd aan de maximale omvang van de bouwkavel, is er meer ruimte in de onderbouw om de utilitaire zaken een goede plek te geven in het gebouw. Hierdoor is er meer ruimte om de ambitie van de stad op ooghoogte goed vorm te geven.

Boven de Rotterdamse laag (onderbouw grofweg tussen 15 tot 25 meter) mag maximaal 50 procent van de totale onderbouw als toren bebouwd worden. Boven de Rotterdamse laag mag de diagonaal van de toren niet groter zijn dan 56 meter. Door een diagonaal te gebruiken, wordt gestimuleerd dat er daadwerkelijk torens worden gemaakt in plaats van andere gebouwvormen. Bij gebouwen tussen de 70 en 150 meter heeft de toren vanaf 70 meter een diagonaal van 42 meter. De diagonaal wordt berekend over de verst van elkaar afliggende hoeken. Balkons ingesloten door ten minste drie geveldelen worden meegerekend.

Bij voorgenomen ontwikkeling is voorzien in drie hoogte accenten. Aan de noorzijde van het plangebied is voorzien in een bouwvolume van maximaal 70 meter. In het noordoosten van het plangebied is eveneens voorzien in een volume met een hoogte van 70 meter. Aan de zuidzijde van het plangebied is sprake van een bouwvolume met een bouwhoogte van maximaal 55 meter. Uit de hoogbouwvisie blijkt dat er pas sprake is van hoogbouw wanneer bebouwing hoger is dan 70 meter. Dit is in het plangebied niet aan de orde. Bij de verdere uitwerking is echter wel rekening gehouden met de uitgangspunten met betrekking tot de verschijningsvorm. Zo is er sprake van een actieve plint met meerdere 'deuren'. De basislaag is vergelijkbaar met de Rotterdamse laag en kent ook een hoogte van circa 25 meter en vormt de basis van de overige volumes. Daarnaast bedraagt de bovenbouw een beperkt deel van het de totale oppervlakte en neemt het oppervlak naar boven toe af.

Om ervoor te zorgen dat het windklimaat binnen de grenzen blijft, zijn aan de voorkant van het ontwerpproces oriënterende windonderzoeken verplicht. Deze metingen worden op basis van volumestudies gedaan en geven een eerste beeld waar zich mogelijke knelpunten bevinden. Vorm, materiaal en hoogte kunnen op deze manier in een vroegtijdig stadium onderzocht worden en de uitkomsten kunnen worden meegenomen in het ontwerpproces.

In bijlage 1 is een quickscan opgenomen die voor het aspect windhinder is uitgevoerd. Uit deze quickscan blijkt dat gezien de onbeschutte ligging de kans aanwezig is dat het windklimaat langs de westgevels van de bebouwing van fase 1 (het oostelijk deel van het plangebied) onvoldoende comfortabel is voor entrees of andere windgevoelige activiteiten.

In de doorgang tussen ME21 en ME31 en in de doorgang tussen de bebouwing van de ‘Max Euwe Quartier fase 2’ en de bebouwing aan de zuidzijde van dit plan zal geen luw windklimaat aanwezig zijn. Het windklimaat is zonder aanvullende maatregelen niet geschikt om hier entrees te situeren. Wanneer er bredere doorgangen aanwezig zijn, is de kans aanwezig dat wind tussen de bouwblokken ‘getrechterd’ wordt en met hoge snelheid van het gebied met hoge druk naar het achterliggende gebied zal stromen, wat windhinder zal veroorzaken (het Venturi-effect).

Wanneer het aangrenzend gebouw aansluit op het bouwplan of er slechts een nauwe steeg tussen de beide bouwblokken aanwezig is, zal dit effect niet of in mindere mate optreden en zal de kans op windhinder op maaiveld ook beperkt zijn.

Het binnengebied van fase 2 is een aandachtsgebied, doordat de noord-opening half zo breed als de zuid-opening is, is het mogelijk dat de wind hier ‘getrechterd’ wordt met als gevolg een slechter windklimaat. Ook de westzuidwestelijke wind die vanaf de westgevel van de hoogbouw langs de gevel naar het maaiveld afstroomt en vervolgens langs de gevel naar het noorden uitstroomt, speelt mee. Mogelijk vormt dit een risicogebied.

De wind uit de zuidzuidwestelijke richting zal op de zuidgevel naar beneden slaan en daardoor zullen de dakterrassen van het noordblok zonder aanvullende voorzieningen niet geschikt zijn om langdurig comfortabel te zitten. Mogelijke verbeteringen zijn:

  • luifels of pergola's om de van de gevel afstromende wind (downwash) op te vangen;
  • schermen 2,0 m hoog aan de randen van de terrassen, een verhoogde borstwering ( 1,5 m hoog);
  • én verdere inrichting van terrassen (meubilair, stevige beplanting).

Daarnaast moet er opgelet worden dat er lokaal bij gebouwhoeken een minder gunstig windklimaat wordt verwacht. Advies is om hier geen entrees te plaatsen of andere windgevoelige activiteiten. In het geval dat entrees worden gerealiseerd langs gevels waar geen luw wind klimaat heerst, wordt geadviseerd de entree in een nis te plaatsen, zodat lokaal bij de deur een luwer windklimaat aanwezig is. Het plaatsen van bomen met dichte kruin, struiken en aanvullende straatinrichting langs deze gevels zal een (beperkt) positief effect hebben op het windklimaat langs de gevels. Daarnaast wordt er geadviseerd om open gebieden op te vullen met straatinrichting, denk aan schermen en pergola’s, bomen met dichte kronen (blad houdend in de winter) en plantenbakken. Hierdoor zullen zowel de horizontale (ZZW) en schuine (WZW) windstromingen afremmen en resulteren in een beter lokaal windklimaat.

Gezien de bouwhoogtes en het te verwachten windklimaat, wordt geadviseerd, NEN 8100 volgend, een uitgebreider windonderzoek uit te laten voeren om het windklimaat nauwkeurig en betrouwbaar in kaart te brengen. Tevens kunnen maatregelen ter verbetering van het windklimaat gedetailleerd onderzocht worden.

In bijlage 2 is een CFD-windhinderonderzoek opgenomen dat is uitgevoerd conform NEN 8100:2006.

Uit het CFD-windhinderonderzoek blijkt:

  • Rondom het bouwplan valt het windklimaat overwegend in kwaliteitsklasse A (= goed voor alle functies).
  • Tussen de diverse bouwblokken en bij de gebouwhoeken treedt klasse B (goed voor doorlopen, slenteren en entrees) en C (goed voor doorlopen, matig voor slenteren/entrees) op.
  • In een beperkte zone tussen ME21 en ME31 is sprake van klasse D (matig voor doorlopen, slecht voor slenteren/entrees). Bij een matig windklimaat wordt af en toe overmatige windhinder ondervonden. Gezien hier geen windgevoelige functies zoals entrees gesitueerd zijn, kan dit lokaal geaccepteerd worden.
  • Alle entrees van de diverse bouwblokken zijn voorzien in gebieden waar klasse A of B heerst, wat een goed windklimaat omvat voor entreegebieden.
  • De terrassen op maaiveldniveau en het dek van ME1 hebben voor het grootste gedeelte klasse A, en beperkte gebieden met klasse B (matig windklimaat voor langdurig zitten) en een zeer beperkt met klasse C (niet geschikt voor langdurig zitten, nog geschikt voor kortstondig comfortabel verblijf).
  • Ter hoogte van de voorziene dakterrassen varieert het windcomfort tussen klasse A en D:
    • 1. Op de dakterrassen van ME1 varieert de windklasse tussen A dicht bij de aangrenzende terrasgevels, en D verder weg van de terrasgevels. Uitzondering is het dakvlak van het centrale bouwblok ten oosten van de toren waar enkel sprake is van klasse C en D (niet geschikt voor langdurig zitten zonder aanvullende maatregelen);
    • 2. Bij het dakterras van ME21 (oostelijk bouwblok) treedt overal klasse A op.
    • 3. Op het dakterras bij ME31 ten oosten van de toren, varieert de windklasse tussen A (dicht bij de gevel van de toren) en D (verder weg van de gevel van de toren).
  • Uit de rekenresultaten blijkt dat in het plangebied op maaiveldniveau en ter hoogte van de voorziene (dak)terrassen er geen risico op windgevaar aanwezig is.

Zon
Bij het toevoegen van hoogbouw moet in ieder geval duidelijk zijn in hoeverre het nieuwe volume extra schaduw in de stad geeft. Per plek kan de invloed van extra schaduw anders beoordeeld worden. De gemeente Rotterdam heeft op 9 september 2021 het "Afwegingskader bezonning" vastgesteld. Bij de vaststelling van bestemmingsplannen of het verlenen van omgevingsvergunningen in afwijking van een bestemmingsplan/omgevingsplan waarbij sprake is van nieuwbouw van hoge(re) gebouwen, speelt regelmatig de vraag hoe de gevolgen voor de mogelijke afname van bezonning van de bestaande woningen in de nabije omgeving getoetst wordt. Bij de besluitvorming over nieuwbouw moet inzichtelijk worden gemaakt dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening waarbij er een evenwichtige afweging is gemaakt van alle belangen, waaronder de toetsing van de effecten van hoge(re) gebouwen op omringende woningen. In nieuwe bestemmingsplannen en omgevingsplannen zal dit afwegingskader een regulier toetsingsinstrument zijn voor het planologisch mogelijk maken van nieuwe ontwikkelingen. Als de bezonning is afgewogen in een bestemmingsplanprocedure en daarin hoge(re) gebouwen mogelijk maakt, hoeft die afweging m.b.t. bezonning niet weer gemaakt worden bij de aanvraag om een omgevingsvergunning bouwen als een plan in het bestemmingsplan/omgevingsplan past.

Om onderscheid te maken in de eisen die worden gesteld aan plekken in de stad en hoeveel vermindering er mag optreden in zonuren, zijn twee typen ruimtes gedefinieerd. Op plekken die zijn aangewezen als zogenaamde sunspot, mag géén vermindering van zonuren optreden binnen de aangewezen tijden. Daarnaast zijn er representatieve ruimtes waar zon belangrijk is, maar waar wel enige vermindering in zonuren mag optreden.

In het kader van voorgenomen ontwikkeling zijn de effecten van schaduwwerking door Cauberg Huygen beoordeeld, zie afbeelding 2.1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP2209MaxEuwekwar-on01_0007.png"

Afbeelding 2.1: bezonning Max Euwekwartier (bron: Cauberg Huygen).

Hieruit blijkt dat:

  • Het gebouw MEQ 01 heeft in de ochtend op 19 februari enige vorm van schaduwwerking op de omliggende bebouwing. Al vroeg in de middag heeft het project geen invloed op de omliggende bebouwing;
  • Het project heeft op 21 augustus geen invloed op de schaduwwerking van de omliggende bebouwing;
  • Het gebouw MEQ 01 heeft in de ochtend op 21 oktober enige vorm van schaduwwerking op de omliggende bebouwing. Gedurende de middag heeft het project geen invloed op de omliggende bebouwing.

Hieruit blijkt dat het project voldoet aan de lichte TNO-norm.

Daarnaast is door Cauberg Huygen een bezonningsonderzoek uitgevoerd. Deze is opgenomen als bijlage 3. In dit onderzoek zijn Fase 1 en Fase 2a van het plan MEQ beoordeeld. Zowel in Fase 1 als in Fase 2a worden gebouwen ontwikkeld met een maximale hoogte van rond de 70 - 75 meter ten opzichte van het straatniveau. De maximale bouwhoogte betreft 70 meter, echter is in het onderzoek een worst-case situatie van 75 meter aangehouden. Gezien de hoogte van de gebouwen, de locatie en de geringe hoogte van de omliggende bebouwing is met dit bezonningsonderzoek nagegaan wat het effect is van het nieuwbouwplan op de bezonningsduur op de gevels van de naburige bestaande woningen en woongebouwen in het oosten van de wijk Kralingen. Hierbij is de Hoogbouwvisie Rotterdam en het aanvullende Afwegingskader gebruikt.

Het nieuwe Rotterdamse afwegingskader voor bezonning heeft als leidraad de (lichte) TNO-richtlijn. Dit is vergelijkbaar met beleid in andere steden en sluit aan op de Rotterdamse context. Er wordt primair uitgegaan van de 2 uur benedengrens voor bezonning zoals bij de lichte TNO-richtlijn, maar de toetsingsdata worden gelijkgetrokken met die van de Hoogbouwvisie. In de Hoogbouwvisie (2019) is als maatgevende periode 21 maart t/m 21 september gehanteerd en dit afwegingskader sluit daarbij aan. De zon staat het laagst op 21 maart en op 21 september.

Uit de bezonningsstudie volgt dat op 21 september het ontwerp van het Max Euwe Quartier, Fase 1 en 2a, geen, of slechts zeer geringe invloed hebben op de bezonningsituatie van de woningen en het woongebouw aan de ’s-Gravensingel en Lairesselaan. Op de gevels van de meest zuidelijk gelegen woningen zal er wel enige afname van bezonningsuren optreden, maar deze afname zal in alle gevallen zeer beperkt zijn. Deze afname is met 4,8% echter minimaal en deze gevel zal hiermee nog bijna 6 uur zonlicht ontvangen op 21 september. De woningen aan de ’s-Gravensingel zullen helemaal geen afname in bezonning ervaren ten gevolge van de nieuwbouw.

Voor alle woningen geldt dat deze blijven voldoen aan de minimale eis van twee bezonningsuren per dag, waarmee wordt voldaan aan de Rotterdamse bezonningsrichtlijn zoals vermeld in het Afwegingskader.

2.3.7 Stedelijk Verkeersplan Rotterdam 2017 - 2030+

Vastgesteld op 11 mei 2017 door de Rotterdamse Gemeenteraad

Het Stedelijk Verkeersplan is een plan waarbij bereikbaarheid in dienst van een economisch sterk en gezond Rotterdam staat. Het Stedelijk Verkeersplan zet de lange termijnvisie neer, waarbij het uitgangspunt is dat mobiliteit geen doel op zich is, maar een belangrijke randvoorwaarde voor een economische sterk, gezond en aantrekkelijk Rotterdam. De Rotterdamse Mobiliteitsagenda kent een drietal vertrekpunten:

  • de groei en stedelijke verdichting van Rotterdam naar 690.000 inwoners in 2035;
  • de economische vernieuwing (Next Economy) en de daarbij horende energietransitie;
  • de stedelijke mobiliteitstransitie naar meer fiets en ov-gebruik.

Bovengenoemde ontwikkelingen zijn vertaald in een verschillend aantal kansen en bereikbaarheidsmaatregelen die bijdragen aan Rotterdam als levendige en sterke economische stad. Een goede balans in modaliteiten, oftewel een nieuw evenwicht tussen fietsers, voetgangers, auto’s en het openbaar vervoer is daarbij vertrekpunt. Dit betekent dat de verdichting met woningen binnen het stedelijk gebied prioriteit krijgt en de transitie naar de Next Economy het regionaal en stedelijk vervoersnetwerk vorm geeft. Hierbij staat de gezondheid van de Rotterdammer voorop en wordt geïnvesteerd in slimme mobiliteit, waarbij de stad functioneert als proeftuin. De structuuringrepen binnen het Stedelijk Verkeersplan bieden de meeste kansen om een stedelijk en regionaal infrastructuur netwerk te vormen dat voldoende flexibel en genoeg adaptief is om de stad van de toekomst (Next City) vorm te geven. De mobiliteitsstrategie ontstaat vanuit de gewenste ruimtelijke en economische ontwikkeling van stad en regio en wordt -wanneer de bereikbaarheidsopgave in de toekomst verandert- steeds opnieuw aan de tijdgeest aangepast, omdat het geen volgordelijkheid kent. Dit leidt tot de volgende beleidskeuzen:

  • 1. City Lounge versterkt: stimuleren van fiets en ov;
  • 2. een samenhangend regionaal en stedelijk netwerk: wegen en ov in evenwicht;
  • 3. regionale en stedelijke oeververbindingen: nieuwe en transformatie van bestaande;
  • 4. aantrekkelijke en levendige (Binnen)stad: de City Lounge versterkt;
  • 5. versterken nieuwe vervoerswijzen: vervoer over water en Last Mile;
  • 6. geen vervoersarmoede: sociale en maatschappelijke participatie versterkt;
  • 7. gezonde leefomgeving: versterken ruimtelijke kwaliteit, luchtkwaliteit en Zero Emissie;
  • 8. slimme mobiliteit: technologische innovatie en ict;
  • 9. gebieden Buiten de Ring: duurzaam verbinden.

Met de transitie van kantoor- naar woonlocatie en het beoogde mobiliteitsprofiel van de toekomstige bewoners is de nabijheid van RET halte Kralingse Zoom in belang toegenomen terwijl de nabijheid van de A16 in belang is afgenomen. Daarnaast worden extra stallingsplekken voor de fiets gerealiseerd dat het gebruik ervan moet stimuleren. Ten slotte wordt ook de mogelijkheid geboden tot het gebruik van deelauto's. De ligging van de locatie en de benoemde maatregelen zorgen ervoor dat het gebruik van slimme en duurzame mobiliteit wordt gestimuleerd. Dit is in lijn met het Stedelijk Verkeersplan Rotterdam.

2.3.8 Horecanota Rotterdam 2017-2021

Vastgesteld door B&W op 1 november 2016

In de Horecanota 2017-2021 staat de balans tussen levendigheid en een aantrekkelijk woon- en leefklimaat centraal. De nota beschrijft het instrumentarium dat hieraan invulling geeft. Gebiedsgericht werken, een verdere vereenvoudiging van het vergunningstelsel, verfijning van het handhavingskader en stimulering van eigen initiatief door experimenten zijn hiervan de elementen.

Belang voor de stad

Rotterdam is een levendige stad met een aantrekkelijke binnenstad, een groot cultureel aanbod en een gevarieerde samenstelling van bewoners, ondernemers en bezoekers. Horeca speelt een cruciale rol: een goede mix van kwaliteit en kwantiteit, een balans met andere stedelijke functies en openbare orde en veiligheid, bevordert de populariteit van Rotterdam. Bovendien levert de horecasector werkgelegenheid op en stimuleert het de lokale economie. De aantrekkingskracht van de stad is de afgelopen jaren toegenomen. Er wordt weer geld uitgegeven door bezoekers, Rotterdam voert de goede lijstjes aan en is in 2015 uitgeroepen tot beste binnenstad van Nederland. Tegelijkertijd verdicht de bewoning en is ruimte schaars. Het is dus van belang alles in goede banen te leiden en deze schaarse ruimte optimaal te benutten. De positieve ontwikkelingen van Rotterdam weten sommige delen van de stad onvoldoende te bereiken vanwege de aanwezigheid van malafide ondernemingen, georganiseerde criminaliteit en overlast. Dit vraagt om extra aandacht en stevig optreden.

Visie en ambities

Met dit horecabeleid borduurt Rotterdam voort op de goede ontwikkelingen in onze stad. Met oog voor ondernemerschap en aandacht voor een prettig woon- en leefklimaat voor onze bewoners zijn aan de hand van een aantal uitgangspunten vier ambities bepaald waarmee Rotterdam invulling geeft aan de visie op horeca voor de komende jaren.

De Horecanota 2017-2021 geeft invulling aan de visie van Rotterdam ten aanzien van de horeca voor de komende vijf jaar. De horecanota staat niet op zichzelf. Het is een kader dat samen met andere gemeentelijke kaders en visies moet zorgen voor het behoud en de verdere ontwikkeling van Rotterdam als aantrekkelijke stad om in te wonen, te werken en te verblijven. Op basis van de visie en aan de hand van onderstaande uitgangspunten realiseert Rotterdam de ambities van balans in de wijk, een veerkrachtige binnenstad, verantwoord ondernemerschap en de stad als laboratorium.

  • Rotterdam bruist!;
  • de wijk is het uitgangspunt bij het bepalen van de mogelijkheden en onmogelijkheden;
  • bewoners en ondernemers hebben inspraak en nemen gezamenlijk verantwoordelijkheid;
  • ruimte voor innovatie en experimenten ter bevordering van het ondernemerschap en woon- en leefgenot;
  • minder regels, minder lasten en een vereenvoudigd vergunningenstelsel;
  • uitgaan van vertrouwen en sturen op naleving (high trust);
  • wanneer regels en afspraken worden geschonden, dan wordt stevig opgetreden (high penalty).

Uiteenzetting horecastelsel (vergunningen)

In deze paragraaf is aangegeven wat in Rotterdam verstaan wordt onder horeca en voor welke vormen een exploitatievergunning noodzakelijk. Ook wordt een toelichting gegeven op bijzondere vormen van (tijdelijke) horeca en de andere zaken die bij het starten en/of overnemen van een horeca-inrichting komen kijken.

Wat is horeca?

Horeca kent enorm veel verschijningsvormen en dankzij creatieve ondernemers komen er naast hotels, restaurants en cafés nog steeds meer vormen bij. In Rotterdam verstaan we onder horeca elk openbaar pand of openbare ruimte waar je structureel en tegen betaling kan eten en drinken (of afhalen) en/of waar amusement of ontspanning wordt aangeboden. De exacte definitie is in de Algemene Plaatselijke Verordening opgenomen onder het begrip: openbare inrichting.

De Horecanota ziet niet toe op alle vormen van openbare inrichtingen. Prostitutiebedrijven en coffeeshops kennen vanwege hun bijzondere karakter eigen beleidsregels en aparte vergunningen. Vestigingsvoorwaarden voor hotels zijn eveneens geen onderdeel van dit beleid. Een restaurant in een hotel natuurlijk wel.

Exploitatievergunning of niet?

In Rotterdam bestaan meerdere categorieën exploitatievergunningen. De aard van de activiteiten die in de horeca-inrichting worden aangeboden bepaalt welke categorie vereist is. Hoe uitbundiger de bedrijfsvoering van een horeca-inrichting, hoe uitgebreider de vereiste exploitatievergunning. Dit geeft tevens de mogelijkheid om een deel van de ondernemers die beperkte en/of zeer lichte vormen van horeca exploiteren vrij te stellen van de vergunningplicht (categorie 0). Dit is de afgelopen jaren een duidelijke lastenverlichting gebleken en sluit aan bij de high trust (high penalty) aanpak.

Naast bedrijven waar horeca de primaire bedrijfsvoering is, kent Rotterdam ook talloze bedrijven, instellingen en clubhuizen waar horeca slechts een ondersteunende functie heeft. Ook hiervan kan een groot deel gebruik maken van de vrijstelling van de vergunningplicht. Omdat er op basis van landelijke wetgeving, zoals de Winkeltijdenwet, ruimtelijke ordeningswetgeving en de Drank- en Horecawet nu eenmaal verschil zit tussen deze vormen van zeer lichte en/of ondersteunende horeca, onderscheiden we in Rotterdam drie varianten die vrijgesteld van de exploitatievergunningplicht mogen exploiteren; exploitatiecategorie 0.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP2209MaxEuwekwar-on01_0008.png"

Indien een horeca-inrichting een horecabestemming heeft, dan worden de basisvoorwaarden verruimd en deels vervangen met onderstaande voorwaarden. De overige voorwaarden blijven gelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP2209MaxEuwekwar-on01_0009.png"

Ook als er geen sprake is van een horecabestemming kan het zijn dat er ruimere voorwaarden gelden. Sommige instellingen en voorzieningen hebben traditiegetrouw een aanzienlijk horecadeel, maar waarbij de openbare orde niet in het geding komt. Dit is een verzamelcategorie van instellingen en bijzondere objecten (limitatief): muziek- en sportverenigingen, musea, theaters, filmhuizen, hotels/hostels, rouwcentra, ziekenhuizen, bejaarden- en verzorgingshuizen, gebedshuizen, bedrijfskantines en instelling voor hoger onderwijs. De overige voorwaarden blijven gelijk aan de basisvoorwaarden. (Voor muziek- en sportverenigingen geldt dat uit de bestemming dient te volgen dat sport en/of muziek de primaire functie van het object is.)

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP2209MaxEuwekwar-on01_0010.png"

Indien het woon- en leefklimaat in een straat of buurt onder grote druk staat, kan de burgemeester verbieden dat horeca zich daar zonder vergunning vestigt. Dit gebeurt door middel van een aanwijzingsbesluit dat voor bepaalde of onbepaalde tijd van kracht is. De aanwijzing wordt genomen op basis van het Horecagebiedsplan dat ter plaatse van kracht is, waarin ook gemotiveerd is waarom het gebied wordt aangewezen. In die gevallen is altijd een exploitatievergunning vereist om horeca-activiteiten te exploiteren, ook al is er sprake van één van de hierboven beschreven situaties.

Exploitatievergunning

Wanneer een ondernemer meer of zwaardere activiteiten wil dan hierboven beschreven is een exploitatievergunning noodzakelijk. Rotterdam hanteert hiervoor een duidelijk vergunningstelstel dat aan de hand van losse activiteiten is opgebouwd. Dit wil zeggen dat de activiteiten worden vergund die in een horeca-inrichting kunnen plaatsvinden. Het vergunningstelsel biedt ondernemers op deze manier ruimte voor verschillende horecaconcepten.

Exploitatiecategorieën

De combinatie van activiteiten die in een horeca-inrichting worden aangeboden bepaalt in welke exploitatiecategorie de inrichting valt. Daarbij is relevant in hoeverre de activiteiten effect hebben op de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf. Hoe meer effect, des te zwaarder de exploitatiecategorie. Hoe zwaarder de categorie, des te zwaarder de toets bij vergunningverlening. Elke ondernemer kan gebruik maken van de voor hem of haar geldende vrijstelling van de exploitatievergunningplicht (categorie 0). Indien meer of zwaardere activiteiten worden aangeboden is een exploitatievergunning vereist in de categorie 1 t/m 4+ (licht, regulier, middelzwaar, zwaar, buiten categorie).

Gebiedsgericht werken

Een belangrijk, zo niet het belangrijkste onderdeel van de Horecanota is gebiedsgericht werken; kennis uit de wijk is bepalend voor wat kan en wat niet. Deze werkwijze, waarbij maatwerk en flexibiliteit centraal staan, heeft in de afgelopen jaren reeds z’n vruchten afgeworpen op het gebied van horeca. Door per wijk of buurt een duidelijke visie en/of ambitie te hebben en daaraan vestigingsvoorwaarden te stellen, kunnen bekende en nog onbekende horeca-ontwikkelingen worden beoordeeld en gerealiseerd. Het horecagebiedsplan biedt het kader hiervoor.

Met voorgenomen ontwikkeling is, in beperkte mate, voorzien in de ontwikkeling van commerciële voorzieningen. De precieze invulling van deze voorzieningen is nog niet duidelijk maar naar alle waarschijnlijkheid zal zich ook horeca in het gebied vestigen. Dit draagt bij aan de ambitie om het plangebied te transformeren naar een levendige stadswijk met ruimte voor meerdere functies. De aard en omvang van de horeca zal aansluiten bij de omgeving. In dit stadium is nog geen uitspraak te doen over eventueel benodigde vergunningen voor wat betreft de horeca. Hier zal, indien noodzakelijk, later in het proces aandacht aan besteed worden als duidelijk is wat voor type horeca zich zal vestigen in het plangebied.

2.3.9 Horecagebiedsplan 2022-2024 gebied Kralingen-Crooswijk

Het horecagebiedsplan is zowel een visie- als uitvoeringsdocument. Dat wil zeggen dat enerzijds op basis van de aard en het karakter van het gebied het perspectief voor de ontwikkeling van horeca in de komende jaren wordt geschetst. De ruimtelijke ontwikkeling, de economische stand van zaken c.q. het vestigingsklimaat en de veiligheidssituatie worden hierin meegenomen. Anderzijds wordt ook aangegeven hoe die ontwikkeling concreet vormgegeven en uitgevoerd kan worden. De specifieke invulling wordt verwerkt in een horecagebiedsplan zoals in dit geval het gebied Kralingen-Crooswijk.

Brainpark/ Kralingse Zoom ligt ingesloten tussen de snelweg A20 en de campus van de Erasmus Universiteit. In het gebied zijn vrijwel exclusief kantoren en bedrijven gevestigd. De komende jaren wordt uitvoering gegeven aan een aantal projecten waarbij kantoren worden ontwikkeld naar woontorens/ appartementencomplexen. Vooruitlopend op het gebied, maar ook door tijdens de herontwikkeling initiatieven mogelijk te maken, is de flexibiliteit om horeca toe te voegen gewenst. Om de balans tussen (het toekomstige) wonen en de leefbaarheid te behouden zijn terrassen na 23.00 uur niet toegestaan.

Het huidige horecagebiedsplan is als bijlage 4 toegevoegd. Deze wordt elke twee jaar geactualiseerd.

2.3.10 Beleidsnota Archeologie 2008-2011, Archeologische Waarden- en Beleidskaart (AWK), lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), Archeologieverordening Rotterdam

Vastgesteld op 17 juli 2008 door de Rotterdamse Gemeenteraad, vastgesteld op 31 januari 2006 en vastgesteld op 29 september 2009 door de Burgemeester en Wethouders van Rotterdam, vastgesteld op 5 november 2009 door de Rotterdamse Gemeenteraad

In 1992 hebben de Ministers van Cultuur van de bij de Raad van Europa aangesloten landen te Valletta (Malta) het Europese Verdrag inzake de bescherming van het Archeologisch Erfgoed ondertekend. Met het Verdrag van Malta is het streven vastgelegd naar onder meer:
- het behoud van het archeologisch bodemarchief ter plaatse (in situ);
- het documenteren van het archeologisch bodemarchief, indien behoud niet mogelijk blijkt;
- het vroegtijdig en volwaardig betrekken van de archeologie bij ontwikkelingen op het gebied van de ruimtelijke ordening;
- het verbreden van het draagvlak voor de archeologie;
- het toepassen van het beginsel 'de verstoorder betaalt'.
De afspraken van Malta zijn verwerkt in de Wet op de archeologische monumentenzorg, die op 1 september 2007 in werking is getreden. Het zwaartepunt van het archeologiebeleid is bij gemeenten komen te liggen. In een bestemmingsplan moet een gemeente aangeven welke archeologische waarden mogelijkerwijs aan de orde zijn.

Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van het Rotterdamse archeologiebeleid is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. De gemeente Rotterdam bezit een vastgestelde Archeologische Waarden- en Beleidskaart (AWK), een vastgestelde Beleidsnota Archeologie 2008-2011 en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die opgenomen zijn in de eveneens vastgestelde Archeologieverordening Rotterdam. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen.

2.3.11 Beleidsnota "Erfgoedagenda Rotterdam 2017-2020" en de Monumentenverordening Rotterdam 2010

Vastgesteld op 22 december 2016 en vastgesteld op 30 oktober 2010 door de Rotterdamse gemeenteraad

Rotterdam heeft een inmiddels volwassen monumententraditie. Er is sprake van een toenemend historisch bewustzijn in de stad. De karakteristieke vermenging van tijdlagen en de daarbij horende afwisseling van oud en nieuw zorgt voor een belangrijke en onderscheidende identiteit van het stadsbeeld.

In de beleidsnota Erfgoedagenda Rotterdam 2017-2020 wordt de visie op het Rotterdams gebouwde erfgoed en de hieruit voortvloeiende ambities beschreven. Rotterdam verbindt de zorg voor behoud van het gebouwd erfgoed met de hedendaagse opgaven van de stad. Ingezet wordt op bescherming, behoud en hergebruik, en instandhouding van erfgoed. Steeds vaker wordt cultuurhistorie gekozen als uitgangspunt voor (gebieds-)ontwikkelingen, waardoor de historische gelaagdheid van de stad behouden blijft voor toekomstige generaties. Het wettelijke instrumentarium hiervoor is de Monumentenverordening Rotterdam 2010. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van het planologisch instrumentarium.

2.3.12 Nieuw Kwaliteitsbeleid Wonen (2021)

In het Nieuw Kwaliteitsbeleid Wonen staat dat minimale woninggrootte waaraan moet worden voldaan afhankelijk is van het woonmilieu waar de locatie is gelegen, van het type woning dat wordt gebouwd en van de vraag of het binnen de invloedssfeer van een ov-knooppunt is gelegen. Brainpark wordt in de Woonvisie en in het kwaliteitsbeleid aangemerkt als een luxe groenstedelijk woonmilieu. Op 30 november 2021 is besloten om Brainpark I aan te wijzen als 'creatief gemengde stadswijk' (definitie uit Kwaliteitsbeleid) cq 'rustig stedelijk milieu' (definitie Actieplan Middenhuur) en de daarbij behorende eisen (wat betreft woningoppervlaktes). Voor de beoordeling of de ontwikkeling passend is, wordt uitgegaan van deze definities. 

In het gebied gelden de volgende uitgangspunten:

  • De gemiddelde woninggrootte van een appartement is minimaal gemiddeld 60m2 gbo, met een ondergrens van 50m2 gbo;
  • De gemiddelde woninggrootte van een eengezinswoning is minimaal gemiddeld 95m2 gbo
  • De gemiddelde woninggrootte van een beneden bovenwoning is minimaal gemiddeld 85 m2 gbo.

Een belangrijk aspect vanuit het kwaliteitsbeleid is de collectiviteit. Hoe dit wordt ingevuld is sterk afhankelijk van bijvoorbeeld de locatie en doelgroep. Verder is flexibiliteit een belangrijk thema: gebouwen moeten toekomstbestendig zijn.

Het Kwaliteitsbeleid Wonen geeft ruimte voor afwijkende gebruiksoppervlakten indien voor de doelgroep studenten, jongeren of ouderen wordt gebouwd en er sprake is van een innovatief woonconcept waarbij in het woongebouw collectieve functies worden gerealiseerd. In het concept staat de ontmoeting centraal. Naast de individuele woningen biedt dit concept een aantal functies die alleen voor de bewoners toegankelijk zijn, zoals gezamenlijke daktuinen, lounges, een bioscoop, werkplekken, een gameroom, een muziekkamer, een wasserette en/of deelauto's.

2.3.13 Actieplan Middenhuur (2019)

In het Actieplan Middenhuur staan de kaders waaraan ontwikkelingen in het middenhuursegment aan moeten voldoen.

Voor de woningen die in het middenhuursegment in stadswijken worden ontwikkeld gelden de volgende voorwaarden:

  • De woningen moeten minimaal gemiddeld 60 m2 gbo zijn. In het geval van innovatieve woonconcepten met veel gemeenschappelijke ruimten kan hiervan worden afgeweken.
  • Prijsgrenzen voor middeldure huurwoningen liggen tussen €764 en €1075 (prijspeil 2022);
  • De woningen dienen minimaal 15 jaar in dit prijssegment te worden geëxploiteerd;
  • De maximaal gemiddelde aanvangshuur is €1005 (prijspeil 2022).

2.3.14 Actieplan Middenkoop (2021)

In het Actieplan Middenkoop staan de kaders waaraan ontwikkelingen in het middenkoopsegment aan moeten voldoen.

Voor de woningen die in het middenkoopsegment in stadswijken worden ontwikkeld gelden de volgende voorwaarden:

  • Prijsgrenzen voor middeldure koopwoningen liggen tussen € 210.000 en € 365.000 (Prijspeil 2022);
  • Bij koopwoningen geldt een zelfbewoningsplicht en een anti-speculatiebeding;
  • De woningen moeten minimaal gemiddeld 60 m2 gbo zijn.

2.3.15 Masterplan

In februari 2022 is het Masterplan Brainpark I vastgesteld. In dit plan staan de kaders aangegeven voor de ontwikkelingen die plaats zullen vinden in Brainpark I.

Brainpark I is vooral bekend als een kantorenpark. Het Masterplan laat zien dat dit gebied kan veranderen tot een levendig gebied met een goede mix van woningen, bedrijven en voorzieningen zoals horeca. Het gebied biedt volop kansen door de aanwezigheid van metrostation Kralingse Zoom en Campus Woudestein.

Het is een uitstekende locatie voor de transformatie van een kantorengebied naar een gevarieerder stedelijk milieu. Er is ruimte voor het toevoegen van woningen, maatschappelijke- en dagelijkse voorzieningen, horeca en vernieuwde kantoren. Een van de belangrijkste ontwikkelingen in dit masterplan is dat er ruimte komt voor 2.500 tot misschien 3.000 woningen in verschillende categorieën; 30% sociale huur, 40% middensegment en 30% in het hogere segment. De bouw van woningen op Brainpark I moet de vraag naar stijgende woningen onder vooral studenten, starters, ouderen en een- of tweepersoonshuishoudens opvangen.

Voor kantoren en bedrijven blijft de huidige 90.000 m2 ruimte beschikbaar. En op de begane grond van woongebouwen en kantoren komt er 45.000 m2 aan ruimte bij voor commerciële en maatschappelijke voorzieningen. Ook gaat de gemeente ervoor zorgen dat er meer natuur en water te vinden is. Het centraal gelegen park en de vijvers worden opgeknapt. Hier omheen komen de nieuwe woon-werk-verblijf gebouwen.

Met voorgenomen ontwikkeling wordt voorzien in een gemengd gebied waarin plaats is voor diverse functies. In dit plan wordt bijna de helft van een van de belangrijkste ontwikkelingen gerealiseerd, er worden namelijk 1.198 woningen in verschillende segmenten gerealiseerd. Tevens worden commerciële voorzieningen met een omvang van circa 7.200 m2 gerealiseerd. Daarnaast is ook nog voorzien in de realisatie van auto- en fietsparkeerplaatsen in de vorm van ondergrondse parkeergarages. De voorgenomen ontwikkeling geeft dus (deels) invulling aan de ambities van het masterplan.

De bebouwing past binnen de ruimtelijke principes van het Masterplan. Alle milieuonderzoeken zijn gebaseerd op de situering van de bebouwing uit het Masterplan. Bij de regels is een tekening gevoegd waarop deze bebouwing is weergegeven. Die situatie is daarmee gemotiveerd.

Hoofdstuk 3 Beschrijving van het plangebied

3.1 Ontstaansgeschiedenis

Uit verschillende historische kaarten blijkt dat het plangebied tot circa 1967 in gebruik is geweest als landbouwgrond. Begin jaren '60 hebben er diverse infrastructurele ingrepen in de omgeving van het plangebied plaatsgevonden. In 1964 is de verbinding over de Nieuwe Maas, ter plaatse van de huidige van Brienenoordbrug, aangelegd en is in het verlengde hiervan de huidige A16 aangelegd. Sinds 1968 is het plangebied en Brainpark herkenbaar in de huidige vorm. Lange tijd is het gebied nog onbebouwd gebleven en pas in 1993 is gestart met de bouw van de huidige bebouwing. Sinds die tijd doet het plangebied dienst als kantorenpark.

3.2 Archeologie

3.2.1 Beleidskader

Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van de Rotterdamse archeologie is:

  • te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem;
  • te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is;
  • te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden.

De gemeente Rotterdam bezit een Archeologische Waardenkaart (AWK) en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die opgenomen zijn in de gemeentelijke erfgoedverordening. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. Dit instrumentarium sluit aan op en komt mede voort uit het rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het Europese 'Verdrag van Malta' is ontwikkeld.

Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureauonderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek. De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen.

3.2.2 Bewoningsgeschiedenis

Het Max Euwekartier is gelegen in het gebiedsbestemmingsplan 'Kralingse Zoom'. De bewoningsgeschiedenis van dit gebied hangt nauw samen met de landschapsontwikkeling van het kust- en rivierengebied. Aan het einde van de laatste ijstijd (rond 12.000 jaar voor Christus) ontstonden langs de toenmalige rivieren reeksen van zandlichamen; rivierduinen waarvan het zand afkomstig was van de drooggevallen en later uitgewaaide rivierbeddingen. De vaak metershoge toppen van deze rivierduinen zijn soms nog zichtbaar in het huidige landschap, als zogenaamde 'donken'.

Ongeveer 10.000 jaar geleden, aan het begin van het Holoceen, steeg de zeespiegel als gevolg van een klimaatverbetering. De rivierduinen vormden net als bewoonbare plaatsen langs rivieren en geulen aantrekkelijke plekken voor de prehistorische mens. Het gaat om jagers, verzamelaars en vissers uit de Midden-Steentijd, gevolgd door de eerste, beginnende boerengemeenschappen vanaf circa 5000 voor Christus uit de Nieuwe Steentijd.

In het derde millennium voor Christus ontstond een meer gesloten kust met strandwallen. Het landschap erachter verzoette, er ontstonden moerassen waarin veen werd gevormd. De beginnende veenvorming zette zich ook in de Bronstijd (2100-800 voor Christus) onverminderd voort. De bewoningsmogelijkheden voor de mens werden hierdoor tijdelijk zeer beperkt. De (randen van de) veengebieden in de wijdere omgeving van het plangebied werden pas weer bewoond vanaf late IJzertijd en de Romeinse tijd. Het gebied wordt in de middeleeuwen ontgonnen vanaf de 10e-12e eeuw. Er komt een strookvormige verkaveling met boerderijen gegroepeerd in bewoningslinten. Door het plangebied loopt een ontginningsgrens uit deze periode, namelijk de huidige 's-Gravenweg, met kans op bewoningsresten vanaf de 12e-13e eeuw. Als gevolg van overstromingen in de 12e eeuw gingen grote delen van de ontginningen weer ten onder. Ze werden afgedekt met een kleilaag. In het plangebied reikte deze kleilaag tot ten noorden van de huidige 's-Gravenweg.Het niet met klei bedekte deel van het plangebied ten noorden van de Ringvaart werd in de 18e-19e vergraven voor de winning van turf. Na de drooglegging van de ontstane plassen kwamen hier de oude, prehistorische landschappen aan of direct onder het oppervlak te liggen. In de 19e eeuw is een deel van de bewoning van het dorp Kralingen naar het bewoningslint langs de huidige 's-Gravenweg verplaatst.

Het zuidelijk deel van het plangebied is in de moderne tijd opgehoogd, waardoor het betreffende gebied op enkele meters boven NAP is komen te liggen. Het Max Euwekwartier is gelegen binnen dit hoger gelegen gebied.

3.2.3 Archeologische verwachting

Gelet op het voorgaande kunnen op verschillende plaatsen in het plangebied archeologisch waardevolle relicten worden aangetroffen uit het de Midden-Steentijd (8000-5300 voor Christus), het begin van de Nieuwe Steentijd (5300-2000 voor Christus), de IJzertijd, de Romeinse tijd en de Late Middeleeuwen.

Voor het Max Euwekwartier geldt specifiek dat het is gelegen binnen een wat hoger gelegen gebied, waardoor de vrijstellingsmarge voor wat betreft de diepte wat ruimer kan zijn.

In het vigerende bestemmingsplan 'Kralingse Zoom' kent het gehele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2. Binnen deze dubbelbestemming geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerk zijnde, voor bouw- en graafwerkzaamheden dieper dan 2,0 meter beneden NAP, die tevens een oppervlakte groter dan 200 m2 beslaan.

Voor voorgenomen ontwikkeling is nog niet helemaal uitgekristalliseerd hoe de fundering en het palenplan eruit komen te zien. Inzicht hierin is noodzakelijk om te kunnen bepalen of archeologisch onderzoek noodzakelijk is of niet. In afwachting daarvan is de vigerende archeologische dubbelbestemming overgenomen en worden eventuele archeologische resten niet geschaad.

3.3 Huidig gebruik

In de huidige situatie is het plangebied in gebruik als kantorenpark. Het plangebied bestaat uit twee deelgebieden. Aan de westzijde liggen drie aaneengesloten kantorenkavels aan de Max Euwelaan. Aan de overzijde van de Max Eeuwelaan ligt de 'ADP-locatie'. Op de percelen is momenteel bebouwing aanwezig. Naast bebouwing zijn de kavels voor een aanzienlijk deel ingericht ten behoeve van parkeervoorzieningen.

Groen en water

De bedrijfskavels aan de westzijde van de Max Euwelaan worden aan drie zijden begeleid door bomenrijen en op deze percelen liggen verschillende kleinschalige groenvoorzieningen. Op de ADP-locatie staan ook verschillende bomen. Daarnaast wordt het gebouw aan drie zijden omgeven door een grasveld. Ten noordoosten van het kantorencomplex ligt een waterplas.

In afbeelding 3.1 is een luchtfoto van de huidige situatie in het plangebied weergeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP2209MaxEuwekwar-on01_0011.jpg"

Afbeelding 3.1: luchtfoto huidige situatie plangebied.

Bebouwing

In afbeelding 3.2 is het plangebied in vogelvlucht weergegeven. Deze vogelvlucht geeft de huidige situatie vanuit zuidelijke richting weer. Het plangebied is in het verleden opgehoogd en kent een maaiveldhoogte die varieert van circa 3 tot 4,5 meter + NAP. De bebouwing aan de Max Euwelaan varieert van 4 tot 5 bouwlagen en kent daarmee een maximale bouwhoogte van circa 16 meter. De bebouwing op de ADP-locatie bestaat uit 8 bouwlagen en is met een hoogte van circa 28 meter aanzienlijk hoger.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP2209MaxEuwekwar-on01_0012.png"

Afbeelding 3.2: Vogelvlucht huidige situatie plangebied.

Infrastructuur

De westelijke bedrijfskavels zijn ieder met één in- en uitrit verbonden met de Max Euwelaan. Ook de ADP-locatie kent één in- en uitrit aan de zijde van de Max Euwelaan. Dit bedrijf kent tevens een oostelijke ontsluiting op de K.P. van der Mandelelaan. De Max Euwelaan scheidt beide deelgebieden van elkaar en takt zowel in zuidelijk als noordelijk richting aan op de K.P. van der Mandelelaan. Daarmee worden alle kavels direct of indirect op deze straat ontsloten. Vanaf de K.P. van der Mandelelaan kan de weg via de Kralingse Zoom in noordelijke of zuidelijke richting worden vervolgd. Ten slotte loopt ten oosten van het plangebied een langzaamverkeersroute.

3.4 Stadsgezichten en Monumenten

Algemeen

De gemeente Rotterdam kent een groot aantal panden en gebieden die vanwege cultuurhistorische waarden worden beschermd. Voor de bescherming wordt gebruik gemaakt van bestaand instrumentarium – Erfgoedwet (2016) en Monumentenverordening Rotterdam 2010. Daarnaast krijgen rijks beschermde stadsgezichten, wederopbouwaandachtsgebieden en beeldbepalende panden op de verbeelding en in de regels van het bestemmingsplan de dubbelbestemming “Waarde – Cultuurhistorie”.

Rijksmonumenten (RM) en Gemeentelijke monumenten (GM)

Een rijks- of gemeentelijk monument kan zijn een gebouw, water, terrein of een ander object dat van nationaal belang is, of van algemeen belang voor Rotterdam is (gemeentelijk monument), vanwege de schoonheid, betekenis voor de wetenschap of de cultuurhistorische waarde. Dit is vastgelegd in respectievelijk de Erfgoedwet (2016) en de Monumentenverordening Rotterdam 2010. Bij een monument gaat het om één gebouw of complex, zowel buiten als van binnen. Voor een Rijksmonument geldt dat het object ten minste vijftig jaar oud moet zijn. Als vanzelfsprekend is het verboden om wijzigingen aan te brengen aan een beschermd monument zonder vergunning.

Beschermde stadsgezichten (BS)

Rotterdam kent door haar stedelijke omgeving alleen beschermde stadsgezichten. Een beschermd stadsgezicht is een groep van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens schoonheid, onderlinge ruimtelijke structurele samenhang of wetenschappelijke waarde. De bescherming richt zich op de stedenbouwkundige karakteristiek en op een samenhangend geheel van straten en bebouwing. Het gaat om gebieden van voor 1945. Na aanwijzing van een beschermd stadsgezicht dient er binnen twee jaar een bestemmingsplan beschikbaar te zijn waarin de historische kwaliteiten en de relatie tot eventuele toekomstige ontwikkelingen vastliggen.

Wederopbouwaandachtsgebieden

Naast de van rijkswege beschermde stadsgezichten kent Rotterdam twee wederopbouwaandachtsgebieden van nationaal belang. Verder heeft de gemeente in de binnenstad een aantal wederopbouwaandachtsgebieden met een waardevolle samenhang tussen het stratenplan, de invulling van de bouwblokken en de architectuur. Bij nieuwe ontwikkelingen dient bekeken te worden hoe deze historische kwaliteiten kunnen worden behouden. Betreffende gebieden hebben geen wettelijke bescherming.

Beeldbepalende objecten (BO)

In Rotterdam is een groot aantal gebouwen te vinden die geen status hebben als monument, maar wel cultuurhistorisch waardevol zijn, zogenaamde beeldbepalende objecten. Voor deze panden geldt geen wettelijke bescherming, maar de gemeente zet zich wel in om de waarden van deze panden te behouden.

Het plangebied ligt niet binnen beschermd stadsgezicht. Ook zijn binnen het plangebied geen monumenten en/of beeldbepalende objecten gelegen.

Hoofdstuk 4 Planbeschrijving

4.1 Inleiding

Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de transformatie van het noordwestelijk deel van Brainpark I. De kantoren die hier momenteel aanwezig zijn, maken plaats voor een gemengd programma met ruimte voor woningen, flexwerken en andere commerciële voorzieningen. De plannen worden in dit hoofdstuk verder uiteengezet.

4.2 Opzet van het plan

Het plan is een ontwikkelingsgericht bestemmingsplan dat de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk maakt. Het plan betreft een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte. Dit plantype is noodzakelijk omdat het plangebied ligt binnen de geluidzones van de Kralingse Zoom en de A16. Om woningen te kunnen bouwen is, vanwege de geluidsbelasting vanaf de A16, afscherming nodig. De wens bestaat om hiervoor te zorgen middels afschermende nieuwe bebouwing tegen de A16 aan. Het zal echter nog meerdere jaren duren voordat dit daadwerkelijk is gerealiseerd. In die periode zal sprake zijn van (te) hoge geluidbelastingen op de gevels van de nieuw te bouwen woningen. Om deze tijdelijke situatie te borgen wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheden die de Crisis- en herstelwet op dit punt biedt.

Onder de Crisis- en herstelwet wordt het plangebied aangewezen als ontwikkelgebied. In voorliggende situatie is het dan onder voorwaarden mogelijk om tijdelijk, voor een maximum van 10 jaar, hogere geluidbelastingen toe te staan. Onder de huidige Wet geluidhinder mogen de geluidbelastingen die optreden ter plaatse van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen de geluidzone van een rijksweg ten hoogste 53 dB Lden bedragen inclusief reductie art 110g Wgh (= maximaal te ontheffen waarde). Bij een hogere geluidbelasting kunnen onder het huidige regime geen geluidgevoelige bestemmingen gerealiseerd worden.

Door gebruik te maken van de mogelijkheden in de Crisis- en herstelwet wordt een tijdelijk te hoge geluidbelasting voor een maximale duur van 10 jaar niet gezien als overschrijding van de maximaal te ontheffen waarde en kunnen woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen wel gerealiseerd worden.

Een aanvullende voorwaarde is dat de te toetsen waarde van de geluidbelasting tijdelijk mag afwijken maar voor het woon- en leefklimaat doet de tijdelijk hogere geluidbelasting niets af aan de te realiseren kwaliteit van de woningen: Binnen de verblijfruimten en -gebieden in de woningen dient het akoestisch klimaat te allen tijde op nieuwbouwniveau (Bouwbesluit) gebracht te worden. Anders gezegd: de geluidwerende kwaliteit van de gevels en de bij de woningen behorende buitenruimten (eventueel in combinatie met afschermende gebouwgebonden maatregelen) wordt bepaald op basis van hoogste geluidbelasting, ook al is dit een tijdelijke situatie.

Om gebruik te maken van de Crisis- en herstelwet dient het aannemelijk gemaakt te worden dat de geluidbelastingen binnen de gestelde 10 jaar ook daadwerkelijk zullen afnemen tot op een acceptabel niveau (voor nu: de Wet geluidhinder, maximaal te ontheffen waarde maar later Omgevingswet en grenswaarden). Als de geluidbelastingen afgenomen zijn binnen de periode dat de Crisis- en herstelwet is, zullen de woningen dus een betere geluidwerende gevel ervaren dan strikt noodzakelijk conform Bouwbesluit, kortom er dringt dan minder omgevingsgeluid de woningen binnen.

Tenslotte dient nog vermeld te worden dat op basis van het beoogde plan ondanks de tijdelijk (te) hoge toetswaarde van de geluidbelastingen ten gevolge van de rijksweg, er te allen tijde op woningniveau voldaan wordt aan de aanvullend gestelde eisen in het geluidbeleid van de gemeente Rotterdam. Hiertoe horen de aanwezigheid van geluidluwe gevels (i.v.m. geluidluw spuien). Door optimaal gebruik te maken van ontwerpmogelijkheden waarbij dichte balustrades, of geheel afgeschermde buitenruimtes gerealiseerd worden, wordt ondanks de hoge geluidbelastingen (tijdens periode Crisis- en herstelwet), voldaan aan het geluidbeleid. De periode erna, wanneer de geluidbelastingen daadwerkelijk afgenomen zijn, ervaren de bewoners meer geluidluwe locaties in en om de woningen.

Het toepassen van de Crisis- en herstelwet voor dit plan heeft verder geen juridische gevolgen, omdat de binnenwaarde van de woningen voldoet.

4.3 Ontwikkelingen

Het plangebied is verdeeld in twee fases. Het westelijk deel vormt de eerste fase en wordt als eerste ontwikkeld. De plannen hiervoor zijn om deze reden het meeste uitgewerkt. Het oostelijke deelgebied vormt fase twee en zal later in de tijd worden gerealiseerd. Momenteel is men nog bezig met een verfijning van dit deelgebied. De plannen voor dit deel zijn minder uitgewerkt dat voor fase 1.

Programma

Met voorgenomen ontwikkeling wordt voorzien in een gemengd gebied waarin plaats is voor diverse functies.

In voorliggende plangebied is het volgende programma beoogd:

  • 22 woningen < 40 m2;
  • 681 woningen 40-65 m2;
  • 468 woningen 65-85 m2;
  • 27 woningen 85-120 m2;
  • Commerciële voorzieningen met een omvang van circa 7.200 m2. 

Daarnaast is ook nog voorzien in de realisatie van auto- en fietsparkeerplaatsen in de vorm van ondergrondse parkeergarages.

Bovenstaand programma is verdeeld over het gehele Max Euwekwartier. Het programma is als volgt verdeeld over de verschillende fases:

Fase 1

  • 22 woningen < 40 m2;
  • 431 woningen 40-65 m2;
  • 268 woningen 65-85 m2;
  • 27 woningen 85-120 m2;
  • Commerciële voorzieningen:
    • 1. bedrijfsverzamelgebouw / atelier;
    • 2. winkel / detailhandel;
    • 3. cafetaria;
    • 4. café/bar;
    • 5. restaurant;
    • 6. dansstudio;
    • 7. sportschool.

Fase 2a

  • 250 woningen 40-65 m2;
  • 200 woningen 65-85 m2;
  • Commerciële voorzieningen, waarvan:
    • 1. bedrijfsverzamelgebouw / atelier;
    • 2. gezondheidscentrum met drie behandelkamers.

Fase 1

In afbeelding 4.1 is de plattegrond van de toekomstige situatie voor fase 1 van het Max Euwekwartier weergegeven. Dit deel van het plan bestaat uit vier gebouwen. Onder het maaiveld van het gebied wordt een gezamenlijke parkeergarage gerealiseerd waar bovenop de openbare ruimte is voorzien. De bebouwing wordt met elkaar verweven door een groene en parkachtige openbare ruimte. In de plint zitten verschillende, ook commerciële, functies. Hierdoor ontstaat een actieve plint en ontstaat contact met de aangrenzende openbare ruimte.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP2209MaxEuwekwar-on01_0013.jpg"

Afbeelding 4.1: plattegrond toekomstige situatie Max Euwe Quartier fase 1 (bron: Group A)

In afbeelding 4.2 is ter impressie een doorsnede weergegeven van het meest noordelijke en hoogste gebouw. Uit deze doorsnede is goed op te maken dat er een verschil in maaiveldhoogte tussen het plangebied en Kralingse Zoom bestaat. Dit verschil wordt overbrugd door de realisatie van een gedeeltelijk ondergronde parkeergarage en slim gebruik van de overgang van bebouwing naar openbare ruimte aan de Kralingse Zoom.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP2209MaxEuwekwar-on01_0014.png"

Afbeelding 4.2: Impressie toekomstige situatie Max Euwe Quartier, bezien vanaf de noordzijde (bron: Group A)

Afbeelding 4.3 geeft een impressie weer van hoe het programma verdeeld is over de bouwvolumes. Onder het leefdek is voorzien in een parkeergarage. Daarnaast zijn op dit niveau diverse fietsenstallingen voorzien en is ook plaats voor logistieke en technische ruimtes. Op het tweede niveau, grenzend aan de openbare ruimte, is voorzien in de realisatie van kantoorruimte in de vorm van flexplekken. Tevens ontwikkelt men hier commerciële ruimten, al dan niet in combinatie met woningen. Op deze laag is ook ruimte voor separate woonruimten. Ten slotte zijn de verschillende entrees voor de bovengelegen woningen voorzien op deze verdieping. Op de overige lagen worden woningen gerealiseerd. Omdat de bebouwing plat wordt afgedekt, is op het dak van de meeste volumes voorzien in de realisatie van dakterrassen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP2209MaxEuwekwar-on01_0015.png"

Afbeelding 4.4: impressie programmatische invulling bebouwing toekomstige situatie Max Euwekwartier fase 1 (bron: Group A)

Massa

De massa bestaat uit vier gebouwen die met elkaar worden verbonden door een leefdek. Bij de opbouw van het stedenbouwkundig ensemble ligt de nadruk op de basislaag. De basislaag kent een goothoogte van circa 25 meter. De bebouwing aan de Max Euwelaan-zijde basislaag wordt gemiddeld 7 bouwlagen en maximaal 8 bouwlagen hoog. De bebouwing aan de Kralingse Zoom wordt maximaal 7 bouwlagen hoog, gerekend vanaf maaiveldniveau Brainpark I. Ieder gebouw wordt ontworpen als een architectonische eenheid maar de gebouwen kennen ten opzichte van elkaar een andere verschijningsvorm. De plint vormt echter wel een bijzondere architectonische laag van het gebouw. Allereerst verschilt het functioneel gebruik ten opzichte van de bovenbouw. Daarnaast wordt deze plint met behulp van ontwerpmiddelen als terugliggende geveldelen en diepe gevelstijlen van de bovenbouw onderscheiden. Op de kopzijdes van het bouwblok zijn twee hoogte accenten voorzien. Het meest zuidelijke accent kent een hoogte van 55 meter. Het noordelijke gebouw kent een hoogteaccent van 70 meter. De accenten worden terugliggend gepositioneerd ten opzichte van de basislaag. In hun architectonische uitwerking zijn ze verwant aan hun onderbouw. Tussen de verschillende gebouwen is sprake van open ruimten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP2209MaxEuwekwar-on01_0016.png"

Afbeelding 4.5: Principeschets hoogte accenten Max Euwe Quartier (bron: Group A)

Verkeer en parkeren

Ontsluiting

In de toekomstige situatie is de Max Eeuwelaan, ter plaatse van het plangebied, niet meer in gebruik als ontsluitingsweg. Om te komen tot een aantrekkelijk verblijfsgebied in het plangebied is er voor gekozen om deze verkeersader af te sluiten en in het plangebied op het leefdek geen autoverkeer toe te staan.

Het autoverkeer van deze fase wordt in de toekomstige situatie direct via de K.P. van der Mandelelaan ontsloten. Het verkeer zal vanuit de parkeergarage in westelijke richting, via de Kralingse Zoom de weg vervolgen. De beoogde parkeergarage kent namelijk alleen aan deze zijde een in- en uitgang.

In het midden van de parkeerkelder is daarnaast nog voorzien in een ontsluiting voor de bevoorrading van de diverse functies in het gebied. In dit deel van de parkeerkelder zal namelijk een ruimte voor het laden en lossen worden gerealiseerd. Regulier autoverkeer kan geen gebruik maken van deze ontsluiting.

Parkeren

Onder de bebouwing wordt een parkeergarage gerealiseerd. In deze garage is ruimte gereserveerd voor auto- en fietsparkeerplaatsen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP2209MaxEuwekwar-on01_0017.png"

Afbeelding 4.6: Plattegrond parkeerkelder en overige ruimtes Max Euwekwartier fase 1 (bron: Group A)

Fase 2a

In afbeelding 4.7 is de plattegrond van de toekomstige situatie voor fase 2a van het Max Euwekwartier weergegeven. Dit deel van het plan bestaat uit twee gebouwen. In de westelijke massa worden woningen gerealiseerd. In het oostelijke complex worden bedrijfsruimtes / ateliers en een 1e lijns gezondheidscentra gerealiseerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP2209MaxEuwekwar-on01_0018.jpg" Afbeelding 4.7: Schematische toekomstige situatie Max Euwe Quartier fase 2 (bron: Group A)

Massa

De massa bestaat uit twee gebouwen die met elkaar worden verbonden door een leefdek. Het westelijke complex is het laagste gebouw en kent een hoogte van maximaal 26 meter. Bij dit gebouw is niet voorzien in een variatie in bouwhoogte. Het oostelijke gebouw is het hoogste gebouw en dient tevens als afscherming voor het geluid van de A16. De bouwhoogte van dit gebouw varieert. Het noordoostelijke deel van het gebouw vormt een accent en kent een hoogte van maximaal 70 meter. Het overige deel van de bebouwing is aanzienlijk lager. De bouwhoogte varieert hier van 42 tot 8 meter.

Verkeer en parkeren

Ontsluiting

Het autoverkeer van deze fase wordt in de toekomstige situatie aan de oostelijke zijde via de K.P. van der Mandelelaan ontsloten. De verkeersstructuur in het Brainpark wordt op grotere schaal herzien. De K.P. van der Mandelelaan zal anders worden vormgegeven. In noordelijke en zuidelijke richting kan het verkeer in ieder geval zijn weg vervolgen en wordt aansluiting gezocht op de Kralingse Zoom. In afbeelding 4.8 is de toekomstige verkeerstructuur in het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP2209MaxEuwekwar-on01_0019.png"

Afbeelding 4.8: Impressie toekomstige ontsluiting (bron: Group A)

Zolang de toekomstige ontsluitingsstructuur niet is gerealiseerd is er voldoende ruimte om de K.P. van der Mandelelaan tijdelijk om de nieuwe bebouwing heen te leggen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP2209MaxEuwekwar-on01_0020.png"

Afbeelding 4.9: Impressie eventuele tijdelijke ontsluiting ten noorden van het plangebied (bron: Group A / KuiperCompagnons)

Parkeren

Ten zuiden van van fase 2a (binnen fase 2b) is voldoende ruimte beschikbaar voor parkeervoorzieningen, zowel in de tijdelijke als in de definitieve situatie. Deze gronden zijn eveneens eigendom van de ontwikkelaar van fase 1 en 2a.

4.4 Juridische planbeschrijving

4.4.1 Inleiding

Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld conform de gemeentelijke standaard, met inachtneming van de bepalingen die zijn opgenomen in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro), zoals de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012) en het coderingssysteem Informatiemodel Ruimtelijke Ordening (IMRO).

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de regels en verbeelding van voorliggend plan zijn opgebouwd.

4.4.2 Bestemmingsmethodiek

Voorliggend bestemmingsplan is een globaal en ontwikkelgericht bestemmingsplan. In het begin van dit hoofdstuk is de ontwikkeling uiteengezet en zijn de hoofdlijnen duidelijk gemaakt. Omdat de massa en situering van de bebouwing nog kan schuiven, is gekozen voor een globale systematiek. Deze globale systematiek is echter niet vrijblijvend omdat gebruik gemaakt wordt van een constructie waarbij wijzigingen in de massa en situering leiden tot een onderzoeksplicht. Hiermee is de uitvoerbaarheid van het plan geborgd.

Vrijwel het gehele plangebied kent een bouwvlak. Alleen het zuidwestelijke deel van het plangebied kent geen bouwvlak. Hier is een afstand van 6 meter vanaf de zuidelijke perceelsgrens aangehouden.

4.4.3 Regels

De regels bestaan uit vier hoofdstukken:

  • Inleidende regels (hoofdstuk 1)
  • Bestemmingsregels (hoofdstuk 2)
  • Algemene regels (hoofdstuk 3)
  • Overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4)

Hierna wordt een korte toelichting gegeven op de in het plan voorkomende artikelen.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

In dit hoofdstuk is een aantal begrippen verklaard, dat wordt gebruikt in de regels. Dit voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Daarnaast is het artikel "Wijze van meten” opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

In dit hoofdstuk zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. Hierna volgt een toelichting per artikel.

Gemengd

Het gehele plangebied heeft de bestemming 'Gemengd' gekregen. Deze bestemming is globaal ingericht zodat bij wijzigingen ten opzichte van het plan zoals dat nu bekend is het bouwplan niet gelijk in strijd is met het bestemmingsplan. Vrijwel alle gronden hebben een bouwvlak gekregen. In het westelijk deelgebied is een afstand van 6 meter tot de het zuidelijke perceel als randvoorwaarde opgenomen. Daarom geldt in die strook geen bouwvlak. Binnen de bestemming zijn de voorgenomen functies zoals horeca, wonen, short-stay eenheden, gezondheidscentra, flexwerkplekken, maatschappelijke voorzieningen en commerciële voorzieningen toegestaan. Het programma is gemaximaliseerd in de gebruiksregels.

Voor de toekomstige bebouwing zijn geen specifieke bouwvlakken en -hoogten opgenomen. De verbeelding is globaal van aard. Binnen het ruime bouwvlak mag in principe overal worden gebouwd, mits de bebouwing past binnen de ruimtelijke principes van het Masterplan. Het is echter wel zo dat alle milieuonderzoeken zijn gebaseerd op de situering van de bebouwing uit het Masterplan. Bij de regels is een tekening gevoegd waarop deze bebouwing is weergegeven. Die situatie is daarmee gemotiveerd. Indien bij de uiteindelijke bouwaanvraag blijkt dat toch op een andere situering en hoogte wordt ingezet, regelt een specifieke bepaling in de regels dat alsdan een aantal milieuaspecten nader moet worden beschouwd.

Binnen de bestemming ‘Gemengd’ zijn woningen mogelijk gemaakt waarbij de voorkeurswaarden uit de Wet geluidhinder wordt overschreden. Voor deze woningen zijn daarom hogere waarden vastgesteld. Conform het Ontheffingsbeleid Wet geluidhinder gemeente Rotterdam zijn er voorwaarden verbonden aan het verlenen van de hogere waarden. Deze voorwaarden zijn opgenomen in het Besluit hogere waarden Wet geluidhinder behorende bij dit bestemmingsplan welke als bijlage is toegevoegd aan de regels. Met artikel 3.3.2 is geborgd dat gronden alleen in gebruik mogen worden genomen als woning, als wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder de hogere waarden zijn verleend.

Waarde – Archeologie 2

In het gehele plangebied is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' opgenomen. Deze bestemming beschermt eventueel aanwezige archeologische resten.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

In hoofdstuk 3 worden enkele algemene regels gegeven, zoals de anti-dubbeltelregel. Ook worden algemene gebruiksregels gegeven. Daarnaast worden enkele algemene afwijkings- en wijzigingsregels gegeven die de flexibiliteit van het plan vergroten.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd.

In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald.

4.4.4 Geometrische plaatsbepaling / verbeelding

Voor het verbeelden van de geometrisch bepaalde bestemmingen is een BGT-ondergrond gebruikt. Dit bestand is opgebouwd in coördinaten in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting, of kortweg Rijksdriehoekscoördinaten (ook wel: RD-coördinaten). Dit zijn de coördinaten die in Nederland worden gebruikt als grondslag voor onder meer geografische aanduidingen, waarbij de exacte locatie van een gebied wordt vastgelegd. In het plan is met behulp van lijnen, coderingen en arceringen aan gronden een bepaalde bestemming toegekend. Binnen een bestemmingsvlak zijn met aanduidingen nadere regels aangegeven. Op een afdruk van de geometrische plaatsbepaling, de verbeelding, zijn alle bestemmingen en aanduidingen naast elkaar zichtbaar.

De gegevens zijn digitaal raadpleegbaar. Via de digitale portal waarop het plan wordt gepubliceerd kan, door te klikken op een bepaalde locatie, de bijbehorende bestemmingsregeling worden opgeroepen.

Hoofdstuk 5 Water

5.1 Beleidskader

5.1.1 Europees en rijksbeleid

Kaderrichtlijn water

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is op 22 december 2000 officieel van kracht geworden. De richtlijn heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratie en kwelgebieden). De KRW heeft het streven om emissies naar oppervlakte- en grondwater terug te dringen. Daarnaast zal de onttrekking van grondwater in evenwicht worden gebracht met de aanvulling van het grondwater.

Waterwet

De Waterwet is op 22 december 2009 in werking getreden. Deze Waterwet bestaat uit een achttal wetten die zijn samengevoegd tot één wet. De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering' centraal. De verantwoordelijkheden in het grondwaterbeheer van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten zijn in de Waterwet helderder vastgelegd. De voornaamste veranderingen zijn de invoering van de watervergunning en een verbeterde doorwerking van water in andere beleidsterreinen, met name het ruimtelijke domein.

Nationaal Waterplan

Het 2e Nationaal Waterplan (NWP2) beschrijft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de periode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het rijk streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer en heeft de ambitie om de komende decennia te investeren in bescherming tegen overstromingen en in de zoetwatervoorziening. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken vastgesteld.

Nationaal Bestuursakkoord Water

In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen.

In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en het waterschap samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen (bijvoorbeeld wateroverlast of verdroging) in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in de wetgeving en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten.

Waterbeheer 21e eeuw (WB21)

In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden. Dit betekent onder andere het aanwijzen en instandhouden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd.

Watertoets

Omdat het aspect water in ruimtelijke plannen een mede ordenend principe is, is de watertoets geïntroduceerd. Deze watertoets is verplicht gesteld in november 2003 voor ruimtelijke plannen. De watertoets is een procedure waarbij de initiatiefnemer in overleg met de waterbeheerders de waterhuishouding van een te ontwikkelen gebied inricht. Belangrijkste inhoudelijke doel van de watertoets is dat initiatiefnemers ‘waterneutraal’ bouwen. Dit betekent voor het waterkwantiteitsaspect dat niet meer water wordt afgevoerd uit het plangebied dan in de situatie voor de ruimtelijke ingreep. Voor de waterkwaliteit betekent dit in ieder geval dat de waterkwaliteit in en om het gebied niet mag verslechteren. Bovendien mogen plannen de grondwatersituatie buiten het plangebied niet negatief beïnvloeden.

5.1.2 Provinciaal beleid

Provinciaal Waterplan Zuid-Holland

Op 29 juni 2016 is het Regionaal waterplan Zuid-Holland 2016-2021 in werking getreden. Het Hoofdlijnenakkoord 2015 - 2019 van het college van Gedeputeerde Staten schetst de ambitie om beleid zo veel mogelijk integraal vorm te geven en te anticiperen op de visie die ten grondslag ligt aan de Omgevingswet. Specifiek voor het regionale waterbeleid is hieraan voldaan met de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) en de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water.

Het provinciaal Waterplan Zuid-Holland geeft antwoord op de vraag wat er in de periode 2016-2021 moet gebeuren, om de provincie Zuid-Holland ook in de toekomst op een duurzame wijze veilig en leefbaar te houden. Het gaat daarbij om de volgende opgaven:

  • waarborgen van de veiligheid tegen overstromingen;
  • realiseren van mooi en schoon water;
  • ontwikkelen van een duurzame zoetwatervoorziening;
  • het realiseren van een robuust en veerkrachtig watersysteem.

Omgevingsverordening Zuid-Holland

In 2019 is de omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld. Daarin is onder andere vastgelegd dat, voor bebouwing in de bebouwde kom, de norm voor de gemiddelde overstromingskans maximaal 1 keer per 100 jaar is. Deze norm is van toepassing vanuit het oogpunt van berging en afvoer van regionale wateren. In de omgevingsverordening staan verder normen opgenomen voor regionale waterkeringen en zijn regels opgenomen ten aanzien van grote grondwateronttrekkingen.

5.1.3 Beleid waterbeheerder

Waterbeheerplan 2016-2021

De waterbeheerder ter plaatse van het plangebied is het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK). Het Waterbeheerplan 2016-2021, dat op 19 juni 2016 is vastgesteld, vervangt het Waterbeheerplan 2010-2015. In het Waterbeheerplan geeft het hoogheemraadschap haar visie en ambities op het waterbeheer voor de lange termijn; het geeft richting aan het handelen van het Hoogheemraadschap en biedt burgers, bedrijven, partners en andere betrokkenen zicht op wat zij van het Hoogheemraadschap kunnen verwachten. Daarnaast biedt het ruimte voor eigen initiatief en verantwoordelijkheid.

Het Waterbeheerplan 2016-2021 bevat nieuwe accenten, die de rode draad vormen voor de werkzaamheden in de komende planperiode: het Hoogheemraadschap staat daarbij voor doelmatig en duurzaam waterbeheer, in directe verbinding met de omgeving.

Het Hoogheemraadschap voert haar taken uit tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Daarbij wordt zorggedragen voor de leefbaarheid van het gebied en het vergroten van de toekomstbestendigheid en duurzaamheid van het watersysteem. Het hoogheemraadschap gaat actief in gesprek met de omgeving en staat open voor initiatieven van inwoners, bedrijven en partners. Daarnaast worden particuliere initiatieven gestimuleerd.

Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen

In de nota "Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen" (Nota waterkwantiteitsbeheer, vastgesteld op 26 juni 2007 en aangevuld op 7 september 2007) is het beleid geformuleerd over de waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen. Samenvattend betekent het beleid het volgende:

  • 1. aan ontwikkelingen die resulteren in een toename van het verharde oppervlak van minder dan 500 m2 worden geen waterbergingseisen gesteld;
  • 2. bij de overige ontwikkelingen wordt aan de hand van de eigenschappen van het gebied vastgesteld hoeveel aanvullende waterberging benodigd is.

5.1.4 Gemeente Rotterdam

Waterplan 2 Rotterdam

De gemeenteraad van Rotterdam heeft op 18 september 2007 het Waterplan 2 Rotterdam vastgesteld.

Het Waterplan 2 is een gezamenlijk en integraal product van alle waterbeheerders in de regio. In het Waterplan 2 staat in hoofdlijnen beschreven hoe de gemeente Rotterdam en de waterschappen de komende tijd willen omgaan met het water in de stad. Hierbij wordt met name gekeken naar drie cruciale ontwikkelingen:

  • Een hogere waterstand door de stijging van de zeespiegel. In buitendijkse gebieden ontstaan risico's op overstromingen. Versterking van waterkeringen is onvermijdelijk;
  • Wateroverlast door toenemende neerslag. Door klimaatsverandering kan er in korte tijd veel neerslag vallen. Om dat water te verwerken is opvang en berging nodig;
  • Strengere eisen aan de kwaliteit van het water. Rotterdam wil een aantrekkelijke waterstad zijn, met schoon, helder en plantrijk water. De stad moet bovendien voldoen aan de eisen uit de Europese Kaderrichtlijn Water. Er worden voor alle wateren in de stad kwaliteitsbeelden opgesteld volgens die eisen.

Het Waterplan 2 biedt tevens een perspectief voor Rotterdam als waterstad in 2030. De gemeente en de andere waterbeheerders hebben op 5 juni 2013 de herijking van het Waterplan 2 vastgesteld. Dit betreft een herijking van de realisatiestrategie en de introductie van een nieuw uitvoeringsprogramma.

Gemeentelijke rioleringsplan (2021-2025)

De gemeente heeft drie wettelijke zorgplichten, of – zoals dat onder de nieuwe Omgevingswet wordt genoemd – taken op het gebied van watersystemen en waterketenbeheer. De belangrijkste taken zijn:

  • 1. Beschermen van de volksgezondheid en het milieu door doelmatig inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater.
  • 2. Voorkomen van wateroverlast door doelmatig inzamelen, vasthouden, transporteren, verwerken en hergebruiken van hemelwater.
  • 3. Voorkomen of beperken van structureel nadelige gevolgen van een hoge of lage grondwaterstand door doelmatige maatregelen in openbaar gebied.

Om het stedelijk watersysteem van de toekomst vorm te geven heeft de gemeente deze taken vertaald naar de volgende doelen.

  • 1. Een goed functionerend stedelijk watersysteem voor een aantrekkelijke stad

Doelmatig hergebruik, benutten, inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater. Dit doet de gemeente voor de volksgezondheid, een aantrekkelijke leefomgeving en een circulaire stad;

  • 2. Klimaatbestendig stedelijk watersysteem

Benutten van hemelwater en voorkomen van wateroverlast door doelmatig inzamelen, vasthouden, transporteren, verwerken en hergebruiken van hemelwater;

  • 3. Robuust grondwatersysteem

Verkrijgen en behouden van een gezond en robuust grondwatersysteem door het zoveel mogelijk voorkomen of beperken van structureel nadelige gevolgen van een hoge of lage grondwaterstand door doelmatige maatregelen in openbaar gebied;

  • 4. Actieve communicatie en participatie

Actief communiceren en participeren met Rotterdammers en Rotterdamse bedrijven over het stedelijk watersysteem;

  • 5. Innovatie, digitalisering en automatisering

Inzetten op innovaties en benutten van digitalisering en automatisering.

5.2 Samenwerking met de waterbeheerder

De gemeente Rotterdam werkt in overleg met alle betrokken waterbeheerders aan een gemeenschappelijke procedurele en inhoudelijke invulling van de Watertoets en de waterparagraaf. Conform de Watertoets heeft de gemeente in algemene zin overleg gevoerd met de waterbeheerders. De beheerder van het oppervlaktewater in het Max Euwe Kwartier is het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard

De gemeente Rotterdam (Stadsbeheer, afdeling Water) is de rioolbeheerder. Op basis van de Keur verlenen de waterschappen vergunningen voor werken op, in en rond watergangen en waterkeringen en voor werken die de waterhuishouding beïnvloeden.

5.3 Huidige watersysteem

In het kader van voorgenomen ontwikkeling is door SmitsRinsma een wateradvies opgesteld, zie bijlage 5. Hieronder zijn de belangrijkste bevindingen uiteengezet.

 

5.3.1 Oppervlaktewater

Een groot deel van het plangebied ligt in één peilgebied. Dit peilgebied heeft een oppervlaktewaterpeil van NAP +2,75m. Het gedeelte Brainpark I is relatief hooggelegen en ligt in het peilgebied GPG-169. Het oppervlaktewater aan de noordzijde van het Brainpark I is gelegen in het peilgebied GPG-185. Dit peilgebied heeft een oppervlaktewaterpeil van NAP -2,35m. Het oppervlaktewater ter plaatse van fase 2 staat door middel van een ‘singelverbinding’ in contact met de overige waterpartijen op het Brainpark.

Het oppervlaktewater in het noordelijke deel van het gebied Kralingse Zoom wordt door gemaal Groene Wetering II op peil gehouden. Overtollig water wordt uitgeslagen op de Nieuwe Maas. Daarnaast draagt ook gemaal Fascinatio, ten oosten van de A16, bij aan het op peil houden van dit peilgebied.

Actuele gegevens over de waterkwaliteit in het gebied zijn niet bekend. Wel zullen de aanwezige overstorten een negatieve invloed hebben op de waterkwaliteit.

5.3.2 Grondwater

Voor grondwater zijn er verschillende peilbuizen in de directe omgeving en in het plangebied aanwezig. In het Brainpark I gebied is er conform DINOloket één peilbuis aanwezig met een gemiddelde ontwateringsdiepte groter dan de vereiste 0,80 meter.

Uit recent bodemonderzoek zijn in diverse peilbuizen rondom het plangebied metingen verricht. Hieruit kwamen momentopnames naar voren van de grondwaterstanden tussen de 1,25m en 2,70m onder maaiveld. Echter zijn de maaiveldhoogten onbekend van deze peilbuizen. Kijkende naar de AHN3 gegevens en de locaties van de

peilbuizen is te concluderen dat het grondwaterpeil op ca. NAP 2,05m zit. Waarbij peilbuisnummer 21 substantieel lager zit, op ca. NAP 0,80m, wat echter goed te verklaren is door het sterk dalende maaiveld.

Gebaseerd op het huidige maaiveld is er sprake van lokaal een gemiddelde drooglegging van ca. 1,50m.

5.3.3 Waterkering

In het plangebied bevinden zich geen primaire of regionale waterkeringen.

Het plangebied ligt geheel binnendijks, binnen de primaire waterkeringen van dijkring 14 (Zuid-Holland). Deze dijkring heeft een overschrijdingskans van 1 op 10.000 jaar.

De gevolgen van een overstroming binnendijks zijn afhankelijk van meerdere aspecten, zoals de locatie waar de overstroming plaatsvindt, de afstand tot de waterkering en de maaiveldhoogtes in het gebied. Om een indicatie van de risico’s te krijgen heeft de provincie Zuid-Holland voor de gehele provincie berekend welke gebieden in de huidige situatie bij een doorbraak van de primaire kering onder water lopen en indicatief welke overstromingsdiepte er op de kwetsbare locaties bereikt kan worden.

5.3.4 Riolering

Het bestemmingsplangebied valt grotendeels binnen rioleringsdistrict 2. Dit district voert het rioleringswater af naar de AWZI Kralingseveer. In het projectgebied ligt momenteel een gemengd rioolstelsel. Dit betekent dat het hemelwater en het afvalwater niet afzonderlijk van elkaar worden afgevoerd. Dit stelsel is echter aangesloten op het gemengde stelsel van de gemeente. In het gebied is één overstort aanwezig in de direct omgeving ter hoogte van het kantoor van Sweco.

Ook bevindt er zich een vuilwatergemaal in het gebied op de kruising Max Euwelaan – K.P. van der Mandelelaan. Dit vuilwatergemaal is gekoppeld aan het gemengd rioolstelsel welke in de Max Euwelaan en K.P. van der Mandelelaan ligt. Het gemaal dient om de bovendrempelberging van het gebied Brainwave te benutten.

Ten noorden van fase 2 is een schoonwatergemaal gesitueerd. Dit gemaal heeft een tweetal functies, namelijk het voorzien van een wateraanvoer voor het kunstwerk ‘Sjatoodoo’ en het heeft de functie als ‘singelwateraanvoer’ voor de waterpartijen op het Brainpark en de waterpartij naast de Abram van Rijckevorselweg achter de huisnummers K.P. van der Mandelelaan 90/100.

5.4 De wateropgave

Het plangebied bestaat uit een tweetal fases, waarbij één fase is gelegen tussen de Kralingse Zoom en de Max Euwelaan (fase 1) en één fase aan de K.P. van der Mandelelaan (fase 2b). In beide fases wordt er een geheel nieuw gebouwencomplex gebouwd welke als basis wordt voorzien van een parkeergarage. Voor het overgrote deel wordt het kavel daarmee verhard oppervlak, echter wordt er wel getracht het gebied een groene uitstraling te geven door de toekomstige inrichting.

5.4.1 Oppervlaktewater

Het oppervlaktewater ter plaatse van fase 2b komt te vervallen in de toekomstige situatie, hiermee vervalt ook de verbinding van de waterpartij aan de noordzijde met het grote wateroppervlak te midden van Brainpark.

In het toekomstige ontwerp van de openbare ruimte wordt er rekening gehouden met 2.980 m2 nieuw oppervlaktewater. Het is echter nog onbekend op welke wijze dit wordt vormgegeven.

Met de overige nieuwe ontwikkeling ontstaat er een toename van het verhard oppervlak. Conform de huidige situatietekening neemt het verhard oppervlak toe met 7.900 m2. Bij een dergelijke toename valt het project binnen de noemer ‘Middelgrote plannen’. Voor middelgrote plannen past HHSK een gestandaardiseerde berekeningsmethode toe op basis van de normen voor waterkwantiteit. Zij berekent deze op basis van de Watertoets. De compensatie dient plaats te vinden in peilgebied GPG-169.

5.4.2 Grondwater

Op de beide kavels wordt er een parkeergarage gerealiseerd met aan de noordzijde een bodempeil op huidig maaiveld en aan de zuidzijde een bodempeil van ca. 4,00m onder huidig maaiveld.

Er is tot op heden geen onderzoek verricht op wat de invloed zal zijn van de parkeergarages op de grondwaterstromingen. Dit dient in een vervolgfase nader te worden uitgezocht.

Het waterschap adviseerd de inrit, eventuele ramen en ventilatieopeningen van de parkeerkelders ruim boven het maximale waterpeil aan te leggen zodat geen wateroverlast optreedt bij forse peilstijgingen.

5.4.3 Waterkering en waterveiligheid

Het gebied van Fase 1 en Fase 2 wordt deels opgehoogd, waarbij aan de noordwestzijde van Fase 1 er een inrit naar de parkeergarage wordt gerealiseerd. Dit betreft ook qua maaiveld het laagste peil van het gebied. Kijkende naar figuur 5, uit het onderzoek, dient beoordeeld te worden of er, i.v.m. de overschrijdingskans van 1 op 10.000 jaar van een dijkdoorbreuk, maatregelen getroffen dienen te worden.

5.4.4 Riolering

In de nieuwe ontwikkeling wordt er een gescheiden rioolstelsel aangelegd oftewel het hemelwater en vuilwater zal apart van elkaar worden aangeboden op het gemeenteriool. In de huidige situatie betreft dit een gemengd systeem.

Voor fase 1 is er een beoordeling gedaan voor wat de nieuwe belasting zal zijn op het gemeenteriool. Kijkende naar het huidige gebruik en het toekomstige gebruik, zal dit een grotere waarde zijn. De uitstoot van het vuilwater zal dan ca. 227,1 ltr/seconde bedragen en voor het hemelwater ca. 141,3 ltr/seconde.

Voor fase 2 is dit onderzoek nog niet verricht, het is aan te bevelen dit op korte termijn te laten doen. PM

5.4.5 Uitgiftepeilen en peilenplan

Voor beide fases is reeds een tekening opgesteld met de gewenste uitgiftepeilen van de kavels. Fase 1 en Fase 2 worden beide uitgegeven op ca. NAP 4,00m. Waarbij op de kruising K.P. van der Mandelelaan – Max Euwelaan het uitgiftepeil ca. NAP 3,15m bedraagt.

5.5 Conclusie

Door voorgenomen ontwikkeling neemt het verharde oppervlak toe met ca 7.900 m2. Tegelijkertijd wordt getracht het gebied een groene uitstraling te geven. Compensatie voor het te dempen oppervlaktewater en de toename aan verhard oppervlak, wordt gezocht in het graven van 2.980 m2 oppervlaktewater in toekomstig openbaar gebied in de zone rondom de huidige Max Euwelaan. De compensatie dient plaats te vinden in peilgebied GPG-169.

Voor fase 1 is de nieuwe belasting op het gemeentelijk riool bekend. Hiervoor dient beoordeeld te worden of het gemeentelijk riool deze capaciteit aankan. Voor fase 2 is de belasting nog onbekend en dient deze berekend en beoordeeld te worden. Advies is om een coördinatie-overleg met de gemeente in te plannen.

Er is tot op heden geen onderzoek verricht op wat de invloed zal zijn van de parkeergarages op de grondwaterstromingen. Dit dient in een vervolgfase nader onderzocht te worden. Afstemming dient plaats te vinden met de gemeente Rotterdam en het Waterschap.

Om de wateropgave in het gebied te verminderen kan extra waterberging gecreëerd worden. In een volgend stadium zullen de verschillende mogelijkheden onderzocht dienen te worden.

De bestaande terp wordt ontgraven en het gebouw wordt hierin aangebracht. Beoordeeld dient te worden of er maatregelen getroffen dienen te worden voor een mogelijke dijkdoorbraak met een kans van 1 op 10.000 jaar.

Hoofdstuk 6 Milieu

6.1 Inleiding

Rotterdam is een compacte stad. Compact bouwen biedt aan de ene kant grote voordelen voor milieu en duurzaamheid op een hoger schaalniveau (minder mobiliteit, minder aantasting van natuurlijk en landelijk gebied). Aan de andere kant kan door compact bouwen de milieubelasting in de stad toenemen. Dit wordt de paradox van de compacte stad genoemd. Rotterdam moet bovenal een leefbare stad zijn. Een woonomgeving met weinig milieuhinder is één van de aspecten die de leefkwaliteit bepalen naast bijvoorbeeld voorzieningen, bereikbaarheid, kwaliteit van de publieke ruimte en sociale veiligheid. Het milieubeleid in Rotterdam is erop gericht om ondanks de verdichting en intensivering van de stad toch de milieubelasting terug te dringen en de leefkwaliteit te verbeteren. In het bestemmingsplan moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging worden gemaakt van de wijze waarop milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen ten opzichte van elkaar moeten worden gesitueerd. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied, de opgave en eventuele wettelijke eisen. De gemeente Rotterdam is verplicht om bij de voorbereiding van het bestemmingsplan te onderzoeken welke (milieu)waarden bij het plan in het geding zijn en wat de gevolgen van het plan zijn voor deze waarden. Voor de meeste milieuthema's is er landelijk milieuwetgeving aanwezig. Een voorbeeld hiervan is de Wet geluidhinder. Daarnaast is er voor sommige milieuthema's Rotterdams beleid aanwezig. De voor dit plan relevante thema's worden hieronder verder uitgewerkt.

Gedurende het opstellen van het bestemmingsplan is het programma gewijzigd. Dit programma is uiteindelijk naar beneden bijgesteld. In diverse milieuonderzoeken is uitgegaan van een groter programma. Hiermee is een 'worst-case' situatie onderzocht. De ontwikkeling van een uiteindelijk kleiner programma leidt hiermee niet tot problemen.

6.2 Milieueffectrapportage

Het instrument milieueffectrapportage wordt gebruikt om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De basis hiervan ligt in de EU richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Daarbij geldt een bandbreedte. Bovendien dienen bij de afweging ook nog andere factoren te worden betrokken en dient nagegaan te worden of er significant negatieve effecten te verwachten zijn op natuurgebieden.

6.2.1 Plangebied

De realisatie van een gemengd gebied met daarin plaats voor woningen, (fiets)parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, flexwerkplekken, werkruimten, lounges en restaurants kan aangemerkt worden als een stedelijk ontwikkelingsproject en komt voor in de eerste kolom van de D-lijst horende bij het besluit mer (categorie 11.2). Hoewel de verschillende drempelwaardes (kolom 2) niet worden overschreden, dient evenwel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden opgesteld.

Dit kan niet uitsluitend in de vorm van een paragraaf in het bestemmingsplan. Door de initiatiefnemer moet op grond van het Besluit m.e.r. een 'aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling' worden opgesteld. Deze aanmeldnotitie is opgenomen als bijlage 6 en is als expliciet beslispunt aan het college voorgelegd. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit is als bijlage 20 opgenomen bij deze toelichting. Voor de voorgenomen activiteit geldt dat wanneer wordt voldaan aan de gestelde eisen en maatregelen uit de onderzoeken en de aanmeldnotitie er verwacht wordt dat er geen belangrijk nadelige milieugevolgen optreden. Er wordt daarom geconcludeerd dat het niet noodzakelijk is om een m.e.r.-procedure te doorlopen voor deze ontwikkeling. Voor een aantal aspecten wordt momenteel nader onderzoek verricht. Dit document wordt aangevuld als hier duidelijkheid over bestaat.

6.3 Mobiliteit

6.3.1 Verkeer

Verkeerssituatie

Voorgenomen ontwikkeling voorziet in een aanzienlijk programma. Om te beoordelen of de capaciteiten van de omliggende wegen voldoende is om de verkeersaantrekkende werking, als gevolg van de ontwikkeling te kunnen verwerken, is een verkeersonderzoek uitgevoerd. In dit onderzoek is ook fase 2b meegenomen. Dit onderzoek dat door Mobycon is uitgevoerd, is opgenomen in bijlage 7. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies weergegeven.

Als gevolg van de ontwikkeling neemt de verkeersgeneratie toe met maximaal 4894 motorvoertuigen per etmaal, met 356 pae in het drukste ochtendspitsuur en 461 pae in het drukste avondspitsuur. Er is hierbij uitgegaan van de minimale verkeersgeneratiekencijfers uit CROW-publicatie 381.

De toekomstige intensiteiten zijn aan de hand van de toename van de verkeersgeneratie inzichtelijk gemaakt en aan de hand hiervan de verkeersafwikkeling bepaald. Er is geconstateerd dat op enkele wegvakken en op enkele kruispunten sprake is van een (beginnend) doorstromingsknelpunt na de realisatie van de ontwikkeling. Belangrijker is echter of de situatie al dan niet leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor de omgeving. Gelet op het feit dat het doorstromingsknelpunt zich slechts kortstondig in de avondspits voordoet en het verkeersbeeld verder acceptabel is, kan gesteld worden dat de geconstateerde verkeerssituatie acceptabel is en er geen aanvullende maatregelen nodig zijn.

Op het kruispunt Kralingse Zoom - K.P. van der Mandelelaan is op een van de takken een I/C-waarde van 1,21 (121%) en op een van de takken een I/C-waarde van 1,48 (148%) waargenomen. Het is aan te bevelen om op dit kruispunt de situatie goed te monitoren en indien noodzakelijk maatregelen te treffen. Verder is het kruispunt Kralingse Zoom - A. van Rijckevorselweg en het kruispunt Kralingse Zoom - ‘s Gravenweg niet beoordeeld.

Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat – voor zover het mogelijk was dit te onderzoeken – het aspect verkeer de ontwikkeling bij het Max Euwe Quartier, de ADP-locatie en de Sweco-locatie in Rotterdam niet in de weg staat. Een extra toetsing met verkeerskundige modelsoftware kan uitsluitsel bieden.

Toetsing ontsluiting laden en lossen

Fase 1 beschikt over een parkeerkelder waar naast parkeerplaatsen ook is voorzien in de ontsluiting van het laden en lossen voor de commerciële voorzieningen in het gebied. Omdat de Kralingse Zoom een drukke weg is en deze ontsluiting ook een langzaam verkeersroute kruist, is door Mobycon een beoordeling opgesteld van de ontsluiting van het laden en lossen, zie bijlage 8.

Uit deze beoordeling blijkt dat voor het langzaam verkeer er vanaf de Kralingse Zoom gezien twee toegangswegen voorzien zijn. Positief is dat dit langzame verkeer zich door deze toegangswegen niet hoeft te mengen met het autoverkeer op de K.P. van der Mandelelaan of het parkeerterrein. Doordat de snelheden lager zijn, bestaan er geen bezwaren om deze extra conflictpunten te realiseren. Voorwaarde is wel wederom dat er geen obstakels worden geplaatst die het zicht belemmeren.

De toegangsweg voor het overige verkeer mondt uit op het parkeerterrein van het plangebied. De weg vanaf de Kralingse Zoom richting de toegangsweg bestaat al en is met een breedte van 7 meter breed genoeg om dit verkeer op te vangen. Voor de toegangsweg zelf lijkt er volgens het ontwerp een voldoende brede ruimte te zijn om verkeer hier goed af te wikkelen. Een nadere studie is nog wel noodzakelijk. De afstand tussen de toegangsweg en het kruispunt met de Kralingse Zoom bedraagt ongeveer 40 meter. Als gevolg van hiervan worden echter geen veiligheids- of doorstromingsproblemen op de Kralingse Zoom verwacht. Dit vanwege de uitvoegstrook op de Kralingse Zoom richting de K.P. van der Mandelelaan die al aanwezig is. Op de locatie van de voorziene aansluiting zelf is sprake van een fors hoogteverschil, waardoor het lastig lijkt om een steile in- en uitrit te maken. Bovendien kan dit leiden tot kop-staartongevallen. Voor de meest verkeersveilige situatie en goede zichtlijnen, wordt geadviseerd om de ontsluiting aan de noordzijde van de Max Euwelaan te realiseren. Voorwaarde is wel dat er geen obstakels worden geplaatst die deze zichtlijnen beperken.

Door Royal Haskoning is ten slotte ook nog een mobiliteitstoets uitgevoerd, zie bijlage 9. Uit deze notitie blijkt dat de bereikbaarheid van de locatie prima is. Dit geldt zowel voor de auto als de fiets en het OV. Het bouwprogramma sluit goed aan bij het bereikbaarheidsprofiel van de locatie. Er wordt maximaal ingezet op doelgroepen die profiteren van een goede OV en fietsbereikbaarheid. Het aanbieden van extra fietsenstalling en deelauto’s is daar een illustratie van. Het aanbod van parkeerplekken voor de auto is beperkt tot wat nodig is.

De bereikbaarheid met hele grote voertuigen vraagt nog wel aandacht in het ontwerp. Deze moeten vanwege hun hoogte of draaicirkels buiten het complex worden opgevangen en hebben nog geen definitieve plek in het ontwerp voor de openbare ruimte gekregen.

In het ontwerp openbare ruimte is nu nog beperkt aandacht voor mobiliteit. Hier zal in de komende fase met name aandacht moeten zijn voor de way-finding. Voor de bewoners en gebruikers verwachten we hier weinig problemen, voor de bezoekers zal gelden dat ze zonder verdere specifieke aandacht toegang zullen zoeken via de voordeur aan de Max Euwelaan. Dat betekent dat bezoekende fietsers gefaciliteerd moeten worden met duidelijke stallingsplekken en automobilisten geen toegang kunnen krijgen tot de voetgangersruimte terwijl die wel toegankelijk moet zijn voor hulpdiensten en vrachtverkeer. Laden en lossen moet een plek krijgen los van de toegangsroute voor de hulpdiensten.

In de volgende fase moet ook bepaald worden of hulpdiensten en bevoorrading gaan keren in de openbare ruimte of kunnen doorrijden naar de K.P. van der Mandelelaan zoals hier geadviseerd. In die fase zal ook nog nadrukkelijk gekeken worden naar toegankelijkheid voor mindervaliden en voetgangers.

De logistieke ruimte zorgt in basis voor een sterke vermindering van het aantal bewegingen rondom het complex. Hoewel geen kentallen beschikbaar, laat een grove berekening zien dat het reëel is te verwachten dat de ruimte groot genoeg is voor de daar geplande activiteiten. Voor het vervolg moet ook hier nagedacht worden over het juiste beheer om te voorkomen dat de ruimte oneigenlijk gebruikt wordt als parkeerplek voor aannemers of aan zijn eigen succes ten onder gaat. In overleg met de gemeente Rotterdam moet bekeken worden of aanleg van een laad- en losplek langs de Kralingse Zoom haalbaar is en hoe de inrit van de logistieke ruimte inclusief de oversteek van het fietspad het best kan worden vorm gegeven.

6.3.2 Parkeren

Dynamische verwijzing

Op 1 juli 2018 zijn de stedenbouwkundige voorschriften uit de Bouwverordening 2010 van de gemeente Rotterdam, waaronder de voorschriften over parkeernormen, komen te vervallen. Dat betekent dat er vanaf dat moment niet meer getoetst kan worden aan die voorschriften en er dus geen parkeernormen meer gelden. Om deze reden is een parapluherziening parkeernormen vastgesteld met daarin een dynamische verwijzing naar het op 16 december 2021 over parkeren vastgestelde beleid. Het betreft de “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022” (hierna: de beleidsregeling). De beleidsregeling is op 1 januari 2022 in werking getreden. De beleidsregeling geeft normen voor parkeren van auto’s én fietsen. Aan deze normen moet voldaan worden bij een omgevingsvergunning voor het bouwen of bij een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken.

Om aan dit beleid te kunnen toetsen is er in het bestemmingsplan in artikel 6.6 een bepaling opgenomen waarin staat dat er alleen een omgevingsvergunning voor het bouwen of gebruiken van gronden of bouwwerken kan worden verleend als sprake is van voldoende parkeergelegenheid voor auto’s en fietsen op basis van het geldende beleid ten aanzien van parkeren in de gemeente Rotterdam. De bepaling is vormgegeven als een zogenaamde 'dynamische verwijzing'. Dat wil zeggen dat er wordt geregeld dat er voldoende parkeergelegenheid moet zijn conform het op het moment van vergunningverlening geldende parkeerbeleid. Op het moment van tot stand komen van dit bestemmingsplan is de “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022” het geldende beleid. Om ook aan een eventuele wijziging of herziening van het beleid te toetsen, zonder dat het bestemmingsplan daarvoor aangepast moet worden, is de regeling zo vormgegeven dat een omgevingsvergunning wordt getoetst aan het beleid dat op dat moment geldt.

Beleidsregeling

Op dit moment geldt de “Beleidsregeling Parkeernormen voor auto en fiets 2022”. Deze beleidsregeling geeft parkeernormen voor zowel auto’s als fietsen. Bij de omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het gebruiken van gronden of bouwwerken wordt een parkeereis gesteld conform de gebiedsindeling die bij de beleidsregeling als bijlage is opgenomen. De parkeereis moet in beginsel volledig op eigen terrein worden opgelost. Er kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld, bijvoorbeeld ten aanzien van de inpassing van de parkeervoorzieningen in het gebouw of de omgeving, het laden en lossen etc. Van de parkeereis kan worden afgeweken; zowel van de eis zelf (geheel of gedeeltelijk) als van de voorwaarde dat op eigen terrein moet worden geparkeerd. Ook kan van de parkeereis geheel of gedeeltelijke vrijstelling worden verleend. Dit heeft tot gevolg dat er in beginsel geen parkeervergunning op straat wordt afgegeven. In de beleidsregeling is uitgebreid omschreven onder welke voorwaarden van de parkeereis kan worden afgeweken of vrijstelling kan worden verleend.

Tevens zijn in de beleidsregeling regels opgenomen over elektrische voertuigen (EV Ready). Collectieve parkeervoorzieningen op eigen terrein bij nieuwbouw of transformatie moeten voorbereid zijn op het kunnen laden van elektrische voertuigen (EV Ready). Ook moet de initiatiefnemer een EV plan aan de gemeente Rotterdam kunnen overleggen, waaruit blijkt dat op iedere autoparkeerplaats horend bij de ontwikkeling laadinfrastructuur gerealiseerd kan worden, zonder dat hiervoor bouwkundige aanpassingen noodzakelijk zijn. En dat een netaansluiting gerealiseerd wordt met voldoende capaciteit om ten minste 20% van het totaal aantal voertuigen waarvoor autoparkeerplaatsen beschikbaar zijn gelijktijdig te kunnen laden, al dan niet met behulp van IT-oplossingen zoals een Smart grid.

In het onderzoek van Mobycon is ook de parkeerbehoefte uiteengezet. De parkeervraag van de nieuwe functie (zonder rekening te houden met de parkeervraag van de huidige functie) bedraagt op het drukste moment afgerond minimaal 444 parkeerplaatsen voor auto’s (rekening houdend met de ligging van de ontwikkeling nabij metrostation 'Kralingse Zoom') en minimaal 2.969 parkeerplaatsen voor fietsen, uitgaande van de normen van de gemeente Rotterdam. Wanneer er nog 88 extra parkeerplaatsen voor fietsen worden gerealiseerd, wordt de parkeervraag voor auto’s lager, maar is nog steeds sprake van een tekort aan parkeercapaciteit van 44 parkeerplaatsen. In het plan wordt echter ook rekening gehouden met deelmobiliteit waardoor met een nog lagere parkeervraag kan worden gerekend.

Parkeerbalans

De parkeerbalans zal aansluiten op het in de gemeente Rotterdam geldende beleid ten aanzien van parkeren. Door de transitie van kantoorlocatie naar wonen ontstaat een andere parkeervraag. Volgens de vigerende parkeernorm valt het gebied binnen zone C, wat betekent dat de nadruk meer ligt op auto bereikbaarheid dan OV of fietsbereikbaarheid. Met de transitie van kantoor naar woonlocatie en het beoogde mobiliteitsprofiel van de toekomstige bewoners is de nabijheid van RET halte Kralingse Zoom in belang toegenomen terwijl de nabijheid van de A16 is afgenomen. De gemeente geeft besloten dat het gebied in zone B valt. Ook uitgaande van de parkeernormen zone B van de gemeente Rotterdam zou het plan over meer parkeerplekken moeten beschikken.

De regeling parkeernormen biedt echter de mogelijkheid tot vrijstellingen van de parkeereis op grond van nabijheid OV, extra fietsruimte, deelauto’s en M.a.a.S.-concepten.

Nabijheid OV

Uitgaande van de ligging van het plan binnen 400m van het station is de vrijstelling op grond van nabijheid OV 30%.

Extra fietsparkeerruimte

Op grond van het beschikbare aantal stallingsplekken voor de fiets kan maximaal gebruik gemaakt worden van de daaraan gekoppelde vrijstelling.

Deelauto

Eén deelauto vervangt 5 parkeerplaatsen. Deelauto’s passen bij het mobiliteitsprofiel van de locatie.

6.4 Milieuzonering

Bij goede ruimtelijke ordening hoort het voorkomen van voorzienbare hinder door bedrijven en andere activiteiten. Hiervoor bestaan voor nieuwe situaties geen wettelijke normen. In het Rotterdamse beleid voor milieuzonering wordt gebruik gemaakt van indicatieve gebiedstypen en een bedrijvenlijst die is opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering).

De VNG-uitgave geeft informatie over milieuhinder van vrijwel alle bedrijfstypen en andere activiteiten. Hierin zijn voor de milieuaspecten geur, stof (luchtkwaliteit), geluid en gevaar indicatieve afstanden bepaald. De aard van de hinder is bepalend voor de vraag in hoeverre tussen een belastende en een gevoelige functie verweving mogelijk is, dan wel ruimtelijke scheiding noodzakelijk is. De VNG-uitgave bevat een tabel met de indicatieve afstanden. Hiermee kan de vraag worden beantwoord welke afstand aanvaardbaar is tussen een nieuw bedrijf en woningen en tussen nieuwe woningen en bedrijven, of welke bedrijven aanvaardbaar zijn in een gebied met functiemenging.

Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stadscentra, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones langs stedelijke wegen, woongebieden met kleinschalige en ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden nabij industrieterreinen. In deze gebieden is een combinatie van wonen en werken vaak mogelijk. Vaak aanpandig, bij lichte bedrijvigheid, of naast elkaar, bij de iets zwaardere bedrijven en met aandacht voor de ontsluiting bij bedrijven met een verkeersaantrekkende werking.

De gemeente Rotterdam bestemt in haar bestemmingsplannen de functies zoals agrarische doeleinden, kantoren, detailhandel, horeca, maatschappelijke voorzieningen, sport of recreatie als zodanig en niet als bedrijfsbestemming. In de bijgevoegde bedrijvenlijst zijn deze bestemmingen dan ook niet opgenomen. Voor het inpassen van die functies wordt echter wel gebruik gemaakt van de VNG-uitgave.

6.4.1 Plangebied

Omgevingstype van het plangebied

In de omgeving van het plangebied zijn, naast woningen, verschillende bedrijven/inrichtingen aanwezig en/of bestemd in de vigerende bestemmingsplannen. Bovendien is de locatie gelegen op korte afstand van de A16 en ligt ten westen de Kralingse Zoom, een gebiedontsluitingsweg. Om deze reden wordt het omgevingstype aangemerkt als "gemengd gebied".

In de directe omgeving van het plangebied zijn diverse relevante inrichtingen en bestemmingen gelegen.

Ten westen van het plangebied is de campus van de Erasmus Universiteit Rotterdam gelegen. Deze campus kent een maatschappelijke bestemming en de activiteiten die hier verricht worden zijn in te delen in milieucategorie 2. Hiervoor geldt een gereduceerde richtafstand van 10 meter. De feitelijke afstand van de rand van de maatschappelijke bestemming tot het plangebied bedraagt circa 20 meter. De richtafstand wordt daarmee ruim gerespecteerd en deze bestemming leidt niet tot belemmeringen.

Ten noorden van het plangebied ligt het metrostation 'Kralingse Zoom'. Dit station kent de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' met de functieaanduiding 'openbaar vervoerstation'. Uit de VNG-brochure blijkt dat een dergelijke inrichting valt binnen milieucategorie 3.2 en daarmee een gereduceerde richtafstand van 50 meter kent. De feitelijke afstand van de rand van de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' tot het plangebied is circa 95 meter. De richtafstand wordt daarmee gerespecteerd en deze bestemming leidt niet tot belemmeringen.

Het plangebied en de directe omgeving kennen de bestemming 'Gemengd-1'. Binnen deze bestemming is het mogelijk om kantoren, bedrijven tot en met categorie 2, horeca en medische klinieken te realiseren.

Kantoren vallen in milieucategorie 1 en kennen daarmee een gereduceerde richtafstand van 0 meter. Bedrijvigheid tot en met categorie 2 kennen een gereduceerde richtafstand van 10 meter. Klinieken behoren, op basis van de VNG-brochure, tot milieucategorie 1 en kennen daarmee een gereduceerde richtafstand van 0 meter. De afstand tussen het plangebied en de overige gronden is meer dan 10 meter. Ook deze bestemming leidt niet tot belemmeringen.

In de toekomstige situatie is sprake van een gemengd gebied waarbij woningen en voorzieningen vrijwel direct naast elkaar kunnen worden gerealiseerd. In dit gebied is slechts in beperkte mate ruimte voor commerciële voorzieningen als barretjes en restaurants. Momenteel is de locatie hiervan nog niet uitgekristalliseerd. Indien noodzakelijk wordt later in het proces, bij de uitwerking van het bouwplan, gekeken naar bouwkundige maatregelen. Daarnaast moeten eventuele voorzieningen die zich in het plangebied zullen vestigen voldaan aan het Activiteitenbesluit. Hierdoor zal een aanvaardbare situatie ontstaan.

6.4.2 Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.

6.5 Geluid

Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De basis voor het beoordelen van geluid is de Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet. In deze wetten liggen normen vast voor geluid afkomstig van de industrie, weg-en spoorwegverkeer en luchtvaartverkeer.

Wet geluidhinder

Ten behoeve van het geluidonderzoek is gebruik gemaakt van de Wet geluidhinder, zoals deze geldt per 1 mei 2017 (Stb. 2017, 131).

Er worden nieuwe geluidgevoelige bestemmingen (woningen) mogelijk gemaakt. Kantoor- en commerciële functies zijn overigens geen geluidgevoelige bestemmingen in het kader van de Wet geluidhinder.

Systematiek grenswaarden en verzoek tot hogere grenswaarden

In de Wet geluidhinder en in het Besluit geluidhinder worden respectievelijk voor wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai twee typen grenswaarden benoemd: de zogenaamde voorkeursgrenswaarde en de maximaal te verlenen ontheffingswaarde. Per geluidbron (per weg, per spoorweg en per industrieterrein) wordt aan de grenswaarden getoetst.

Bij een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde, maar niet van de maximale ontheffingswaarde, kan bij het College van Burgemeester en Wethouders (B & W) een zogenaamde hogere waarde (dan de voorkeursgrenswaarde) worden aangevraagd.

Het vaststellen van een hogere waarde door B & W is mogelijk indien maatregelen om de geluidbelasting te reduceren aan bron (verkeer) of tussen bron en ontvanger (gebouw), zoals schermen of verkeersreducerende maatregelen, niet doelmatig zijn of bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerkundige, landschappelijke of financiële aard ondervinden.

Indien ook de maximaal te verlenen ontheffingswaarde wordt overschreden is in principe geen geluidgevoelige functie mogelijk tenzij deze wordt voorzien van maatregelen (dove gevels).

Dove gevels

De Wet geluidhinder benoemt grenswaarden voor de geluidbelastingen op de gevels van geluidgevoelige gebouwen. Dove gevels zijn echter gevels waarvan de geluidbelastingen op deze gevels niet hoeven te worden getoetst aan deze grenswaarden. Dove gevels zijn:

  • gevels zonder aanwezige te openen delen en die voldoen aan een karakteristieke geluidwering van tenminste het verschil van de geluidbelasting en een waarde van 33 dB, onderscheidenlijk 35 dB(A);
  • gevels met bij uitzondering te openen delen, mits deze delen niet grenzen aan een geluidgevoelige ruimte (slaap-, woon- of eetkamer). Voorbeelden zijn:
    • 1. een raam in een gevel van een besloten keuken met een vloeroppervlakte van minder dan 11 m2;
    • 2. een raam in een hal van een woning;
    • 3. een nooduitgang.

Wegverkeerslawaai - zones en geluidgrenswaarden

Zones langs wegen

Conform hoofdstuk VI van de Wet geluidhinder (zones langs wegen) hebben alle wegen een zone, uitgezonderd een aantal situaties waaronder wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur. De zone is een gebied waarbinnen een nader akoestisch onderzoek verplicht is. De breedte van de zone, aan weerszijden van de weg, is afhankelijk van het aantal rijstroken en de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk), zie onderstaande tabel

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP2209MaxEuwekwar-on01_0021.png"
De planlocatie is gelegen binnen de bebouwde kom (binnenstedelijk). Bij de beoordeling van de geluidbelasting vanwege een autosnelweg op een geluidgevoelige functie wordt altijd de normering voor buitenstedelijk gebied gehanteerd, ook al ligt de bestemming binnen de bebouwde kom. In het kader van de Wet geluidhinder is de planlocatie gelegen binnen de geluidzones langs de volgende wegen:

  • De Rijksweg A16 heeft ter hoogte van de planlocatie 10 rijstroken. De zonebreedte bedraagt 600 m zodat de planlocatie binnen deze zone is gelegen (buitenstedelijk).
  • De Kralingse Zoom heeft ter hoogte van de planlocatie (tot) 3 rijstroken. De zonebreedte bedraagt 350 m zodat de planlocatie binnen de zone langs deze weg is gelegen.
  • De K.P. van der Mandelelaan gaat ter hoogte van de planlocatie 2 rijstroken hebben. De zonebreedte bedraagt 200 m zodat de planlocatie binnen de zone langs deze weg is gelegen.
  • De Abram van Rijckevorselweg heeft ter hoogte van de planlocatie 6 rijstroken. De zonebreedte bedraagt 350 m zodat de planlocatie niet binnen de zone langs deze weg is gelegen.

Opgemerkt wordt dat de Max Euwelaan en K.P. van der Mandelelaan heringericht worden in verband met de gebiedstransformatie van Brainpark Rotterdam. Zo zal de Max Euwelaan afgesloten worden voor verkeer en zal er enkel nog een toegangsweg zijn naar de ingang van de parkeergarage aan de noordzijde (30 km/u). De K.P. van der Mandelelaan wordt een tweerichtingsweg (nu deels éénrichtingsverkeer) en zal niet meer naar het plangebied lopen, maar wordt in noordelijke richting doorgetrokken tot aan de toegangsweg van het P+R terrein ‘Kralingse Zoom’.

30 km/uur-wegen hebben geen geluidzone volgens de Wet geluidhinder. Dit betekent dat formeel voor deze wegen geen wettelijk toetsingskader geldt. In het kader van een goede ruimtelijke ordening (en ten behoeve van de bouwvergunning) is in voorliggend onderzoek de invloed van de Max Euwelaan inzichtelijk gemaakt.

Grenswaarden geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer

De voorkeursgrenswaarde vanwege wegverkeerslawaai bedraagt vanwege alle wegen 48 dB. De maximaal te verlenen ontheffingswaarde bedraagt 53 dB vanwege de Rijksweg A16 en 63 dB vanwege de overige wegen.

Cumulatie geluidbronnen

Indien een plan geluid ondervindt van meer dan één geluidbron, dient tevens onderzoek gedaan te worden naar de effecten van de samenloop van de verschillende geluidbronnen. Er dient te worden aangegeven op welke wijze met de samenloop rekening is gehouden bij het bepalen van de te treffen maatregelen (art. 110a en 110f van de Wgh).

Grenswaarden Omgevingswet

In dit geluidonderzoek is ook de aankomende Omgevingswet (Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet) beschouwd, met ingangsdatum naar verwachting 01-06-2022. De Omgevingswet stelt nieuwe geluidgrenswaarden. In tabel 2.2 is een beknopt overzicht gegeven van de nieuwe grenswaarden voor wegverkeerslawaai. Met name de geluidgrenswaarden ten aanzien van wegen in Rijksbeheer worden in de Omgevingswet verhoogd ten opzichte van de Wet geluidhinder.

Beknopt samengevat worden in de Omgevingswet (Ow), naast de geluidgrenswaarden, de volgende wijzigingen doorgevoerd:

  • De geluidzones worden geluidaandachtsgebieden. De omvang van de geluidaandachtsgebieden houden verband met de hoogte van de standaardwaarden, zie het derde opsommingsstreepje.
  • Voor veel 30 km/uur-wegen gaat ook een geluidaandachtsgebied gelden.
  • De term voorkeursgrenswaarde wordt (formeel) de “standaardwaarde”, de term maximale ontheffingswaarde wordt (formeel) de “grenswaarde”.
  • De toepassing van een aftrek (tot ten hoogste 5 dB) op de berekende geluidbelastingen voor wegverkeerslawaai komt te vervallen.
  • Alle geluidbelastingbijdragen die afkomstig zijn van wegen die onder één wegbeheerder vallen worden gesommeerd, waarna de beoordeling aan de geluidgrenswaarden plaatsvindt.
  • De dove gevel wordt (formeel) een niet-geluidgevoelige gevel. Onder een niet-geluidgevoelige gevel wordt ook verstaan een zodanige bouwkundige maatregel aan het gebouw dat het geluid op de te openen delen in de uitwendige scheidingsconstructie niet hoger is dan de grenswaarde.

Gemeentelijk geluidbeleid
Conform het Ontheffingsbeleid Wet geluidhinder van de gemeente Rotterdam dienen woningen voorzien te zijn van minimaal één geluidluwe gevel en buitenruimte (mits een buitenruimte aanwezig is). Indien om stedenbouwkundige of volkshuisvestingsredenen hier niet aan voldaan kan worden, kan een gemotiveerd verzoek worden gedaan om hiervan af te wijken. In de motivatie zal voldoende aandacht aan de leefomgevingskwaliteit moeten worden besteed. In de tabel hieronder worden de geluidgrenswaarden voor een geluidluwe gevel en buitenruimte ten aanzien van wegverkeerslawaai weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP2209MaxEuwekwar-on01_0022.png"

Crisis- en herstelwet

De vigerende regelgeving kan een belemmering vormen voor innovatieve ontwikkelingen die bijdragen aan duurzaamheid. Afdeling 2 ‘Innovatie’ van de Crisis- en herstelwet (Chw) maakt het mogelijk om dergelijke ontwikkelingen aan te wijzen als een zogenaamd ‘experiment’. Daardoor mag men afwijken van bepaald regelgeving bij algemene maatregel van bestuur (AMvB), zoals o.a. de Wet geluidhinder. Artikel 2.4, lid 1, Chw biedt voor innovatieve projecten de mogelijkheid tot afwijken van de geluidregels uit de Wet geluidhinder bij AMvB.

Bij de AMvB wordt bepaald:

  • welke afwijking of afwijkingen van de betrokken wet of wetten is of zijn toegestaan;
  • de ten hoogste toegestane tijdsduur van die afwijking of afwijkingen;
  • de wijze waarop wordt vastgesteld of een afwijking aan haar doel beantwoordt en of de tijdsduur daarvan aanpassing behoeft.

Het toepassingsbereik van in de AMvB geregelde experimenten kan worden uitgebreid door daarvoor nieuwe gebieden en projecten aan te wijzen. Daarbij wordt de ten hoogste toegestane tijdsduur van de afwijking of afwijkingen aangegeven.

De gemeente Rotterdam heeft ten behoeve van de gebiedstransformatie van Brainpark Rotterdam beslist om in het desbetreffende plangebied voor een periode van 10 jaar af te wijken van de regels voor een hogere geluidbelasting voor nieuwe situaties in de geluidzone langs de Rijksweg A16 onder de voorwaarde dat de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidbelasting niet hoger mag zijn dan 63 dB (in plaats van 53 dB).

6.5.1 Plangebied

Crisis- en herstelwet

Onder de Crisis- en herstelwet wordt het plangebied aangewezen als ontwikkelgebied. In voorliggende situatie is het dan onder voorwaarden mogelijk om tijdelijk, voor een maximum van 10 jaar, hogere geluidbelastingen toe te staan. Onder de huidige Wet geluidhinder mogen de geluidbelastingen die optreden ter plaatse van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen de geluidzone van een rijksweg ten hoogste 53 dB Lden bedragen inclusief reductie art 110g Wgh (= maximaal te ontheffen waarde). Bij een hogere geluidbelasting kunnen onder het huidige regime geen geluidgevoelige bestemmingen gerealiseerd worden.

Door gebruik te maken van de mogelijkheden in de Crisis- en herstelwet wordt een tijdelijk te hoge geluidbelasting voor een maximale duur van 10 jaar niet gezien als overschrijding van de maximaal te ontheffen waarde en kunnen woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen wel gerealiseerd worden.

Een aanvullende voorwaarde is dat de te toetsen waarde van de geluidbelasting tijdelijk mag afwijken maar voor het woon- en leefklimaat doet de tijdelijk hogere geluidbelasting niets af aan de te realiseren kwaliteit van de woningen: Binnen de verblijfruimten en -gebieden in de woningen dient het akoestisch klimaat te allen tijde op nieuwbouwniveau (Bouwbesluit) gebracht te worden. Anders gezegd: de geluidwerende kwaliteit van de gevels en de bij de woningen behorende buitenruimten (eventueel in combinatie met afschermende gebouwgebonden maatregelen) wordt bepaald op basis van hoogste geluidbelasting, ook al is dit een tijdelijke situatie.

Om gebruik te maken van de Crisis- en herstelwet dient het aannemelijk gemaakt te worden dat de geluidbelastingen binnen de gestelde 10 jaar ook daadwerkelijk zullen afnemen tot op een acceptabel niveau (voor nu: de Wet geluidhinder, maximaal te ontheffen waarde maar later Omgevingswet en grenswaarden). Als de geluidbelastingen afgenomen zijn binnen de periode dat de Crisis- en herstelwet is, zullen de woningen dus een betere geluidwerende gevel ervaren dan strikt noodzakelijk conform Bouwbesluit, kortom er dringt dan minder omgevingsgeluid de woningen binnen.

Tenslotte dient nog vermeld te worden dat op basis van het beoogde plan ondanks de tijdelijk (te) hoge toetswaarde van de geluidbelastingen ten gevolge van de rijksweg, er te allen tijde op woningniveau voldaan wordt aan de aanvullend gestelde eisen in het geluidbeleid van de gemeente Rotterdam. Hiertoe horen de aanwezigheid van geluidluwe gevels (i.v.m. geluidluw spuien). Door optimaal gebruik te maken van ontwerpmogelijkheden waarbij dichte balustrades, of geheel afgeschermde buitenruimtes gerealiseerd worden, wordt ondanks de hoge geluidbelastingen (tijdens periode Crisis- en herstelwet), voldaan aan het geluidbeleid. De periode erna, wanneer de geluidbelastingen daadwerkelijk afgenomen zijn, ervaren de bewoners meer geluidluwe locaties in en om de woningen.

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

In het kader van voorgenomen ontwikkeling is door Cauberg Huygen een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de optredende geluidsbelastingen vanwege wegverkeer ten behoeve van voorgenomen ontwikkeling. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 10.

Het plangebied bevindt zich volgens de Wet geluidhinder binnen de geluidzones van het wegverkeer langs de Rijksweg A16, de Kralingse Zoom en de K.P. van der Mandelelaan. Om die redenen is voor het plangebied een onderzoek Wet geluidhinder uitgevoerd.

Uit de berekeningen blijkt dat:

  • De voorkeursgrenswaarde ten gevolge van het wegverkeer op de A16 wordt overschreden. De hoogst berekende geluidbelasting bedraagt 63 dB (fase 1) en 69 dB (fase 2A), waarmee de maximaal te ontheffen waarde van 53 dB uit de Wet geluidhinder tevens wordt overschreden (bij elk bouwblok van MEQ). Op basis van de Chw is de maximale grenswaarde ten aanzien van de A16 63 dB in plaats van 53 dB (inclusief aftrek). Daarmee wordt bij fase 1 en blok 2 van fase 2A overal voldaan aan de maximale grenswaarde volgens de Crisis- en herstelwet. Op basis van de Chw zijn voor deze bouwblokken geen dove gevels benodigd. Voor blok 1 van fase 2A wordt de maximale grenswaarde volgens de Chw nog steeds overschreden.
  • De voorkeursgrenswaarde ten gevolge van het wegverkeer op de Kralingse Zoom wordt overschreden bij MEQ fase 1 en één rekenpunt bij blok 2 van MEQ fase 2A. De hoogst berekende geluidbelasting bedraagt 57 dB, waarmee de maximaal te ontheffen waarde van 63 dB niet wordt overschreden. Ter hoogte van blok 1 van MEQ fase 2 wordt voldaan de voorkeursgrenswaarde.
  • Vanwege de K.P. Mandelelaan overal voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde, uitgezonderd ter hoogte van blok 1 van MEQ fase 2A waar hogere waarden benodigd zijn. De hoogst berekende geluidbelasting bedraagt 60 dB, waarmee de maximaal te ontheffen waarde van 63 dB niet wordt overschreden.
  • Ten gevolge van wegverkeer op de Max Euwelaan (toegangsweg parkeergarage) sprake is van een verhoogde geluidbelasting (> 53 dB), ten hoogste 60 dB zonder aftrek, ter hoogte van de noordzijde van ME1. Hierdoor is extra aandacht noodzakelijk voor de geluidwering van de gevel. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de geluidbelasting meegenomen in de cumulatie van het omgevingsgeluid.
  • De gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai (Lvl,cum) bedraagt ten hoogste 65 dB zonder aftrek en 63 dB na aftrek bij MEQ fase 1, en ten hoogste 71 dB zonder aftrek en 69 dB na aftrek bij MEQ fase 2A.
  • Bron- of overdrachtsmaatregelen om de geluidbelastingen te reduceren tot onder de voorkeursgrens-waarde zijn niet doelmatig. Wel is het effect van de aanleg van fijn dubbellaags ZOAB op de A16 inzichtelijk gemaakt.
  • Geadviseerd wordt om hogere waarden aan te vragen:
    • 1. Max Euwe Quartier fase 1:
      • a. A16: 53 dB waarbij o.b.v. de Chw voor een periode van 10 jaar 63 dB toegestaan is.
      • b. Kralingse Zoom: 57 dB.
    • 2. Max Euwe Quartier fase 2A:
      • a. A16: 53 dB waarbij o.b.v. de Chw voor een periode van 10 jaar 63 dB toegestaan is.
      • b. Kralingse Zoom: 49 dB.
      • c. K.P. van der Mandelelaan: 60 dB.
  • In paragraaf 6.5 zijn oplossingsrichtingen aangedragen om een geluidluwe zijde te creëren, teneinde te voldoen aan het gemeentelijk geluidbeleid. In een later stadium, bij de verdere uitwerking van de nieuwbouwplannen, dienen de nodige maatregelen bepaald te worden (op individueel woningniveau).
  • Voor alle woningen (met hogere waarden) is het noodzakelijk om een aanvullend onderzoek naar de gevel geluidwering uit te voeren en te toetsen aan de eisen conform artikel 3.1 t/m 3.3 uit het Bouwbesluit. In bijlage 11 is dit onderzoek opgenomen.

Notitie geluidmaatregelen

Uit het onderzoek in bijlage 10 blijkt dat op meerdere gevels de voorkeursgrenswaarde ten gevolge van het aanwezige wegverkeer op de Rijksweg A16 en Kralingse Zoom wordt overschreden. In verband met de benodigde hogere waarden dient het bouwplan tevens te voldoen aan het gemeentelijk geluidbeleid, waarin o.a. aanvullende voorwaarden gesteld zijn voor het realiseren van minimaal één geluidluwe gevel en buitenruimte per woning. Om deze reden is door Cauberg Huygen een notitie opgesteld waarin de benodigde maatregelen zijn toegelicht, zie bijlage 11. In de bijlagen behorend bij deze notitie zijn per bouwblok de geluidmaatregelen gepresenteerd die noodzakelijk zijn om een geluidluwe gevel/ buitenruimte te realiseren. Door toepassing van deze maatregelen wordt voorzien in een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het ontwerpbesluit tot vaststelling van de hogere waarden is opgenomen in bijlage 21 en wordt gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd.

6.5.2 Conclusie

Het aspect geluid leidt niet tot belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

6.6 Luchtkwaliteit

Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn in het bestemmingsplan twee aspecten van belang. Ten eerste dient nagegaan te worden wat de gevolgen zijn van het plan voor de (lokale) luchtkwaliteit. Daarnaast dient te worden nagegaan of de gewenste bestemming past bij de aanwezige luchtkwaliteit. Dit geldt vooral voor bestemmingen die gevoelig zijn voor een verminderde luchtkwaliteit zoals scholen, kinderopvang, bejaardenhuizen, maar ook woningen. Volgens Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit) zijn grenswaarden opgenomen voor de volgende stoffen; zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (fijnstof), lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof worden in Nederland op bepaalde plaatsen overschreden. Vooral langs drukke wegen in stedelijk gebied. Aan de andere grenswaarden wordt voldaan.

De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In de gebieden waar de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald, verbeteren de betrokken overheden met gebiedsgerichte programma's de luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren als maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren. Het NSL moet ervoor zorgen dat overal de grenswaarden worden gehaald. Een groot deel van de maatregelen uit het NSL wordt nu al uitgevoerd. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden.

Tegelijk met de Wet luchtkwaliteit is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De wet maakt onderscheid tussen ruimtelijke projecten die in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling en projecten die daaraan niet in betekenende mate bijdragen. Het besluit regelt de grens daartussen. Het NSL bepaalt de grens tussen wel of niet in betekenende mate op 3% van de grenswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit bij de vaststelling van een ruimtelijk plan. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate bijdragen hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden. De gemeenteraad kan een bestemmingsplan vaststellen als:

  • er door de (ontwikkelingen in) het plan geen grenswaarden worden overschreden;
  • de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof door het plan verbetert of ten minste gelijk blijft;
  • er sprake is van een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof en deze toename wordt gecompenseerd door een met het plan samenhangende maatregel of effect;
  • het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtvervuiling;
  • de in het plan opgenomen ontwikkelingen passen binnen het NSL, of een programma voor het verbeteren van de luchtkwaliteit dat door een ander bestuursorgaan dan het Rijk is opgesteld.

Rotterdams beleid

Om de luchtkwaliteit in Rotterdam te verbeteren en de ontwikkeling van de stad blijvend mogelijk te maken is de Rotterdamse strategie voor Besluit luchtkwaliteit vastgesteld, uitgewerkt in de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit. Daarin worden verschillende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren beschreven. Zo is een slechte luchtkwaliteit bij nieuwbouw een belangrijk aandachtspunt. Herstructurering is alleen mogelijk als dat resulteert in netto minder blootgestelde inwoners. In overschrijdingsgebieden is nieuwbouw niet toegestaan.

Rotterdam kent een Beleidsregel buitenklimaat: Luchtkwaliteit bij scholen en kinderopvang. De beleidsregel is van toepassing op scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs en kinderopvang. Deze beleidsregel heeft tot doel het tegengaan van blootstelling van kinderen aan te hoge concentraties van schadelijke stoffen in de buitenlucht. De beleidsregel heeft betrekking op de gronden binnen 100 meter vanaf de rand van een snelweg en binnen 50 meter vanaf de rand van een drukke binnenstedelijke weg (de belaste zone). De beleidsregel is bedoeld om toe te passen bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan. Toepassing van de beleidsregel in een plan wil zeggen dat er binnen de belaste zone in principe geen nieuwe bestemmingen worden toegekend waarbinnen scholen en kinderdagverblijven mogelijk zijn.

6.6.1 Plangebied

Ten behoeve van het bestemmingsplan is nagegaan of de ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt wel of niet in betekenende mate bijdragen aan een toename van de concentratie luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Door KuiperCompagnons is een onderzoek naar de luchtkwaliteit uitgevoerd, zie bijlage 12. Fase 2b is in dit onderzoek ook opgenomen.

Aan de hand van berekeningen is aangetoond dat de luchtkwaliteit voor de maatgevende stoffen stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5) langs de wegen en binnen het plangebied ruimschoots voldoet aan de grenswaarden. Derhalve leidt het aspect luchtkwaliteit niet tot belemmeringen voor de ontwikkeling van woningen binnen het plangebied.

6.6.2 Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit leidt niet tot belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

6.7 Bodem

De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische-, of aardkundige waarde, energie-opslag, waterberging, drinkwaterwinning.

Deze functies worden indien relevant eerder in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal. Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is.

6.7.1 Plangebied

In het vigerende bestemmingsplan kennen de gronden in het plangebied de bestemmingen 'Gemengd - 1' en 'Groen'. Binnen beide bestemmingen is de realisatie van woningen niet toegestaan. Op basis van de bestemming 'Groen' is het daarnaast niet toegestaan om functies als kantoren, lounges en restaurants te ontwikkelingen. Met voorgenomen ontwikkeling wordt daarom voorzien in gevoeligere functies dan op basis van het vigerende bestemmingsplan is toegestaan. Bodemonderzoek is noodzakelijk om te bepalen of de bodemkwaliteit geschikt is voor de toekomstige functie.

Door ABO Milieuconsult is een verkennend bodemonderzoek, conform NEN 5725 en NEN 5740 uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. In bijlage 13 is de volledige rapportage te downloaden. Hieronder worden de belangrijkste resultaten uiteengezet.

Uit het onderzoek blijkt dat in vier boringen (05, 21, 31 en 34) zintuiglijk baksteen, glas en metselpuin in de ondergrond (variërend van 0,90- 4,00 m-mv) worden waargenomen.

Bovengrond
In het grondmengmonster M02 overschrijdt het gehalte kwik de betreffende achtergrondwaarde en in het grondmengmonster M04 overschrijden de gehalten PCB, zink, cadmium, kwik, lood en PAK de betreffende achtergrondwaarden. De overige gehalten van de geanalyseerde parameters zijn alle lager dan de betreffende achtergrondwaarden. In de grondmengmonsters M01, M03 en M05 zijn de gehalten van alle onderzochte parameters lager dan de achtergrondwaarden.

Ondergrond
In het grondmengmonster M06 overschrijden de gehalten koper, zink, kwik en lood de betreffende achtergrondwaarden, in het grondmengmonster M07 overschrijden de gehalten kwik en lood de betreffende achtergrondwaarden en in het grondmengmonster M09 overschrijden de gehalten PCB en kwik de betreffende achtergrondwaarden. De overige gehalten van de geanalyseerde parameters zijn allen lager dan de betreffende achtergrondwaarden. In het grondmengmonster M08 zijn de gehalten van alle onderzochte parameters lager dan de betreffende achtergrondwaarden.

PFAS
Op basis van de onderzoeksresultaten kan geconcludeerd worden dat de gehalten PFOA en PFOS licht verhoogd zijn aangetoond in het grondmengmonster PFAS noord. De gehalten overschrijden de toepassingsnorm voor bodemfunctieklasse Landbouw/natuur, maar voldoen aan de toepassingsnorm voor bodemfunctieklasse Wonen. De gehalten PFOA en PFOS zijn niet verhoogd aangetoond in het grondmengmonster PFAS zuid.

Grondwater
In het grondwater uit de bestaande peilbuis (reeds aanwezig op de onderzoekslocatie van een voorgaand onderzoek, filterstelling: 1,80 - 2,80 m-mv) overschrijdt de concentratie barium de betreffende streefwaarde. De overige concentraties van de geanalyseerde parameters in de bestaande peilbuis zijn alle lager dan de betreffende streefwaarden. In het grondwater uit peilbuizen 13, 21 en 31 (filterstellingen: 2,00 - 3,00 m-mv, 3,00 - 4,00 m-mv en 2,40 - 3,40 m-mv) zijn de concentraties van alle onderzochte parameters lager dan de betreffende streefwaarden.

De hypothese "De onderzoekslocatie is onverdacht" dient, op basis van de licht aangetroffen gehalten in de boven- en de ondergrond en het licht verhoogde concentratie barium in het grondwater, verworpen te worden.

Conclusie

De licht verhoogde waarden, in de boven- en de ondergrond en in het grondwater, zijn dermate gering dat de resultaten hiervan geen aanleiding geven tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De vastgestelde bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling. In het grondmengmonster MMASBEST is zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest aangetoond. De onderzoekslocatie is niet asbestverdacht.

6.8 Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over risico's voor de omgeving als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen, zoals productie, op- en overslag en transport. Rotterdam, met zijn haven en vele industriële activiteiten, is bij uitstek een stad waar externe veiligheid een grote rol speelt. Daarnaast vindt in de regio veel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dat Rotterdammers daardoor gemiddeld een groter risico lopen betrokken te raken bij een incident met gevaarlijke stoffen is evident. Verantwoord omgaan met die risico's is een belangrijke opgave voor Rotterdam. Het reduceren en beheersen van deze risico's is het terrein van externe veiligheid.

Externe veiligheid heeft betrekking op inrichtingen (risicovolle bedrijven), transport (water, weg, spoor en buisleidingen) en luchthavens. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden veiligheidsnormen opgelegd aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Vervoerders van gevaarlijke stoffen over de Rijksinfrastructuur (weg, spoorweg en water) moeten gebruik maken van het Basisnet, het hiervoor landelijk aangewezen netwerk. De wetgeving over het Basisnet is vastgelegd in een stelsel van wetten en regels die samen de “Wet Basisnet” worden genoemd. Voor de ruimtelijke ordening in relatie tot het Basisnet zijn het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet van belang. Er is aparte wetgeving voor vuurwerk en explosieven voor civiel gebruik. Voor de oevers van de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas heeft de provincie heeft in artikel 11 van haar Verordening Ruimte een veiligheidszone van 25 meter vastgesteld, waarin geen bebouwing is toegestaan. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

In de wetgeving zijn grenswaarden vastgelegd voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). Deze hebben als doel zowel individuen als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR is de kans dat iemand overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen in zijn omgeving. Dit risico zegt iets over de kans op een ongeval met dodelijke slachtoffers. Het GR is de kans dat meerdere personen tegelijk dodelijk slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Daarbij wordt bijvoorbeeld gerekend met tien, honderd of duizend slachtoffers tegelijk. Dit risico zegt iets over de omvang van een ongeval en de maatschappelijke ontwrichting. Het GR kent geen wettelijke normen of grenswaarden, maar een oriënterende waarde en een verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag

Rotterdams beleid

De wetgever biedt gemeenten beleidsvrijheid om groepsrisicobeleid te formuleren dat recht doet aan lokale omstandigheden. In Rotterdam is dit vastgelegd in het Beleidskader Groepsrisico. Daarin streeft Rotterdam voor stad en haven naar een situatie waarbij het groepsrisico voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en/of uitbreiding van risicovolle activiteiten zo laag mogelijk is. Bij voorkeur een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Deze ambitie krijgt vorm door, ongeacht de hoogte van het GR ten opzichte van de oriëntatiewaarde, te streven om het GR niet toe te laten nemen, waarbij een afname de voorkeur geniet. Indien dit niet realistisch is wordt door middel van maatwerk gestreefd naar een zo laag mogelijk GR. Bij een toename van het groepsrisico als gevolg van een plan, of een overschrijding van de oriënterende waarde is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR).

6.8.1 Plangebied

Het voornemen bestaat om in het plangebied vijf kantoorpanden te slopen en hier een gemengd programma te realiseren in drie deelgebieden. Met de ontwikkelingen wordt de realisatie van nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. In de omgeving van de locatie zijn de volgende relevante risicobronnen aanwezig:

  • Vervoer gevaarlijke stoffen over de rijksweg A16;
  • Vervoer gevaarlijke stoffen over de Abram van Rijckevorselweg;
  • Vervoer gevaarlijke stoffen over de rivier de Maas;
  • Vervoer gevaarlijke stoffen over de spoorlijn Rotterdam - Maasvlakte / Rotterdam - Dordrecht.

Door KuiperCompagnons is een onderzoek uitgevoerd naar deze risicobronnen. De volledige rapportage is in bijlage 14 opgenomen. Hieronder zijn de belangrijkste bevindingen weergegeven.

De deelgebieden Fase 2A en 2B zijn gelegen binnen het verantwoordingsgebied van de rijksweg A16. De hoogte van het groepsrisico van de rijksweg is berekend met RBMII. Uit de berekeningen kan geconcludeerd worden dat het GR in de plansituatie toeneemt van 3,40 keer de oriëntatiewaarde naar 3,91 keer de oriëntatiewaarde. Dit is een toename van 0,51 oftewel 15%. De maatgevende kilometer en het maatgevende punt zijn in de huidige situatie en de plansituatie hetzelfde. Er is zowel in de huidige als plansituatie een overschrijding van de oriëntatiewaarde.

Op basis de hoogte van het GR is volgens het gemeentelijk beleid een zware verantwoording benodigd. Deze verantwoording is opgenomen in de notitie: “Verantwoording Groepsrisico Brainpark Fase 1, 2A en 2B”. Deze notitie is opgenomen als bijlage 15. Uit het onderzoek wordt geconcludeerd dat het vervoer van gevaarlijke stoffen over de rijksweg A16 een overschrijding van het groepsrisico veroorzaakt in de huidige en plansituatie waardoor een zware verantwoording benodigd is. Het plangebied is tevens gelegen binnen het invloedsgebied van de Abram van Rijckevorselweg, rivier de Maas en de spoorlijn Rotterdam - Maasvlakte / Rotterdam – Dordrecht.

De ontwikkeling van het plangebied past binnen de ambitie van de gemeente Rotterdam om het gebied Brainpark I te transformeren van kantorenpark naar een levendige stadswijk. Op 2 december 2021 is het Masterplan Brainpark I door het college van B&W van de gemeente Rotterdam vastgesteld. Door de uitwerking van deze ambitie zullen in de toekomst meer personen in het gebied aanwezig zijn dan dat nu het geval is, waardoor het groepsrisico onvermijdelijk toe zal nemen. De voordelen van het ontwikkelen van Brainpark tot levendige stadswijk wegen daarbij op tegen de met EV samenhangende aspecten. Gezien de relatief grote afstand van het plangebied tot de risicobron en de aard van de risicobron zijn bronmaatregelen voor specifiek alleen het plangebied niet effectief/doelmatig.

In het plangebied worden geen functies mogelijk gemaakt die specifiek bedoeld zijn voor personen met een beperkte zelfredzaamheid, zoals ouderen of gehandicapten. Evenwel is het natuurlijk niet uit te sluiten dat kinderen, ouderen en/of gehandicapten in het plangebied aanwezig zijn. Vanuit maatschappelijk oogpunt is het juist gewenst dat dergelijke specifieke doelgroepen zich gelijkmatig ‘verspreiden’ tussen de reguliere doelgroepen.

Voor de beschouwde risicobronnen gelden verschillende ongeval scenario’s. In het geval van een BLEVE kan gevlucht worden, mits men zich niet binnen de 100% letaliteitscontour bevind. In het geval van een toxisch scenario kunnen aanwezigen het beste binnen in gebouwen schuilen tegen de toxische effecten.

Voor de verschillende ongevalsituaties is het mogelijk om de volgende maatregelen te treffen tot de voorbereiding van bestrijding van rampen binnen het plangebied:

  • nooduitgangen van de bron af construeren;
  • in het stedenbouwkundig ontwerp rekening houden met de bereikbaarheid van hulpverleningsdiensten;
  • effectieve bluswatervoorziening;
  • E-Alert;
  • afsluitbare mechanische ventilatiesystemen;
  • risicocommunicatie naar de bewoners/werknemers.

Het advies van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond met betrekking tot bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid is in deze rapportage verwerkt.

6.8.2 Conclusie

De oriëntatiewaarde van het groepsrisico wordt overschreden in de huidige situatie en in de plansituatie. In de plansituatie neemt het groepsrisico toe. In het plangebied worden geen functies mogelijk gemaakt die specifiek bedoeld zijn voor personen met een beperkte zelfredzaamheid, zoals ouderen of gehandicapten. Voor de verschillende ongevalsituaties is het mogelijk om maatregelen te treffen tot de voorbereiding van bestrijding van rampen binnen het plangebied. Tevens is een verantwoording van de groepsrisico opgenomen.

6.9 Natuur

Per 1 januari 2017 heeft de Wet natuurbescherming (Wnb) onder meer de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet vervangen. De Wet natuurbescherming is de Nederlandse implementatie van het Europese natuurbeleid zoals vastgelegd in de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn en in de verdragen van Bern en Bonn.

De Wet natuurbescherming heeft de volgende doelstellingen; -het behouden en ontwikkelen van natuur, - het behouden en herstellen van de biodiversiteit, -het duurzaam kunnen blijven inzetten van natuur voor ecosysteemdiensten en -het realiseren van samenhangend beleid gericht op het behoud van waardevolle landschappen vanwege hun maatschappelijke functies. De Wet natuurbescherming verwezenlijkt bovenstaande doelen via; actieve natuurbescherming, gebiedsbescherming, soortbescherming en algemene zorgplicht voor natuur.

Actieve natuurbescherming volgt uit de door de EU aan haar lidstaten opgelegde verplichting zorg te dragen voor een goede stand van de natuur. Op provinciaal niveau is dit onderdeel van de Wet natuurbescherming nog niet uitgewerkt.

De Wet natuurbescherming kent geen procedurele vereisten bij het opstellen van ruimtelijke plannen. In de toelichting van het bestemmingsplan dient te worden gemotiveerd dat het plan aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van de Wet natuurbescherming. Het begrip 'aanvaardbaar' betekent dat bij de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt of een ontheffing mogelijk is. Bij vaststelling van het (ontwerp) bestemmingsplan dient deze toetsing aan de Wet natuurbescherming in principe afgerond te zijn. Echter het bestemmingsplan kijkt 10 jaar vooruit, en het is nog niet bekend wanneer de mogelijk gemaakte ontwikkelingen ook daadwerkelijk plaats gaan vinden. Uitgebreid onderzoek naar flora en fauna wordt in dit stadium bij een gebiedsbestemmingsplan daarom geen redelijke inspanning geacht. Wel wordt onderzocht of de nieuw mogelijk gemaakte ontwikkelingen geen onoverbrugbare strijdigheden met de Wet natuurbescherming opleveren (aanvaardbaarheidstoets).

Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen een bestaande bestemming of bij een veranderende bestemming (bijvoorbeeld sloop en nieuwbouw of renovatie) dient voorafgaand aan de werkzaamheden nog wel flora en faunaonderzoek te worden uitgevoerd naar de specifieke effecten van de betreffende ontwikkeling op potentieel aanwezige beschermde flora en fauna.

6.9.1 Rotterdams beleid

Op 18 maart 2014 is door B&W de Rotterdamse Natuurkaart vastgesteld. Het doel van de Natuurkaart Rotterdam is om de omgevingskwaliteit te verbeteren door meer rekening de houden met de ecologische kansen op ontwikkellocaties. Ingezet wordt op het verbinden van gebieden waar ecologische kwaliteit aanwezig is en deze gebieden ook te verbinden met Natuurnetwerk Nederland. In dit document worden geen specifieke uitspraken gedaan met betrekking tot voorliggend plangebied.

6.9.2 Gebiedsbescherming

De Wet natuurbescherming is één van de belangrijkste kaders voor gebiedsbescherming van natuurwaarden. Deze wet regelt de bescherming van gebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Wanneer in of in de nabijheid van een dergelijk gebied een activiteit plaatsvindt die leidt tot nadelige effecten op de natuurdoelstellingen van het gebied, dan dient hiervoor een vergunning te worden aangevraagd.

Daarnaast bestaan gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur).

Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is 'Boezems Kinderdijk', op circa 7,8 kilometer afstand tot het plangebied. Op 8,9 kilometer ligt het Natura 2000-gebied 'Oude Maas'. Beide gebieden zijn niet stikstofgevoelig. Gezien de grote afstand zijn overige effecten, zoals geluid- en lichthinder, niet te verwachten.

Op circa 18,5 ligt het stikstofgevoelige Natura 2000-gebied 'Biesbosch'. Ondanks de relatief grote afstand kan stikstofdepositie, als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling, mogelijk leiden tot negatieve effecten op dit gebied. Om deze reden is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd.

De Wet stikstofreductie en natuurverbetering is op 1 juli 2021 in werking getreden. Via het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering, waarin de stikstofwet verder is uitgewerkt, geldt per 1 juli een vrijstelling voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten omdat de emissies tijdelijk en beperkt zijn. De aanlegfase hoeft niet langer te worden berekend. Een berekening voor de gebruiksfase blijft wel nodig.

Door KuiperCompagnons is een stikstofonderzoek uitgevoerd voor gebruiksfase van dit project, zie bijlage 17. In deze notitie is de stikstofdepositie in de gebruiksfase voor het gebruik van de nieuwe woningen en voorzieningen beschouwd.

Uit dit onderzoek wordt geconcludeerd dat met zekerheid kan worden gesteld dat geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden door het gebruik van de voorgenomen ontwikkeling. Dit betekent dat significant negatieve effecten op de instandhouding van die gebieden kunnen worden uitgesloten en dat de Wet natuurbescherming niet leidt tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit plan.

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de voormalige ecologische hoofdstructuur van het Rijk en de provincies. Het plangebied grenst niet aan het Natuurnetwerk Nederland. Hierdoor is toetsing aan de wet- en regelgeving omtrent het NNN niet nodig.

6.9.3 Soortbescherming

Ook het aspect 'soortbescherming' vindt sinds 1 januari 2017 zijn wettelijk kader in de Wet natuurbescherming; deze wet beschermt de in deze wet aangemerkte soorten planten en dieren, ongeacht waar die zich bevinden. Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd en zijn de soorten onderverdeeld in twee groepen:

  • strikt beschermde soorten, volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn;
  • alle overige beschermde soorten, waaronder die uit de Rode Lijst.

Door het Natuur-Wetenschappelijk Centrum is een quickscan flora en fauna uitgevoerd, zie bijlage 16. In dit rapport zijn alle bevindingen opgenomen. Tevens is er aanvullend onderzoek naar vleermuizen, de gierzwaluw en de steenmarter uitgevoerd, zie bijlage 18. Hieronder zijn de belangrijkste resultaten uiteengezet.

Vleermuizen

De aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied kan niet met zekerheid uitgesloten worden. Het slopen van kantoorpand D kan verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten zoals de Gewone dwergvleermuis en Laatvlieger nadelig beïnvloeden. Door het kappen van de boom met een mogelijk geschikte holte kan een nadelig effect optreden op de verblijfplaatsen van boombewonende vleermuissoorten. De bosschages en bomenrijen vormen lijnvormige elementen die deel uit kunnen maken van vliegroutes en foerageergebied. Door het rooien van alle vegetatie wordt een nadelig effect verwacht op deze mogelijke vliegroute en foerageergebied.

Om deze redenen is aanvullend vleermuisonderzoek naar verblijfplaatsen uitgevoerd. Uit het aanvullend onderzoek blijkt dat de aanwezige vaste verblijfplaatsen van Gewone dwergvleermuis, door sloop van de gebouwen beschadigd en of vernield kunnen worden. Er is in dat geval tijdelijke compensatie en permanente compensatie noodzakelijk. Er dient een ontheffing te worden aangevraagd waarbij in een op te stellen ‘activiteitenplan’ deze maatregelen worden uitgewerkt.

Het foerageergebied binnen het plangebied maakt slechts een klein deel uit van een veel groter foerageergebied en is geen ‘essentieel’ deel van het leefgebied. De vleermuizen kunnen derhalve uitwijken.

De Watervleermuis is kritischer/beperkter in zijn keuze voor foerageergebied dan bijvoorbeeld de Gewone dwergvleermuis. De vijver die gebruikt wordt als foerageergebied ligt buiten het plangebied en zal dus behouden blijven voor deze soort als foerageergebied. Watervleermuizen hebben een sterke voorkeur voor locaties met weinig licht. Let daarom op dat er niet te veel lichtuitstraling vanaf het plangebied richting de vijver is.

Vogels met een vaste verblijfplaats

Er zijn geen nesten van kraaiachtigen of verblijfplaatsen van vogels met een vaste verblijfplaats aangetroffen in het plangebied. Één van de gebouwen in het plangebied is mogelijk geschikt als verblijfplaats voor de Gierzwaluw. Door het slopen van gebouw D kunnen deze vernield worden.

Volgens de Wet natuurbescherming moet derhalve aanvullend onderzoek naar de functie van kantoorpand D voor de Gierzwaluw worden gedaan.

Uit het aanvullend onderzoek blijkt dat er geen Gierzwaluwen waargenomen zijn in het plangebied. Er kunnen daarom geen negatieve gevolgen zijn door de plannen voor de Gierzwaluw.

Grondgebonden zoogdieren

In het plangebied zijn dichte bosschages aanwezig die geschikt kunnen zijn voor de verplaatsing van en/of als schuilmogelijkheid voor de Steenmarter.

Volgens de Wet natuurbescherming moet daarom aanvullend onderzoek naar de functie van vegetatie worden gedaan.

Uit het aanvullend onderzoek blijkt dat er geen Steenmarters waargenomen zijn in het plangebied. Er kunnen daarom geen negatieve gevolgen zijn door de plannen voor Steenmarters

Algemene (broed) vogels

De platte daken vormen geschikt broedbiotoop voor soorten als scholeksters en meeuwen. Ook is er in het plangebied een actief houtduivennest aangetroffen. Nesten van deze soorten zijn beschermd zolang zij in gebruik zijn. Voor deze soorten geldt dat er buiten het broedseizoen gewerkt moet worden en/of een check voorafgaand aan de werkzaamheden door een ecologisch deskundige.

Overige broedvogels

In het plangebied zijn geen vogelsoorten met jaarrond beschermde verblijfplaatsen aanwezig. Er kunnen in de bebouwing of het omliggend groen in het broedseizoen wél andere soorten broedvogels vestigen met niet-jaarrond beschermde nesten (zie ook Scholekster).

Dergelijke vogelnesten kunnen worden vernield bij ecologisch gevoelige werkzaamheden zoals het rooien en kappen van struiken en bomen het slopen van bebouwing, diverse graafwerkzaamheden of het verwijderen van de vegetatie-toplaag.

Men dient deze activiteiten waarbij nesten verstoord of vernield kunnen worden daarom buiten het broedseizoen plaats te doen vinden, dus niet van grofweg 15 maart tot 15 juli. Deze periode is afhankelijk van bijvoorbeeld het weer en de betrokken soorten. Als onverhoopt buiten deze periode vogels broedend aanwezig zijn, dienen werkzaamheden plaatselijk te worden uitgesteld.

Wanneer toch in het broedseizoen gewerkt gaat worden is het mogelijk – voorafgaand aan het broedseizoen of voorafgaand aan de vestiging van broedvogels – het plangebied ongeschikt te maken als (nog) geen nesten aanwezig zijn.

Scholekster 

De Scholekster is broedend vastgesteld op het platte dak van Max Euwelaan 1. De Scholekster heeft geen jaarrond beschermd nest of een bescherming onder categorie 5. Wel is een broedgeval beschermd, zoals voor iedere vogel geldt.

Boomkruiper 

Tijdens het aanvullend onderzoek zijn bij diverse ronden één of twee Boomkruipers waargenomen slapend op Max Euwelaan 35. De Boomkruiper is een categorie 5 soort. Voor een categorie 5 soort geldt dat deze moet kunnen uitwijken als zijn nest of essentieel leefgebied wordt aangetast. Het verdwijnen van het gebouw waarop de slaapplekken zich bevinden zal leiden tot uitwijken van deze vogels. In de omgeving zijn voldoende alternatieve slaapplekken aanwezig in bomen en gebouwen.

Aquatische fauna

De aanwezigheid van strikt beschermde vissoorten en andere aquatische fauna binnen het plangebied kan met voldoende zekerheid uitgesloten worden. Er bestaan daarom vanuit de Wet natuurbescherming, op de zorgplicht na, geen verdere veprlichtingen ten aanzien van deze soortgroep. Maatregelen die in het kader van de zorgplicht in acht genomen dienen te worden, zijn;

  • bij voorkeur nieuwe watergangen eerst realiseren vóór de oude gedempt worden, zodat de populatie daarheen verplaatst kan worden;
  • mitigerende maatregelen, zijne het afdammen van delen van de watergangen en het wegvangen en verplaatsen van vissen en ongewervelden, uitvoeren vooruitlopend op de werkzaamheden, maar niet bij vorst.

Zorgplicht

Tenslotte geldt voor alle plant- en diersoorten (ook de onbeschermde) de zorgplicht. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden.

6.9.4 Conclusie

Uit de uitgevoerde stikstofonderzoeken blijkt dat het aspect 'stikstof' geen belemmering vormt voor de gebruiksfase.

In het plangebied komen geen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels voor. In het plangebied kunnen wél broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen duurt ruwweg van half maart tot half juli.

In het plangebied zijn verblijvende vleermuizen aangetroffen. Het gaat om de Gewone dwergvleermuis. Indien werkzaamheden worden verricht aan gebouwen of bomen waarin verblijfplaatsen van vleermuizen zijn aangetroffen, dan dient een plan van aanpak gemaakt te worden waarin mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven om negatieve effecten die kunnen optreden teniet te doen. Dit plan dient te worden ingediend in het kader van een WABO-procedure of in het kader van een ontheffingsaanvraag Wnb. Wanneer voldoende compenserende en/of mitigerende maatregelen worden getroffen en een geldig belang uit de Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn aanwezig is, wordt door de provincie een verklaring van geen bedenkingen afgegeven (Wabo-procedure) of een ontheffing (ontheffingsaanvraag Wnb).

Mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgevoerd door onder andere vleermuiskasten in de omgeving van het plangebied op te hangen. De benodigde ontheffingen worden aangevraagd.

Het foerageergebied voor vleermuizen binnen het plangebied maakt slechts een klein deel uit van een veel groter foerageergebied en is geen ‘essentieel’ deel van het leefgebied. De vleermuizen kunnen derhalve uitwijken.

Voor overige aanwezige soorten geldt onverminderd de zorgplicht.

6.10 Klimaat

Recentelijk is artikel 6.50 'Risico's van klimaatverandering' toegevoegd aan de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Op grond van dit artikel dient in een bestemmingsplan rekening te worden gehouden met de gevolgen van de risico's van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico's ten aanzien van wateroverlast door overvloedige neerslag, overstroming, hitte en droogte.

6.10.1 Wateroverlast door overvloedige neerslag

In het Masterplan zijn maatregelen met betrekking tot neerslag opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling houdt bij de definitieve uitwerking rekening met onderstaande punten.

  • Opvang van neerslag daar waar hij valt. Het water wordt op gebiedsniveau opgevangen en bij een bepaalde hoeveelheid neerslag afgegeven aan grotere afwateringssystemen.
  • Op gebouwniveau is er een buffercapaciteit, zodat niet al het hemelwater in de openbare ruimte wordt verwerkt.
  • De opvangcapaciteit van het totale plangebied is minimaal 50 mm. De opvang van meer neerslag vermindert de kwetsbaarheid bij extreme buien. Een opvangcapaciteit van 100 mm of meer is een ondergrens voor een waterrobuuste inrichting.
  • Als de neerslag is opgevangen, moet het water weer worden afgevoerd. Dit kan door het nuttig toe te passen in het gebouw of gebied en door het af te voeren naar buiten het plangebied.
  • De maatregelen voor het verwerken van neerslag hebben geen nadelige gevolgen voor de grondwaterstand in het gebied en de omgeving.
  • De waterberging is een tijdelijke opslag van water; 48 uur na een bui moet de waterberging weer beschikbaar zijn. Dit kan door infiltratie in het gebied, maar dat heeft wel gevolgen voor de omgeving. Maar ook door nuttige toepassingen in het gebouw of gebied, de zogenoemde grijswatertoepassingen, of door afvoer. Dat laatste heeft niet de voorkeur.

In hoofdstuk 5 wordt aandacht besteed aan het thema water. In het toekomstige ontwerp van de openbare ruimte wordt er rekening gehouden met 2.980 m2 nieuw oppervlaktewater. De compensatie dient plaats te vinden in peilgebied GPG-169. De neerslag die binnen het plangebied valt wordt niet via het rioolstelsel, maar via het wateroppervlak afgevoerd.

Daarnaast wordt het kelderdek voorzien van 1 meter gronddekking. Hiervan wordt 50% uitgevoerd als groen (en dus onverhard). Hierdoor kan het hemelwater in de bodem opgenomen worden.

6.10.2 Overstroming

Hierboven staat beschreven dat er maatregelen worden genomen om overstromingen door neerslag te voorkomen. Zo wordt er voldoende water gerealiseerd.

In het plangebied bevinden zich geen primaire of regionale waterkeringen. Het plangebied ligt geheel binnendijks, binnen de primaire waterkeringen van dijkring 14 (Zuid-Holland). Deze dijkring heeft een overschrijdingskans van 1 op 10.000 jaar. Een overstroming doordat de dijken breken is erg klein. Niettemin wordt door verschillende organisaties gewerkt aan de waterveiligheid. Werken aan waterveiligheid doet de provincie samen met haar partners: Europa, Rijksoverheid, waterschappen, gemeenten en maatschappelijke organisaties. Zo werken waterschappen en provincie bijvoorbeeld nauw samen als dijken langs grote rivieren en de zeewering (zogenoemde primaire keringen) moeten worden versterkt. Hierbij speelt de ruimtelijke kwaliteit ook een belangrijke rol. Verder stelt de provincie veiligheidsnormen voor regionale waterkeringen (dijken merendeels gelegen langs boezemwateren) vast en de termijn waarop deze keringen aan de norm moeten voldoen. Om te voorkomen dat regionale waterkeringen bij hevige regenval bezwijken, heeft de provincie grote gebieden waar waterberging kan plaatsvinden, ruimtelijk vastgelegd. Zo werkt de provincie aan een veilige en aantrekkelijke leef- en werkomgeving, voor nu en de toekomst.

6.10.3 Hitte

De kans op een hittegolf is steeds groter in Nederland. De afgelopen jaren werd het ene na het andere hitterecord verbroken. De binnen- en buitenruimte is hier niet op ontworpen, terwijl hitte grote gezondheidsrisico's met zich mee kan brengen.

Een versteende omgeving houdt de hitte vast en het koelt 's nachts niet meer af. Om hitte tegen te gaan is in dit plan voldoende water en groen opgenomen. Bij hitte kan een deel van dit water verdampen en het gebied verkoelen. Tevens zorgen de bomen voor voldoende schaduwplekken.

Om te zorgen dat de huizen die gebouwd worden bestand zijn tegen de weersextremen van de toekomst wordt er zoveel mogelijk klimaatadaptief gebouwd. De woningen zullen ten minste voldoen aan de wettelijke verplichtingen.

In het Masterplan is opgenomen dat de gebiedsontwikkeling moet zorgen dat de omgevingstemperatuur verlaagt. Het streven is de gevoelstemperatuur te verlagen met 5 – 7 graden (of het comfort-niveau ‘lichte hittestress’ te bereiken). Dit moet ten minste modelmatig gemonitord worden en per fase (van ontwikkeling) getoetst worden of dit gehaald wordt.

6.10.4 Droogte

Tijdens het droogteseizoen, van april tot oktober, is door de start van het groeiseizoen en de stijgende temperaturen de kans op watertekort aanwezig. Daarom monitoren de waterbeheerders, hoogheemraadschappen, waterschappen en drinkwaterbedrijven de situatie met het oog op eventuele problemen met droogte, watertekort en -kwaliteit.

Binnen het plangebied wordt voldoende water gerealiseerd dat in verbinding staat met het gehele watersysteem. Bij droogte kunnen hoogheemraadschappen en waterschappen ervoor kiezen water van het boezemwater via inlaten aan te vullen. Ook kan het waterpeil verhoogd worden zodat er meer water vastgehouden kan worden.

6.11 Circulair slopen en bouwen

6.11.1 Brainpark Circulair

Bij de vaststelling van het Masterplan Brainpark I is de motie Brainpark Circulair aangenomen. Hierin is opgenomen dat de college de ambitie heeft dat Rotterdam in 2050 volledig circulair is, waarbij;

  • bouwafval 40% van de totale Nederlandse afvalstroom vormt;
  • Brainpark I in de huidige situatie een multifunctioneel kantoren gebied is met gebouwen uit eind jaren '80 begin jaren '90 dat getransformeerd wordt;
  • een circulaire aanpak wordt geambieerd waarbij afval niet meer bestaat, kringlopen gesloten worden en steeds minder nieuwe grondstoffen benut worden;
  • de gemeente probeert de eigenaren/ ontwikkelaars te verleiden om hun vastgoed te transformeren en daarbij het gebied te verdichten.

In deze motie wordt het college verzocht om per ontwikkelaar of kavel een Plan van Aanpak Circulair bouwen op te stellen met daarin:

    • 1. Een onderbouwing op welke wijze wordt gestuurd op waarde behoud van bestaande gebouw(delen), materialen, het reduceren van sloop- en bouwafval en de manier waarop invulling wordt gegeven aan de doelen voor circulair bouwen;
    • 2. Een uitwerking hoeveel van de uitkomende materialen door sloop en bouw minimaal wordt hergebruikt en gerecycled in het gebied of elders toegepast;
    • 3. Over deze aanpak circulair bouwen te rapporteren aan de raad.

6.11.2 Masterplan circulair

Er wordt een waarde-scan gedaan van bestaande bebouwing en onderdelen in de buitenruimte. Dit is een inventarisatie van wat er al in het gebied is en wat behouden kan worden; als product, als materiaal of als grondstof. Op basis van de waarde-scan wordt een materialenpaspoort opgesteld van hoogwaardige elementen die behouden blijven in de gebouwde omgeving en / of de buitenruimte. Slopen en demonteren van bestaande bouwwerken gebeurt op slimme en circulaire wijze. Hierbij wordt gestuurd op waarde-behoud en het beperken van afval. Van de uitkomende materialen wordt bij voorkeur zoveel mogelijk binnen de eigen projecten hergebruikt en anders zo dicht bij de slooplocatie mogelijk.

Hoofdstuk 7 Handhaving

In veel gevallen zijn illegale bebouwing en gebruik voor de gemeente niet direct kenbaar. Veelal komt de gemeente daar achter nadat door belanghebbenden is geklaagd over overlast. Inspectie ter plaatse en raadpleging van het ter plaatse geldende bestemmingsplan leert pas dan of er sprake is van strijd met de gegeven bestemming en of daartegen kan worden opgetreden.

Op grond van gemeentebeleid, neergelegd in het “Handhavingsbeleidsplan Toezicht Gebouwen” uit 2009 wordt bij de huidige aanpak eerst gekeken of het gebruik/bouwwerk kan worden gelegaliseerd. Als legalisatie niet mogelijk of wenselijk is, zal de overtreder doorgaans met een dwangsom worden gesommeerd om binnen een bepaalde periode een einde te maken aan de overtreding.

Hoofdstuk 8 Financiële uitvoerbaarheid

Exploitatieverplichting
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld.

Gelet op het voorgaande wordt in het kader van de voorgenomen ontwikkeling een privaatrechtelijke overeenkomst gesloten tussen de gemeente en de initiatiefnemer. Daarmee wordt het voorliggende initiatief financieel uitvoerbaar geacht.

Conclusie

Gezien het voorgaande wordt het plan financieel uitvoerbaar geacht.

Hoofdstuk 9 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

9.1 Participatie

Ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, zal een ieder gedurende zes weken, in de gelegenheid worden gesteld een zienswijze in te dienen met betrekking tot het ontwerpbestemmingsplan. Daarnaast zal voor deze inzagetermijn of tijdens deze inzagetermijn een bewonersavond worden georganiseerd waar de plannen worden gepresenteerd.

Hoofdstuk 10 Procedure

10.1 Voorbereidingsfase

Overleg

Op grond van artikel 3.1.1 van het Bro dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een wijzigingsplan overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de Rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn.

In dit kader is het voorontwerpbestemmingsplan voor advies toegezonden aan de verschillende belanghebbende instanties. De volgende vooroverlegpartners hebben gereageerd op het plan: Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR), Hoogheemraadschap van Delfland, de gemeente Capelle aan den IJsel en de provincie Zuid-Holland.

De ontvangen overlegreacties zijn samengevat en beantwoord in een Nota vooroverleg, die als bijlage 19 bij deze toelichting is gevoegd. De overlegreactie van VRR heeft niet geleid tot aanpassingen en is ter kennisgeving aangenomen. Naar aanleiding van de overlegreacties van de provincie Zuid-Holland, het Hoogheemraadschap van Delfland en de gemeente Capelle aan den IJsel zijn enkele wijzigingen doorgevoerd in de toelichting en regels. De betreffende aanpassingen zijn in de Nota vooroverleg benoemd.

10.2 Ontwerpfase

Na afronding van de inspraakprocedure en het vooroverleg wordt de formele bestemmingsplanprocedure gestart. De aanpassingen die volgen uit de inspraakreacties en de overlegreacties worden verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Ook worden er - indien nodig - ambtshalve aanpassingen doorgevoerd.

Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is artikel 3.8 Wro (gelezen in samenhang met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht) van toepassing. De kennisgeving van het ontwerpbesluit tot vaststelling van het bestemmingsplan moet in de Staatscourant worden geplaatst en dient - met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening - ook via elektronische weg te geschieden. Tevens dient de kennisgeving te worden toegezonden aan die diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn, aan het waterschap en aan belanghebbende gemeenten.

Het ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd. Binnen deze termijn wordt een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het plan in te dienen. Ook moeten de stukken met de kennisgeving aan de eerder genoemde diensten en instanties worden toegezonden (artikel 3:13 Awb), of er moet worden aangegeven waar de (digitale) stukken te vinden zijn (elektronische kennisgeving).

10.3 Vaststellingsfase

Binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging moet de gemeenteraad beslissen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan.

Tegen het besluit tot vaststelling staat direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt, indien tijdens de beroepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking waarna tot planrealisatie kan worden overgegaan.