Bestemmingsplan ´ Groeneweg 16
en 18 te Puttershoek’, gemeente Binnenmaas
Regels
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1 Inleidende regels
Artikel 1 Begrippen
Artikel 2 Wijze van meten
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
Artikel 3 Horeca
Artikel 4 Wonen
Artikel 5 Leiding – Riool
Artikel 6 Waarde – Archeologie 2
Artikel 7 Waarde – Archeologie 3
Hoofdstuk 3 Algemene regels
Artikel 8 Anti-dubbeltelbepaling
Artikel 9 Algemene
bouwregels
Artikel 10 Algemene regels met betrekking tot ondergronds
bouwen
Artikel 11 Algemene gebruiksregels
Artikel 12 Algemene aanduidingsregels
Artikel 13 Algemene afwijkingsregels
Artikel 14 Algemene wijzigingsregels
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
Artikel 15 Overgangsrecht
Artikel 16 Slotregel
HOOFDSTUK 1 Inleidende regels
Artikel 1 Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder:
plan
het bestemmingsplan ´Groeneweg 16 en 18 te
Puttershoek´ met identificatienummer NL.IMRO.0585.BPPHGroenew16-VG01-gml van de
gemeente Binnenmaas.
bestemmingsplan
de geometrische bepaalde planobjecten met de bijbehorende
regels en de daarbij behorende bijlagen.
aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee
gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels
worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
aanduidingsgrens
de grens van een
aanduiding indien het een vlak betreft.
aanduidingsvlak
een vlak met eenzelfde aanduiding, begrensd
door een aanduidingsgrens.
aan huis verbonden
bedrijf
een kleinschalig bedrijf dat wordt uitgeoefend
door de gebruiker van een woning,
waarbij de woning in overwegende mate haar
woonfunctie behoudt, dat een ruimtelijke
uitwerking of uitstraling heeft die met de
woonfunctie in overeenstemming is en dat
geen onevenredige hinder oplevert voor het
woon- en leefmilieu, niet zijnde horeca of
detailhandel, met uitzondering van beperkte
verkoop ten behoeve van het aan huis
verbonden bedrijf.
aan huis verbonden
beroep
een dienstverlenend beroep op maatschappelijk,
juridisch, administratief, medisch,
therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of
hiermee gelijk te stellen gebied, dat
wordt uitgeoefend door de gebruiker van een
woning, waarbij de woning in overwegende
mate haar woonfunctie behoudt, en dat een
ruimtelijke uitwerking of uitstraling
heeft die met de woonfunctie in overeenstemming
is, niet zijnde horeca of detailhandel,
met uitzondering van beperkte verkoop ten
behoeve van het aan huis verbonden
beroep.
afwijken van de
bouwregels en/of van de gebruiksregels
een afwijking als bedoeld in artikel 3.6,
eerste lid, onder c van de Wet ruimtelijke ordening.
archeologisch
onderzoek
diverse vormen van onderzoek naar de
archeologische waarden binnen een plangebied,
uitgevoerd volgens de geldende versie van de
Kwaliteitsnorm Nederlandse archeologie.
archeologische
verwachting
de aan een gebied toegekende verwachting in
verband met de kans op het voorkomen
van archeologische relicten.
archeologische
waarde
de aan een gebied toegekende waarde in verband
met de in dat gebied voorkomende
archeologische relicten.
bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen
gebouwen zijnde.
bed & breakfast
een kleinschalige overnachtingaccommodatie
bestaande uit maximaal 2 kamers voor
in totaal maximaal 5 gasten, gericht op het
bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch
en kortdurend verblijf in de bestaande en
legale woning in combinatie met het
serveren van ontbijt.
bedrijf
een onderneming die is gericht op het
bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken,
opslaan, installeren en/of herstellen van
goederen dan wel het bedrijfsmatig
verlenen van diensten.
bedrijfsgebouw
een gebouw dat dient voor de uitoefening van
een bedrijf.
bedrijfswoning
een woning in of bij een gebouw of op een
terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het
huishouden van) een persoon, wiens huisvesting
daar gelet op de bestemming van
het gebouw of het terrein noodzakelijk is.
bestaand
a bij
bouwwerken: een bouwwerk dat op het moment van terinzagelegging van het
ontwerp van het plan
bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd
krachtens een
omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van
terinzagelegging is ingediend, tenzij in de regels anders is bepaald;
b bij gebruik: het gebruik dat op het
moment van terinzagelegging van het ontwerp van het plan bestaat, tenzij in de
regels anders is bepaald.
bestemmingsgrens
de grens van een bestemmingsvlak.
bestemmingsvlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde
bestemming.
bijbehorend bouwwerk
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel
functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden,
daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een
dak.
bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk
oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.
bouwgrens
de grens van een bouwvlak.
bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge
de regels een zelfstandige, bij elkaar
behorende bebouwing is toegelaten.
bouwperceelsgrens
de grens van een bouwperceel.
bouwlaag
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door
op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is
begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van
onderbouw en zolder.
bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden
zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen
zijnde zijn toegelaten.
bouwwerk
een bouwkundige constructie van enige omvang
die direct en duurzaam met de aarde verbonden is.
detailhandel
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder
de uitstalling ten verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan degenen die
deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de
uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
eerste bouwlaag
de bouwlaag op de begane grond.
erf
al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte
daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is
ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw,
en, voor zover dit bestemmingsplan deze inrichting niet verbiedt.
gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen
toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte
vormt.
gebruiken
gebruiken, het doen gebruiken, laten gebruiken
en in gebruik geven.
grondwaterpeil
bovenste niveau van het water dat zich in de
bodem bevindt.
hoofdgebouw
een of meer panden of een gedeelte daarvan, dat
noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige
bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel
aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.
horeca
een onderneming waar in hoofdzaak en waarbinnen
bedrijfsmatig:
a. dranken,
maaltijden of logies worden verstrekt en;
b. gelegenheid
wordt geboden voor het gebruik van de producten ter plaatse en;
c. sprake is van een zekere
dienstverlening, zoals het serveren en/of verstrekken van servies en bestek;
met een in principe open karakter (voor een
ieder toegankelijk).
In het kader van het bestemmingsplan worden
hierbij onderscheiden:
•categorie 1: logiesverstrekkers,
zoals hotels, pensions en motels;
•categorie 2: maaltijdverstrekkers,
zoals restaurants, bistro's, eetcafés;
•categorie 3: spijsverstrekkers, zoals ijssalons,
lunchrooms, croissanterieën, koffie-/theehuizen, waarbij in principe geen
alcoholische dranken worden geschonken;
•categorie 4: cafetaria's/snackbars, fast-food restaurants, creperies,
grillrooms, shoarma/pizzabedrijven;
•categorie 5: drankverstrekkers,
zoals cafés/bars en nachtclubs, dancings, disco's en partycentra.
mantelzorg
het bieden van zorg in een woning aan een ieder
die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak waarbij de
woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke
uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.
nadere eis
een nadere eis als bedoeld in artikel 3.6
eerste lid onder d van de Wet ruimtelijke ordening.
nevenactiviteit
een activiteit ondergeschikt aan de
hoofdactiviteit in zowel omvang (m2), omzet (€) als de effecten op het woon- en
leefklimaat.
normaal onderhoud,
gebruik en beheer
een gebruik gericht op het in zodanige conditie
houden of brengen van objecten dat het voortbestaan van deze objecten op ten
minste het bestaande kwaliteitsniveau wordt bereikt.
omgevingsvergunning
een vergunning als bedoeld in artikel 1.1, eerste
lid, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht.
omgevingsvergunning
voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde,
of van werkzaamheden
een vergunning als bedoeld in artikel 3.3 onder
a van de Wet ruimtelijke ordening.
omgevingsvergunning
voor het slopen van een bouwwerk
een vergunning als bedoeld in artikel 3.3.
onder b van de Wet ruimtelijke ordening.
overig
bouwwerk
een bouwkundige constructie van enige omvang,
geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.
pand
de kleinste bij de totstandkoming functioneel
en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de
aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is.
peil
a voor
een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte
van de weg ter
plaatse van die hoofdtoegang;
b voor
een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de
hoogte van het
terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
c indien
in of op het water wordt gebouwd: de hoogte van het terrein ter plaatse van
het meest
nabijgelegen punt waar het water grenst aan het vaste land.
prostitutie
het tegen betaling hebben van seksuele omgang
met anderen op een naar buiten toe kenbare wijze.
staat van
bedrijfsactiviteiten
een als bijlage bij deze regels behorende en
daarvan onderdeel uitmakende lijst van bedrijven en instellingen.
uitbouw
een gebouw dat als vergroting van een bestaande
ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw,
welk gebouw door de vorm kan worden onderscheiden
van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het
hoofdgebouw.
uitvoeren
uitvoeren, het doen uitvoeren, laten uitvoeren
en in uitvoering geven.
voorerf
gedeelte van een erf dat aan de voorkant (voor
de voorgevel) van het gebouw is gelegen.
voorgevel
de naar de weg gekeerde gevel(s) van een gebouw
of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel,
de gevel die op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het plan
kennelijk als zodanig diende te worden aangemerkt, dan wel de gevel naar die
weg die volgens het straatnamenregister bepalend is voor de adressering.
wijziging
een wijziging als bedoeld in artikel 3.6 eerste
lid onder a van de Wet ruimtelijke ordening.
woning
een (gedeelte) van een gebouw dat dient voor de
huisvesting van één huishouden.
Artikel 2 Wijze van meten
2.1 algemeen
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt
gemeten:
de afstand tot een
grens
tussen de grens een bepaald punt van het
bouwwerk, waar die afstand het kortst is.
de bouwhoogte van
een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een
gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte
bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te
stellen bouwonderdelen.
de dakhelling
langs het dakvlak ten opzichte van het
horizontale vlak.
de goothoogte van
een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot
c.q. de druiplijn, het boeibord of een
daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
de hoogte van een
windturbine
vanaf het peil tot aan de as van de
windturbine.
de horizontale
diepte van een gebouw
de diepte van een gebouw, gemeten loodrecht
vanaf de gevel waaraan wordt gebouwd.
de inhoud van een
bouwwerk
tussen de onderzijde van de begane grondvloer,
de buitenzijde van de gevels (en/of
het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde
van daken en dakkapellen.
de oppervlakte van
een bouwwerk
tussen de buitenwerkse
gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts
geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het
afgewerkte bouwterrein ter
plaatse van het bouwwerk.
de oppervlakte van
een overkapping
tussen de buitenzijde van de afdekking van de
overkapping, neerwaarts geprojecteerd
op het gemiddelde niveau van het afgewerkte
bouwterrein ter plaatse van de overkapping.
verticale diepte van
een ondergronds bouwwerk
van het peil tot aan de bovenzijde van de
afgewerkte vloer van het ondergrondse
(deel van het) bouwwerk.
2.2 inhoud van
(bedrijfs)woningen
Bij de bepaling van de inhoud van
(bedrijfs)woningen worden ondergrondse bouwwerken niet meegerekend.
2.3 ondergeschikte
bouwonderdelen
Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van
het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen, als plinten, pilasters, kozijnen,
gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevel- en
kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing
gelaten, mits de overschrijding van bouwgrenzen niet meer dan 1 m bedraagt.
2.4 dakkapellen
Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van
bouwen wordt de goothoogte van een dakkapel buiten beschouwing gelaten mits de
dakkapel voldoet aan de volgende eisen:
a zijwanden ondoorzichtig;
b hoogte, gemeten vanaf de voet van de
dakkapel, minder dan 1,5 m;
c onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan
1 m boven de dakvoet;
d bovenzijde meer dan 0,5 onder de daknok;
e zijkanten meer dan 0,5 m van de
zijkanten van het dakvlak, en
f niet gebouwd op een woning of
woongebouw gebouwd met een tijdelijke vergunning als bedoeld in artikel 2.23,
eerste lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, op een woonwagen of
op een woning of woongebouw die niet voor permanente bewoning is bestemd.
2.5 meten
Bij toepassing van deze regels wordt gemeten
tot of vanuit het hart van een lijn en op
de schaal waarin het plan is vastgesteld.
HOOFDSTUK 2 Bestemmingsregels
3.1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Horeca' aangewezen gronden
zijn bestemd voor:
a. horeca, met dien verstande dat ter
plaatse van de aanduiding 'horeca tot en met horecacategorie 5' uitsluitend
horeca tot en met horecacategorie 5 is toegestaan;
b. ondergeschikte
detailhandel;
met bijbehorende gebouwen, bouwwerken,
geen gebouwen zijnde, wegen en paden, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen,
water en voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven.
3.2
bouwregels
3.2.1
Bedrijfsgebouwen voldoen aan de
volgende kenmerken:
a. gebouwd
binnen het bouwvlak;
b. ter plaatse van de aanduiding 'maximale
goothoogte' is ten hoogste de aangegeven maximale goothoogte toegestaan;
c. de
minimale dakhelling bedraagt 0º en de maximale dakhelling bedraagt 60º.
3.2.2
Bouwhoogte van bouwwerken, geen
gebouwen zijnde, maximaal:
a. bedrijfsinstallaties
en lichtmasten 3 m;
b. erf-
en terreinafscheidingen vóór (het verlengde van) de voorgevel van het gebouw 1
m;
c. erf-
en terreinafscheidingen achter (het verlengde van) de voorgevel van het gebouw
2 m;
d. overige
bouwwerken, geen gebouwen zijnde 2 m.
3.3 afwijken van de gebruiksregels
Bij omgevingsvergunning kan worden
afgeweken van het bepaalde in artikel 3.1voor het toestaan van een andere
categorie van horeca dan ter plaatse is toegestaan, mits:
a. geen
onevenredige aantasting plaatsvindt van het woon- en leefklimaat;
b. geen onevenredige aantasting
plaatsvindt van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
4.1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. een vrijstaande woning;
b. aan huis verbonden beroepen en aan huis verbonden bedrijven
in categorie 1 van de bij dit bestemmingsplan behorende Staat van
bedrijfsactiviteiten;
met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tuinen en
erven.
4.1.2
Onder de uitoefening van aan huis verbonden beroepen/bedrijven in
samenhang met het wonen wordt verstaan het gebruik van gedeelten van woningen
ten behoeve van een aan huis verbonden beroepen/bedrijven voor zover:
a. het vloeroppervlak in gebruik voor aan huis verbonden
beroepen niet groter is dan 30% van het vloeroppervlak van hoofdgebouwen en
aan- en uitbouwen, tot een maximum oppervlak van 50 m2;
b. ten behoeve van aan huis verbonden beroepen wordt voorzien
in voldoende parkeergelegenheid;
c. het gebruik geen nadelige invloed heeft op de normale
afwikkeling van het verkeer en niet gepaard gaat met horeca en detailhandel,
uitgezonderd beperkte verkoop die ondergeschikt is aan het uitoefenen van het
aan huis verbonden beroep of bedrijf.
4.2
Bouwregels
4.2.1 Algemeen
Hoofdgebouwen voldoen aan de volgende
kenmerken:
a. gebouwd
binnen het bouwvlak;
b. ter plaatse van de
aanduiding 'maximale goothoogte' is ten hoogste de aangegeven maximale
goothoogte toegestaan;
c. de
minimale dakhelling bedraagt 0º en de maximale dakhelling bedraagt 60º;
4.2.2 Bijbehorende bouwwerken
Bijbehorende bouwwerken mogen binnen en
buiten het bouwvlak worden gebouwd en voldoen aan de volgende kenmerken:
a. gebouwd op het zij- en achtererf en
minimaal 3 m achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw;
b. vrijstaande
bijgebouwen mogen alleen op het achtererf gebouwd worden;
c. de diepte van bijbehorende bouwerken aan de achtergevel van het hoofdgebouw mag,
gemeten uit de oorspronkelijke achtergevel van het hoofdgebouw, niet meer
bedragen dan 4 m;
d. de breedte van een aan- of uitbouw aan
de zijgevel, gemeten uit de oorspronkelijke zijgevel, niet meer mag bedragen
dan 3 m;
e. de
goothoogte bedraagt maximaal 3,25 m;
f. de
bouwhoogte bedraagt maximaal 5 m;
g. het gezamenlijke oppervlak, voor zover
gebouwd per hoofdgebouw, bedraagt bij woningen maximaal 80 m2.
h. het zij- en achtererf mag bij woningen
voor niet meer dan 35% worden bebouwd;
i. het overblijvende onbebouwde en
onoverdekte gedeelte op het achtererf mag niet minder bedragen dan 25 m2
aaneengesloten oppervlak;
j. de afstand van aan- en uitbouwen,
aangebouwde bijgebouwen en overkappingen tot de zijdelingse bouwperceelsgrens
dan wel de achterbouwperceelgrens dient 0 m dan wel minimaal 1 m te bedragen.
4.2.3
Zwembaden zijn toegestaan met dien
verstande dat:
a. de regels met betrekking tot situering
van bijgebouwen, zoals opgenomen in lid 4.2.2 onder a en b eveneens van
toepassing zijn op zwembaden;
b. de
afstand van een zwembad tot het hoofdgebouw bedraagt maximaal 25 m;
c. de
gezamenlijke oppervlakte van zwembaden bedraagt maximaal 50 m2.
4.2.5
Bouwhoogte van overige bouwwerken maximaal:
a. erf-
en terreinafscheidingen vóór (het verlengde van) de voorgevel van het gebouw 1
m;
b. erf-
en terreinafscheidingen achter (het verlengde van) de voorgevel van het gebouw
2 m;
c. overige
bouwwerken, geen gebouwen zijnde 2 m.
4.3 afwijken van de bouwregels
Bij omgevingsvergunning kan worden
afgeweken van het bepaalde in artikel 4.2.1 onder c, voor het verhogen van de
goothoogte tot maximaal 6 meter, mits dit vanuit stedenbouwkundig oogpunt
aanvaardbaar is.
5.1
bestemmingsomschrijving
De voor 'Leiding - Riool'
aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede
bestemd voor:
met bijbehorende bouwwerken geen
gebouwen zijnde.
5.2 bouwregels
5.2.1
In afwijking van het bepaalde bij
de andere bestemmingen (artikel 3) mag alleen ten behoeve van deze bestemming
worden gebouwd.
5.2.2
Gebouwen mogen niet worden gebouwd.
5.2.3
Bouwhoogte van bouwwerken geen
gebouwen zijnde bedraagt maximaal 3 m.
5.3 afwijken van de
bouwregels
Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken
van het bepaalde in artikel 5.2 voor het bouwen overeenkomstig de andere
bestemmingen, mits advies is verkregen van de leidingbeheerder.
5.4
omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of
van werkzaamheden
5.4.1 Omgevingsvergunningplichtige werken
Het is verboden zonder of in
afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 5.2 bedoelde gronden de
volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:
5.4.2 Weigering
Een omgevingsvergunning als bedoeld
in artikel 5.4.1 mag alleen en moet worden geweigerd indien door het uitvoeren
van de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, dan wel door de
daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen blijvend
onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de mogelijkheid van een adequaat beheer of
de veiligheid van de ondergrondse leidingen en hieraan door het stellen van
voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen.
5.4.3 Verlening
Een omgevingsvergunning als bedoeld
in artikel 5.4.1 wordt niet eerder verleend dan nadat advies is verkregen van
de leidingbeheerder.
5.4.4
Uitzonderingen
Geen omgevingsvergunning als
bedoeld in artikel 5.4.1 is nodig voor:
Artikel 6 Waarde - Archeologie 2
6.1
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Waarde - Archeologie 2’
aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen,
mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.
62 Bouwregels
6.2.1
Op deze gronden mogen ten behoeve van
de in artikel 6.1 bedoelde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen
zijnde, worden gebouwd die voor archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn
6.2.2
Ten behoeve van andere, voor de gronden
als bepaald in artikel 6.1, geldende bestemming(en) mag, met inachtneming van
de voor de betrokken bestemming geldende (bouw)regels, uitsluitend worden
gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op:
a. vervanging, vernieuwing of verandering
van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of
onder peil, niet wordt uitgebreid;
b. een
bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 100 m2;
c. een bouwwerk dat zonder graaf- of
heiwerkzaamheden kan worden geplaatst.
6.3 afwijken van de bouwregels
6.3.1
Bij omgevingsvergunning kan worden
afgeweken van het bepaalde in artikel 6.2.2, met inachtneming van de voor de
betrokken bestemming geldende (bouw)regels.
6.3.2
Een omgevingsvergunning, zoals bedoeld
in artikel 6.3.1, wordt in ieder geval verleend, indien de aanvrager van de
omgevingsvergunning voor het bouwen aan de hand van nader archeologisch
onderzoek heeft aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische
resten aanwezig zijn.
6.3.3
Een
omgevingsvergunning, zoals bepaald in artikel 6.3.1, wordt voorts verleend,
indien:
a. de aanvrager van de omgevingsvergunning
voor het bouwen een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde
van het betrokken terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende
mate is vastgesteld;
b. de betrokken archeologische waarden,
gelet op het rapport zoals onder a bedoeld, door de bouwactiviteiten niet
worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de
omgevingsvergunning regels te verbinden, gericht op:
- het treffen van maatregelen, waardoor
archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
- het doen van opgravingen;
- begeleiding van de bouwactiviteiten
door de archeologisch deskundige.
6.4 omgevingsvergunning voor het
uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van
werkzaamheden
6.4.1
Omgevingsvergunning te verwachten archeologische waarden
Het is verboden op of in de gronden met
de bestemming 'Waarde - Archeologie 2' als bepaald in artikel 6.1 zonder of in
afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken
zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
a. het uitvoeren van grondbewerkingen op
een grotere diepte dan 30 cm, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen,
mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en aanleggen van drainage, tenzij
deze werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor
afwijking, zoals in artikel 6.3 bedoeld, is toegepast;
b. het ophogen van gronden met meer dan 30
cm;
c. het aanleggen, vergraven, verruimen of
dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
d. het verlagen of verhogen van het
grondwaterpeil;
e. het aanleggen of rooien van bos of
boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
f. het aanbrengen van ondergrondse
transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende
constructies, installaties of apparatuur.
6.4.2
Weigering
Een omgevingsvergunning als bedoeld in
artikel 6.4.1 mag alleen en moet worden geweigerd indien door de
graafwerkzaamheden of grondbewerkingen, dan wel door de daarvan hetzij direct,
hetzij indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredig afbreuk wordt
gedaan aan de in de grond aanwezige archeologische waarden en hieraan door het
stellen van voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen.
6.4.3
Advies
Alvorens
te besluiten over de aanvraag van een omgevingsvergunning als bedoeld in
artikel 6.4.1
wint
het bevoegd gezag advies in van de archeologisch deskundige.
6.4.4
Uitzonderingen
Een
omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.4.1 is niet vereist voor:
a. graafwerkzaamheden en bodembewerkingen,
behorende bij het normale onderhoud, gebruik en beheer;
b. graafwerkzaamheden en bodembewerkingen,
welke op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering
waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende dan
wel aangevraagde vergunning;
c. graafwerkzaamheden en bodembewerkingen,
welke uitgevoerd worden in het kader van een vergunningsplichtig
bouwwerk, waarvoor omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend, en/of een
vergunningsvrij bouwwerk.
6.4.5
De verboden, zoals in artikel 6.4.1
bedoeld, zijn niet van toepassing, indien de werken, geen bouwwerken zijnde, en
werkzaamheden:
a. reeds in uitvoering zijn op het
tijdstip van het van kracht worden van het plan;
b. mogen worden uitgevoerd krachtens een
reeds verleende omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.4.1 of een
ontgrondingsvergunning;
c. onderdeel uitmaken van een verleende
omgevingsvergunning voor het bouwen;
d. ten dienste
van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.
6.4.6
Verlening
Een omgevingsvergunning als bedoeld in
artikel 6.4.1 wordt in ieder geval verleend, indien de aanvrager van de
omgevingsvergunning aan de hand van nader archeologisch onderzoek heeft
aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische resten aanwezig
zijn.
6.4.7
Een
omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.4.1 wordt voorts verleend, indien:
a. de aanvrager van de omgevingsvergunning
een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het betrokken
terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is
vastgesteld;
b. de betrokken archeologische waarden,
gelet op het rapport zoals onder a bedoeld, door de activiteiten niet worden
geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de
omgevingsvergunning regels te verbinden, gericht op:
- het treffen van maatregelen, waardoor
archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
- het doen van opgravingen;
- begeleiding van de activiteiten door
de archeologisch deskundige.
6.5
wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd
het bestemmingsplan te wijzigen door een of meer bestemmingsvlakken met de
medebestemming 'Waarde - Archeologie 2' geheel of gedeeltelijke te verwijderen,
indien uit nader archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen
archeologische waarden aanwezig zijn.
Artikel 7 Waarde - Archeologie 3
7.1
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Waarde - Archeologie 3’
aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen,
mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.
7.2
Bouwregels
7.2.1
Op deze gronden mogen ten behoeve van
de in artikel 7.1 bedoelde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen
zijnde, worden gebouwd die voor archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn
7.2.2
Ten behoeve van andere, voor de gronden
als bepaald in artikel 7.1, geldende bestemming(en) mag, met inachtneming van
de voor de betrokken bestemming geldende (bouw)regels, uitsluitend worden
gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op:
a. vervanging, vernieuwing of verandering
van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of
onder peil, niet wordt uitgebreid;
b. een
bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 500 m2;
c. een bouwwerk dat zonder graaf- of
heiwerkzaamheden kan worden geplaatst.
7.3 afwijken van de bouwregels
7.3.1
Bij omgevingsvergunning kan worden
afgeweken van het bepaalde in artikel 7.2.2, met inachtneming van de voor de
betrokken bestemming geldende (bouw)regels.
7.3.2
Een omgevingsvergunning, zoals bedoeld
in artikel 7.3.1, wordt in ieder geval verleend, indien de aanvrager van de
omgevingsvergunning voor het bouwen aan de hand van nader archeologisch
onderzoek heeft aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische
resten aanwezig zijn.
7.3.3
Een
omgevingsvergunning, zoals bepaald in artikel 7.3.1, wordt voorts verleend,
indien:
a. de aanvrager van de omgevingsvergunning
voor het bouwen een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde
van het betrokken terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende
mate is vastgesteld;
b. de betrokken archeologische waarden,
gelet op het rapport zoals onder a bedoeld, door de bouwactiviteiten niet
worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de
omgevingsvergunning regels te verbinden, gericht op:
- het treffen van maatregelen, waardoor
archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
- het doen van opgravingen;
- begeleiding van de bouwactiviteiten
door de archeologisch deskundige.
7.4 omgevingsvergunning voor het
uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van
werkzaamheden
7.4.1
Omgevingsvergunning te verwachten archeologische waarden
Het is verboden op of in de gronden met
de bestemming 'Waarde - Archeologie 3' als bepaald in artikel 7.1 zonder of in
afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken
zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
a. het uitvoeren van grondbewerkingen op
een grotere diepte dan 30 cm, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen,
mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en aanleggen van drainage, tenzij
deze werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor
afwijking, zoals in artikel 7.3 bedoeld, is toegepast;
b. het ophogen van gronden met meer dan 30
cm;
c. het aanleggen, vergraven, verruimen of
dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
d. het verlagen of verhogen van het
grondwaterpeil;
e. het aanleggen of rooien van bos of
boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
f. het aanbrengen van ondergrondse
transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende
constructies, installaties of apparatuur.
7.4.2
Weigering
Een omgevingsvergunning als bedoeld in
artikel 7.4.1 mag alleen en moet worden geweigerd indien door de
graafwerkzaamheden of grondbewerkingen, dan wel door de daarvan hetzij direct,
hetzij indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredig afbreuk wordt
gedaan aan de in de grond aanwezige archeologische waarden en hieraan door het
stellen van voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen.
7.4.3
Advies
Alvorens
te besluiten over de aanvraag van een omgevingsvergunning als bedoeld in
artikel 7.4.1
wint
het bevoegd gezag advies in van de archeologisch deskundige.
7.4.4
Uitzonderingen
Een
omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.4.1 is niet vereist voor:
a. graafwerkzaamheden en bodembewerkingen,
behorende bij het normale onderhoud, gebruik en beheer;
b. graafwerkzaamheden en bodembewerkingen,
welke op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering
waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende dan
wel aangevraagde vergunning;
c. graafwerkzaamheden en bodembewerkingen,
welke uitgevoerd worden in het kader van een vergunningsplichtig
bouwwerk, waarvoor omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend, en/of een
vergunningsvrij bouwwerk.
7.4.5
De verboden, zoals in artikel 7.4.1
bedoeld, zijn niet van toepassing, indien de werken, geen bouwwerken zijnde, en
werkzaamheden:
a. reeds in uitvoering zijn op het
tijdstip van het van kracht worden van het plan;
b. mogen worden uitgevoerd krachtens een
reeds verleende omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.4.1 of een
ontgrondingsvergunning;
c. onderdeel uitmaken van een verleende
omgevingsvergunning voor het bouwen;
d. ten dienste
van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.
7.4.6
Verlening
Een omgevingsvergunning als bedoeld in
artikel 7.4.1 wordt in ieder geval verleend, indien de aanvrager van de
omgevingsvergunning aan de hand van nader archeologisch onderzoek heeft
aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische resten aanwezig
zijn.
7.4.7
Een
omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.4.1 wordt voorts verleend, indien:
a. de aanvrager van de omgevingsvergunning
een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het betrokken
terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is
vastgesteld;
b. de betrokken archeologische waarden,
gelet op het rapport zoals onder a bedoeld, door de activiteiten niet worden
geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de
omgevingsvergunning regels te verbinden, gericht op:
- het treffen van maatregelen, waardoor
archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
- het doen van opgravingen;
- begeleiding van de activiteiten door
de archeologisch deskundige.
7.5
wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd
het bestemmingsplan te wijzigen door een of meer bestemmingsvlakken met de
medebestemming 'Waarde - Archeologie 3' geheel of gedeeltelijke te verwijderen,
indien uit nader archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen
archeologische waarden aanwezig zijn.
HOOFDSTUK 3 Algemene regels
Artikel 8 Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij
het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is of alsnog kan worden
gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 9 Algemene bouwregels
9.1
In die gevallen dat de bestaande goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte
en/of inhoud van bouwwerken, die in overeenstemming met het bepaalde in de
Woningwet en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tot stand zijn gekomen
meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is
toegestaan, geldt die goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte en/of inhoud in
afwijking daarvan als maximaal toegestaan.
9.2
In die gevallen dat de bestaande afstand tot enige op de verbeelding
aangegeven lijn van bouwwerken, die in overeenstemming met het bepaalde in de
Woningwet en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tot stand zijn gekomen
minder bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is
voorgeschreven, geldt die afstand in afwijking daarvan als minimaal toegestaan.
9.3
In die gevallen dat een bestaand bebouwingspercentage, dat in
overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet en de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht tot stand is gekomen, meer bedraagt dan in de bouwregels in
hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven, geldt dat bebouwingspercentage
in afwijking daarvan als maximaal toegestaan.
9.4
De regels zoals opgenomen in de artikelen 9.1 tot en met 9.3 hebben
betrekking op:
a. bestaande bouwwerken;
b. uitbreiding van bestaande
bouwwerken;
c. sloop en vervangende
nieuwbouw van bestaande bouwwerken;
met dien verstande dat deze regels uitsluitend betrekking hebben op
bouwwerken binnen het bouwperceel waarin de bouwwerken met van de regels
afwijkende maatvoering, zijn gesitueerd.
Artikel 10 Algemene regels met
betrekking tot ondergronds bouwen
Ondergrondse ruimten zijn uitsluitend
toegestaan ter plaatse van bovengrondse bebouwing, tenzij in de bouwregels van
de betreffende bestemming anders is bepaald. Op het bouwen van ondergrondse
bouwwerken zijn de aanduidingen op de verbeelding en de bouwregels van het plan
op overeenkomstige wijze van toepassing, met dien verstande dat:
a de verticale diepte van ondergrondse
bouwwerken niet meer bedraagt dan 3 m
beneden peil;
b de verticale diepte van een ondergronds
bouwwerk dat in gebruik is als rioolgemaal niet meer bedraagt dan 6 m beneden
peil.
Artikel 11 Algemene
gebruiksregels
Onder gebruik in strijd met alle bestemmingen wordt in elk geval
verstaan:
a. een
gebruik van gronden als stort- en/of opslagplaats van grond en/of afval, met
uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte
gebruik en onderhoud;
b. een
gebruik van gronden als stallings- en/of opslagplaats van één of meer aan het
gebruik onttrokken machines, voer-, vaar- of vliegtuigen, met uitzondering van
een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en
onderhoud;
c. een
gebruik van gronden en bouwwerken voor een seksinrichting dan wel ten behoeve
van prostitutie.
Artikel 12 Algemene aanduidingsregels
12.1.1 Aanduidingomschrijving
De gronden ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - industrie' zijn,
behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming
en instandhouding van de geluidsruimte in verband met de nabijheid van een
inrichting als bedoeld in artikel 41 van de Wet geluidhinder.
12.1.2 Bouwregels
In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen (artikelen 3 en
4) mogen geen nieuwe woningen en andere geluidsgevoelig gebouw worden gebouwd.
12.1.3 Afwijken van de bouwregels
Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in
artikel 12.1.2 voor het bouwen van nieuwe woningen en andere geluidsgevoelige
gebouwen overeenkomstig de andere bestemmingen, mits de geluidsbelasting
vanwege het industrieterrein van de gevels van deze woningen en andere
geluidsgevoelige gebouwen niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende
voorkeursgrenswaarde of een verkregen hogere grenswaarde.
Artikel 13 Algemene afwijkingsregels
13.1
Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken
van:
a. in het plan genoemde goothoogten,
bouwhoogten, oppervlakte- en inhoudsmaten, percentages en afstandseisen,
waarbij een overschrijding is toegestaan tot maximaal 10% van de goothoogten,
bouwhoogten, oppervlakte- en inhoudsmaten, percentages en afstandseisen;
b. de regels en toestaan dat bouwgrenzen
worden overschreden, waarbij een overschrijding is toegestaan tot maximaal 2,5
m, en deze noodzakelijk is in verband met de uitmeting van het terrein of uit
een oogpunt van doelmatig gebruik van de gronden en/of de bebouwing;
c. de regels en toestaan dat bouwgrenzen
worden overschreden voor ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken
en kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger gelegen is dan het
peil;
d. de regels en toestaan dat de bouwhoogte
van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van kunstwerken, geen
gebouwen zijnde, en ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten wordt
vergroot tot maximaal 40 m;
e. de regels en toestaan dat de bouwhoogte
van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot maximaal 10 m.
13.2
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 13.1
kan slechts worden verleend, mits:
a. de belangen van de eigenaren en/of
gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden
geschaad;
b. het straat- en bebouwingsbeeld en de
verkeersveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad.
Artikel 14 Algemene wijzigingsregels
Burgemeester en wethouders kunnen het plan
wijzigen overeenkomstig artikel 3.6 lid 1 onder a van de Wet ruimtelijke
ordening in de vorm van het aanbrengen van geringe veranderingen in de plaats,
ligging en/of afmetingen van bestemmingsgrenzen, met inachtneming van de
volgende voorwaarden:
a. de belangen van de eigenaren en/of
gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden mogen niet onevenredig worden
geschaad;
b. het straat- en bebouwingsbeeld en de
verkeersveiligheidsbelangen mogen niet onevenredig worden geschaad.
HOOFDSTUK 4 Overgangs- en
slotregels
Artikel 15 Overgangsrecht
15.1 Overgangsrecht bouwwerken
1. Een bouwwerk, dat op het tijdstip van
inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel
gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van het plan,
mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
a. gedeeltelijk worden vernieuwd of
veranderd;
b. na het teniet gaan ten gevolge van een
calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning
wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
2. Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op
bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het
plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor
geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
152 Overgangsrecht gebruik
1. Het gebruik van grond en bouwwerken, dat
bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee
in strijd is, mag worden voortgezet.
2. Het is verboden het met het
bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerst lid, te veranderen of
te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door
deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
3. Indien het gebruik, bedoeld in het
eerste lid, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een
jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te
laten hervatten.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op
het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan,
daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Artikel 16 Slotregel
Deze regels worden aangehaald als: Regels van
het bestemmingsplan ´Groeneweg 16 en 18 te Puttershoek´ van de gemeente
Binnenmaas.