direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Ommoord
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0599.BP1094Ommoord-on01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Het bestemmingsplan "Ommoord" heeft tot doel de nu geldende bestemmingsplannen te actualiseren. Daarmee krijgen de veranderingen, die in de loop van de jaren hebben plaatsgevonden en het nieuwe beleid van de gemeente een juridisch-planologische verankering. Hierdoor wordt tevens tegemoet gekomen aan de Wet ruimtelijke ordening, die per 1 juli 2008 in werking is getreden.

Het bestemmingsplan zal de gerealiseerde ontwikkelingen conform de feitelijke situatie bestemmen. In het bestemmingsplan worden buiten het opnemen van de mogelijkheden uit het geldende bestemmingsplan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt.

1.2 Ligging en begrenzing

Het plangebied beslaat de hele wijk Ommoord. Aan de noordzijde vormt de Rotte de plangrens, aan de oostzijde de wijk Zevenkamp, aan de zuidzijde de A20 en aan de westzijde de wijkgrens.

1.3 Vigerende bestemmingsplannen

De volgende geldende plannen zijn geheel of gedeeltelijk binnen het plangebied van het bestemmingsplan gelegen. Bij elk plan is aangegeven wanneer het is vastgesteld door de gemeenteraad en wanneer het is goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland:

Ommoord (401): vastgesteld op 06-01-1977; onherroepelijk op 28-02-1981

Ommoord binnen de ring (570): vastgesteld op 12-07-2007; onherroepelijk op 09-05-2008

Ommoord buiten de ring (655): vastgesteld op 18-02-2010; onherroepelijk op 21-12-2011

De Nieuwe Schalm (2047): vastgesteld op 26-03-2012; onherroepelijk op 26-05-2012

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1094Ommoord-on01_0002.png"

Fig: het plangebied met de vigerende bestemmingsplannen.

Hoofdstuk 2 Beleid

2.1 Rijksbeleid

Algemeen

Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening in 2008 zijn de juridische mogelijkheden van het Rijk gewijzigd. Structuurvisies zullen voortaan de hoofdlijnen van het nationale ruimtelijk beleid aangeven en de nationale belangen die met dat beleid worden behartigd proberen veilig te stellen. Ter verwezenlijking daarvan heeft het Rijk de beschikking over nieuwe juridische mogelijkheden. Het Rijk kan een bestemmingsplan opstellen, een zogenaamd rijksinpassingsplan. Daarnaast zijn er instrumenten die
uitvoering van het rijksbeleid kunnen verzekeren zoals de bevoegdheid tot het stellen van algemene
regels in een algemene maatregel van bestuur (amvb) en het opleggen van aanwijzingen.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is in werking getreden en geeft de rijksbelangen weer die doorwerken in gemeentelijke bestemmingsplannen.

2.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Vastgesteld op 13 maart 2012

Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Daar streeft het Rijk naar met een krachtige aanpak die gaat voor een excellent internationaal vestigingsklimaat, ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Dit doet het Rijk samen met andere overheden en met een Europese en mondiale blik. Voor de middellange termijn (2028) kiest het Rijk drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden:

1) Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijke economische structuur;
2) Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
3) Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Daarnaast benoemt het Rijk 13 nationale belangen, waar het rijk verantwoordelijk voor is. Het betreft:
1) Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren;
2) Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie;
3) Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen;
4) Efficiënt gebruik van de ondergrond;
5) Een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen;
6) Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem;
7) Het in stand houden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen;
8) Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's;
9) Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening, en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling;
10) Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten;
11) Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten;
12) Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten;
13) Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.

De nationale ruimtelijke hoofdstructuur geeft de nationale belangen, waarvoor het Rijk verantwoordelijk is, geografisch weer. Op deze kaart in de structuurvisie is op hoofdlijnen aangegeven welke gebieden en structuren van nationaal belang zijn bij de geformuleerde rijksdoelen rond concurrentiekracht, bereikbaarheid en leefbaarheid en veiligheid, zodat een samenhangende ruimtelijke hoofdstructuur zichtbaar wordt.

De structuurvisie infrastructuur en ruimte vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving.

2.1.2 Beleidsvisie Erfgoed en Ruimte

Vastgesteld op 15 juni 2011

In de beleidsvisie "Kiezen voor Karakter, Visie Erfgoed en ruimte" van juni 2011 schetst het kabinet haar visie op het borgen van onroerend cultureel erfgoed in de ruimtelijke ordening. De beleidsvisie is complementair aan de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte van het ministerie van I&M. Daarnaast gaat het Rijk duidelijke prioriteiten stellen en aangeven welke cultuurhistorische gebieden en opgaven voor het Rijk van (inter)nationaal belang zijn en waar het Rijk voor zichzelf een rol ziet. De vijf in de visie geschetste prioriteiten zijn:

  • 1. Werelderfgoed: samenhang borgen, uitstraling vergroten;
  • 2. Eigenheid en veiligheid: zee, kust en rivieren;
  • 3. Herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: focus op groei en krimp;
  • 4. Levend landschap: synergie tussen erfgoed, economie, ecologie;
  • 5. Wederopbouw: tonen van een tijdperk.

Wederopbouwgebied van Nationaal Belang

Het centrale hoogbouwensemble met de wijkontsluitingsweg en het begeleidende groen is door het Rijk aangemerkt als wederopbouwgebied van nationaal belang. In het toelichtende document (Hoeven, RCE 2016) worden ter onderbouwing de volgende punten aangehaald (in willekeurige volgorde): De uniciteit van de radicale scheiding tussen hoog- en laagbouwbuurten cq. woningtypen met elk een eigen identiteit en woonmilieu.

  • de uniciteit van het stedelijke silhouet van het hoogbouwensemble met de ERA-flats als toppunt van standaardisatie en industrialisatie in de naoorlogse woningbouw;
  • de collectiviteit van het maaiveld en het wonen daarboven (stedelijk wonen in een parklandschap met stevige volgroeide bomen op de voorgrond als tegenwicht tegen de flats als coulisse op de achtergrond);
  • de uitgekiende open verkaveling van schijf-, haak- en torenflats die groene hoven aan de zonzijde formeren en parkeerpleinen aan de noordzijde (functionalistische driedimensionale compositie van gebouwen, hoven en infrastructuur);
  • de groene ruimtes met een functionele diversiteit, een gelaagde opbouw in de hoogte (gazon, haag, bossage, boom) en een ruimtelijke gelaagdheid (doorzichten naar de volgende ruimte, doorschakeling tussen het wijk- en buurtgroen);
  • het samenhangende stelsel van infrastructuur met een uitsortering van verschillende verkeerssoorten als integraal onderdeel van het parkachtige woonconcept waarin geen plek is voor doorgaande autostraten maar wel voor een fijnmazig netwerk van voet- en fietspaden. Het blikveld van de automobilist is gesloten en dat van de fietser en voetganger is open en schakelt door.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1094Ommoord-on01_0003.png"

2.2 Provinciaal en regionaal beleid

Algemeen

Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening in 2008 zijn de juridische mogelijkheden van de provincie gewijzigd. Structuurvisies zullen voortaan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid aangeven en de provinciale belangen die met dat beleid worden behartigd veilig stellen. Ter verwezenlijking daarvan heeft de provincie de beschikking over nieuwe juridische mogelijkheden, te weten het provinciale bestemmingsplan ofwel inpassingsplan, de verordening en het opleggen van aanwijzingen. Met de inwerkingtreding van de Wro is de goedkeuringstaak van Gedeputeerde Staten ten aanzien van ruimtelijke plannen komen te vervallen. Dit betekent dat de provincie dient te handelen vanuit het provinciaal belang. Enkel op die basis kan de provincie gebruik maken van het instrumentarium dat op grond van de Wro beschikbaar is.

De hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid zijn weergegeven in de Visie ruimte en mobiliteit, die op december 2017 door provinciale staten van Zuid-Holland is vastgesteld. Parallel aan de Visie ruimte en mobiliteit zijn het Programma mobiliteit, het Programma ruimte en de Verordening ruimte opgesteld.

De Visie ruimte en mobiliteit bevat het strategische beleid. Het ruimtelijk-relevante, operationele beleid is opgenomen in het Programma ruimte. Dit programma kent, net als de Visie ruimte en mobiliteit, de status van structuurvisie. Beiden worden vastgesteld door Provinciale Staten. Gezamenlijk beschrijven ze het integrale ruimtelijk beleid.

De provinciale belangen zoals opgenomen in de Visie Ruimte en Mobiliteit, zijn verankerd in de Verordening Ruimte. De ontwikkeling die in dit bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt betreft een woontoren, die in het vorige bestemmingsplan als wijzigingsbevoegdheid was opgenomen. In de opzet van de wijk is altijd rekening gehouden met de ontwikkeling dat op elke centrumlocatie een woontoren wordt gerealiseerd. Op basis van het vorige bestemmingsplan zijn die aan de Binnenhof en Hesseplaats gerealiseerd en nu zal de woontoren aan de Romeynshof volgen.

Deze voorgenomen ontwikkeling betreft de bouw van circa 114 woningen in het stedelijk gebied
van Rotterdam. De voorgenomen ontwikkeling dient op grond van artikel 1.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) als stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt. Daarin wordt een stedelijke ontwikkeling immers omschreven als een “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen”. Hoewel een dergelijke investering pas doorgang vindt indien voldoende zekerheid bestaat dat hieraan behoefte bestaat, blijkt die behoefte ook uit de meest actuele provinciale Woning-behoefteraming (WBR2016). Deze provinciale prognose is bedoeld als kwantitatieve basis voor het woningbouwbeleid en geeft de verwachte huishoudensontwikkeling weer op basis van de eigen behoefte, ofwel een “binnenlands migratiesaldo nul” per gemeente. Op basis van deze raming blijkt dat binnen de regio Rotterdam in de periode 2015-2019 behoefte bestaat aan 28.200 nieuwe woningen. Uit de meest recente cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek blijkt echter dat het uitgangspunt “binnenlands migratiesaldo nul” in Rotterdam niet opgaat; de groei van Rotterdam wordt immers voor een belangrijk deel veroorzaakt door de vestiging van mensen van buiten de stad. De vraag naar woningen is in werkelijkheid dan ook groter. Gesteld wordt dat aan de ladder voor duurzame verstedelijking wordt voldaan. De herontwikkeling past dan ook binnen het nationaal en provinciaal beleid.

2.3 Gemeentelijk beleid

Algemeen

Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening in 2008 kunnen ook gemeenten hun gemeentelijk beleid vastleggen in structuurvisies. Ter verwezenlijking van de doelen in het ruimtelijk beleid stelt de gemeente bestemmingsplannen op. In Rotterdam zijn er twee typen bestemmingsplannen te onderscheiden het zogenoemde gebiedsbestemmingsplannen en projectbestemmingsplannen. Gebiedsbestemmingsplannen worden opgesteld door het cluster Stadsontwikkeling naar aanleiding van een meerjarenplanning. Wanneer een bepaalde ontwikkeling buiten het opstellen van een gebiedbestemmingsplan valt, kan daar een projectbestemmingsplan voor opgesteld worden of een omgevingsvergunningprocedure voor doorlopen worden, door een initiatiefnemer.

2.3.1 Stadsvisie Rotterdam: Ruimtelijke ontwikkelingsstrategie 2030

Vastgesteld op 29 november 2007 door de gemeenteraad van Rotterdam

De Stadsvisie vormt het ruimtelijk kader voor alle investeringen, projecten en plannen die in de stad worden gerealiseerd. De Stadsvisie is een ontwikkelingsstrategie voor de stad Rotterdam, voor de periode tot 2030. De Stadsvisie heeft als missie een sterke economie en een aantrekkelijke woonstad.

Deze missie is uitgewerkt in een aantal kernbeslissingen op de onderwerpen wonen en economie en deze bepalen wat er de komende jaren op deze gebieden gebeurt in de stad. Veel van de kernbeslissingen zullen de komende vijftien jaar worden omgezet in de uitvoering van een aantal (bouw) projecten in de stad, waardoor Rotterdam over pakweg vijftien jaar inderdaad een sterke economie heeft en aantrekkelijke woongebieden kent, ook voor haar hoogopgeleide bewoners.

Op basis van effectmeting zijn dertien gebiedsontwikkelingen aangewezen die het belangrijkst zijn voor de realisatie van de doelen 'sterke economie' en 'aantrekkelijke woonstad', zogenoemde VIP-gebieden. Deze dertien grote gebiedsontwikkelingen krijgen prioriteit in de nabije toekomst. 

2.3.2 Woonvisie Rotterdam, koers naar 2030, agenda tot 2020

Vastgesteld op 15 december 2016 door de gemeenteraad van Rotterdam

De Woonvisie verwoordt de ambities om van Rotterdam een aantrekkelijke woonstad te maken voor iedereen. Centraal in de opgave staat het beantwoorden van de groeiende vraag naar wonen in Rotterdam. Onlosmakelijk daaraan verbonden is de noodzaak om een betere balans in de woningvoorraad te creëren, de kwaliteit van woningen en woonmilieus te versterken en te borgen dat het voor iedereen en op een dagelijkse basis goed wonen is in de stad. In de Woonvisie zijn drie hoofddoelen en daarbij horende prioriteiten gesteld.

Meer aantrekkelijke woonmilieus realiseren door:

  • de toenemende woningvraag van huishoudens met een modaal of hoger inkomen, sociale stijgers en young potentials te accommoderen;
  • te zorgen voor een meer gedifferentieerd woningbestand in gebieden waar dit nu nog eenzijdig is en waar de kwaliteit van het wonen onder druk staat; en
  • woonmilieus versterken, met een duidelijke profilering en aandacht voor kindvriendelijkheid.

Zorgen voor een woningvoorraad met toekomstwaarde door: 

  • een goede woningkwaliteit te realiseren in de nieuwbouw en bestaande voorraad;
  • ruimte voor tijdelijkheid, flexibiliteit, innovatie en experiment te bieden; en
  • energiezuinig en milieuvriendelijk wonen te bevorderen.

De basis op orde houden door:

  • het borgen van voldoende aanbod van goedkope huurwoningen;
  • betaalbaarheidproblemen aan te pakken bij de bron en met toepassing van maatwerk;
  • goed zelfstandig wonen voor iedereen mogelijk te maken;
  • toe te zien op goed verhuurschap en een transparante woningmarkt; en
  • woningeigenaren en bewoners aan te spreken op hun verantwoordelijkheid voor een ongestoord woongenot in en om de woning.

De Woonvisie is een visie op hoofdlijnen en doet geen gebiedsgerichte uitspraken. De Woonvisie is een instrumentele uitwerking van de Stadsvisie op het onderwerp wonen op de korte termijn. De Woonvisie richt zich op acties in de huidige woningmarkt, binnen de kaders van het collegeprogramma, om zo de ambitie van de Stadsvisie te helpen realiseren.

2.3.3 Visie Werklocaties 2030

Vastgesteld op 2 april 2009 door de gemeenteraad van Rotterdam

Op 2 april 2009 heeft de gemeenteraad van Rotterdam de visie Werklocaties 2030 vastgesteld. Deze visie is de ruimtelijk-economische uitwerking van de Stadsvisie Rotterdam 2030 en tevens een vertaling naar de werklocaties in de regio Rotterdam. Werklocaties zijn gebieden waarin de economische functie(s) dominant aanwezig zijn. Het doel van de Visie Werklocaties 2030 is de bijdrage van de verschillende deelgebieden aan de gewenste economische ontwikkeling van Rotterdam en regio in kaart te brengen. De visie Werklocaties 2030 geeft inzicht in de vraag naar welke ontwikkelingen waar mogelijk zijn en in de match tussen publieke en private belangen. Het gaat hier om het vaststellen van de hoofdlijnen voor de ruimtelijk - economische ontwikkeling. Hierdoor ontstaat een kader voor de toetsing van projecten op hun bijdrage aan de doelen van de Stadsvisie Rotterdam 2030. Vanuit dit perspectief wordt Rotterdam gekenmerkt door drie ontwikkelingszones met belangrijke werklocaties: de haven- en industriële zone (Maasvlakte 2, Stadshavens en Ridderster), de kennis- en dienstenzone (Rotterdam Airpark/Schieveen, Alexander en Spaanse Polder/Noordwest) en het kerngebied (Binnenstad, Hart van Zuid, Stadionpark en Kralingse Zoom).

Het noordelijke gebied ligt in de "kennis en dienstenzone" van Rotterdam en de economische oriëntatie is vooral gericht op de Randstad. In de Randstadgemeenten bevindt zich tevens het aanvullende of concurrerende aanbod aan locaties. Om te kunnen concurreren met de Randstad moeten hoogwaardige werklocaties worden aangeboden in combinatie met een bijbehorend woningen- en voorzieningenaanbod. Het zakenvliegveld Rotterdam Airport is een belangrijk sellingpoint. Spaanse Polder en Noord West dienen te worden geoptimaliseerd en geherstructureerd. Daarnaast kan de vraag naar lokale bedrijfsruimte worden opgevangen in Nesselande en Park Zestienhoven. Op termijn komt Rotterdam Airport, gezamenlijk met Schieveen in beeld. Het planaanbod aan kantorenlocaties kent een fors overschot. In Prins Alexander blijft het consoliderende beleid gehandhaafd. Aan ontwikkeling van de volkstuinen langs de A20 is tot 2030 geen behoefte. De locaties rond Rotterdam The Hague Airport en Schieveen zullen behoedzaam moeten worden ontwikkeld, waarbij de aanwezigheid van het zakenvliegveld zoveel mogelijk uitgebuit wordt. Afstemming met het aanbod in Delft (Technopolis), Schiedam (Schieveste) en Vlaardingen (Vijfsluizen) over een gezamenlijke aanpak is noodzakelijk om het overaanbod terug te dringen. De voorzieningen in Noord zijn vooral gelegen in het gebied rondom het vliegveld. Afstemming met de Binnenstad en Prins Alexander is gewenst.

2.3.4 Rotterdams beleid t.a.v. zendmasten mobiele telecommunicatie

Vastgesteld op 16 mei 2002 door de gemeenteraad van Rotterdam

In de beleidsnota uit 2002 zijn wensen en oplossingsrichtingen opgenomen ten aanzien van de plaatsing van antennes, masten en apparatuurkasten. De nota sluit aan op nationaal antennebeleid waarin ook onderscheid gemaakt wordt in vergunningsvrije en vergunningsplichtige bouwwerken.

2.3.5 Horecanota Rotterdam 2017-2021

Vastgesteld op 1 november 2016 door het college van B&W van Rotterdam

In de Horecanota 2017-2021 staat de balans tussen levendigheid en een aantrekkelijk woon- en leefklimaat centraal. De nota beschrijft het instrumentarium dat hieraan invulling geeft. Gebiedsgericht werken, een verdere vereenvoudiging van het vergunningstelsel, verfijning van het handhavingskader en stimulering van eigen initiatief door experimenten zijn hiervan de elementen.

Belang voor de stad

Rotterdam is een levendige stad met een aantrekkelijke binnenstad, een groot cultureel aanbod en een gevarieerde samenstelling van bewoners, ondernemers en bezoekers. Horeca speelt een cruciale rol: een goede mix van kwaliteit en kwantiteit, een balans met andere stedelijke functies en openbare orde en veiligheid, bevordert de populariteit van Rotterdam. Bovendien levert de horecasector werkgelegenheid op en stimuleert het de lokale economie. De aantrekkingskracht van de stad is de afgelopen jaren toegenomen. Er wordt weer geld uitgegeven door bezoekers, Rotterdam voert de goede lijstjes aan en is in 2015 uitgeroepen tot beste binnenstad van Nederland. Tegelijkertijd verdicht de bewoning en is ruimte schaars. Het is dus van belang alles in goede banen te leiden en deze schaarse ruimte optimaal te benutten. De positieve ontwikkelingen van Rotterdam weten sommige delen van de stad onvoldoende te bereiken vanwege de aanwezigheid van malafide ondernemingen, georganiseerde criminaliteit en overlast. Dit vraagt om extra aandacht en stevig optreden.

Visie en ambities

Met dit horecabeleid borduurt Rotterdam voort op de goede ontwikkelingen in onze stad. Met oog voor ondernemerschap en aandacht voor een prettig woon- en leefklimaat voor onze bewoners zijn aan de hand van een aantal uitgangspunten vier ambities bepaald waarmee Rotterdam invulling geeft aan de visie op horeca voor de komende jaren.

De Horecanota 2017-2021 geeft invulling aan de visie van Rotterdam ten aanzien van de horeca voor de komende vijf jaar. De horecanota staat niet op zichzelf. Het is een kader dat samen met andere gemeentelijke kaders en visies moet zorgen voor het behoud en de verdere ontwikkeling van Rotterdam als aantrekkelijke stad om in te wonen, te werken en te verblijven. Op basis van de visie en aan de hand van onderstaande uitgangspunten realiseert Rotterdam de ambities van balans in de wijk, een veerkrachtige binnenstad, verantwoord ondernemerschap en de stad als laboratorium.

  • Rotterdam bruist!;
  • de wijk is het uitgangspunt bij het bepalen van de mogelijkheden en onmogelijkheden;
  • bewoners en ondernemers hebben inspraak en nemen gezamenlijk verantwoordelijkheid;
  • ruimte voor innovatie en experimenten ter bevordering van het ondernemerschap en woon- en leefgenot;
  • minder regels, minder lasten en een vereenvoudigd vergunningenstelsel;
  • uitgaan van vertrouwen en sturen op naleving (high trust);
  • wanneer regels en afspraken worden geschonden, dan wordt stevig opgetreden (high penalty).
2.3.6 Beleidsnota Archeologie 2008-2011, Archeologische Waarden- en Beleidskaart (AWK), lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), Archeologieverordening Rotterdam

Vastgesteld op 17 juli 2008 door de gemeenteraad van Rotterdam, vastgesteld op 31 januari 2006 en vastgesteld op 29 september 2009 door het college van B&W van Rotterdam, vastgesteld op 5 november 2009 door de gemeenteraad van Rotterdam

In 1992 hebben de Ministers van Cultuur van de bij de Raad van Europa aangesloten landen te Valletta (Malta) het Europese Verdrag inzake de bescherming van het Archeologisch Erfgoed ondertekend. Met het Verdrag van Malta is het streven vastgelegd naar onder meer:
- het behoud van het archeologisch bodemarchief ter plaatse (in situ);
- het documenteren van het archeologisch bodemarchief, indien behoud niet mogelijk blijkt;
- het vroegtijdig en volwaardig betrekken van de archeologie bij ontwikkelingen op het gebied van de ruimtelijke ordening;
- het verbreden van het draagvlak voor de archeologie;
- het toepassen van het beginsel 'de verstoorder betaalt'.
De afspraken van Malta zijn verwerkt in de Wet op de archeologische monumentenzorg, die op 1 september 2007 in werking is getreden. Het zwaartepunt van het archeologiebeleid is bij gemeenten komen te liggen. In een bestemmingsplan moet een gemeente aangeven welke archeologische waarden mogelijkerwijs aan de orde zijn.

Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van het Rotterdamse archeologiebeleid is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. De gemeente Rotterdam bezit een vastgestelde Archeologische Waarden- en Beleidskaart (AWK), een vastgestelde Beleidsnota Archeologie 2008-2011 en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die opgenomen zijn in de eveneens vastgestelde Archeologieverordening Rotterdam. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen.

2.3.7 Erfgoedagenda Rotterdam 2017-2020

Vastgesteld op 22 december 2016 door het college van B&W van Rotterdam

De Erfgoedagenda zet de koers-, en schetst de concrete activiteiten rond het gebouwde en aangelegde cultuurhistorisch waardevolle erfgoed van Rotterdam tot 2020. Drie pijlers vormen de basis voor het beleid en de activiteiten op het gebied van het gebouwde en aangelegde cultuurhistorisch erfgoed: bescherming en instandhouding, kennisontwikkeling en kennisoverdracht. Vanuit de projecten die binnen deze 3 pijlers zijn ondergebracht, wordt het erfgoed verder in kaart gebracht en - bij bijzonder belang- beschermd, wordt instandhouding nagestreefd en gestimuleerd en wordt erfgoed zo veel mogelijk ingezet als aanjager bij transformaties en gebiedsontwikkelingen. Met deze op dynamiek gerichte erfgoedagenda wil het college de dialoog blijven voeren over het cultuurhistorisch besef van de stad.

2.3.8 Rotterdamse norm voor buitenspeelruimte

Vastgesteld op 28 oktober 2009 door het college van B&W van Rotterdam

Op 28 oktober 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders de Rotterdamse norm voor buitenspeelruimte als vaste gedragslijn vastgesteld. Deze norm omschrijft waar en hoe groot ruimtes voor buitenspelen in de woon­omgeving dienen te zijn, zowel wat betreft locaties als stoepen, zodat kinderen en jongeren ruimte dichtbij huis hebben om te spelen en te sporten.

Hoofdstuk 3 Beschrijving van het plangebied

3.1 Ontstaansgeschiedenis

Het plangebied maakte lange tijd deel uit van een aaneengesloten veengebied, dat is ontstaan vanaf het Midden-Neolithicum (na circa 3500 voor Christus). Het veenriviertje de Rotte bestond in de huidige globale vorm zeker al in de IJzertijd (800 voor Christus tot begin van de jaartelling). In de Romeinse tijd is de veenvorming in de oeverzones tijdelijk onderbroken door kleiafzetting vanuit de Nieuwe Maas. Onder het bovenste veenpakket bevindt zich over het algemeen een circa 6-8 meter dik pakket sedimenten dat is gevormd vanaf de laatste fase van de laatste IJstijd tussen 10.000 en circa 3500 jaar voor Christus. Het bestaat uit een plaatselijk aanwezig en in dikte wisselend zandig dek van rivierduinen met erop en ernaast rivierafzettingen en estuariene (meer brakke) afzettingen. Tot aan de ontginningen en bedijkingen in de late Middeleeuwen verbleef de mens in het gebied op de van nature gunstige en/of hoger gelegen plaatsen: rivierduinen, meeroevers, rivieroevers. Aan de westkant van het plangebied zijn in de diepe ondergrond op verschillende niveaus aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van de mens in het Mesolithicum en/of het begin van het Neolithicum (9000-3500 voor Christus).

Verschillende in de buurt gelegen vindplaatsen wijzen uit dat op het boven genoemde veenpakket in de nabijheid van de Rotte werd gewoond in de IJzertijd (800 voor Christus-begin jaartelling) en de Middeleeuwen. Binnen het plangebied zijn circa 100 jaar geleden een boomstamkano en enkele complete aardewerkpotten uit de IJzertijd gevonden. Juist ten westen van het plangebied zijn in 1991 resten van een huiserf uit de Late IJzertijd opgegraven. Recentelijk zijn in de Nessepolder, direct ten oosten van het plangebied, bewoningssporen en vondsten ontdekt, gesitueerd op klei op veen. Ze stammen uit de 10e eeuw; de periode net voorafgaand aan de periode van de grote ontginningen.

Het veengebied is in de 11e-12e eeuw ontgonnen door het te ontwateren met lange parallel gegraven sloten. De middeleeuwse huizen waren gebouwd in lange linten die dwars op de perceelsloten stonden. Ook langs de oevers van de Rotte was er bewoning. In het begin was gemengd bedrijf mogelijk. Later toen het land was ingezakt door de ontwatering, was er vooral veeteelt. In de 18e/19e eeuw en plaatselijk nog wel later, werd een deel van het veen voor brandstof (turf) gewonnen. Binnen het plangebied is het veen in een circa 800 meter brede strook langs de Rotte gedeeltelijk bewaard gebleven onder de moderne bebouwing. Ten gevolge van de turfwinning en de daaropvolgende droogmaking liggen ruwweg in het zuidelijk en oostelijk deel van het plangebied de oude (prehistorische) landschappen, uit de periode voor de veenvorming, nu dichter aan het oppervlak dan in de zone met het veen langs de Rotte.

3.2 Archeologie

Gelet op het voorgaande kunnen in het gehele bestemmingsplangebied op verschillende dieptes en uit verschillende periodes archeologisch bewoningssporen en vondsten worden aangetroffen vanaf het Mesolithicum (vanaf circa 9000 voor Christus) tot in de Nieuwe tijd. Tot aan de middeleeuwse ontginningen bieden plaatsen die van nature een gunstige verblijfslocatie voor de mens boden, een grotere kans op het aantreffen van deze bewoningssporen en vondsten. De verwachting voor het aantreffen van bewoningssporen vanaf de IJzertijd is gebonden aan het gebied waar het veen nog bewaard is gebleven in de zone langs de Rotte.

De volgende dubbelbestemmingen zijn opgenomen in de regels en op de verbeelding. Voor de ligging van de verschillende gebieden, zie Bijlage 1:

Waarde - Archeologie 1

Voor een strook direct langs de Rotte (Waarde - Archeologie 1) geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerk zijnde, voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 0,5 meter beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte van meer dan 100 vierkante meter beslaan.

Waarde - Archeologie 2

Voor de zone waarin de bodemopbouw nog tot dicht onder de oppervlakte intact is (Waarde - Archeologie 2) geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerk zijnde, voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 0,5 meter beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte van meer dan 200 vierkante meter beslaan.

Waarde - Archeologie 3

Voor de rest van het gebied, dat grotendeels is overbouwd (Waarde - Archeologie 3) geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerk zijnde, voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 1,0 meter beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte van meer dan 200 vierkante meter beslaan.

3.3 Stedenbouwkundige opzet

In 1962 ontwikkelde de stedenbouwkundige Lotte Stam-Beese een structuurplan voor een
satellietstad in de weilanden van Prins Alexanderpolder. Kenmerkend voor het ontwerp zijn lucht, licht, ruimte en uitzicht. Zij besteedde extra aandacht aan de buitenruimte omdat deze de “tuin” vormt voor
de mensen die in de hoogbouw wonen. De stedenbouwkundige opzet van de wijk is helder. Binnen een rechthoek van wegen staan hoogbouwflats tussen het groen. De ring wordt gevormd door de President Wilsonweg, de Martin Luther Kingweg, de President Rooseveltweg en de John Mottweg. Het gebied binnen de ring van Ommoord is opgebouwd uit zes zelfstandig ontsloten buurten, welke van elkaar worden gescheiden door groenstroken. In deze buurten staan flats in repeterende vaste combinaties, deze zogenoemde stempels zijn typerend voor de stedenbouw van de naoorlogse tuinsteden.
Het groen in de wijk is in te delen in twee systemen. Enerzijds is er de informele groene buitenruimte
van de groenstroken en gemeenschappelijke tuinen waar de flatgebouwen vrij in staan. Anderzijds en
complementair aan die informele buitenruimte is er een formele structuur van bomen langs wegen
(ring en buurtontsluitingen) en op parkeervelden.
De buurten zijn onderling verbonden door een fijnmazig net van langzaam verkeersroutes (voet- en
fietspaden). De langzaam verkeersroutes tussen flatgebouwen onderling, de winkels en voorzieningen
liggen los van de autowegen. Om de ring heen bevindt zich laagbouw. De ring is duidelijk herkenbaar
door de vormgeving van de wegen met herkenbare beplanting erlangs.

Er is geen grootschalig winkelcentrum in Ommoord, maar binnen de ring zijn twee kleinere winkelcentra (Binnenhof en Hesseplaats) en een wijkvoorziening (Romeynshof) gerealiseerd. Deze voorzieningen worden verbonden met elkaar en het stedelijke centrum door de metro.

Het gebied buiten de ring bestaat uit dertien deelgebieden (elf woonbuurten, een bedrijventerrein en een groen gebied, het Ommoordse Veld). De diverse deelgebieden zijn aangesloten op de rechthoekige hoofdwegenstructuur.

3.4 Cultuurhistorie

Algemeen

De gemeente Rotterdam kent een groot aantal panden en gebieden die vanwege cultuurhistorische waarden worden beschermd. Voor de bescherming wordt gebruik gemaakt van bestaand instrumentarium. In het bestemmingsplan zijn geen nadere planologische regelingen opgenomen - behoudens (indien aan de orde) de planologische bescherming die overeenkomstig de Monumentenwet (1988) die dient te rusten op een beschermd dorps- of stadsgezicht. Gemeente Rotterdam maakt onderscheid tussen de volgende gebieden en gebouwen:

Beschermde stadsgezichten (BS)

Rotterdam kent door haar stedelijke omgeving alleen beschermde stadsgezichten. Een beschermd stadsgezicht is een groep van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens schoonheid, onderlinge ruimtelijke structurele samenhang of wetenschappelijke waarde. De bescherming richt zich op de stedenbouwkundige karakteristiek en op een samenhangend geheel van straten en bebouwing. Het gaat om gebieden die ouder zijn dan vijftig jaar (Monumentenwet). Na aanwijzing van een beschermd stadsgezicht dient er binnen twee jaar een bestemmingsplan beschikbaar te zijn waarin de historische kwaliteiten en de relatie tot eventuele toekomstige ontwikkelingen vastliggen (Wet RO).

Wederopbouwaandachtsgebieden

Naast de van rijkswege beschermde stadsgezichten kent Rotterdam in de binnenstad een aantal wederopbouwaandachtsgebieden met een waardevolle samenhang tussen het stratenplan, de invulling van de bouwblokken en de architectuur. Bij nieuwe ontwikkelingen dient bekeken te worden hoe deze historische kwaliteiten kunnen worden behouden. Betreffende gebieden hebben geen juridische of formele status.

Rijksmonumenten (RM) en Gemeentelijke monumenten (GM)

Een rijks- of gemeentelijk monument kan zijn een gebouw, water, terrein of een ander object dat van nationaal belang is, of van algemeen belang voor Rotterdam is (gemeentelijk monument), vanwege de schoonheid, betekenis voor de wetenschap of de cultuurhistorische waarde. Dit is vastgelegd in respectievelijk de Monumentenwet 1988 en de monumentenverordening Rotterdam 2003. Bij een monument gaat het om één gebouw of complex, zowel buiten als van binnen. Voor een Rijksmonument geldt dat het object ten minste vijftig jaar oud moet zijn. Als vanzelfsprekend is het verboden om wijzigingen aan te brengen aan een beschermd monument zonder vergunning.

Beeldbepalende objecten (BO) en Beeldbepalende gevelwanden (BG)

In Rotterdam is een groot aantal gebouwen te vinden die geen status hebben als gemeentelijk monument, maar wel van monumentale waarde zijn, zogenoemde beeldbepalende objecten. Voor deze panden geldt geen wettelijke bescherming, maar de gemeente zet zich wel in om de waarden van deze panden te behouden. Ook kent Rotterdam monumentale gevelwanden. Deze komen zelden in aanmerking voor een monumentstatus, maar zij bepalen voor een belangrijk deel wel het karakter van de stad. Deze wanden versterken de ruimtelijke kwaliteit en instandhouding wordt dan ook gestimuleerd.

Het plangebied

Wederopbouwgebied van Nationaal Belang

Binnen Ommoord is het centrale hoogbouwensemble met de wijkontsluitingsweg en het begeleidende groen is door het Rijk aangewezen tot wederopbouwgebied van nationaal belang. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed beschouwt het ontwerp voor Ommoord als illustratief voor de voortschrijdende standaardisatie van naoorlogse architectuur en stedenbouw. Uit deze periode is in Nederland geen andere hoogbouwwijk van vergelijkbare schaal en samenhang.

In het toelichtende document (Hoeven, RCE 2016) worden ter onderbouwing de volgende punten aangehaald (in willekeurige volgorde):

  • de uniciteit van de radicale scheiding tussen hoog- en laagbouwbuurten cq. woningtypen met elk een eigen identiteit en woonmilieu;
  • de uniciteit van het stedelijke silhouet van het hoogbouwensemble met de ERA-flats als toppunt van standaardisatie en industrialisatie in de naoorlogse woningbouw;
  • de collectiviteit van het maaiveld en het wonen daarboven (stedelijk wonen in een parklandschap met stevige volgroeide bomen op de voorgrond als tegenwicht tegen de flats als coulisse op de achtergrond);
  • de uitgekiende open verkaveling van schijf-, haak- en torenflats die groene hoven aan de zonzijde formeren en parkeerpleinen aan de noordzijde (functionalistische driedimensionale compositie van gebouwen, hoven en infrastructuur);
  • de groene ruimtes met een functionele diversiteit, een gelaagde opbouw in de hoogte (gazon, haag, bossage, boom) en een ruimtelijke gelaagdheid (doorzichten naar de volgende ruimte, doorschakeling tussen het wijk- en buurtgroen);
  • het samenhangende stelsel van infrastructuur met een uitsortering van verschillende verkeerssoorten als integraal onderdeel van het parkachtige woonconcept waarin geen plek is voor doorgaande autostraten maar wel voor een fijnmazig netwerk van voet- en fietspaden. Het blikveld van de automobilist is gesloten en dat van de fietser en voetganger is open en schakelt door.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1094Ommoord-on01_0004.png"

In 2018 is voor Ommoord een cultuurhistorische verkenning opgesteld. De waardering bestaat voor het wederopbouwgebied bestaat uit:

Dit betreft een uitgekiende en daardoor kwetsbare ruimtelijke compositie van gebouwen (toren-, schijf- en knikflats), van openbaar wijk- en buurtgroen (hoven, parken) en gescheiden infrastructuur (metro met haltes, doodlopende buurtwegen met parkeerpleinen en doorgaande fietspaden). De plek, omvang, hoogte, oriëntatie en verschijningsvorm van de samenstellende onderdelen zijn precies bepaald, werken met elkaar samen, kunnen niet los van elkaar worden gezien en resulteren in een parklandschap met stedelijke woonvormen. Het behouden van dat karakteristieke structuur- en ruimtebeeld vergt dat:

  • de verkaveling, rooilijn, bouwvlak, bouwmassa en de bouwhoogte van de flats zijn vastgelegd met de bestemming "Wonen" strak rondom de bestaande bebouwing en een maximale bouwhoogte;
  • de hoven en parken zijn vastgelegd met de bestemming "Groen" en dat deze wordt gevrijwaard van bebouwing of toe-eigening als privétuinen;
  • het stelsel van buurtontsluitingen met aangrenzende parkeerpleinen wordt vastgelegd met de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied".

Het centrale hoogbouwgebied heeft de dubbelbestemming Waarde - Cultuurhistoriegekregen. Uitgezonderd van deze dubbelbestemming zijn de verstorende elementen (zie gele bebouwing op onderstaande kaartbeeld).

De vertaling naar het bestemmingsplan heeft plaatsgevonden door de bestaande bebouwingsstructuren temidden van de groene ruimten te waarborgen. Dat is gedaan door in de groene onbebouwde ruimten geen bouwmogelijkheden toe te staan. Verder zijn de bestaande flats strak bestemd, zodat geen aanbouwen e.d. mogelijk zijn die de structuur schaden.

Ten aanzien van de wijken buiten de ring is gewaarborgd dat de groenstructuren die deze wijken van elkaar scheiden een duidelijke groenbestemming hebben gekregen ter verduidelijking van deze structuren.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1094Ommoord-on01_0005.png"

Hoofdstuk 4 Planbeschrijving

4.1 Opzet van het plan

In dit bestemmingsplan wordt voornamelijk de feitelijke situatie opnieuw vastgelegd. Enkele locaties zijn opnieuw onderzocht in verband met het opnieuw mogelijk maken van geluidsgevoelige functies.

4.2 Ontwikkelingen

Woningbouw

In de vorige bestemmingsplannen hadden enkele kleinschalige locaties reeds een gemengde bestemming die meer functies mogelijk maakt dan de huidige functie van de panden. Om ook geluidsgevoelige functies, zoals woningen, weer mogelijk te maken zijn deze locaties onderzocht (zie hoofdstuk 6). Het betreft de volgende locaties: John Mottweg 122, Bjornsonweg 51-67, Thomas Mannplaats 301-311.

In het vorige bestemmingsplan zat de mogelijkheid tot het realiseren van een woontoren van 20 bouwlagen ter plaatse van de Romeynshof. Deze mogelijkheid is opnieuw opgenomen.

Tevens is de mogelijkheid uit het vorige bestemmingsplan om woningen te realiseren als aanvulling op de winkelcentra Binnenhof en Hesseplaats opnieuw opgenomen. De winkelcentra bestaan uit eenlaagse bebouwing met detailhandel en horeca. Op deze bebouwing wordt de mogelijkheid geboden om dit uit te breiden tot maximaal vijf bouwlagen met woningen. Per locatie is hiervoor een maximum opgenomen van tachtig woningen.

Horeca:

In lijn met het horecagebiedsplan wordt voor het Continental Art Centrum aan de Robert Kochplaats ondergeschikte horeca mogelijk gemaakt ter verbreding en verlevendiging van de plaatselijke activiteiten.

Op het bedrijventerrein Ommoord wordt één horecavestiging (bijvoorbeeld een eetcafé) met een maximale oppervlakte van 200 m2 toegestaan.

4.2.1 Onvoldoende duidelijke ontwikkelingen om in dit bestemmingsplan op te nemen

Een deel van de lopende initiatieven zal, omdat er op korte termijn geen duidelijkheid over bestaat, buiten beschouwing gelaten worden. Deze initiatieven zullen in de toekomst een ander besluitvormingstraject volgen.

  • Romeynshof

Het gaat hier om een bestaand multifunctioneel gebouw. Naast de in dit bestemmingsplan opnieuw opgenomen mogelijkheid om op deze locatie een woontoren toe te voegen zijn er ideeën om daar nog extra woningen aan toe te voegen. Op dit moment bestaan er nog teveel onzekerheden omtrent de ontwikkeling om deze op te kunnen nemen in dit bestemmingsplan.

  • Binnenhof en Hesseplaats

Naast de in dit bestemmingsplan opnieuw opgenomen mogelijkheid om op deze locaties woningen toe te voegen zijn er ideeën deze locaties nog extra te verdichten met woningbouw. Op dit moment bestaan er nog teveel onzekerheden omtrent de ontwikkeling om deze op te kunnen nemen in dit bestemmingsplan.

4.3 Juridische planbeschrijving

4.3.1 Bedrijf

Het bedrijventerrein Ommoord heeft de bestemming "Bedrijf" gekregen. Binnen deze bestemming is één horecavestiging, met de naduk op eten en drinken toegestaan. De bestaande autobedrijven hebben een maatbestemming "detailhandel" (detailhandel in auto's) gekregen. De gamehal is apart als "leisure" opgenomen op adres Satijnbloem 47. Onder Leisure wordt verstaan een publieksgerichte commerciële voorziening ten behoeve van cultuur en ontspanning, vrijetijdsbesteding en sport, niet zijnde detailhandel, een bioscoop of een casino, al dan niet in combinatie met ondergeschikte horeca;

4.3.2 Gemengde bebouwing

In het bestemmingsplan is voor een aantal gemengde gebieden onderscheid gemaakt in Gemengd - 1, 2, 3 en 4.

Gemengd - 1

De locaties die de bestemming "Gemengd - 1" hebben gekregen, zijn bestemd voor de functies kantoren, bedrijven, maatschappelijk, dienstverlening en woningen. In deze bestemming zijn geluidsgevoelige functies, zoals scholen en woningen toegestaan.

Gemengd - 2

De locaties die de bestemming "Gemengd - 2" hebben gekregen zijn bestemd voor dezelfde functies als in "Gemengd - 1", met uitzondering van de geluidsgevoelige functies (woningen en maatschappelijk).

Gemengd - 3

Ter plaatse van de Romeynshof hebben de gronden de bestemming "Gemengd - 3" gekregen. Deze functie heeft met de huidige voorzieningen ook een centrumfunctie, maar in tegenstelling tot de andere centra Binnenhof en Hesseplaats maakt detailhandel geen onderdeel uit van deze locatie. Vanwege de ligging nabij een metrostation is gekozen voor een globale bestemming, waarbinnen op de begane grond en soms de eerste verdieping een uitwisselbaarheid van functies, zoals maatschappelijk, horeca, dienstverlening en kantoren mogelijk is. Het wonen is niet toegestaan op de begane grond, maar op de verdiepingen. In deze bestemming is net als in het vorige bestemmingsplan de mogelijkheid voor een woontoren van twintig bouwlagen opgenomen met "specifieke bouwaanduiding - hoogteaccent".

Gemengd - 4

De wijkwinkelcentra Binnenhof en Hesseplaats hebben met de bestemming "Gemengd - 4" een globale bestemming gekregen, die meerdere functies mogelijk maakt, die behoren in een centrumgebied. Zo zijn op de begane grond functies als detailhandel, horeca, dienstverlening e.d. uitwisselbaar binnen deze bestemming. De bovenliggende verdiepingen zijn bedoeld voor de woonfunctie tot een maximum aantal bouwlagen van vijf. De bestaande woontorens nabij de winkelcentra Binnenhof en Hesseplaats hebben de aanduiding "W" gekregen en ter plaatse zijn uitsluitend woningen toegestaan met een maximum van twintig bouwlagen.

4.3.3 Groen

De structurele groengebieden hebben de bestemming "Groen" gekregen. Binnen deze bestemming zijn ook fiets- en voetpaden en speeltoestellen toegestaan. Binnen deze bestemmingen is ook de aanleg van nieuwe waterpartijen, watergangen en waterberging mogelijk indien dit vanuit het oogpunt van waterbeheer wenselijk is. Dit betekent dat veranderingen in de inrichting van de openbare ruimte kunnen worden doorgevoerd zonder planherziening (mits de veranderingen passen binnen deze bestemming).

4.3.4 Hoog-risico biologische laboratoria

Hoog-risico biologische laboratoria zijn in beginsel niet toegestaan binnen de maatschappelijke bestemming/bedrijfsbestemming "Bedrijf ", "Gemengd -1 t/m 3" en "Maatschappelijk". Daartoe is in de regels van het bestemmingsplan een verbodsbepaling opgenomen. Het betreft hoog-risico biologische laboratoria die onder de werking van het bij dit plan gevoegde beleidskader “Beleidskader hoog-risico biologische laboratoria Rotterdam-Rijnmond” vallen en genoemd zijn in artikel 4.4 onder k, categorie 4, onderdeel C van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. In geval van het werken met genetisch gemodificeerde organismen zijn dat alle categorieën van fysische inperking op inperkingsniveaus III en IV, zoals genoemd in Bijlage 4 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013. Kort gesteld zijn het laboratoria met biologische veiligheidsklasse 3 of hoger.

Na nadere afweging is het wel mogelijk om een hoog-risico laboratorium toe te staan. Burgemeester en wethouder kunnen daarvoor bij omgevingsvergunning afwijken. Ook daartoe is in de regels een bepaling opgenomen. Bij de afweging wordt een advies van de GGD/VRR betrokken. Deze instanties geven een advies op basis van het “Beleidskader hoog-risico biologische laboratoria Rotterdam-Rijnmond”. Aan de hand van het beleidskader kan worden beoordeeld of de risico's van een hoog-risico biologisch laboratorium voldoende beheersbaar zijn bij calamiteiten en of een hoog-risico biologisch laboratorium al dan niet wenselijk is op de voorgenomen locatie.

Benadrukt wordt dat de verbodsbepaling alleen betrekking heeft op nieuwe hoog-risico laboratoria in de zin van nieuwvestiging of een uitbreiding van een bestaand hoog-risico laboratorium. Dit laatste kan de uitbreiding van een bestaande hoog-risico biologische laboratorium in omvang betreffen, maar ook de uitbreiding van een biologisch laboratorium met een laag risicoprofiel naar dat met een hoog-risicoprofiel (een uitbreiding qua gebruik). Opgemerkt zij daarbij dat reeds vergunde hoog-risico biologische laboratoria (waarbij de vergunning nog niet volledig is benut) onder de bestaande situatie vallen en niet onder de verbodsbepaling.

4.3.5 Horeca

In de "Horecanota Rotterdam" worden de hoofdlijnen van het horecabeleid in de gemeente Rotterdam beschreven. Dit beleid is, voor zover ruimtelijk relevant, vastgelegd in dit bestemmingsplan.

Horeca definitie en afbakening

In deze paragraaf is aangegeven wat in Rotterdam verstaan wordt onder horeca en voor welke vormen een exploitatievergunning noodzakelijk. Ook wordt een toelichting gegeven op bijzondere vormen van (tijdelijke) horeca en de andere zaken die bij het starten en/of overnemen van een horeca-inrichting komen kijken.

Wat is horeca?

Horeca kent enorm veel verschijningsvormen en dankzij creatieve ondernemers komen er naast hotels, restaurants en cafés nog steeds meer vormen bij. In Rotterdam verstaan we onder horeca elk openbaar pand of openbare ruimte waar je structureel en tegen betaling kan eten en drinken (of afhalen) en/of waar amusement of ontspanning wordt aangeboden. De exacte definitie is in de Algemene Plaatselijke Verordening opgenomen onder het begrip: openbare inrichting.

De Horecanota ziet niet toe op alle vormen van openbare inrichtingen. Prostitutiebedrijven en coffeeshops kennen vanwege hun bijzondere karakter eigen beleidsregels en aparte vergunningen. Vestigingsvoorwaarden voor hotels zijn eveneens geen onderdeel van dit beleid. Een restaurant in een hotel natuurlijk wel.

Exploitatievergunning of niet?

In Rotterdam bestaan meerdere categorieën exploitatievergunningen. De aard van de activiteiten die in de horeca-inrichting worden aangeboden bepaalt welke categorie vereist is. Hoe uitbundiger de bedrijfsvoering van een horeca-inrichting, hoe uitgebreider de vereiste exploitatievergunning. Dit geeft tevens de mogelijkheid om een deel van de ondernemers die beperkte en/of zeer lichte vormen van horeca exploiteren vrij te stellen van de vergunningplicht (categorie 0). Dit is de afgelopen jaren een duidelijke lastenverlichting gebleken en sluit aan bij de high trust (high penalty) aanpak.

Naast bedrijven waar horeca de primaire bedrijfsvoering is, kent Rotterdam ook talloze bedrijven, instellingen en clubhuizen waar horeca slechts een ondersteunende functie heeft. Ook hiervan kan een groot deel gebruik maken van de vrijstelling van de vergunningplicht. Omdat er op basis van landelijke wetgeving, zoals de Winkeltijdenwet, ruimtelijke ordeningswetgeving en de Drank- en Horecawet nu eenmaal verschil zit tussen deze vormen van zeer lichte en/of ondersteunende horeca, onderscheiden we in Rotterdam drie varianten die vrijgesteld van de exploitatievergunningplicht mogen exploiteren; exploitatiecategorie 0.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1094Ommoord-on01_0006.png"

Indien een horeca-inrichting een horecabestemming heeft, dan worden de basisvoorwaarden verruimd en deels vervangen met onderstaande voorwaarden. De overige voorwaarden blijven gelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1094Ommoord-on01_0007.png"

Ook als geen sprake is van een horecabestemming kan het zijn dat er ruimere voorwaarden gelden. Sommige instellingen en voorzieningen hebben traditiegetrouw een aanzienlijk horecadeel, maar waarbij de openbare orde niet in het geding komt. Dit is een verzamelcategorie van instellingen en bijzondere objecten: muziek- en sportverenigingen, musea, theaters, filmhuizen, hotels/hostels, rouwcentra, ziekenhuizen, bejaarden- en verzorgingshuizen, gebedshuizen, bedrijfskantines en instelling voor hoger onderwijs. De overige voorwaarden blijven gelijk aan de basisvoorwaarden. (Voor muziek- en sportverenigingen geldt dat uit de bestemming dient te volgen dat sport en/of muziek de primaire functie van het object is).

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1094Ommoord-on01_0008.png"

Indien het woon- en leefklimaat in een straat of buurt onder grote druk staat, kan de burgemeester verbieden dat horeca zich daar zonder vergunning vestigt. In die gevallen is dus altijd een exploitatievergunning vereist om horeca-activiteiten te exploiteren.

Exploitatievergunning 

Wanneer een ondernemer meer of zwaardere activiteiten wil dan hierboven beschreven is een exploitatievergunning noodzakelijk. Rotterdam hanteert hiervoor een duidelijk vergunningstelstel dat aan de hand van losse activiteiten is opgebouwd. Dit wil zeggen dat de activiteiten worden vergund die in een horeca-inrichting kunnen plaatsvinden. Het vergunningstelsel biedt ondernemers op deze manier ruimte voor verschillende horecaconcepten.

Exploitatiecategorieën

De combinatie van activiteiten die in een horeca-inrichting worden aangeboden bepaalt in welke exploitatiecategorie de inrichting valt. Daarbij is relevant in hoeverre de activiteiten effect hebben op de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf. Hoe meer effect, des te zwaarder de exploitatiecategorie. Hoe zwaarder de categorie, des te zwaarder de toets bij vergunningverlening. Elke ondernemer kan gebruik maken van de voor hem of haar geldende vrijstelling van de exploitatievergunningplicht (categorie 0). Indien meer of zwaardere activiteiten worden aangeboden is een exploitatievergunning vereist in de categorie 1 t/m 4+ (licht, regulier, middelzwaar, zwaar, buiten categorie).

Gebiedsgericht werken

Een belangrijk, zo niet het belangrijkste onderdeel van de Horecanota is gebiedsgericht werken; kennis uit de wijk is bepalend voor wat kan en wat niet. Deze werkwijze, waarbij maatwerk en flexibiliteit centraal staan, heeft in de afgelopen jaren reeds z'n vruchten afgeworpen op het gebied van horeca. Door per wijk of buurt een duidelijke visie en/of ambitie te hebben en daaraan vestigingsvoorwaarden te stellen, kunnen bekende en nog onbekende horeca-ontwikkelingen worden beoordeeld en gerealiseerd.

In het plangebied bevinden zich verschillende horecagelegenheden. Het betreft een restaurant/feestzaal/bowlingcentrum en enkele horecazaken in en om de winkelcentra Binnenhof en Hesseplaats. Voorts is ondergeschikte horeca toegestaan bij enkele voorzieningen en op het bedrijventerrein.

4.3.6 Leidingen

In het plangebied is een planologisch relevante hogedruk aardgastransportleiding gelegen. Deze leiding is met een zone van 4 meter aan weerszijden van de hartlijn aangegeven op de verbeelding van het bestemmingsplan en bestemd met een dubbelbestemming "Leiding - Gas". In het bestemmingsplan is ter bescherming van deze leiding een aanlegvergunningstelsel opgenomen. In de regels is aangegeven welke werkzaamheden verboden zijn. Ook is aangegeven voor welke werkzaamheden een vergunning verleend kan worden na een positief advies van de leidingbeheerder.

In het zuidelijk gelegen deel van het plangebied bevinden zijn twee ondergrondse hoogspanningsverbindingen die zijn aangesloten op het 150 kV-station Rotterdam/Ommoord aan de Vlambloem 71. De leiding met de opgenomen strookbreedte heeft de dubbelbestemming "Leiding - Hoogspanning" gekregen. In het bestemmingsplan is ter bescherming van deze leiding een aanlegvergunningstelsel opgenomen. In de regels is aangegeven welke werkzaamheden verboden zijn. Ook is aangegeven voor welke werkzaamheden een vergunning verleend kan worden na een positief advies van de leidingbeheerder.

4.3.7 Maatschappelijke voorzieningen

Onder maatschappelijke voorzieningen worden voorzieningen op het gebied van onderwijs, religie, gezondheidszorg, cultuur, maatschappelijke dienstverlening en publieke dienstverlening verstaan. Deze voorzieningen kunnen wel of niet geluidsgevoelig zijn volgens de Wet geluidhinder. Geluidsgevoelige voorzieningen zijn bijvoorbeeld scholen, kinderdagverblijven, ziekenhuizen, terwijl buurthuizen of kerkgebouwen niet geluidsgevoelig zijn.

In dit bestemmingsplan zijn in de bestemming "Maatschappelijk" zowel geluidsgevoelige als niet geluidsgevoelige maatschappelijke voorzieningen toegestaan. Dit betekent dat een functie die past in deze definitie zonder planwijziging vervangen kan worden door een andere functie binnen deze definitie. De bestaande schoolgebouwen hebben deze bestemming gekregen.

4.3.8 Natuur

De wijktuin Ommoord heeft de bestemming "Natuur" gekregen conform het vorige bestemmingsplan. In de wijktuin is een rijk ontwikkeld bos-, grasland- en moerasvegetatie aanwezig.

4.3.9 Parkeerregeling

Dynamische verwijzing

Op 1 juli 2018 zijn de stedenbouwkundige voorschriften uit de Bouwverordening 2010 van de gemeente Rotterdam, waaronder de voorschriften over parkeernormen, komen te vervallen. Dat betekent dat er vanaf dat moment niet meer getoetst kan worden aan die voorschriften en er dus geen parkeernormen meer gelden. Gelet daarop, is er op 1 februari 2018 over parkeren beleid vastgesteld. Het betreft de “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018” (hierna: de beleidsregeling). De beleidsregeling is op 21 februari 2018 in werking getreden. De beleidsregeling geeft normen voor parkeren van auto's én fietsen. Aan deze normen moet voldaan worden bij een omgevingsvergunning voor het bouwen of bij een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken.

Om aan dit beleid te kunnen toetsen is er in het bestemmingsplan in Artikel 42 een bepaling opgenomen waarin staat dat er alleen een omgevingsvergunning voor het bouwen of gebruiken van gronden of bouwwerken mag worden verleend als sprake is van voldoende parkeergelegenheid voor auto's en fietsen op basis van het geldende beleid ten aanzien van parkeren in de gemeente Rotterdam. De bepaling is vormgegeven als een zogenaamde “dynamische verwijzing”. Dat wil zeggen dat er alleen wordt geregeld dat er voldoende parkeergelegenheid moet zijn voor fietsers en auto's conform het in de gemeente Rotterdam geldende parkeerbeleid. In de bepaling wordt niet expliciet verwezen naar de hiervoor genoemde beleidsregeling. Dat is een bewuste keuze. Op het moment van tot stand komen van dit bestemmingsplan is de “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018” het geldende beleid waaraan getoetst moet worden. Dit beleid kan in de toekomst echter wijzigen. Om ook aan een eventuele wijziging van het beleid van de gemeente Rotterdam te toetsen, zonder dat het bestemmingsplan daarvoor aangepast moet worden, is de beleidsregeling niet expliciet genoemd of bijgevoegd. Met de bepaling is bedoeld dat er bij het verlenen van een omgevingsvergunning voldoende parkeergelegenheid moet zijn voor auto's en fietsen op basis van parkeerbeleid van de gemeente Rotterdam dat geldt op het moment van verlenen van de omgevingsvergunning.

Beleidsregeling

De op dit moment geldende “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018” is via de volgende link te raadplegen: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2018-60992.html

De desbetreffende beleidsregeling geeft parkeernormen voor zowel auto's als fietsen. Bij de omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het gebruiken van gronden of bouwwerken wordt een parkeereis gesteld conform de gebiedsindeling die bij de beleidsregeling als bijlage is opgenomen. De parkeereis moet in beginsel volledig op eigen terrein worden opgelost. Er kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld, bijvoorbeeld ten aanzien van de inpassing van de parkeervoorzieningen in het gebouw of de omgeving, het laden en lossen etc. Van de parkeereis kan (geheel of gedeeltelijk) worden afgeweken. Tevens kan er vrijstelling van de parkeereis worden verleend. In de beleidsregeling wordt beschreven onder welke omstandigheden daar sprake van is.

4.3.10 Recreatie

Het Ommoordseveld heeft de bestemming "Recreatie" gekregen. Deze gronden zijn ten behoeve van recreatie met sport- en speelvoorzieningen, park, ligweiden. Temidden van het Ommoordseveld is tevens de kinderboerderij "De Blijde Wei" gelegen. Voor de kinderboerderij is een bouwvlak opgenomen met een bebouwingspercentage van 5%. Tevens is ter plekke ondergeschikte horeca toegestaan. Verder hebben de gronden met de scouting "Die Katinka's aan de Ommoordseweg 87 de bestemming "Recreatie" gekregen en een bebouwingspercentage van 50%.

4.3.11 Tuin

Tuinparkeren

Ten aanzien van tuinparkeren is de regeling uit het vorige bestemmingsplan opnieuw opgenomen.

Parkeren is niet toegestaan in tuinen bij aaneengesloten woningbouw en een kavelbreedte kleiner dan en gelijk aan 8 meter.

Parkeren is bij uitzondering wel toegestaan in geval van medische noodzaak en bij zogenoemde drive-in woningen. Verder kan een garage dan wel een inpandige parkeervoorziening worden bereikt via de tuin.

Burgemeester en wethouders kunnen in bepaalde gevallen door het verlenen van een binnenplanse vrijstelling toch parkeren in de tuin bij deze kavels mogelijk maken, indien het tuinparkeren stedenbouwkundig geen afbreuk doet aan de kwaliteit van de woonomgeving en het tuinparkeren bijdraagt aan het oplossen van het parkeerprobleem in een straat/buurt.

Parkeren is wel toegestaan bij tuinen met een kavelbreedte groter dan 8 meter, onder de voorwaarden dat op de kavel een tuin met een breedte van minimaal 5,5 meter resteert en het parkeren niet meer dan 50% van de breedte van de kavel in beslag neemt.

Gebouwen in de voortuin

In geval schuurtjes in de voortuin aanwezig zijn, dan is het niet de bedoeling dat die schuurtjes bij de woning worden betrokken. Om dit te regelen zijn naast de bestemming "Tuin - 1" waarin een regeling is opgenomen voor aan- en bijgebouwen in zij- en achtertuinen ook de bestemming "Tuin - 3" opgenomen. Binnen "Tuin - 3" mogen onder voorwaarden gebouwen in de voortuin worden opgericht. In de betreffende regel zijn bepalingen inzake de maximale bouwhoogte en oppervlakte opgenomen. Verder is in deze bestemming een aparte regeling opgenomen voor het mogelijk maken van een garage of carport in de voortuin van de woningen aan de Aalbes en de Zuurbes.

De bestemming "Tuin - 2" is opgenomen voor de tuinen op de grotere kavels aan de Linker Rottekade. Voor deze gronden zijn net als in het bestemmingsplan "Ommoord buiten de Ring" opgenomen met een bestemming "Wonen" omzoomd door de bestemming "Tuin - 2".

4.3.12 Uitbreiding/bebouwing op het achtererfgebied

Op 1 november 2014 is Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bijlage II Bor) gewijzigd. In dit besluit is onder meer het vergunningvrij bouwen van bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied geregeld. De wijziging van 1 november 2014 heeft ertoe geleid dat het bouwen van vergunningvrije bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied (op grond van artikel 2 van Bijlage II Bor) is verruimd ten opzichte van de oude regeling. Dat betekent dat er bij een woning of ander hoofdgebouw meer aan- en uitbouwen, alsmede bijgebouwen vergunningvrij mogen worden gebouwd dan voorheen het geval was. De verruiming is mede het gevolg van een andere benadering voor het berekenen van de oppervlakte van vergunningvrije bijbehorende bouwwerken.

Het vergunningvrije bouwen moet in samenhang gezien worden met de regels in het bestemmingsplan. Dat leidt ertoe dat het bestemmingsplan in beginsel geen invloed heeft op het vergunningvrij bouwen van bijbehorende bouwwerken op grond van artikel 2 Bijlage II Bor. Het bestemmingsplan kan alleen maar regelen wat er méér is toegestaan dan wat de regeling uit artikel 2 toelaat.

Hoeveel er op grond van de nieuwe regeling aan vergunningvrije bijbehorende bouwwerken mag worden opgericht, is afhankelijk van de oppervlakte van het bebouwingsgebied. Het bebouwingsgebied maakt onderdeel uit van het achtererfgebied. Hoe groter het bebouwingsgebied, hoe groter de oppervlakte aan vergunningvrije bijbehorende bouwwerken. Het komt erop neer dat maximaal 150 m2 aan vergunningvrije bijbehorende bouwwerken kan worden gebouwd. Dat is het geval bij grote percelen. Bij een doorsnee perceel zal deze oppervlakte veel beperkter zijn.

In het voorliggende bestemmingsplan is ervoor gekozen om een regeling voor het bouwen van aan- en uitbouwen. Bijgebouwen zijn niet expliciet geregeld, maar zijn mogelijk volgens de regels van het vergunningvrij bouwen.

4.3.13 Verkeers- en verblijfsgebied

De hoofdwegen in het plangebied hebben de bestemming "Verkeer - Verkeersweg" gekregen. Deze bestemming is bedoeld voor verkeerswegen met de bijbehorende bruggen, viaducten en parkeerplaatsen. En daarnaast natuurlijk ook voor wandel- en fietspaden en gebouwtjes en bouwwerken ten behoeve van deze functies. Binnen de bestemming "Verkeer - Verkeersweg" zijn doorgaans de 50 km/u-wegen opgenomen.

De bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" is opgenomen voor de ontsluitingswegen met de bijbehorende trottoirs. En daarnaast voor pleinen, snippergroen, speeltoestellen en dergelijke. Binnen deze bestemmingen is ook de aanleg van nieuwe waterpartijen en watergangen en waterberging mogelijk indien dit vanuit het oogpunt van waterbeheer wenselijk is. Dit betekent dat veranderingen in de inrichting van de openbare ruimte kunnen worden doorgevoerd zonder planherziening (mits de veranderingen passen binnen deze bestemming).

4.3.14 Voorzieningen van openbaar nut

Deze bestemming is toegekend aan gebouwen ten behoeve van de elektriciteitsvoorziening (trafohuizen). Kleine bouwwerken van openbaar nut zijn niet bestemd en kunnen in principe overal worden gerealiseerd. Het gaat hierbij om gebouwtjes met een inhoud van minder dan 80 m3.

In dit bestemmingsplan zijn enkele voorzieningen van openbaar nut als "Bedrijf - Nutsvoorziening" bestemd.

4.3.15 Werken aan huis

In de voorschriften is een regeling voor werken aan huis opgenomen. Deze regeling gaat uit van een zo groot mogelijke flexibiliteit in toegestane bedrijfsactiviteiten, mits de omgeving geen gevaar loopt en geen onevenredige hinder ondervindt van de activiteit. De bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan in alle woningen, ongeacht het type woning of het gebied waar de woning staat. De belangrijkste voorwaarden zijn dat maximaal 30% van de woning voor beroeps-/bedrijfsactiviteiten mag worden gebruikt en dat de woning er aan de buitenkant als woning uit blijft zien. Reclame-uitingen aan de buitenzijde van de woning zijn niet toegestaan. Verder worden detailhandelsactiviteiten en bedrijfsmatige reparatie en onderhoud aan motorvoertuigen nadrukkelijk uitgesloten.

Hoofdstuk 5 Water

5.1 Beleidskader

5.1.1 Rijksbeleid

In 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening.

Het Nationaal Waterplan (2016-2021) bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast.

5.1.2 Provinciaal beleid

De provincie ziet het als haar rol om te zorgen dat gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen een goede afweging maken van hoogwaterrisico's. Gemeenten worden gevraagd bij nieuwe ontwikkelingen en herstructureringen in buitendijkse gebieden een inschatting te maken van het slachtofferrisico bij overstromingen en te verantwoorden hoe zij daarmee zijn omgegaan. Het beleidskader is opgenomen in de provinciale Visie ruimte en mobiliteit en in de provinciale Verordening ruimte. De provincie heeft een Risico Applicatie Buitendijks (RAB) ontwikkeld, die gemeenten hierbij kunnen gebruiken. In deze methodiek bedraagt de oriëntatiewaarde van het risico op individueel overlijden (LIR) 1x10-5.

Het waterbeleid van de provincie Zuid Holland is opgenomen in het Waterplan Zuid-Holland 2016 - 2021 van de provincie. In het waterplan staat wat in deze periode moet gebeuren om de provincie in de toekomst op een duurzame wijze veilig en leefbaar te houden. Het gaat daarbij om het waarborgen van de veiligheid tegen overstromingen, het realiseren van mooi en schoon water, ontwikkelen van een duurzame zoetwatervoorziening het realiseren van een robuust en veerkrachtig watersysteem Het plan werkt de strategische wateropgaven voor drie gebieden verder uit, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit leidt tot een integrale visie op de ontwikkeling van de Zuid-Hollandse Delta, het Groene Hart en de Zuidvleugel van de Randstad.

5.1.3 Regionaal beleid

De gemeenteraad van Rotterdam heeft op 18 september 2007 het Waterplan2 Rotterdam vastgesteld. Het Waterplan 2 is een gezamenlijk en integraal product van alle waterbeheerders in de regio. In het Waterplan 2 staat in hoofdlijnen beschreven hoe de gemeente Rotterdam en de waterschappen de komende tijd willen omgaan met het water in de stad. Hierbij wordt met name gekeken naar drie cruciale ontwikkelingen:

  • Een hogere waterstand door de stijging van de zeespiegel. In buitendijkse gebieden ontstaan risico's op overstromingen. Versterking van waterkeringen is onvermijdelijk;
  • Wateroverlast door toenemende neerslag. Door klimaatsverandering kan er in korte tijd veel neerslag vallen. Om dat water te verwerken is opvang en berging nodig;
  • Strengere eisen aan de kwaliteit van het water. Rotterdam wil een aantrekkelijke waterstad zijn, met schoon, helder en plantrijk water. De stad moet bovendien voldoen aan de eisen uit de Europese Kaderrichtlijn Water. Er worden voor alle wateren in de stad kwaliteitsbeelden opgesteld volgens die eisen.

Het Waterplan 2 biedt tevens een perspectief voor Rotterdam als waterstad in 2030. De gemeente en de andere waterbeheerders hebben op 5 juni 2013 de herijking van het Waterplan 2 vastgesteld. Dit betreft een herijking van de realisatiestrategie en de introductie van een nieuw uitvoeringsprogramma 2013-2018.

5.2 Samenwerking met de waterbeheerder

De gemeente Rotterdam werkt in overleg met alle betrokken waterbeheerders aan een gemeenschappelijke procedurele en inhoudelijke invulling van de Watertoets en de waterparagraaf.
Conform de Watertoets heeft de gemeente in algemene zin overleg gevoerd met de waterbeheerders.

De beheerder van het oppervlaktewater in het plangebied "Ommoord" is het Hoogheemraadschap van Schieland en Krimpenerwaard. De gemeente Rotterdam (Stadsbeheer, afdeling Water) is de rioolbeheerder. Op basis van de Keur verleent het waterschap vergunningen voor werken op, in en rond watergangen en waterkeringen en voor werken die de waterhuishouding beïnvloeden.

5.3 Huidige watersysteem

5.3.1 Oppervlaktewater

Een groot deel van het plangebied is gelegen in één peilgebied GPG-230 met een vast peil van NAP – 6,7 m. Aan de noordzijde van het plangebied ligt het boezemwater de Rotte, deze heeft een flexibel peil, variërend van NAP - 0,9 m tot NAP -1,2 m. Evenwijdig aan de Rotte ligt de tussenboezem, deze heeft een peil van NAP- 3,05 m. Ten zuiden van de tussenboezen ligt een aantal kleinere peilgebieden, deels met een afwijkend peil.

Het watersysteem in het plangebied wordt gevoed vanuit de Rotte. Waterafvoer vindt plaats door het
gemaal Ommoord. Bij hevige neerslag en bijbehorende sterke peilstijgingen kan overtollig water ook
via duikers onder de A20 en de watergang op het terrein van VTV Ommoord afstromen naar het
watersysteem van Het Lage Land.

5.3.2 Grondwater

Voor grondwater ligt een aantal peilbuizen in het plangebied. Deze peilbuizen meten de ontwateringsdiepte (de afstand tussen het maaiveld en het grondwaterpeil). Een afstand tussen maaiveld en grondwaterpeil van meer dan 80 centimeter betekent dat (de kans op) grondwateroverlast beperkt zal blijven. Aangezien de ontwateringsdiepte in enkele gevallen kleiner is dan 80 centimeter kan grondwateroverlast in het plangebied optreden. Er zijn uit geen klachten over het grondwater bekend.

5.3.3 Waterkering

Langs de Rotte ligt de Rottekade. Deze (primaire en/of secundaire) waterkeringen en de beschermingszones aan weerszijden daarvan hebben de dubbelbestemming "Waterstaat-Waterkering" gekregen. De waterkering zelf heeft de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering" gekregen.

5.3.4 Riolering

Het plangebied ligt in rioleringsdistrict 17 (Ommoord), zie Figuur 4-4. In het plangebied ligt deels een gemengd stelsel, wat betekend dat het huishoudelijk afvalwater gezamenlijk met het hemelwater wordt afgevoerd naar de afvalwaterzuivering (AWZI). Een groot deel van de wijk heeft al een stelsel waarbij regenwater en afvalwater gescheiden worden afgevoerd. District 17 voert het afvalwater via district 18 af naar AWZI Kralingse Veer. Binnen het plangebied zijn verschillende vuilwateroverstorten aanwezig.

5.4 De wateropgave

In het gebied is sprake van een wateropgave. Dat wil zeggen dat het huidige watersysteem nog niet is toegerust voor de verwachte zwaardere buien ten gevolgen van klimaatverandering. Door de lage ligging fungeert het gebied als een badkuip, het gebied is kwetsbaar voor overstromingen

5.4.1 Oppervlaktewater

Op een aantal locaties worden transformaties mogelijk gemaakt. Het vlak dat daarbij bebouwd mag worden is op een aantal locaties groter dan de huidige bebouwing. In totaal kan ongeveer 1.375 m2 
extra verhard oppervlak worden toegevoegd. Als verhard oppervlak wordt toegevoegd is het nodig
om dit te compenseren met de aanleg van extra oppervlakte water of andere opvangmogelijkheden
voor regenwater. Omdat er momenteel nog geen concrete plannen zijn, is nog geen berekening
gemaakt van de benodigde watercompensatie.

In het bestemmingsplan is aanleg van water mogelijk in gebieden met de bestemming "Groen". Ruimtelijk gezien is watercompensatie dus mogelijk.

5.4.2 Grondwater

Er vindt geen grootschalige toename van de verharding plaats en er zijn geen nieuwe ondergrondse
objecten voorzien. Er worden geen effecten op de grondwaterstand verwacht.

5.4.3 Waterkering en waterveiligheid

Het plangebied ligt binnendijks, binnen de primaire waterkeringen. De primaire waterkeringen worden zo ontworpen dat iedereen die achter de waterkering woont, kan rekenen op een beschermingsniveau van ten minste 10-5 per jaar (d.w.z. de kans op overlijden als gevolg van een overstroming voor een individu is niet groter is dan 1 op 100.000 jaar). De primaire waterkeringen zijn ontworpen om een waterhoogte te keren met een terugkeertijd van gemiddeld eens per 4.000/10.000 jaar.

De gevolgen van een overstroming binnendijks zijn afhankelijk van meerdere aspecten, zoals de
locatie waar de overstroming plaatsvindt, de afstand tot de waterkering en de maaiveldhoogtes in het
gebied. Om een indicatie van de risico’s te krijgen is er een landelijk informatie systeem overstromingen. Hieruit kan worden opgemaakt dat in het plangebied een waterdiepte kan ontstaan van meer dan 4 meter. Bij een dergelijke diepte is er kans op slachtoffers, evacuatie in geval van een overstroming is hier noodzakelijk. Naast een overstroming veroorzaakt door een doorbraak van de primaire waterkering, kan ook een overstroming veroorzaakt worden door een doorbraak van de Rottekade. Het waterpeil in de Rotte is hoog ten opzichte van de ligging van Ommoord.

5.4.4 Riolering

De ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt in het bestemmingsplan kunnen leiden tot een
verandering van het bestaande gebruik. Op dit moment is nog onduidelijk welke functies precies
gerealiseerd zullen worden. Een indicatieve berekening van de hoeveelheid rioolwater is gemaakt
door uit te gaan van de realisatie van woningen, waarbij één woning ongeveer 100 m2 is. De ontwikkelingen leiden tot een maximale toename van 8,0 m3/uur.

Voor de nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is het scheiden van schoon en vuil water verplicht, de gemeente Rotterdam eist daarbij het verwerken van hemelwater op het eigen terrein. Als
uitgangspunt geldt hierbij het bergen van 50 mm regenwater in een uur en 80 mm regenwater in een
dag. Dit leidt tot vermindering van vuilwateroverstorten, wat de waterkwaliteit ten goede komt, en zorgt ervoor dat er minder water wordt afgevoerd naar de AWZI. Na het opvangen van water op eigen terrein kan het vertraagd afstromen naar bijvoorbeeld oppervlaktewater in de omgeving of naar het aanwezige regenwaterstelsel in het plangebied. Voor de materiaalkeuze van de bebouwing gelden randvoorwaarden, aangezien verontreiniging van afstromend hemelwater voorkomen moet worden. Uitloogbare materialen vormen een belasting voor de waterkwaliteit, deze zijn niet onvoorwaardelijk toepasbaar.

Verder stimuleert de gemeente toepassing van groene daken. Groene daken houden hemelwater tijdelijk vast en verminderen en vertragen de afvoer ervan. Groene daken worden echter niet meegeteld als compensatie voor de verharding. Een deel van de ontwikkelingen betreft functieverandering van bestaande gebouwen. Ook hier is de eerste keus om afval- en hemelwater gescheiden te verwerken.

Opstellen rioolplan

Als ontwikkelingen concreet worden is het nodig om een rioolplan op het stellen voor de afvoer van afval- en hemelwater.

Hoofdstuk 6 Milieu

6.1 Inleiding

Rotterdam is een compacte stad. Compact bouwen biedt aan de ene kant grote voordelen voor milieu en duurzaamheid op een hoger schaalniveau (minder mobiliteit, minder aantasting van natuurlijk en landelijk gebied). Aan de andere kant kan door compact bouwen de milieubelasting in de stad toenemen. Dit wordt de paradox van de compacte stad genoemd. Rotterdam moet bovenal een leefbare stad zijn. Een woonomgeving met weinig milieuhinder is één van de aspecten die de leefkwaliteit bepalen naast bijvoorbeeld voorzieningen, bereikbaarheid, kwaliteit van de publieke ruimte en sociale veiligheid. Het milieubeleid in Rotterdam is erop gericht om ondanks de verdichting en intensivering van de stad toch de milieubelasting terug te dringen en de leefkwaliteit te verbeteren. In het bestemmingsplan moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging worden gemaakt van de wijze waarop milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen ten opzichte van elkaar moeten worden gesitueerd. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied, de opgave en eventuele wettelijke eisen. De gemeente Rotterdam is verplicht om bij de voorbereiding van het bestemmingsplan te onderzoeken welke (milieu)waarden bij het plan in het geding zijn en wat de gevolgen van het plan zijn voor deze waarden. Voor de meeste milieuthema's is er landelijk milieuwetgeving aanwezig. Een voorbeeld hiervan is de Wet geluidhinder. Daarnaast is er voor sommige milieuthema's Rotterdams beleid aanwezig. De voor dit plan relevante thema's worden hieronder verder uitgewerkt.

6.2 Milieu effectrapportage

Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) wordt gebruikt om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De basis hiervan ligt in de EU m.e.r.-richtlijn 2014/52/EU. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Daarbij geldt een bandbreedte. Bovendien dienen bij de afweging ook nog andere factoren te worden betrokken en dient nagegaan te worden of er significant negatieve effecten te verwachten zijn op natuurgebieden.

6.2.1 Plangebied

Toetsing bestemmingsplan aan m.e.r.-beoordelingsplicht

In het bestemmingsplan "Ommoord" wordt de nieuwbouw en transformatie naar circa 400 woningen mogelijk gemaakt. Om te bepalen of het bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, is het programma getoetst aan de Nederlandse en Europese wetgeving. De bovengenoemde mogelijkheden moeten worden gezien als een stedelijke ontwikkeling zoals omschreven in het Besluit m.e.r. kolom 1, opgenomen in het onderdeel D 11.2: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.

Er dient een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen te worden. Als uitgangspunt geldt dat alleen een MER hoeft te worden opgesteld indien het bevoegd gezag (in dit verband het college) van oordeel is dat dit noodzakelijk is vanwege belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling voor dit bestemmingsplan dienen de ontwikkelingen die in dit plan worden mogelijk gemaakt, te worden beschouwd. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de drie criteria die zijn opgenomen in bijlage III van de EU richtlijn milieubeoordeling projecten:

1. Kenmerken van het project als omvang, cumulatie met andere projecten, gebruik natuurlijke hulpbronnen, productie afvalstoffen, verontreiniging en hinder, risico van ongevallen (i.v.m. stoffen/technologieën).

Motivering:

Het bestemmingsplan maakt nieuwbouw en transformatie naar woningen mogelijk. Er is geen sprake van cumulatie met een andere ontwikkeling in de omgeving, geen gebruik van natuurlijke hulpbronnen, productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder of (bedoeld) risico van ongevallen.

2. Plaats van het project (de kwetsbaarheid van het milieu in het gebied waarop het project effect kan hebben), bijvoorbeeld een natuurgebied.

Motivering:

De ontwikkelingsmogelijkheden hebben geen effecten op gevoelige gebieden, zoals Natura 2000-gebieden en/of het Natuurnetwerk Nederland.

3. Kenmerken van het potentiële effect (bereik, waarschijnlijkheid, duur frequentie en onomkeerbaarheid).

Motivering:

Er worden geen (grote) negatieve effecten op het milieu verwacht, ook niet voor wat betreft het bereik, de waarschijnlijkheid, de duur en frequentie van de mogelijke effecten. Dit blijkt uit de milieuonderzoeken die ten behoeve van dit bestemmingsplan zijn uitgevoerd. Het bestemmingsplan zorgt niet voor een significante toename van verkeer, en draagt daarmee ook niet in betekenende mate bij aan een toename van geluid en luchtverontreiniging (zie de conclusie in de paragrafen 6.4.5 en 6.5.2). Het bestemmingsplan leidt niet tot een verandering ten opzichte van de huidige situatie bij bodemverontreiniging en externe veiligheid (zie de conclusies in de paragrafen 6.6.1 en 6.7.5).

Conclusie

Uit de bovenstaande vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen (grote) negatieve effecten op het milieu worden verwacht. Het opstellen van een milieueffectrapport (MER) is dan ook niet noodzakelijk.

6.3 Milieuzonering

Bij goede ruimtelijke ordening hoort het voorkomen van voorzienbare hinder door bedrijven en andere activiteiten. Hiervoor bestaan voor nieuwe situaties geen wettelijke normen. In het Rotterdamse beleid voor milieuzonering wordt gebruik gemaakt van indicatieve gebiedstypen en een bedrijvenlijst die is opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering). De VNG-uitgave geeft informatie over milieuhinder van vrijwel alle bedrijfstypen en andere activiteiten. Hierin zijn voor de milieuaspecten geur, stof (luchtkwaliteit), geluid en gevaar indicatieve afstanden bepaald. De aard van de hinder is bepalend voor de vraag in hoeverre tussen een belastende en een gevoelige functie verweving mogelijk is, dan wel ruimtelijke scheiding noodzakelijk is. De VNG-uitgave bevat een tabel met de indicatieve afstanden. Hiermee kan de vraag worden beantwoord welke afstand aanvaardbaar is tussen een nieuw bedrijf en woningen en tussen nieuwe woningen en bedrijven, of welke bedrijven aanvaardbaar zijn in een gebied met functiemenging.
Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stadscentra, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones langs stedelijke wegen, woongebieden met kleinschalige en ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden nabij industrieterreinen. In deze gebieden is een combinatie van wonen en werken vaak mogelijk. Vaak aanpandig, bij lichte bedrijvigheid, of naast elkaar, bij de iets zwaardere bedrijven en met aandacht voor de ontsluiting bij bedrijven met een verkeersaantrekkende werking. De gemeente Rotterdam bestemt in haar bestemmingsplannen de functies zoals agrarische doeleinden, kantoren, detailhandel, horeca, maatschappelijke voorzieningen, sport of recreatie als zodanig en niet als bedrijfsbestemming. In de bijgevoegde bedrijvenlijst zijn deze bestemmingen dan ook niet opgenomen. Voor het inpassen van die functies wordt echter wel gebruik gemaakt van de VNG-uitgave.

6.3.1 Plangebied

Bedrijven in of nabij het plangebied
Het plangebied van dit bestemmingsplan geldt in het Rotterdamse beleid als een woongebied. In deze gebieden kunnen bedrijven in milieucategorie 2 als passend worden gezien.
In het bestemmingsplan worden bedrijven in milieucategorie 1 of in milieucategorie 1 en 2 toegestaan. Zie de bedrijvenlijst die is opgenomen als bijlage bij de regels. Veelal zijn deze bedrijven toegestaan op de begane grond, waarboven wordt gewoond, of in op zichzelf staande gebouwen. In de praktijk laten deze functies zich door de beperkte omvang in het algemeen zonder problemen combineren met woningen, of zijn problemen goed te voorkomen/verhelpen door het nemen van maatregelen.

Op het bedrijventerrein Ommoord zijn bedrijven t/m milieucategorie 3.2 zijn toegestaan. Voor bedrijven in milieucategorie 3.2 geldt een indicatieve afstand van 100 meter tot woningen. Er zijn geen locaties waar nieuwe woningen kunnen worden gerealiseerd binnen 100 meter van deze locatie.

Overige activiteiten in of nabij het plangebied

Sportpark Ommoord (binnen het plangebied) en Zwansnesse zijn activiteiten in milieucategorie 3.1. Voor deze activiteiten geldt een indicatieve afstand van 50 meter tot woningen. De locaties waar het bestemmingsplan nieuwe woningen mogelijk maakt liggen op meer dan 50 meter van deze activiteiten.

6.3.2 Conclusie

In het plangebied en de omgeving daarvan zijn geen bedrijfsactiviteiten en andere activiteiten aanwezig die gezien de indicatieve afstanden voor milieuhinder van invloed zijn op de locaties waar woningen kunnen worden gerealiseerd. Zodat de ontwikkeling van woningen niet door milieuzonering in de weg wordt gestaan.

6.4 Geluid

Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De basis voor het beoordelen van geluid is de Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet. In deze wetten liggen normen vast voor geluid afkomstig van de industrie, weg-en spoorwegverkeer en luchtvaartverkeer.
Volgens de Wet ruimtelijke ordening dient in het kader van goede ruimtelijke ordening sprake te
zijn van een goede leefkwaliteit, of leefomgevingskwaliteit. Deze begrippen zijn niet duidelijk omlijnd en kennen vele invalshoeken. Met betrekking tot geluid betekent het echter dat niet alleen gekeken wordt naar de geluidsbronnen genoemd in de Wet geluidhinder, maar ook naar niet wettelijke geluidsbronnen zoals scheepvaart, tramverkeer, 30 km/uur wegen, parkeervoorzieningen. Hierbij wordt het geluidsniveau in beeld gebracht. In de Wet geluidhinder staan de geluidsgevoelige bestemmingen genoemd waarvoor maximaal toelaatbare geluidsbelastingen gelden maar ook hier geldt dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening gekeken moet worden naar bestemmingen, die in de Wet geluidshinder niet als
geluidsgevoelig zijn aangemerkt, maar dit wel kunnen zijn.


Rotterdams beleid
In het bestemmingsplan wordt een opsomming van geluidsgevoelige bestemmingen en eventueel nieuwe bronnen, of aanpassingen van bestaande bronnen weergegeven. Onderzocht wordt of de maximaal toelaatbare geluidsbelasting (ook wel voorkeurswaarde genoemd) overschreden wordt. Is dit het geval, dan is onderzoek noodzakelijk naar maatregelen die genomen kunnen worden om de geluidsbelasting terug te dringen. Indien het niet haalbaar blijkt de geluidsbelasting terug te dringen tot de maximaal toelaatbare waarde biedt de Wet geluidhinder de mogelijkheid een hogere maximaal toelaatbare geluidsbelasting vast te stellen. Dit heet het nemen van een Besluit hogere waarden. De motivering van dit besluit moet voldoen aan het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet Geluidhinder. Dit beleid is erop gericht het aantal geluidsgehinderden zoveel mogelijk terug te dringen.


Plangebied
In het kader van het bestemmingsplan "Ommoord" is geluidsonderzoek verricht op een aantal locaties waar thans geen geluidsgevoelige functies zijn gevestigd (locatie 2 is weliswaar onderzocht, maar zal niet in het bestemmingsplan worden opgenomen). Deze functies waren in het vorige bestemmingsplan planologisch wel al mogelijk, maar bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan moeten deze locaties op grond van de Wet geluidhinder als nieuwe geluidsgevoelige objecten worden beschouwd. Het betreft de locaties 1, 3 en 4 op onderstaande kaart.

Voor locatie 5 was in het vorige bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor een woongebouw. Deze mogelijkheid is opnieuw onderzocht om direct in het bestemmingsplan op te nemen. Voor de locaties 6 en 7 geldt dat conform het vorige bestemmingsplan "Ommoord binnen de Ring" opnieuw onderzoek is gedaan naar de mogelijkheden voor woningbouw boven de winkels van de winkelcentra Binnenhof en Hesseplaats.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1094Ommoord-on01_0009.png"

Fig. ontwikkelingslocaties voor geluidsgevoelige functies

6.4.1 Wegverkeer

Als in een zone langs een weg nieuwe situaties mogelijk worden gemaakt, dan moet een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd. De breedte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximum snelheid. In het akoestisch onderzoek kunnen wegen waar een snelheid van maximaal 30 km/u geldt buiten beschouwing blijven. In de onderstaande tabel is de zonebreedte aangegeven.

Soort gebied   Stedelijk-   -gebied   Buiten-   -stedelijk-   -gebied  
Aantal rijstroken   1 of 2   3 of meer   1 of 2   3 of 4   5 of meer  
Zonebreedte   200 meter   350 meter   250 meter   400 meter   600 meter  

Tabel Breedte geluidszones langs wegen

Bij nieuwe geluidsgevoelige situaties is de voorkeurswaarde aan de gevel 48 dB. Het college van Burgemeester en Wethouders heeft volgens artikel 83 van de Wet geluidhinder de bevoegdheid om een hogere waarde vast te stellen, tot maximaal 53 dB voor buitenstedelijke wegen en tot maxmaal 63 dB voor binnenstedelijke wegen. De onderbouwing van dit voornemen, het ontwerpbesluit, wordt tegelijkertijd met het ontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegd.

Om na te gaan in hoeverre aan de normen van de Wet geluidhinder kan worden voldaan zijn geluidsberekeningen uitgevoerd. De uitkomsten van het akoestisch onderzoek naar wegverkeer zijn aangegeven in de onderstaande tabel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1094Ommoord-on01_0010.png"
Tabel Maximale geluidsbelasting op de nieuwe geluidsgevoelige situaties per zoneplichtige weg

Stedelijke wegen

Uit de tabel blijkt dat de geluidbelasting op locaties 1, 3, 4 en 7 vanwege één of meerdere voor deze locaties relevante zoneplichtige stedelijke wegen de voorkeurswaarde (48 dB) wordt overschreden. De maximaal toelaatbare geluidbelasting vanwege een stedelijke weg voor woningen (63 dB) wordt daarbij niet overschreden.


Rijkswegen A16 en A20

Uit de tabel blijkt dat bij locatie 1, die zich binnen de geluidszone van de Rijksweg A20 bevindt, de voorkeurswaarde van 48 dB wordt overschreden. Voor locatie 1 geldt dat deze ook binnen de geluidszone van de Rijksweg A16 bevindt. De maximaal toelaatbare geluidbelasting voor een buitenstedelijke weg (53 dB) wordt daarbij niet overschreden.

6.4.2 Railverkeer

Metro
Binnen het plangebied liggen de metrolijnen A en B, richting respectievelijk Ommoord en Nesselande. De zonebreedte van dit spoortraject bedraagt 100 meter. Locaties 5, 6 en 7 liggen binnen de geluidzone van dit spoortraject.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1094Ommoord-on01_0011.png"

Tabel: Maximale geluidsbelasting op de nieuwe geluidsgevoelige situaties door railverkeerslawaai

Uit de tabel blijkt dat de geluidsbelasting vanwege de metro op locaties 5, 6 en 7 niet aan de voorkeurswaarde van 55 dB voor woningen voldoet. De maximaal toelaatbare geluidbelasting van 68 dB voor woningen wordt daarbij echter niet overschreden.

6.4.3 Cumulatie

De gecumuleerde geluidsbelasting wordt bepaald als sprake is van een overschrijding van de voorkeurswaarde bij een geluidsgevoelige locatie door meer dan één soort geluidbron. Er is geen sprake van overschrijding van de voorkeurswaarde op een locatie van meerdere verschillende bronsoorten. Cumulatie is daarom niet aan de orde.

6.4.4 Conclusie

Het in een bestemmingsplan mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige objecten, en daarmee samenhangend het vaststellen van hogere waarden (het toestaan van een hogere maximale geluidsbelasting op de gevels van nieuwe geluidsgevoelige objecten), moet worden gemotiveerd. Bij deze motivering moeten de volgende aspecten worden betrokken:

  • De hoogte van de geluidsbelasting vanaf zoneplichtige geluidsbronnen (waarbij een toets aan de normen van de Wet geluidhinder plaatsvindt);
  • De hoogte van de geluidsbelasting vanaf niet zoneplichtige geluidsbronnen (30 km/uur wegen en tramlijnen);
  • De gecumuleerde geluidsbelasting;
  • Maatregelen aan de geluidsbron, overdrachtsmaatregelen en maatregelen ter plaatse van de geluidsbelaste locatie;
  • De regel uit het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet geluidhinder dat nieuwe woningen in principe over een geluidluwe gevel moeten beschikken (een gevel waarop de maximale geluidsbelasting van wegverkeer niet hoger is dan 53 dB en van railverkeer niet hoger is dan 55 dB).

Cumulatie geluidsbronnen

Wanneer nieuwe geluidsgevoelige locaties in verschillende geluidszones liggen en de voorkeurswaarde vanwege meer dan één bronsoort wordt overschreden, moet de geluidsbelasting worden gecumuleerd. Dit betekent dat de geluidsbelastingen van verschillende bronnen (wegen, spoorwegen en industrie) bij elkaar worden opgeteld. Als er verschillende bronnen zijn die elk een hoge geluidsbelasting op de gevel veroorzaken, dan kan de gecumuleerde geluidsbelasting aanzienlijk hoger zijn dan de geluidsbelasting vanaf de geluidsbron met de hoogste bijdrage. De gecumuleerde geluidsbelasting moet worden betrokken bij de afwegingen om een nieuwe geluidsgevoelige bestemming toe te staan en hiervoor een hogere waarde vast te stellen. Op de gevels van locatie W1 is spraken van een cumulatieve geluidsbelasting van wegverkeer en het zwembad (dat op dezelfde wijze als een industriële inrichting is beschouwd). De gecumuleerde geluidsbelasting is echter nauwelijks hoger dan de geluidsbelasting veroorzaakt door het wegverkeer, zodat dit niet tot een andere afweging leidt.

Maatregelen

Voordat kan worden besloten de hoogste berekende geluidsbelastingen als hogere waarden vast te stellen, moet eerst worden bekeken of er door het treffen van maatregelen aan de voorkeursgrenswaarde kan worden voldaan, danwel de geluidskwaliteit kan worden verbeterd. In het akoestisch onderzoek is aangegeven welke maatregelen overwogen kunnen worden.

Wat betreft maatregelen aan de geluidsbron zijn stille wegdekken, snelheidsverlaging en vermindering van vrachtverkeer denkbaar. Deze maatregelen zorgen voor de grootste geluidsreductie als zij op de A16 worden toegepast. Het is aan Rijkswaterstaat of deze maatregelen worden genomen. Naar verwachting van de gemeente zal dit niet of niet op korte termijn het geval zijn. Bij de relevante stedelijke wegen worden stillere wegdekken en een snelheidsverlaging naar 30 km/uur niet als doelmatig gezien, gelet op het beperkte aantal woningen en de beperkte geluidsreductie.

Bij overdrachtsmaatregelen gaat het om geluidsschermen. Geluidsschermen langs stedelijke wegen zijn vanuit verkeerskundig en stedenbouwkundig oogpunt geen optie. Langs de A16 is al een geluidsscherm of geluidswal aanwezig, een verhoging hiervan wordt niet verwacht.

Bij maatregelen aan de ontvangstkant (van de geluidsbelasting) kan gedacht worden aan het realiseren van een vliesgevel (een geluidscherm aan de woningen). Bij locatie W2 rekenpunt 4 op 10,5 meter, bij een deel van locatie W3 en bij de voorgevels van W4 en W5 is de geluidsbelasting hoger dan de maximale hogere waarde. Als de geluidsbelasting niet voldoende kan worden teruggebracht dan moeten deze gevels als een 'dove gevel' worden uitgevoerd. Deze goed geïsoleerde gevels, waarbij de ramen van geluidsgevoelige ruimtes niet open kunnen, hoeven niet aan de normen uit de Wet geluidhinder voor de geluidsbelasting op de gevel te worden getoetst (maar moeten wel aan de norm voor de Wet voldoen). Omdat het W3, W4 en W5 om de begane grond (danwel de 1e verdieping, bij W3) van bestaande panden gaat wordt het toepassen van vliesgevels niet als een reële mogelijkheid gezien. Bij locatie W2 gaat het om de bestemming Woongebied waarbinnen nieuwe woningen kunnen worden gebouwd. De precieze ligging van deze woningen is nog niet duidelijk, en evenmin of deze woningen overal vier bouwlagen krijgen. Als ter plaatse van rekenpunt W2.04 wordt gebouwd in vier bouwlagen dan moet de vierde bouwlaag met een dove gevel worden uitgevoerd.

Geluidsluwe gevel

Een van de belangrijkste criteria in het beleid dat de gemeente Rotterdam heeft voor het vaststellen van hogere toegestane geluidsbelastingen op de gevel van een woning is dat elke nieuwe woning in principe over tenminst één geluidsluwe gevel moet beschikken. Een geluidsluwe gevel is een gevel waarop de gecumuleerde geluidsbelasting niet hoger is dan 53 dB, dit geldt als een geluidsniveau waarbij men in het algemeen buiten kan zitten of het raam open kan laten staan zonder dat de geluidsbelasting als hinderlijk wordt ervaren.

Uit het geluidsonderzoek blijkt dat alle woningen op alle locaties over een of meerdere geluidsluwe gevels kunnen beschikken, behalve bij locatie W4. Bij deze locatie zal het grootste deel van de woningen niet zonder meer een geluidsluwe gevel hebben. Bij W4 gaat het om de mogelijkheid het gebruik van de begane grond van een flatgebouw om te kunnen zetten naar woningen. Het omzetten naar woningen was al mogelijk in het vorige bestemmingsplan, en deze mogelijkheid wordt overgenomen in het nieuwe bestemmingsplan. Mocht er tot het omzetten naar woningen worden omgegaan dan moet er voor gezorgd worden (met maatregelen) dat deze woningen een geluidsluwe gevel hebben.

Afweging

Maatregelen om de geluidsbelasting te beperken ziet de gemeente niet als reële mogelijkheid, gezien de hoge kosten in relatie tot het relatief beperkte aantal woningen. En vanwege de stedenbouwkundige, verkeerskundige en technische beperkingen die de bovengenoemde maatregelen met zich meebrengen.

Het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet geluidhinder schrijft voor dat nieuwe woningen in principe over ten minste één geluidsluwe gevel dienen te beschikken. Bij de nieuwbouwwoningen op de locaties W1 en W2 kan er door de situering voor worden gezorgd dat alle woningen ten minste één geluidsluwe gevel hebben. Bij de locaties W6, W7 en W8 zijn alle gevels geluidsluw. Bij omzetting naar woningen op de locaties W3 en W5 is er een geluidsluwe gevel aan de achterzijde. Bij locatie W4 zijn maatregelen nodig om voor een geluidsluwe gevel te zorgen.

Om de hierboven genoemde redenen zullen burgemeester en wethouders de berekende geluidsbelastingen, zoals die in de tabel 'Maximale geluidsbelasting op de nieuwe geluidsgevoelige objecten per zoneplichtige weg' zijn aangegeven, als hogere waarden vaststellen voordat het bestemmingsplan wordt vastgesteld. Deze hogere waarden worden verleend onder de voorwaarde dat elke woning over ten minste één geluidsluwe gevel beschikt. Het besluit hogere waarden wordt als bijlage in de toelichting opgenomen.

6.4.5 Conclusie

Het in een bestemmingsplan mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige objecten, en daarmee samenhangend het vaststellen van hogere waarden (het toestaan van een hogere maximale geluidsbelasting op de gevels van nieuwe geluidsgevoelige objecten), moet worden gemotiveerd. Bij deze motivering moeten de volgende aspecten worden betrokken:

  • De hoogte van de geluidsbelasting vanaf zoneplichtige geluidsbronnen (waarbij een toets aan de normen van de Wet geluidhinder plaatsvindt);
  • De hoogte van de geluidsbelasting vanaf niet zoneplichtige geluidsbronnen (30 km/uur wegen en tramlijnen);
  • De gecumuleerde geluidsbelasting;
  • Maatregelen aan de geluidsbron, overdrachtsmaatregelen en maatregelen ter plaatse van de geluidsbelaste locatie;
  • De regel uit het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet geluidhinder dat nieuwe woningen in principe over een geluidluwe gevel moeten beschikken (een gevel waarop de maximale geluidsbelasting van wegverkeer niet hoger is dan 53 dB en van railverkeer niet hoger is dan 55 dB).

Voordat kan worden besloten de hoogste berekende geluidsbelastingen als hogere waarden vast te stellen, moet eerst worden bekeken of er door het treffen van maatregelen aan de voorkeursgrenswaarde kan worden voldaan, danwel de geluidskwaliteit kan worden verbeterd. In het akoestisch onderzoek is aangegeven welke maatregelen overwogen kunnen worden.

6.4.5.1 Cumulatie

De cumulatieve geluidbelasting, zonder aftrek conform artikel 110g van de Wgh, vanwege de onderzochte wegen is op locatie 1, 3 en 4 hoger dan 55 dB. De plandrempel van 55 dB, zoals genoemd in het Rotterdams Actieplan geluid 2013-2018, wordt bij deze ontwikkellocaties overschreden.

Aangezien geen bron- en/of overdrachtsmaatregelen (kunnen) worden getroffen om de geluidbelasting tot de voorkeurswaarde te reduceren wordt een hogere waarde aangevraagd bij het college van Burgemeester en Wethouders.

6.4.5.2 Wegverkeerslawaai

Stedelijke wegen

Op de locaties 1, 3, 4 en 7 wordt de voorkeurswaarde als gevolg van stedelijke wegen overschreden. De maximaal toelaatbare geluidbelasting vanwege gemeentelijke wegen wordt daarbij niet overschreden. De overschrijdingen vinden plaats vanwege de President Rooseveltweg, John Mottweg, President Wilsonweg en de Martin Luther Kingweg.

Bronmaatregelen

Als bronmaatregel kan gedacht worden aan vermindering van (vracht)verkeer, snelheidsverlaging en/of toepassing van stillere wegdekken. Gelet op de verkeersfunctie van de bovengenoemde wegen is een snelheidsverlaging of een vermindering van het (vracht)verkeer verkeerskundig niet gewenst.

Het huidige wegdek van de President Rooseveltweg is DAB. Vervanging van deze verharding door een geluidreducerende deklaag kan een geluidreductie opleveren van circa 4 dB. De te behalen geluidreductie zal echter niet voldoende zijn om daarmee de geluidbelasting vanwege deze weg tot de voorkeurswaarde terug te dringen.

Stille wegdekken zijn veelal slijtagegevoeliger dan DAB en kunnen veelal op wegen met hellingen, bochten of kruispunten (wegens wringend, optrekkend en afremmend verkeer) niet (of slechts op een deel van de weg) worden toegepast. Ze zijn daardoor minder effectief. Als toepassing van stille wegdekken op de President Rooseveltweg wegen als een mogelijke maatregel in overweging wordt genomen, zullen asfaltdeskundigen moeten worden gevraagd om te onderzoeken of voor deze wegen een stiller asfalt met de gewenste geluidreductie civieltechnisch toepasbaar en financieel haalbaar is. Vervolgens moet uit een nader akoestisch onderzoek blijken hoe effectief dat stille type wegdek is in deze situatie.

Op de John Mottweg, President Wilsonweg en de Martin Luther Kingweg is op de maatregevende wegdelen reeds stil asfalt toegepast.

Overdrachtsmaatregelen

Hierbij kan worden gedacht aan afstandsvergroting en/of afschermende maatregelen. Een verdubbeling van de afstand tussen de weg en de ontvanger levert een geluidreductie op van 3 dB. Gezien de omvang van de ontwikkellocaties is er binnen de bestemmingsgrenzen beperkt ruimte om een afstand verdubbeling te realiseren ten opzichte van de maatgevende wegen. De te behalen geluidreductie hangt af van de mate van de afstandvergroting en moet blijken uit een nader geluidonderzoek.

Voor alle wegen geldt dat deze zich in een stedelijk gebied bevinden. Het aanbrengen van een geluidscherm langs deze wegen is vanuit verkeerskundig en stedenbouwkundig oogpunt niet mogelijk/wenselijk.

Ontvangermaatregelen

Indien bron- en/of overdrachtsmaatregelen niet mogelijk of onvoldoende blijken te zijn om de geluidbelasting tot de voorkeurswaarde te beperken, moet bij woningen met een geluidbelasting hoger dan 53 dB (norm voor de geluidluwe gevel conform het ontheffingsbeleid Rotterdam) door een akoestisch gunstige indeling van woningen een goed akoestisch klimaat worden gecreëerd. Hierbij kan worden gedacht aan de situering van niet-geluidgevoelige functies aan de wegzijde en de situering van geluidgevoelige ruimtes, met name (hoofd)slaapkamers, voor zover mogelijk aan de minst belaste gevels.

Conform het Bouwbesluit 2012 bedraagt de maximaal toelaatbare geluidbelasting vanwege een weg in een verblijfsgebied van een woning of onderwijsinstelling 33 dB. Het realiseren van een binnenwaarde van 33 dB in de beoogde woningen is door middel van aanvullende geluidwerende gevelvoorzieningen technisch en financieel haalbaar.


Rijksweg

Op locatie 1 wordt de voorkeurswaarde als gevolg van de rijksweg overschreden. De maximaal toelaatbare geluidbelasting vanwege buitenstedelijke wegen wegen wordt daarbij niet overschreden.

Bron en overdrachtmaatregelen

In het kader van het tracébesluit A16 zijn de A16 en het deel van de A20 ter hoogte van het plangebied reeds voorzien van dubbel-laags ZOAB. Daarnaast zijn verschillende schermmaatregelen genomen rond het Terbregseplein en de verlengde A16. Al deze maatregelen hadden tot doel om de geluidsbelasting in Ommoord niet te laten toenemen ten opzichte van de huidige situatie (bestuursafspraken Rijkswaterstaat en gemeente Rotterdam rond Saldo 0). Aanvullende geluidreducerende maatregelen in het kader van dit bestemmingplan zijn daarmee niet doelmatig.

Ontvangermaatregelen

Conform het Bouwbesluit 2012 bedraagt de maximaal toelaatbare geluidbelasting vanwege een weg in een verblijfsgebied van een woning of onderwijsinstelling 33 dB. Het realiseren van een binnenwaarde van 33 dB in de beoogde woningen is door middel van aanvullende geluidwerende gevelvoorzieningen technisch en financieel haalbaar.

6.4.5.3 Railverkeerslawaai

Als gevolg van het railverkeer (metro) wordt de voorkeurswaarde voor woningen (55 dB) op locatie 5 met 11 dB overschreden en op de locaties 6 en 7 met 7 dB overschreden. De maximaal toelaatbare geluidbelasting voor woningen (68 dB) wordt daarbij niet overschreden. Maatregelen op of aan de metro vallen onder het domein van de spoorbeheerder, in dit geval de RET. Binnen het kader van dit bestemmingsplan kunnen op het gebied van maatregelen daarom geen eisen worden gesteld tenzij hierover bestuurlijke overeenstemming wordt bereikt.

Bronmaatregelen

Hierbij kan worden gedacht aan het toepassen van een stillere bovenbouw, het toepassen van raildempers, het akoestisch slijpen van rails, het vervangen van bestaand materieel en het verlagen van de intensiteiten op het spoor. Het verlagen van de intensiteiten of het vervangen van materieel is gezien de functie en het gebruik van de spoorlijn niet aan de orde.

Momenteel is er bij het spoor ter hoogte van het plangebied sprake van een bovenbouw van rails op betonplaten. Door deze bovenbouw te vervangen door rails op betonblokken in ballastbed (mono of duoblokken in ballastbed) kan de geluidemissie van het spoor worden gereduceerd met ongeveer 6 dB. In combinatie met raildempers is de reductie ongeveer 8 dB. De geluidbelasting kan hiermee niet tot de voorkeurswaarde worden gereduceerd.

Het toepassen van de bovenstaande bronmaatregel is aan de spoorbeheerder.

Overdrachtsmaatregelen

Hierbij kan worden gedacht aan afstandsvergroting en/of afschermende maatregelen. Een verdubbeling van de afstand tussen het spoor en de ontvanger levert een geluidreductie op van 3 dB. Gezien de afstand tussen het spoor en locaties 5, 6 en 7 is ruimte om een afstandsverdubbeling te realiseren. De te behalen geluidreductie hangt af van de mate van de afstandvergroting en moet blijken uit een nader geluidonderzoek.

Door het plaatsen van een geluidscherm langs het metrospoor kan de geluidsemissie op locatie 5 worden teruggebracht tot onder de voorkeurswaarde. Gezien de hoogte van de locatie 5 (60 meter) blijft het effect van een geluidscherm beperkt tenzij zeer hoge schermen worden toegepast. De doelmatigheid van het toepassen van een geluidscherm is daarom beperkt. Als er een geluidscherm in het kader van deze ontwikkeling wordt toegepast zal het effect bepaalt moeten worden in een nader onderzoek.

Ontvangermaatregelen

Indien bron- en/of overdrachtsmaatregelen niet mogelijk of onvoldoende blijken te zijn om de geluidbelasting tot de voorkeurswaarde te beperken, moet bij woningen met een geluidbelasting hoger dan 55 dB (norm voor de geluidluwe gevel conform het ontheffingsbeleid Rotterdam, zie tabel 3.2) door een akoestisch gunstige indeling van woningen een goed akoestisch klimaat worden gecreëerd. Hierbij kan worden gedacht aan de situering van niet-geluidgevoelige functies aan de spoorzijde en de situering van geluidgevoelige ruimtes, met name (hoofd)slaapkamers, voor zover mogelijk aan de minst belaste gevels.

Conform het Bouwbesluit 2012 bedraagt de maximaal toelaatbare geluidbelasting vanwege een spoorweg in een verblijfsgebied van een woning of onderwijsinstelling 33 dB. Het realiseren van een binnenwaarde van 33 dB in de beoogde woningen en onderwijsinstelling is door middel van aanvullende geluidwerende gevelvoorzieningen technisch en financieel haalbaar.

6.4.5.4 Ontheffingsbeleid Rotterdam

Het Ontheffingsbeleid is alleen van toepassing op nieuwe woningen waarvoor hogere waarden moeten worden vastgesteld en geldt niet voor andere geluidgevoelige bestemmingen. Eén van de belangrijkste criteria van het gemeentelijke ontheffingsbeleid is het creëren van minimaal één geluidluwe gevel en indien van toepassing minimaal één geluidluwe buitenruimte per woning. Van een geluidluwe gevel/buitenruimte is sprake als de gecumuleerde geluidsbelasting van alle wegen niet hoger is dan 53 dB en de gecumuleerde geluidsbelasting van alle spoorwegen niet hoger is dan 55 dB. Bij woningen met een geluidluwe gevel wordt gesteld dat deze een goede geluidskwaliteit hebben, ook als de geluidsbelasting op andere gevels van de woning hoog is, omdat dan aan ten minste één kant van de woning buiten kan worden gezeten of een raam open kan zonder last te hebben van het lawaai.

De nieuwbouwwoningen en de transformatiewoningen worden bij het toepassen van het Ontheffingenbeleid als twee verschillende categorieën gezien.

Bij de nieuwbouwwoningen is de locatie, de oriëntatie en de vormgeving nog vrij. Een nieuwbouwwoning zal daarom altijd over een geluidluwe gevel kunnen beschikken. Daarom worden de hogere waarden voor de nieuwbouwwoningen verleend onder voorwaarde dat deze woningen over ten minste één geluidluwe gevel beschikken. Het betreft de nieuwbouwwoningen op de locaties 5, 6 en 7. Er is genoeg mogelijkheid om voor de woningen op deze locaties een geluidsluwe gevel te realiseren die kan worden afgekeerd van de metrolijn. Voor locatie 7 zal ook rekening gehouden moeten worden met de M.L. Kingweg.

Bij transformatie van bestaande (kantoor)gebouwen (locaties 1, 3 en 4) zijn locatie, oriëntatie en vormgeving een gegeven. Als van deze bestaande gebouwen een woongebouw wordt gemaakt kan hierdoor een gedeelte van de nieuwe woningen niet over een geluidluwe gevel beschikken. Aanpassing van de gebouwen met toevoeging van een geluidsluwe buitenruimte is erg kostbaar. Aangezien het solitaire gebouwen temidden van groengebieden betreft is rondom de gebouwen wel in ruime mate geluidsluwe buitenruimte te vinden.

Voor deze locaties is ervoor gekozen om af te wijken van het ontheffingenbeleid omdat het terugdringen van leegstaande kantoorpanden en het creëren van woningbouw voor senioren (in het kader van Langer Thuis in Ommoord) in Ommoord prevaleert. Voor deze gebouwen kan met behulp van een akoestisch gunstige indeling van de woningen een goed akoestisch klimaat worden gecreëerd. Hierbij kan worden gedacht aan de situering van niet-geluidgevoelige functies aan de wegzijde en de situering van geluidgevoelige ruimtes, met name (hoofd)slaapkamers, voor zover mogelijk aan de minst belaste gevels. Bij transformatie van bestaande gebouwen dient een binnenwaarde van 38 dB te worden gerealiseerd.

6.4.5.5 Procedure

Indien geen bron- en/of overdrachtsmaatregelen worden getroffen, is het niet mogelijk om de geluidbelasting vanwege het wegverkeer tot de voorkeurswaarde te beperken. In dat geval dienen de maximaal berekende geluidbelastingen als hogere waarden te worden aangevraagd. De daarbij vast te stellen hogere waarden zijn in onderstaande tabel weergegeven. Deze waarden zijn bij het college van Burgemeester en Wethouders ten behoeve van het bestemmingsplan "Ommoord" als hogere waarden aangevraagd.

Locatie   Functie   Zoneplichtige bron   Lden [dB]   Lden [incl. aftrek art.110g Wgh]dB]
 
1   Wonen / ander geluidgevoelige functie   President Rooseveltweg, John Mottweg,
Rijksweg  
-
-
-  
55
50
49
 
3   Wonen / ander geluidgevoelige functie
 
President Rooseveltweg   -   58  
4   Wonen / ander geluidgevoelige functie   President Wilsonweg,
Martin Luther Kingweg
 
-
-  
50
49  
5   Wonen   Metrolijn A   66   -
 
6   Wonen   Metrolijn A   64   -
 
7   Wonen   Martin Luther Kingweg,
Metrolijn B  
-
64  
56
-
 

Tabel: aan te vragen hogere waarden voor het bestemmingsplan "Ommoord"

6.5 Luchtkwaliteit

Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn in het bestemmingsplan twee aspecten van belang. Ten eerste dient nagegaan te worden wat de gevolgen zijn van het plan voor de (lokale) luchtkwaliteit. Daarnaast dient te worden nagegaan of de gewenste bestemming past bij de aanwezige luchtkwaliteit. Dit geldt vooral voor bestemmingen die gevoelig zijn voor een verminderde luchtkwaliteit zoals scholen, kinderopvang, bejaardenhuizen, maar ook woningen. Volgens Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit) zijn grenswaarden opgenomen voor de volgende stoffen; zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (fijnstof), lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof worden in Nederland op bepaalde plaatsen overschreden. Vooral langs drukke wegen in stedelijk gebied. Aan de andere grenswaarden wordt voldaan.
De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In de gebieden waar de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald, verbeteren de betrokken overheden met gebiedsgerichte programma's de luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren als maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren. Het NSL moet ervoor zorgen dat overal de grenswaarden worden gehaald. Een groot deel van de maatregelen uit het NSL wordt nu al uitgevoerd. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden.
Tegelijk met de Wet luchtkwaliteit is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (NIBM) in werking getreden. In de Wet wordt onderscheid gemaakt tussen ruimtelijke projecten die in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling en projecten die daaraan niet in betekenende mate bijdragen. In het Besluit wordt de grens daartussen geregeld. In het NSL is de grens tussen wel of niet in betekenende mate op 3% van de grenswaarde bepaald. Ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit bij de vaststelling van een ruimtelijk plan. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate bijdragen hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden. De gemeenteraad kan een bestemmingsplan vaststellen als:

  • door de (ontwikkelingen in) het plan geen grenswaarden worden overschreden;
  • de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof door het plan verbetert of ten minste gelijk blijft;
  • sprake is van een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof en deze toename wordt gecompenseerd door een met het plan samenhangende maatregel of effect;
  • het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtvervuiling;
  • de in het plan opgenomen ontwikkelingen passen binnen het NSL, of een programma voor het verbeteren van de luchtkwaliteit dat door een ander bestuursorgaan dan het Rijk is opgesteld.


Rotterdams beleid

Om de luchtkwaliteit in Rotterdam te verbeteren en de ontwikkeling van de stad blijvend mogelijk te maken is de Rotterdamse strategie voor Besluit luchtkwaliteit vastgesteld, uitgewerkt in de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit. Daarin worden verschillende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren beschreven. Zo is een slechte luchtkwaliteit bij nieuwbouw een belangrijk aandachtspunt. Herstructurering is alleen mogelijk als dat resulteert in netto minder blootgestelde inwoners. In overschrijdingsgebieden is nieuwbouw niet toegestaan.
Rotterdam kent een Beleidsregel buitenklimaat: Luchtkwaliteit bij scholen en kinderopvang. De beleidsregel is van toepassing op scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs en kinderopvang. Deze beleidsregel heeft tot doel het tegengaan van blootstelling van kinderen aan te hoge concentraties van schadelijke stoffen in de buitenlucht. De beleidsregel heeft betrekking op de gronden binnen 100 meter vanaf de rand van een snelweg en binnen 50 meter vanaf de rand van een drukke binnenstedelijke weg (de belaste zone). De beleidsregel is bedoeld om toe te passen bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan. Toepassing van de beleidsregel in een plan wil zeggen dat er binnen de belaste zone in principe geen nieuwe bestemmingen worden toegekend waarbinnen scholen en kinderdagverblijven mogelijk zijn.

6.5.1 Plangebied

Ten behoeve van dit bestemmingsplan is nagegaan of de ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt wel of niet in betekenende mate bijdragen aan een toename van de concentratie luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. In dit bestemmingsplan worden enkele transformaties van kleinschalige kantoorpanden naar woningen of maatschappelijke voorzieningen mogelijk gemaakt. In totaal betreffen het circa 400 nieuwe woningen.

Ontwikkelingen die niet in betekenende mate (3% van de grenswaarde, oftewel 1,2 microgram per m3) bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden. In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen zijn categorieën van gevallen aangewezen waarvan bekend is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Dit is onder andere het geval bij ontwikkelingen met niet meer dan 3.000 woningen en tenminste twee ontsluitingswegen. De ontwikkelingen in het bestemmingsplan blijven hier ruim onder, zodat duidelijk is dat dit bestemmingsplan niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

In dit bestemmingsplan is de cumulatie van de ontwikkelingen met ontwikkelingen in de directe omgeving niet aan de orde.

De locaties waar nieuwe woningen mogelijk zijn liggen niet binnen contouren langs wegen waar de grenswaarden van 40 microgram per m3 worden overschreden. Daarmee wordt voldaan aan het Rotterdamse beleid om geen nieuwe woningen te realiseren in gebieden waar de grenswaarden worden overschreden.

Enkele gemengde en maatschappelijke bestemmingen staan kinderdagverblijven en scholen toe. Conform de "Beleidsregel buitenklimaat: luchtkwaliteit bij scholen en kinderdagverblijven" zijn nieuwe kinderdagverblijven en scholen echter niet toegestaan binnen 50 meter vanaf de rand van een drukke binnenstedelijke weg of binnen 100 meter vanaf de rand van de snelweg.

In artikel 39.6 van de planregels is geregeld dat binnen de gemengde en maatschappelijke bestemmingen geen nieuwe kinderdagverblijven en scholen zijn toegestaan binnen 50 meter vanaf de rand van de President Rooseveltweg, President Wilsonweg, John Mottweg, Martin Luther Kingweg, Capelseweg en de Prins Alexanderlaan en binnen 100 meter vanaf de rand van de A20.

6.5.2 Conclusie

Het bestemmingsplan "Ommoord" zorgt niet voor een toename van de concentratie van schadelijke stoffen in de buitenlucht. Er wordt derhalve voldaan aan de luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer. Aan het gemeentelijk beleid met betrekking tot luchtkwaliteit wordt eveneens voldaan. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan "Ommoord".

6.6 Bodem

De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische-, of aardkundige waarde, energie-opslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden indien relevant eerder in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal. Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is.

6.6.1 Plangebied

De meest recente Indicatieve Bodemkwaliteitskaart Rotterdam is van het jaar 2014. De bodemfunctie is daarin omschreven als Wonen (licht verontreinigd), Natuur (schoon) en Landbouw (zeer licht verontreinigd).

Aangezien ontwikkelingen (het transformeren van niet-woonfuncties naar woonfuncties) plaatsvinden binnen bestaande bebouwing vormt het aspect bodem geen belemmering voor de haalbaarheid van dit bestemmingsplan.

6.7 Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over risico's voor de omgeving als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen, zoals productie, op-en overslag en transport. Rotterdam, met zijn haven en vele industriële activiteiten, is bij uitstek een stad waar externe veiligheid een grote rol speelt. Daarnaast vindt in de regio veel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dat Rotterdammers daardoor gemiddeld een groter risico lopen betrokken te raken bij een incident met gevaarlijke stoffen is evident. Verantwoord omgaan met die risico's is een belangrijke opgave voor Rotterdam. Het reduceren en beheersen van deze risico's is het terrein van externe veiligheid.

Externe veiligheid heeft betrekking op inrichtingen (risicovolle bedrijven), transport (water, weg, sporen buisleidingen) en luchthavens. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden veiligheidsnormen opgelegd aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Er is aparte wetgeving voor vuurwerk en explosieven voor civiel gebruik. De circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRnvgs) beschrijft het beleid van de overheid over de afweging van veiligheidsbelangen die een rol spelen bij het vervoer van gevaarlijke stoffen. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

In de wetgeving zijn grenswaarden vastgelegd voor het plaatsgebonden risico en een oriënterende waarde voor het groepsrisico. Deze hebben als doel zowel individuen als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen.

Het plaatsgebonden risico is de kans dat iemand overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen in zijn omgeving. Dit risico zegt iets over de kans op een ongeval met dodelijke slachtoffers. Het groepsrisico is de kans dat meerdere personen tegelijk dodelijk slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Daarbij wordt bijvoorbeeld gerekend met tien, honderd of duizend slachtoffers tegelijk. Dit risico zegt iets over de omvang van een ongeval en de maatschappelijke ontwrichting. Het groepsrisico kent geen wettelijke normen of grenswaarden, maar een oriëntatiewaarde en een verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag.

Rotterdams beleid

De wetgever biedt gemeenten beleidsvrijheid om groepsrisicobeleid te formuleren dat recht doet aan lokale omstandigheden. In Rotterdam is dit vastgelegd in het Beleidskader Groepsrisico. Daarin streeft Rotterdam voor stad en haven naar een situatie waarbij het groepsrisico voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en/of uitbreiding van risicovolle activiteiten zo laag mogelijk is. Bij voorkeur een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Deze ambitie krijgt vorm door, ongeacht de hoogte van het groepsrisico ten opzichte van de oriëntatiewaarde, te streven om het groepsrisico niet toe te laten nemen, waarbij een afname de voorkeur geniet. Indien dit niet realistisch is wordt door middel van maatwerk gestreefd naar een zo laag mogelijk groepsrisico. Bij een toename van het groepsrisico als gevolg van een plan, of een overschrijding van de oriënterende waarde is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR).

6.7.1 Transport gevaarlijke stoffen via leiding

Hogedruk aardgastransportleiding

Aan de oostzijde van het plangebied is een aardgastransportleiding van de Gasunie gelegen. De aardgastransportleiding (nummer W-521-04) is een relevante risicobron met betrekking tot externe veiligheid.

Plaatsgebonden risico

De 10-6-plaatsgebonden risicocontour is berekend op het hart van de leiding. De norm voor het plaatsgebonden risico levert daarom geen beperking op voor de ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt.

Groepsrisico

De hoogte van het groepsrisico wordt met name bepaald door de afstand van personen tot de risicobron (de aardgastransportleiding) en de (lage) persoonsdichtheid in het gebied aan weerszijde van de risicobron. Uit de berekeningen blijkt dat het groepsrisico in de huidige situatie 0,09 maal de oriëntatiewaarde bedraagt. Het groepsrisico verandert niet na planrealisatie.

Volgens het Beleidskader Groepsrisico van de gemeente Rotterdam geldt voor een groepsrisico lager dan 0,3 maal de oriëntatiewaarde een lichte verantwoording. Aangezien het groepsrisico na planontwikkeling gelijk blijft aan het huidige groepsrisico wordt zowel de hoogte van het groepsrisico als het effect van het bestemmingsplan op het groepsrisico verantwoord geacht.

Hoogspanningsverbinding Ommoord - Krimpen

In het zuidelijke gedeelte van het plangebied bevinden zich twee ondergrondse hoogspanningsverbindingen die zijn aangesloten op het 150 kV-station Rotterdam Ommoord aan de Vlambloem 71. De leiding met de opgenomen strookbreedte op de verbeelding is toereikend voor de bescherming van deze leiding.

6.7.2 Transport gevaarlijke stoffen via spoor

Over de spoorlijn Rotterdam Lombardijen - Breukelen worden gevaarlijke stoffen getransporteerd. De afstand van het spoor tot de het plangebied is minimaal 265 meter. De ontwikkelingen binnen het plangebied hebben geen invloed op het groepsrisico. Omdat de spoorlijn op een afstand groter dan 200 meter ligt van de transportroute maakt het plangebied Ommoord geen deel uit van het groepsrisico-aandachtsgebied van het spoor.

6.7.3 Transport gevaarlijke stoffen via weg

Ten zuiden van het plangebied is de snelweg A20 gelegen. Via deze snelweg vindt het transport van gevaarlijke stoffen plaats.

Het groepsrisicoaandachtsgebied is 200 meter. Aangezien de afstand van het hart van de A20 tot de het plangebied circa 50 meter bedraagt, maakt het zuidelijke deel van het plangebied dus deel uit van het groepsrisico-aandachtsgebied. In dit bestemmingsplan wordt echter voornamelijk de huidige planologische situatie opnieuw vastgelegd, waardoor de ontwikkelingen geen invloed op het groepsrisico van de A20 hebben vanwege de kleinschaligheid en de ligging op grote afstand van de A20.

6.7.4 LPG-tankstations

In de nabijheid van het plangebied zijn twee LPG-tankstations gelegen, aan de Capelseweg 355 en aan de President Rooseveltweg 751. Vanwege de aanwezigheid van een opslagtank voor LPG en het vulpunt van deze opslagtank is een tankstation een relevante risicobron voor het bestemmingsplan. De overige twee tankstations in het plangebied verkopen geen LPG en hebben daarom geen EV-risicocontour met consequenties voor de omgeving.

Tankstation Capelseweg 355

Het tankstation aan de Capelseweg 355 met de ondergrondse LPG voorraadtank ligt buiten het plangebied (ten oosten van de Capelseweg). Het LPG-vulpunt ligt echter binnen het plangebied (ten westen van de Capelseweg).

Plaatsgebonden risico

De 10-6-plaatsgebonden risicocontour rond het vulpunt bedraagt een afstand van 110 meter. De 10-6 risicocontour van het vulpunt valt weliswaar voor een deel binnen het plangebied, maar in dit bestemmingsplan worden binnen deze contour geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waardoor nieuwe (beperkt)kwetsbare bestemmingen binnen deze contour zouden kunnen worden gerealiseerd, mogelijk gemaakt. Alle ruimtelijke ontwikkelingen, die in dit bestemmingsplan wel mogelijk worden gemaakt, liggen buiten deze contour.

Groepsrisico

De invloedsgebieden groepsrisico van 150 meter rondom het vulpunt en de opslagtank ligt voor een deel binnen het plangebied. Het groepsrisico binnen dit invloedsgebied is zowel in de huidige situatie als na planrealisatie 0,7 maal de oriëntatiewaarde. Het bestemmingsplan heeft zowel in de huidige situatie als na planrealisatie een te verwaarlozen bijdrage aan de hoogte van het groepsrisico.

Verantwoording groepsrisico

Het groepsrisico van het LPG-tankstation is 0,7 maal de oriëntatiewaarde. De binnen het bestemmingsplan aanwezige personen dragen echter nauwelijks bij aan de hoogte van het groepsrisico en planrealisatie zorgt niet voor een toename van het groepsrisico. Daarom beschouwt de gemeente Rotterdam het groepsrisico van het LPG-tankstation voor wat betreft de bijdrage en het effect van het bestemmingsplan "Ommoord" als verantwoord.

Tankstation President Rooseveltweg 751

Ook aan de President Rooseveltweg 751 ligt een LPG autotankstation met een doorzet van 1.000 m3 per jaar. De plaatsgebonden risicocontour en de risicocontouren van de ondergrondse LPG voorraadtank en het LPG-vulpunt liggen buiten het plangebied, waardoor deze geen betekenis voor het bestemmingsplan hebben. Het invloedsgebied dat bepalend is voor het groepsrisico ligt voor een klein deel over het plangebied.

Groepsrisico

De invloedsgebieden groepsrisico van 150 meter ligt voor een deel binnen het plangebied. Het groepsrisico binnen dit invloedsgebied is zowel in de huidige situatie als na planrealisatie 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico verandert niet omdat de ontwikkelingen buiten het invloedsgebied blijven.

6.7.5 Conclusie

Transport gevaarlijke stoffen via leiding

Het plaatsgebonden risico en de belemmerde afstand vormen geen beperking voor de ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt. Het groepsrisico is kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde en verandert niet door dit plan.

Transport gevaarlijke stoffen via spoor

Het plaatsgebonden risico en het plasbrand aandachtsgebied vormen geen beperking voor de ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt. Het groepsrisico bedraagt 0,7 maal de oriëntatiewaarde en verandert niet door dit plan.

Transport gevaarlijke stoffen via weg

Het plaatsgebonden risico en het plasbrand aandachtsgebied van de A20 vormen geen beperking vormen voor de ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt. Het groepsrisico bedraagt 4,7 maal de oriëntatiewaarde en verandert niet door dit plan.

LPG tankstation Capelseweg 355

De plaatsgebonden risico's van het vulpunt, de ondergrondse tank en de tankzuilen vormen geen belemmering voor de ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt. Het groepsrisico bedraagt 0,7 maal de oriëntatiewaarde en verandert niet door dit plan.

LPG tankstation President Rooseveltlaan 751

De plaatsgebonden risico's van het vulpunt, de ondergrondse tank en de tankzuilen vormen geen belemmering voor de ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt. Het groepsrisico bedraagt 0,1 maal de oriëntatiewaarde en verandert niet door dit plan.

6.8 Natuur

De Europese Unie heeft richtlijnen opgesteld om de biodiversiteit te behouden. Nederland heeft hieraan uitwerking gegeven in de Natuurbeschermingswet, die vooral gericht is op het beschermen van gebieden en de Flora- en faunawet die vooral gericht is op de bescherming van soorten.
De Natuurbeschermingswet beschermt specifieke gebieden (Natura 2000) op basis van Europese richtlijnen: Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Wetlands en Beschermde Natuurmonumenten. Voor deze juridisch beschermde gebieden gelden per gebied specifieke instandhoudingsdoelen voor de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna. Daarnaast kan hier ook het beschermen van soorten op basis van de Flora- en faunawet van toepassing zijn.
De Flora- en faunawet regelt de soortbescherming en geldt voor heel Nederland. Voor alle in het wild levende planten en dieren geldt een algemene zorgplicht. Tevens is een lijst van kracht met beschermde soorten. De bescherming van deze soorten is nader uitgewerkt in verbodsbepalingen.

Bij het opstellen van het bestemmingsplan dient rekening te worden houden met de gevolgen van het plan voor de natuur. Gekeken dient te worden of ten gevolge van het plan, of bij de uitvoering van het plan geen blijvende schadelijke effecten zullen optreden aan gebieden en soorten. Dit moet 'op voorhand in redelijkheid' worden ingeschat via een deskundigenrapport (zgn. natuurtoets, of ecologische toets).
Als er mogelijk effecten zijn, moet aannemelijk worden gemaakt dat daarvoor een ontheffing Flora- en faunawet kan worden verkregen en/of dat met zorgvuldig handelen schade kan worden voorkomen. Op grond van de Natuurbeschermingswet geldt een vergunningplicht. Als een vergunning nodig is, dan moet, om de uitvoerbaarheid voor het bestemmingsplan aan te tonen, aannemelijk worden gemaakt dat een vergunning kan worden verleend, zo nodig met mitigerende maatregelen, of door middel van compensatie.

6.8.1 Plangebied

Voor het nieuwe bestemmingsplan is een flora- en faunatoets uitgevoerd. Het onderzoek heeft tot doel in beeld te brengen welke natuurwaarden in de huidige situatie binnen het bestemmingsplan aanwezig zijn en potentiële conflicten die kunnen optreden bij toekomstige ontwikkelingen (zie bijlage 6)

Het nieuwe bestemmingsplan sluit grotendeels aan bij het voorgaande bestemmingsplan. Slechts op enkele locaties worden mogelijk kleinschalige ontwikkelingen verwacht. Uitgebreid onderzoek naar flora en fauna wordt op dit moment niet noodzakelijk geacht. Bij ruimtelijke activiteiten die binnen een bestaande bestemming vallen (bijvoorbeeld sloop en nieuwbouw van woningen of renovatie) dient voorafgaand aan de uitvoering ervan nog wel flora- en faunaonderzoek te worden uitgevoerd. Indien er in de toekomst alsnog ontwikkelingen gepland worden waarbij een bestemmingsplanwijzing of projectbestemmingsplan noodzakelijk is, dan dient opnieuw getoetst te worden aan de Wet natuurbescherming. Eventuele benodigde ontheffingen dienen verkregen te zijn voordat met de realisatie van de ontwikkelingen begonnen kan worden.

Voor dit bestemmingsplan is alleen de soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming relevant: Het meest dichtbij gelegen Natura 2000-gebied ligt buiten de invloedssfeer van mogelijke ruimtelijke ontwikkelingen in het plangebied. Het bestemmingsplan voorziet ook niet in ontwikkelingen die enige impact zullen hebben op dit gebied. Significante negatieve invloed op de Natuurnetwerk Nederland gebieden als gevolg van de bestemmingsplanwijziging zijn tevens uitgesloten.

In het plangebied zijn potenties voor Huismus en Gierzwaluw aanwezig. Hiernaast is er potentie voor habitatrichtlijnsoorten zoals Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Tweekleurige vleermuis, Meervleermuis, Laatvlieger, Rosse vleermuis en Watervleermuis. Geadviseerd wordt om bij renovatie, sloop en nieuwbouw gebouwen geschikt te maken voor medebewoning door vleermuizen, Huismussen, Gierzwaluwen andere vogels en insecten (natuurinclusief bouwen).

Kansen voor natuur liggen met name bij het ontwikkelen van schuil- en voortplantingsgelegenheid in de watergangen, bloemrijke bermen, groene daken en gevels.

6.8.2 Conclusie

Het bestemmingsplan, met inbegrip van bovenstaande, is op moment van toetsing ‘aanvaardbaar’ vanuit het oogpunt van de Wet natuurbescherming. Een ontheffing voor de voorgenomen ontwikkelingen is naar verwachting niet nodig.

Hoofdstuk 7 Handhaving

In veel gevallen zijn illegale bebouwing en gebruik voor de gemeente niet direct kenbaar. Veelal komt de gemeente daar achter nadat door belanghebbenden is geklaagd over overlast. Inspectie ter plaatse en raadpleging van het ter plaatse geldende bestemmingsplan leert pas dan of er sprake is van strijd met de gegeven bestemming en of daartegen kan worden opgetreden.

Op grond van gemeentebeleid, neergelegd in het “Handhavingsbeleidsplan Toezicht Gebouwen” uit 2009 wordt bij de huidige aanpak eerst gekeken of het gebruik/bouwwerk kan worden gelegaliseerd. Als legalisatie niet mogelijk of wenselijk is, zal de overtreder doorgaans met een dwangsom worden gesommeerd om binnen een bepaalde periode een einde te maken aan de overtreding.

Hoofdstuk 8 Financiële uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan legt overwegend de huidige planologische mogelijkheden vast. Daarmee biedt het bestemmingsplan ruimte voor nieuwe ontwikkelingen. Het betreft vooral bestemmingsverruimingen, waardoor er geen bouwplannen/ontwikkelingen op financiële haalbaarheid getoetst kunnen worden. Het bestemmingsplan is daarmee financieel uitvoerbaar.

Hoofdstuk 9 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

9.1 Participatie

Ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, zal een ieder gedurende zes weken, in de gelegenheid worden gesteld een zienswijze in te dienen met betrekking tot het ontwerpbestemmingsplan. Gedurende de periode van terinzagelegging zal een informatieavond georganiseerd worden waar een ieder vragen kan stellen met betrekking tot het terinzageliggende ontwerpbestemmingsplan.


Op ......2019 is een informatiebijeenkomsten geweest waarop het ontwerpbestemmingsplan is toegelicht.

9.2 Vooroverleg

In het kader van het overleg bij de voorbereiding van bestemmingsplannen, als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt het concept ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan:

  • 1. TenneT, Zuid-Holland, beheerder hoogspanningsnet;
  • 2. Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR);
  • 3. KPN Telecom;
  • 4. Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam (BOOR);
  • 5. N.V. Nederlandse Gasunie;
  • 6. Rijkswaterstaat West-Nederland Zuid;
  • 7. Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland;
  • 8. Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard;
  • 9. Metropoolregio Rotterdam Den Haag;
  • 10. Stedin, regionale netbeheerder gas en elektriciteit;
  • 11. Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL);
  • 12. Ministerie van Defensie, dienst gebouwen, werken en terreinen;
  • 13. Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;
  • 14. Ministerie van Infrastructuur en Milieu;
  • 15. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Door de partijen 1 en 2 is schriftelijk gereageerd. Van de andere partijen is geen schriftelijke reactie ontvangen.

TenneT, Zuid-Holland, beheerder hoogspanningsnet

TenneT wenst dat het hoogspanningsstation en de ondergrondse hoogspanningsleidingen op de verbeelding en in de regels worden opgenomen.

Reactie

Het hoogspanningsstation en de ondergrondse hoogspanningsleidingen worden conform de aangeleverde informatie van TenneT opgenomen in de regels en op de verbeelding.

Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR)

De reactie van de VRR wordt als Bijlage 7 aan de toelichting toegevoegd.