1e partiële herziening Oudenhof en Klinkenbergerplas
Plantype: bestemmingsplan
Overheid: gemeentelijke overheid: Gemeente Oegstgeest
Plan: NL.IMRO.0579.1phBPOudeklink-VA01
Planstatus: vastgesteld
  • Toelichting
  • Regels
  • Kaart
  • Afdrukken
  • Top
  • Top
  • Toelichting
  • Hoofdstuk 1 Aanleiding tot deze herziening
  • 1.1 Aanleiding
  • 1.2 Wijzigingen
  • 1.3 Procedure
  • Hoofdstuk 2 Inleiding
  • 2.1 Aanleiding
  • 2.2 Ligging plangebied
  • 2.3 Geldende bestemmingsplannen
  • 2.4 Leeswijzer
  • Hoofdstuk 3 Gebiedsbeschrijving
  • 3.1 Inleiding
  • 3.2 Ontstaansgeschiedenis
  • 3.3 Ruimtelijke hoofdstructuur
  • 3.3.1 Beeldkwaliteit gebiedsdelen
  • 3.4 Functionele structuur
  • 3.5 Reparaties
  • 3.5.1 De Morsebel
  • 3.5.2 Klinkenbergerplas
  • 3.5.3 Clinckenburgh
  • 3.5.4 Oudenhof
  • Hoofdstuk 4 Beleidskader
  • 4.1 Nationaal beleid
  • 4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
  • 4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
  • 4.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking
  • 4.2 Provinciaal beleid
  • 4.2.1 Visie Ruimte en Mobiliteit
  • 4.2.2 Actualisatie Visie ruimte en mobiliteit
  • 4.2.3 Verordening Ruimte
  • 4.3 Gemeentelijk beleid
  • 4.3.1 Structuurvisie Oegstgeest 2005 - 2020
  • 4.3.2 Oegstgeest in beweging, Het levende Dorp, Visiedocument 2020 (2011)
  • 4.3.3 Groenbeleidsplan 2011 - 2015
  • 4.3.4 Milieubeleidsplan 2011 - 2014
  • 4.3.5 Uitvoeringsplan Ecologische verbindingen in de gemeente Oegstgeest (2013)
  • 4.3.6 Snippergroenbeleid 2013
  • 4.3.7 Welstandsnota (herziening 2015)
  • 4.3.8 Actieplan Geluid Oegstgeest (2008)
  • 4.3.9 Visie toekomst kinderopvang (2009)
  • 4.3.10 Paraplubestemmingsplan Mantelzorg
  • 4.3.11 Regeling Kelderbeleid (2004)
  • 4.3.12 Wonen en werken aan huis (2004)
  • 4.3.13 Ligplaatsen pleziervaartuigen (2003)
  • 4.3.14 Terrassenbeleid gemeente Oegstgeest 2005
  • 4.3.15 Notitie parkeren 2003
  • 4.3.16 Nota duurzaamheidsbeleid 2013-2017
  • 4.3.17 Kadernota Mobiliteitsplan (2016)
  • 4.3.18 Evenementenbeleid Oegstgeest 2016
  • Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten
  • 5.1 Milieuaspecten
  • 5.1.1 Bedrijven en milieuzonering
  • 5.1.2 Geluid
  • 5.1.3 Bodem
  • 5.1.4 Externe veiligheid
  • 5.1.5 Luchtkwaliteit
  • 5.2 Waterhuishouding
  • 5.3 Ecologie
  • 5.4 Cultureel erfgoed
  • 5.4.1 Archeologie
  • 5.4.2 Cultuurhistorie
  • 5.5 Besluit Milieueffectrapportage
  • Hoofdstuk 6 Juridische planbeschrijving
  • 6.1 Algemeen
  • 6.2 Toelichting op de planregels
  • 6.3 Bestemmingen
  • Hoofdstuk 7 Financiële uitvoerbaarheid
  • 7.1 Algemeen
  • Hoofdstuk 8 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
  • 8.1 Overleg artikel 3.1.1 Bro en inspraak
  • 8.2 Zienswijzenprocedure
  • Bijlagen bij toelichting
  • Regels
  • Hoofdstuk 1 Inleidende regels
  • Artikel 1 Begrippen
  • 1.1 Plan
  • 1.2 Bestemmingsplan
  • 1.3 Verbeelding
  • 1.4 Aan huis verbonden (bedrijfs-)activiteiten
  • 1.5 Aan huis verbonden beroep
  • 1.6 Aanduiding
  • 1.7 Aanduidingsgrens
  • 1.8 Aaneengebouwd
  • 1.9 Aan- en uitbouw
  • 1.10 Achtererf
  • 1.11 Afhankelijke woonruimte
  • 1.12 Agrarisch bedrijf
  • 1.13 Archeologisch deskundige
  • 1.14 Archeologisch onderzoek
  • 1.15 Archeologische verwachting
  • 1.16 Archeologische waarde
  • 1.17 Bebouwing
  • 1.18 Bebouwingspercentage
  • 1.19 Bed and breakfast
  • 1.20 Bedrijf
  • 1.21 Bedrijfswoning
  • 1.22 Bestaand gebruik
  • 1.23 Bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen
  • 1.24 Bestaande bouwwerken
  • 1.25 Bestemmingsgrens
  • 1.26 Bestemmingsvlak
  • 1.27 Bijgebouw
  • 1.28 Bouwen
  • 1.29 Bouwgrens
  • 1.30 Bouwlaag
  • 1.31 Bouwperceel
  • 1.32 Bouwperceelgrens
  • 1.33 Bouwvlak
  • 1.34 Bouwwerk
  • 1.35 Dagrecreatie
  • 1.36 Dakkapel
  • 1.37 Dakopbouw
  • 1.38 Deskundige
  • 1.39 Detailhandel
  • 1.40 Dienstverlening
  • 1.41 Eerste bouwlaag
  • 1.42 Erfafscheiding
  • 1.43 Erker
  • 1.44 Escortbedrijf
  • 1.45 Evenementen
  • 1.46 Gebouw
  • 1.47 Geluidscherm
  • 1.48 Geluidswal
  • 1.49 Gestapelde woning
  • 1.50 Hoofdgebouw
  • 1.51 Hoofdfunctie
  • 1.52 Horecabedrijf 1
  • 1.53 Horecabedrijf 2
  • 1.54 Intensieve dagrecreatie
  • 1.55 Kelder
  • 1.56 Kunstobject
  • 1.57 Ligplaats
  • 1.58 Maatschappelijke voorzieningen
  • 1.59 Mantelzorg
  • 1.60 Nutsvoorzieningen
  • 1.61 Ondergeschikte horeca
  • 1.62 Overkapping
  • 1.63 Peil
  • 1.64 Pleziervaartuig
  • 1.65 Publieksverzorgende ambachten
  • 1.66 Seksinrichting
  • 1.67 Staat van Bedrijfsactiviteiten
  • 1.68 Standplaats
  • 1.69 Stedenbouwkundige kwaliteit
  • 1.70 Steiger
  • 1.71 Twee-aaneen
  • 1.72 Voorgevellijn
  • 1.73 Vrijstaand
  • 1.74 Waterhuishoudkundige voorzieningen
  • 1.75 Woning
  • 1.76 Woonerf
  • 1.77 Woonschip
  • Artikel 2 Wijze van meten
  • 2.1 Afstand
  • 2.2 De bouwhoogte van een bouwwerk
  • 2.3 Breedte, diepte c.q. lengte van een bouwwerk
  • 2.4 Dakhelling
  • 2.5 De goothoogte van een bouwwerk
  • 2.6 De inhoud van een bouwwerk
  • 2.7 De (bruto vloer)oppervlakte van een bouwwerk
  • 2.8 De vloeroppervlakken van een gebouw
  • 2.9 Ondergeschikte bouwdelen
  • Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
  • Artikel 3 Agrarisch
  • 3.1 Bestemmingsomschrijving
  • 3.2 Bouwregels
  • 3.2.1 Gebouwen
  • 3.2.2 Bedrijfswoningen
  • 3.2.2.1 Erkers
  • 3.2.2.2 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen bij bedrijfswoningen
  • 3.2.2.3 Kelders bij bedrijfswoning
  • 3.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • 3.3 Specifieke gebruiksregels
  • Artikel 4 Bedrijf
  • 4.1 Bestemmingsomschrijving
  • 4.2 Bouwregels
  • 4.2.1 Gebouwen
  • 4.2.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde
  • 4.3 Afwijken van de gebruiksregels
  • Artikel 5 Gemengd
  • 5.1 Bestemmingsomschrijving
  • 5.2 Bouwregels
  • 5.2.1 Hoofdgebouwen
  • 5.2.2 Kelders
  • 5.2.3 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen
  • 5.2.4 Bouwwerken geen gebouwen zijnde
  • 5.3 Specifieke gebruiksregels
  • 5.3.1 Algemene gebruiksregels
  • 5.3.2 Gebruikregel aan-huis-verbonden beroepen
  • 5.4 Afwijken van de gebruiksregels
  • 5.4.1 Afwijkingsmogelijkheid aan-huis-verbonden (bedrijfs)activiteiten
  • Artikel 6 Groen
  • 6.1 Bestemmingsomschrijving
  • 6.2 Bouwregels
  • 6.2.1 Gebouwen
  • 6.2.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde
  • Artikel 7 Horeca
  • 7.1 Bestemmingsomschrijving
  • 7.2 Bouwregels
  • 7.2.1 Hoofdgebouwen
  • 7.2.2 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen
  • 7.2.3 Bouwwerken geen gebouwen zijnde
  • Artikel 8 Maatschappelijk
  • 8.1 Bestemmingsomschrijving
  • 8.2 Bouwregels
  • 8.2.1 Hoofdgebouwen
  • 8.2.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde
  • 8.3 Nadere eisen
  • 8.3.1 Bevoegdheid
  • 8.3.2 Toepassing
  • Artikel 9 Natuur
  • 9.1 Bestemmingsomschrijving
  • 9.2 Bouwregels
  • 9.2.1 Gebouwen
  • 9.2.2 Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • 9.3 Specifieke gebruiksregels
  • 9.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • 9.4.1 Verbod zonder vergunning
  • 9.4.2 Uitzonderingen op het verbod
  • 9.4.3 Voorwaarden
  • Artikel 10 Recreatie
  • 10.1 Bestemmingsomschrijving
  • 10.2 Bouwregels
  • 10.2.1 Bedrijfswoning
  • 10.2.2 Gebouwen
  • 10.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • 10.3 Afwijken van de bouwregels
  • 10.4 Specifieke gebruiksregels
  • 10.4.1 Strijdig gebruik
  • Artikel 11 Sport
  • 11.1 Bestemmingsomschrijving
  • 11.2 Bouwregels
  • 11.2.1 Gebouwen
  • 11.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • 11.3 Afwijken van de bouwregels
  • 11.4 Afwijken van de gebruiksregels
  • Artikel 12 Tuin
  • 12.1 Bestemmingsomschrijving
  • 12.2 Bouwregels
  • 12.2.1 Gebouwen
  • 12.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • 12.3 Afwijken van de bouwregels
  • 12.4 Specifieke gebruiksregels
  • Artikel 13 Verkeer
  • 13.1 Bestemmingsomschrijving
  • 13.2 Bouwregels
  • 13.2.1 Gebouwen
  • 13.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • 13.3 Nadere eisen
  • 13.3.1 Bevoegdheid
  • 13.3.2 Toepassing
  • Artikel 14 Verkeer - Verblijfsgebied
  • 14.1 Bestemmingsomschrijving
  • 14.2 Bouwregels
  • 14.2.1 Gebouwen
  • 14.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • 14.3 Nadere eisen
  • 14.3.1 Bevoegdheid
  • 14.3.2 Toepassing
  • 14.4 Afwijken van de gebruiksregels
  • Artikel 15 Water
  • 15.1 Bestemmingsomschrijving
  • 15.2 Bouwregels
  • 15.2.1 Gebouwen
  • 15.2.2 Woonschepen
  • 15.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • Artikel 16 Wonen
  • 16.1 Bestemmingsomschrijving
  • 16.2 Bouwregels
  • 16.2.1 Hoofdgebouwen
  • 16.2.2 Bijbehorende bouwwerken
  • 16.2.2.1 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen
  • 16.2.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • 16.2.2.3 Kelders
  • 16.3 Nadere eisen
  • 16.3.1 Bevoegdheid
  • 16.3.2 Toepassing
  • 16.4 Afwijken van de bouwregels
  • 16.4.1 Afwijken mantelzorg
  • 16.4.1.1 Voorwaarden
  • 16.4.1.2 Bebouwingsvoorwaarden
  • 16.4.1.3 Intrekken omgevingsvergunning
  • 16.4.2 Afwijken bed and breakfast
  • 16.5 Specifieke gebruiksregels
  • 16.6 Afwijken van de gebruiksregels
  • Artikel 17 Wonen - Woonwagenstandplaats
  • 17.1 Bestemmingsomschrijving
  • 17.2 Bouwregels
  • 17.2.1 Hoofdgebouwen (woonwagens)
  • 17.2.2 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen
  • 17.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • 17.3 Nadere eisen
  • 17.3.1 Bevoegdheid
  • 17.3.2 Toepassing
  • 17.3.3 Specifieke gebruiksregels
  • 17.4 Afwijken van de bouwregels
  • Artikel 18 Bedrijf - Uit te werken
  • 18.1 Bestemmingsomschrijving
  • 18.2 Uitwerkingsregels
  • 18.2.1 Bouwregels
  • 18.2.2 Gebruiksregels
  • 18.3 Bouwregels
  • 18.3.1 Dempverbod
  • 18.3.2 Nadere eisen
  • 18.3.2.1 Bevoegdheid
  • 18.3.2.2 Toepassing
  • Artikel 19 Leiding - Hoogspanningsverbinding
  • 19.1 Bestemmingsomschrijving
  • 19.2 Bouwregels
  • 19.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • 19.3.1 Verbod zonder vergunning
  • 19.3.2 Voorwaarden
  • Artikel 20 Leiding - Riool
  • 20.1 Bestemmingsomschrijving
  • 20.2 Bouwregels
  • 20.3 Afwijken van de bouwregels
  • 20.3.1 Afwijken voor bouwen ten behoeve van andere bestemmingen
  • 20.3.2 Uitzondering
  • 20.3.3 Voorwaarden
  • 20.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • 20.4.1 Verbod
  • 20.4.2 Uitzonderingen
  • 20.4.3 Voorwaarden
  • Artikel 21 Waarde-Archeologie 2
  • 21.1 Bestemmingsomschrijving
  • 21.2 Bouwregels
  • 21.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • 21.3.1 Verbod zonder vergunning
  • 21.3.2 Uitzonderingen op het verbod
  • 21.3.3 Voorwaarden
  • 21.4 Wijzigingsbevoegdheid
  • Artikel 22 Waarde-Archeologie 3
  • 22.1 Bestemmingsomschrijving
  • 22.2 Bouwregels
  • 22.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • 22.3.1 Verbod zonder vergunning
  • 22.3.2 Uitzonderingen op het verbod
  • 22.3.3 Voorwaarden
  • 22.4 Wijzigingsbevoegdheid
  • Artikel 23 Waterstaat - Waterkering
  • 23.1 Bestemmingsomschrijving
  • 23.2 Bouwregels
  • 23.3 Afwijken van de bouwregels
  • 23.3.1 Afwijken voor bouwen ten behoeve van andere bestemmingen
  • 23.3.2 Uitzondering
  • 23.3.3 Voorwaarden voor afwijken
  • 23.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • 23.4.1 Verbod zonder vergunning
  • 23.4.2 Uitzondering op aanlegverbod
  • 23.4.3 Voorwaarden voor omgevingsvergunning
  • Hoofdstuk 3 Algemene regels
  • Artikel 24 Anti-dubbeltelregel
  • 25 Algemene bouwregels
  • 25.1 Algemene regels
  • Artikel 26 Algemene gebruiksregels
  • 26.1 Parkeren
  • 26.2 Verboden gebruik
  • Artikel 27 Algemene aanduidingsregels
  • 27.1 Vrijwaringszone - Molenbiotoop
  • 27.1.1 Bouwregels
  • 27.1.2 Afwijken van de bouwregels
  • 27.1.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk
  • 27.1.4 Advies
  • Artikel 28 Algemene afwijkingsregels
  • 28.1 Maten en bouwgrenzen
  • 28.2 Snippergroen
  • Artikel 29 Algemene wijzigingsregels
  • 29.1 Wijziging overschrijding bestemmingsgrenzen
  • 29.2 Wijziging seksinrichting
  • Artikel 30 Overige regels
  • 30.1 Voldoende parkeergelegenheid
  • 30.2 Werking wettelijke regelingen
  • Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
  • 31 Overgangsrecht
  • 31.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • 31.2 Overgangsrecht gebruik
  • Artikel 32 Slotregel
  • Bijlagen bij regels
1e partiële herziening Oudenhof en Klinkenbergerplas    

Toelichting     

Hoofdstuk 1 Aanleiding tot deze herziening     

1.1 Aanleiding     

Op 30 januari 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State naar aanleiding van het appèl van een bewoonster van Oegstgeest het besluit van de raad van de gemeente Oegstgeest van 26 oktober 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan ‘Oudenhof en Klinkenbergerplas’ op onderdelen vernietigd. Dit had betrekking op de term ‘horeca’ in artikel 10, lid 10.1, onder b, van de planregels, alsmede artikel 10, lid 10.1, onder d, van de planregels in samenhang met de Staat van horeca-activiteiten wat betreft het bepaalde over ‘horeca categorie 2’, de aanduiding ‘evenemententerrein’ en artikel 10, lid 10.1, onder c, in samenhang met artikel 10.4.1 van de planregels.

De term ‘horeca’ onder artikel 10 wordt bestreden omdat er een verzwaring van de toegestane activiteiten ten opzichte van het voorgaande beleid mogelijk werd gemaakt, terwijl onvoldoende inzichtelijk werd gemaakt hoe de ruimtelijke effecten van een bedrijf met horeca categorie 2 in de zin van het bestreden plan in termen van “aanzienlijke hinder” en de daarbij verwachte parkeer- en geluidoverlast zijn beoordeeld. Daarbij betrekt de Afdeling dat akoestisch- en parkeeronderzoek ontbreekt.

De Afdeling vernietigt tevens de onder artikel 10, sub c genoemde aanduiding ‘evenemententerrein’. Dit komt voort uit het ontbreken van definitie van het type evenementen dat ter plaatse plaats mag vinden. Tevens is er een aanzienlijk risico op overlast, waarvoor niet voldoende inzichtelijk is gemaakt of omwonenden geen onevenredige hinder in de vorm van geluid- en parkeeroverlast zullen ondervinden van de te houden evenementen.

Voorliggende herziening voorziet in het deels herstellen van de door de Afdeling vernietigde plandelen.

1.2 Wijzigingen     

Om het bestemmingsplan in overeenstemming te brengen met een goede ruimtelijke ordening, dienen de door de Afdeling vernietigde bestemmingsregels gecorrigeerd te worden. Onderhavige herziening voorziet hierin.

De term 'horeca' onder de bestemming 'recreatie' zal een andere definitie dienen te krijgen. De huidige regels maken een horecabedrijf tot en met categorie 2 'middelzwaar' mogelijk. In deze regel wordt tevens verwezen naar de bijlage 'Staat van horeca', waarin bepaald wordt dat onder categorie 2 ook bedrijven vallen die ook delen van de nacht geopend zijn en die daardoor aanzienlijke hinder voor omwonenden kunnen veroorzaken. Om dit niet meer mogelijk te maken is in hoofdstuk 1 van de regels de definitie van het voorgaande bestemmingsplan 'De Morsebel en Klinkenbergerplas' gebruikt: "een bedrijf vallend onder de horecasector, dat uitsluitend of in hoofdzaak is gericht op bedrijfsmatig verstrekken van dranken en/of etenswaren/maaltijden t.b.v. gebruik ter plaatse zoals cafés, bars, bodega’s, restaurants, broodjeszaken, conditoreien, pannenkoekenrestaurants, lunchrooms, koffiecafé’s, ijssalons of een mengvorm daarvan. Cafetaria’s, snackbars, fritures, discotheken en daarmee vergelijkbare horecabedrijven waarvan het gezamenlijke oppervlakte meer dan 10 m2, vallen hierbuiten;" Voor deze definitie is het nieuwe begrip 'horecabedrijf 2' aangemaakt.

De aanduiding 'evenemententerrein' onder artikel 10 'recreatie' komt niet meer terug in deze herziening. De gemeente is reeds bezig met het paraplubestemmingsplan 'Evenemententerreinen en Standplaatsen', dat voorziet in het reguleren van evenemententerreinen. Dit plandeel wordt dus niet met deze herziening hersteld.

1.3 Procedure     

Deze herziening dient als een eerste partiële herziening. De herziening zal direct als een door de raad vast te stellen document dienen, zonder dat daar een ontwerpbesluit aan vooraf gaat.

Hoofdstuk 2 Inleiding     

2.1 Aanleiding     

Zoals aangegeven in hoofdstuk 1 voorziet voorliggende partiële herziening in het herstellen van de door de Afdeling vernietigde plandelen. De aanleiding voor het opstellen van het originele bestemmingsplan lag in de wens van de gemeente Oegstgeest om te komen tot een actualisering van de thans vigerende plannen gebaseerd op huidige beleidsinzichten en gebruikerswensen. De vigerende plannen voor het plangebied zijn zowel in beleidsmatig als in juridisch-planologisch opzicht verouderd. Met het samenbrengen van de verschillende plannen in één plangebied wordt de eenduidigheid en overzichtelijkheid van het beleid vergroot. Het bestemmingsplan is gericht op het behouden en beheren van de bestaande ruimtelijke situatie. Daarnaast is het bestemmingsplan ook bedoeld om enkele nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken. Hierdoor is het bestemmingsplan voldoende flexibel om gedurende de planperiode eenvoudig in te spelen op ruimtelijke veranderingen in het plangebied. Wijzigingen worden mogelijk gemaakt voor zover zij passen binnen de reeds geformuleerde beleidslijnen.

2.2 Ligging plangebied     

Het plangebied ligt globaal aan de noordoostkant van de gemeente Oegstgeest. De begrenzing van het bestemmingsplan volgt in principe de buitengrenzen van de oorspronkelijke bestemmingsplannen.

Globaal gezien vormt de gemeentegrens met de gemeente Teylingen aan de noordkant en aan de oostkant tot aan het snijpunt met het midden van het Oegstgeesterkanaal de begrenzing van het plangebied. Aan de zuidzijde van het plangebied volgt de begrenzing het noordelijk deel van de Abtspoelweg, de Lange Voort, het zuidelijk deel van de Hazenboslaan tot het kruispunt met laan van Alkemade en Hofdijk. De Hofdijk vormt de zuidwestelijke begrenzing samen met de Admiraal de Ruyterlaan, Frans Halslaan en het Oegstgeesterkanaal. Vanaf hier loopt de plangrens in het midden van het kanaal in oostelijke richting, waarna de plangrens de westelijke oever van de Haarlemmertrekvaart tot net voor de Tolhuisbrug volgt. Daarna loopt de plangrens in zuidwestelijke richting langs de noordelijke oever van het water onder het fietspad richting Tolhuisbrug tot aan de Haaswijklaan. Op de Haaswijklaan loopt de plangrens aan de noordzijde van deze laan in westelijke richting door tot het begin van het perceel waarop de gemeentewerf is gevestigd. Vanaf hier volgt de plangrens de zuidelijke oevers van de percelen van de gemeentewerf, Meob-bedrijventerrein en Van der Luyt, waarna de plangrens via de westelijke oever van de Haarlemmertrekvaart in noordelijke richting doorloopt tot het aansluit op het beginpunt van het plangebied op de gemeentegrens met Teylingen.

De begrenzing van het plangebied van voorliggend bestemmingsplan is op de volgende afbeelding weergegeven.

Globale begrenzing plangebied (bron: Google Earth)

2.3 Geldende bestemmingsplannen     

De geldende bestemmingsplannen en kleine planherzieningen die geheel of gedeeltelijk ten grondslag liggen aan deze herziening en door het geactualiseerde bestemmingsplan vervangen zullen worden zijn:

Bestemmingsplan Vaststellingsdatum
De Morsebel en Klinkenbergerplas 18 september 2006; onherroepelijk op 23 april 2008
Oudenhof en Clinckenburgh 30 oktober 2007
Oud Poelgeest 18 februari 2010
Oude Vaartweg 27 juni 2013
Lokaal nog vigerende bestemmingsplannen Vaststellingsdatum
Centrum 15 augustus 1974
1e partiële herziening bestemmingsplan Centrum 28 augustus 1980
2e partiële herziening bestemmingsplan Centrum 26 januari 1989
3e partiële herziening bestemmingsplan Centrum 13 maart 1997
De Morsebel 11 november 1993
Oranje Nassau 23 oktober 2008
Voorhofpolder 24 juni 1982

2.4 Leeswijzer     

Voorliggende toelichting van het bestemmingsplan '1e partiële herziening Oudenhof en Klinkenbergerplas' bestaat uit zeven hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 3 een beschrijving van het gebied gegeven. In hoofdstuk 4 is een beschrijving van het relevante rijks-, provinciale en gemeentelijke beleid opgenomen. In hoofdstuk 5 komen alle voor het bestemmingsplan relevante milieu- en overige aspecten aan de orde, waarna het geheel wordt vertaald in een juridische bestemmingsregeling die in hoofdstuk 6 wordt toegelicht. Tot slot bevat hoofdstuk 7 de financiële uitvoerbaarheid en hoofdstuk 8 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van de inspraak- en overlegmomenten zijn opgenomen.

Hoofdstuk 3 Gebiedsbeschrijving     

3.1 Inleiding     

In dit hoofdstuk wordt de ruimtelijke en functionele opbouw van het plangebied beschreven. De ruimtelijke elementen structureren het gebied en verdelen deze in een aantal deelgebieden waarbinnen functies hun eigen positie hebben. Op basis van het relevante ruimtelijke beleid op de diverse schaalniveaus en de ruimtelijke en functionele analyse van het plangebied, zijn de voor het plangebied gewenste ontwikkelingen en de sectorale bouwstenen voor beleid beschreven. Deze gewenste ontwikkelingen en sectorale bouwstenen zijn, met inachtneming van het vigerende beleidskader, geïntegreerd tot een samenhangende gebiedsvisie voor het plangebied, die als basis dient voor de bestemmingsregeling (verbeelding en regels).

Gezien het feit dat voorliggend bestemmingsplan een overwegend conserverend plan betreft blijft de huidige ruimtelijke hoofdopzet, zoals deze is geschetst in dit hoofdstuk, gehandhaafd. Tevens wordt ook functioneel gezien aangesloten bij het huidige gebruik in het plangebied.

3.2 Ontstaansgeschiedenis     

Oegstgeest is ontstaan in de vroege Middeleeuwen op een noord-zuidgerichte strandwal in het mondingsgebied van de Oude Rijn. Door die hogere ligging was er al vrij snel bewoning mogelijk. Het is bekend dat Oegstgeest en omgeving al in de Romeinse tijd tot de dichtbevolkte delen van West-Nederland heeft behoord. Archeologische vondsten bewijzen het en het is ook begrijpelijk, aangezien het ligt op de oude strandwallen waarop landbouw en bewoning zonder ingewikkelde ontginningen mogelijk waren. Er is geen reden om aan te nemen dat Oegstgeest na ineenstorting van het Romeinse rijk in de 5e eeuw verlaten is. Op grond van vondsten in de omgeving van het Groene kerkje, is aangetoond dat daar tussen de 6e en de 9e eeuw bewoning moet zijn geweest. Volgens historische gegevens is de allereerste kerk hier in de eerste helft van de 8e eeuw gesticht door prediker Willibrord. In de 9e of 10e eeuw is een burcht met een concentrisch grachtenstelsel gesticht. Dit terrein heeft eeuwenlang bekend gestaan als de Oude Hof. Door latere bewerkingen van de bovengrond liggen de resterende grondsporen van de burcht ten minste een aantal decimeters onder maaiveld.

De bodem in het gebied is sterk bepaald door de aanwezigheid van de Rijnmonding en bestaat uit zandwallen en uit kleiveengronden. Het grootste deel van de gemeente Oegstgeest ligt ongeveer 0,5 m beneden NAP. In 1656 werd de Haarlemmertrekvaart aangelegd met het doel een betere verbinding tussen Leiden en Haarlem te bewerkstelligen. Dit had tevens een betere ontsluiting van het platteland tot gevolg. In de 17e en 18e eeuw ontstonden warmoezerijen en diverse verspreide buitenplaatsen in het gebied. Omstreeks 1840 is het Oegstgeesterkanaal gegraven tijdens de drooglegging van de Haarlemmermeer.

Uit concurrentieoverwegingen heeft Leiden lang weerstand geboden tegen de groei van Oegstgeest. Nijverheid werd grotendeels verboden en Leiden kocht de heerlijke rechten van Oegstgeest. Hierdoor bleef Oegstgeest tot het begin van de vorige eeuw vooral een agrarische gemeenschap. Vanaf het begin van de 19e eeuw is de bevolking van 900 inwoners vervijfvoudigd naar bijna 4.500 inwoners in 1910. De aanleg van de tramverbinding van Leiden naar Katwijk in 1881 maakte Oegstgeest tot een forensendorp. In de 20e eeuw is het dorp gestaag gegroeid, met een stevige groei tussen 1950 en 1970 en een lichte daling tussen 1970 en 1980.

Aangezien de strandwal de ontstaansbasis is voor Oegstgeest, zijn de belangrijkste wegen noord-zuidgericht, waaronder de Haarlemmertrekvaart als onderdeel van het plangebied.

3.3 Ruimtelijke hoofdstructuur     

Het onderzoek naar de hoofdstructuur legt de basis voor een ruimtelijk beleid waarin de kwaliteit van ruimtelijke elementen en de differentiatie van functies worden gewaardeerd. Dit beleid resulteert in de nieuwe regeling waarin het gebruik van de gebouwen en de bebouwingsmogelijkheden van de gronden worden vastgelegd. De planologische afwegingen die zijn gemaakt bij het opstellen van de bestemmingsregels worden in hoofdstuk 5 behandeld.

Ligging van het gebied in groter verband

Oegstgeest ligt in het noordelijk deel van de provincie Zuid-Holland. De A44 en de spoorlijn Leiden-Haarlem-Amsterdam zijn op de schaal van het gehele dorp van structurele betekenis als barrières en grenzen. Van een lager orde zijn de Oude Rijn in het uiterste westen, het Oegstgeesterkanaal en de Haarlemmertrekvaart van belang. De N444 is een belangrijke ontsluitingsweg die vanaf de A44 parallel loopt aan de Haarlemmertrekvaart, afbuigt naar het zuiden en vervolgens door loopt tot het centrum van Leiden. Van structurele betekenis voor de oost-westrelatie in de omgeving is de Plesmanlaan in Leiden ten zuiden van het grondgebied van de gemeente Oegstgeest. In Oegstgeest zelf zijn de Rijnsburgerweg, de Geversstraat en de Rijnzichtweg belangrijk voor die oost-westrelatie. Deze wegen verbinden Oegstgeest met Leiden in het oosten en met Rijnsburg in het westen. Verder vormen de Warmonderweg en de Rhijngeesterstraatweg een belangrijke noord-zuidverbinding in het dorp.

Gebiedsdelen

Het plangebied ligt ten noordoosten van Oegstgeest en grenst gedeeltelijk aan de gemeente Teylingen (noord- oostzijde). Het plangebied bestaat uit een aantal woonwijken welke zijn omgeven door diverse groenstroken waaronder het Jan Wilspark en Mien Ruyspark ter hoogte van de wijk De Morsebel. De Klinkenbergerplas fungeert als recreatiegebied terwijl de kleine plas ten noorden van de Klinkenbergerplas een natuurgebied betreft. Er bevindt zich in het bestemmingsplangebied geen winkelcentrum waar horeca en detailhandel aanwezig is. Hiervoor dient men zich te wenden tot het nabijgelegen winkelcentrum aan de Lange Voort e.o. Een aantal bijzondere elementen in het plangebied is een aantal basisscholen, een groot verpleeghuis, sportvelden en een dierenkliniek.

Het plangebied bestaat in feite uit vijf subgebieden: De Morsebel, De Klinkenbergerplas, Oude Vaartweg, Clinckenburgh en Oudenhof. Verschillend in functie, opzet en leeftijd heeft elk subgebied een eigen structuur.

Ligging plangebieden

3.3.1 Beeldkwaliteit gebiedsdelen     

De kwaliteit van een gebied kan gerelateerd worden aan de waardering voor de bebouwing en voor de inrichting van de openbare ruimte. Door het opnemen van nadere voorschriften voor beeldbepalende elementen is het handhaven van structurele elementen verzorgd. Beeldbepalende elementen zijn wanden en/of onbebouwde ruimtes langs een aantal structurerende elementen, waarvan beeldkwaliteit en karakter bepalend zijn voor de herkenbaarheid van een gebied.

Het plangebied bestaat uit een aantal kenmerkende gebieden met elk een eigen beeldkwaliteit en structuur.

De Morsebel

De wijk Morsebel ligt ten westen van de Haarlemmertrekvaart / Leidse Vaart en bevat in hoofdzaak woonbestemmingen. Een deel van het gebied bestaat uit bouwblokken met rijen grondgebonden woningen in een 'rondlopend’ straten patroon. De woningen zijn voor het grootste gedeelte afgedekt met, met de straat meelopende, zadeldaken. De geschakelde woningen langs het, als park ingerichte, hoogspanningstraject zijn opgebouwd uit wisselde volumes en voornamelijk plat afgedekt. In het noordwestelijke deel liggen vooral vrijstaande villa’s en twee onder een kap woningen op ruime kavels en een viertal vrijstaande appartementengebouwen welke ook een relatie hebben met de ten zuiden ervan gelegen Haaswijklaan.

Meest westelijk bevindt zich, onder de gemeente werf, nog een woonwagenterrein en het gebouw van de boogschutters vereniging.

Klinkenbergerplas

Het gebied Klinkenbergerplas bestaat uit een kleine plas aan de noordzijde en een grote plas hier zuidelijk van gelegen. De kleine plas is bestemd als ‘Natuur’ en de grote plas is bestemd als ’Recreatie’. Ten westen van de kleine plas ligt een gemengd gebied tussen de Provinciale weg (N444) en Leidse Vaart, ontsloten door de Oude Vaartweg. Hier bevinden zich de bestemmingen bedrijfsdoeleinden en agrarische doeleinden.

Ten noorden van de plas staat de jeugdgevangenis welke deels valt binnen de gemeentegrenzen van Oegstgeest en deels binnen de grenzen van de gemeente Teylingen.

Oude Vaartweg

De Oude Vaartweg betreft een klein gebied, gobaal begrensd door de watergang Haarlemmer Trekvaart (westzijde), de N444 (oostzijde) en Oude Vaartweg (noordzijde). Hier bevindt zich naast een woonbestemming de bestemming 'Bedrijf' en 'Bedrijf - uit te werken'. Hiermee sluit het gebied aan op de noordelijk gelegen agrarische- en bedrijfsbestemmingen.

Clinckenburgh

Clinckenburgh wordt ingesloten door de N444, de Klinkenbergerplas en het Poelmeer c.q. de gemeentegrens. De contouren van Clinckenburgh zijn een residu van een aantal belangrijke landschappelijke elementen. Parallel aan de Haarlemmertrekvaart loopt de N444. Deze twee elementen vormen een duidelijke begrenzing aan de westzijde. Deze begrenzing wordt benadrukt door de geluidswal en de muren die langs de weg zijn gesitueerd. De andere grenzen zijn waterwegen en bevestigen, met name aan de zijde van de Klinkenbergerplas, het beeld van de ligging van dit deel van het plangebied aan de rand van de kom.


Het noordelijke gedeelte van dit plangebied bestaat voornamelijk uit vrij liggende villa’s op ruime kavels langs het water en twee onder een kapwoningen in een strook langs de Haarlemmertrekvaart in een villaparkachtige omgeving. De bouwvlakken liggen hier ruim over de gebouwde volumes heen. In andere delen van dit plangebied zijn de bouwvlakken wel strak om het hoofdvolume getekend.

In het zuidelijke gedeelte van dit plangebied, tussen Haarlemmertrekvaart en Oegstgeester kanaal bevindt zich het zogenaamde ‘Ganzeneiland’. Dit deel van het plangebied is van oudsher dun bebouwd.

Oudenhof

Het Oegstgeesterkanaal vormt een duidelijke natuurlijke begrenzing aan de noordzijde van het gebied Oudenhof. Dit plangebied bevat in hoofdzaak woonbestemmingen, waarbij het in het zuidwestelijke deel met name bouwblokken met rijenwoningen betreft. In dit deel van het plan liggen ook vier scholen. In het noordoostelijke deel liggen vooral vrijstaande villa’s op ruime kavels. Het westelijke deel van het plangebied valt voor een groot gedeelte binnen de werkingssfeer van de molenbiotoop van de Oudenhof molen.

Het grootste deel van dit plangebied bestaat uit bouwblokken, opgebouwd uit blokjes rijwoningen van verschillende lengte, in een min of meer regelmatig rechthoekig stratenpatroon.

Het oostelijke deel van Oudenhof bestaat voornamelijk uit vrijliggende villa’s op ruime kavels in een meer parkachtige omgeving.

3.4 Functionele structuur     

De meest voorkomende functie in het plangebied is die van het wonen. Daarnaast is een aantal andere functies aanwezig. In deze paragraaf worden de geïnventariseerde functies kort benoemd:

Bedrijvigheid

In het gehele plangebied komen diverse bedrijfsactiviteiten voor tussen de bestaande woonfunctie zoals een dierenartsenpraktijk. Ook komen kleinschalige vormen van bedrijvigheid voor in de vorm van beroep en/of bedrijf aan huis.

Detailhandel

Er bevindt zich geen detailhandel in de vorm van een winkelcentrum het plangebied.

Horeca

Op de locatie Tolhuys (Jaagpad 1) is horeca toegestaan. Tevens is er de mogelijkheid een horecavoorziening te realiseren ten noordwesten van de Klinkenbergerplas binnen de recreatieve bestemming.

Water en groen

Deze functies komen in diverse vormen voor:

  1. tuinen bij woningen;
  2. de Klinkenbergerplas (kleine plas als natuurgebied en grote plas als recreatie);
  3. het Poelmeer met bijbehorende watergang;
  4. de Leidse Vaart / Haarlemmertrekvaart;
  5. het Oegstgeesterkanaal;
  6. het Hofbrouckerpark;
  7. overige watergangen;
  8. overig 'snippergroen'.

Maatschappelijk

Er zijn verschillende maatschappelijke voorzieningen in het plangebied aanwezig, namelijk: scholen, verzorgingshuis en een jeugdgevangenis.

Infrastructuur

In het plangebied liggen diverse wegen (waaronder de N444 Haarlemmertrekvaart), fiets- en wandelpaden en twee kanalen. Deze infrastructuur is voorzien van bijbehorende voorzieningen, zoals parkeerplaatsen, zitgelegenheden en abri's.

Sport

In het plangebied zijn voorzieningen aanwezig ten behoeve van sport. De sportvoorziening is gelegen in het noordwesten van het plangebied, in deelgebied De Morsebel. Hier is een handboogschuttersvereniging gevestigd.

Recreatie

De grote plas Klinkenbergerplas is bestemd als dagrecreatiegebied met intensieve recreatie.

Monumenten

Binnen het bestemmingsplangebied bevindt zich alleen het rijksmonument het Tolhuis met tolhek langs de Haarlemmertrekvaart aan het Jaagpad 1, 3, 5 en 7. Buiten het plangebied aan de Floralaan, staat het monument de 'Oudenhofmolen'. Het westelijke deel van het deelgebied Oudenhof valt voor een groot gedeelte binnen de werkingssfeer van de molenbiotoop.

3.5 Reparaties     

Het uitgangspunt is om een overwegend conserverend bestemmingsplan op te stellen. De bestaande functies en bestemmingen van het bestemmingsplangebied worden over het algemeen conserverend in dit bestemmingsplan opgenomen.

De volgende (ondergeschikte) reparaties zijn van toepassing op het plangebied en worden bij deze herziening meegenomen.

3.5.1 De Morsebel     

Tussen het openbare gebied en de naar de straat gerichte gevels van de bouwblokken ontbreekt in dit plandeel de bestemming ‘Tuin’ in het vigerend plan. Met deze herziening zal de bestemming ‘Tuin’ worden toegevoegd om de wijze van bestemmen voor de verschillende plandelen gelijk te trekken. Omdat in de bouwregels van de bestemming ‘Woondoeleinden’ uit het vigerende bestemmingsplan vergelijkbare regels voor bouwen in het voorerf zijn opgenomen als in de nieuwe bestemming ‘Tuin’ zal dit uniformeren naar verwachting niet leiden tot een planologische verslechtering en dus niet tot planologisch nadeel.

Uitsnede vigerend bestemmingsplan De Morsebel en Klinkenbergerplas

Correctie plangrens

Door het niet volledig op elkaar aansluiten van de bestemmingsplannen ‘De Morsebel en Klinkenbergerplas’ en ‘Haaswijk’ is er, nabij het fietspad naar de Tolhuisbrug, nog een strookje van het bestemmingplan ‘De Morsebel’ uit 1993 vigerend. Omdat het hier gronden in het bezit van de gemeente betreft is er geen aanleiding geweest om dit tussentijds aan te passen. Bij deze herziening is dit meegenomen.

Strook uit vigerend bestemmingsplan 'De Morsebel'

3.5.2 Klinkenbergerplas     

In de vigerende regeling is de kleine plas bestemd als ‘Natuur’ en de grote plas is bestemd als ’Recreatie’. Langs de zuidwestelijke oever van de grote plas ligt tevens de aanduiding intensieve recreatie. Binnen deze aanduiding is aan de noordzijde van de plas een bouwvlak ten behoeve van een horecavoorziening aanwezig.

3.5.3 Clinckenburgh     

In het vigerende bestemmingsplan wordt gewerkt met de bestemming ‘Erf’. Deze bestemming zal in het nieuwe bestemmingsplan voor dit deelgebied komen te vervallen. Deze gronden komen onder de bestemming ‘Wonen’ te vallen.

Voor de van goedkeuring onthouden gedeelten van bestemmingsplandeel ‘Clinckenburgh’ is nog het bestemmingsplan ‘Voorhofpolder’ vigerend. Het betreft de berging in de tuin van Clinckenburgh 39, welke niet conform de werkelijke situatie op de verbeelding staat. Omdat het hier gronden met een zeer beperkte omvang betreft is dit nooit gerepareerd. Bij deze herziening zal dit worden hersteld. Op onderstaande afbeelding is de werkelijke situatie weergeven, inclusief het vigerend bestemmingsplan en de gewenste toekomstige situatie.

Gewenste weergave verbeelding Clinckenburg 39

In het vigerende bestemmingsplan is door gedeputeerde staten goedkeuring onthouden aan het perceel Jaagpad 1 (restaurant Tolhuysch) in verband met een onjuiste weergave van de bebouwingscontour. Voor het verruimen van het gebruik van het horecagedeelte met wonen en kantoor is op 28 april 2016 jl. een vergunning verleend. Dit herstel wordt in onderhavig bestemmingsplan meegenomen. Dit betekent dat het perceel de bestemming 'Horeca' heeft gekregen met een aanduiding 'Wonen' en 'Kantoor'.

3.5.4 Oudenhof     

Voor de van goedkeuring onthouden gedeelten van bestemmingsplandeel ‘Oudenhof’ is nog het bestemmingplan ‘Centrum’ vigerend. Omdat het hier gronden met een zeer beperkte omvang betreft is er destijds, mede uit kosten overwegingen, voor gekozen om dit niet aan te passen. Bij de huidige herziening zullen deze onthoudingen worden meegenomen. De aan goedkeuring onthouden locaties betreffen:

  • Jan Steenlaan 24
  • Govert Flincklaan 28
  • Admiraal de Ruyterlaan 16
  • Karel Doormanlaan 1


De van goedkeuring onthouden locaties waar het bestemmingsplan 'Centrum' nog vigerend is

Uniformeren bestemmingen

In de plandelen 'Clinckenburgh' en 'Oudenhof' wordt nog de bestemming ‘Erf’ gebruikt. Omdat de in SVBP deze bestemming niet voorkomt, is de bestemming vervallen en zijn de gronden toegevoegd aan de bestemming ‘Wonen’ overeenkomstig de huidige gemeentelijke systematiek.

Ook wordt nog gewerkt met de bestemming ‘Garages en bergplaatsen’, deze bestemming is in het nieuwe bestemmingsplan vervallen. Gronden met deze bestemming komen te vallen onder de bestemming verkeer met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van verkeer – garageboxen’, zoals dit ook is toegepast in het aansluitende bestemmingsplan ‘de Voscuyl en Bloemenbuurt’.

Hoofdstuk 4 Beleidskader     

4.1 Nationaal beleid     

4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte     

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is in het voorjaar van 2012 vastgesteld. De Structuurvisie vervangt een groot aantal verschillende beleidsnota's op het gebied van ruimte en mobiliteit zoals de Nota Ruimte (2006), Structuurvisie Randstad 2040 en de Structuurvisie voor de snelwegomgeving (2008). Door onder andere nieuwe politieke accenten, veranderende economische omstandigheden, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen zijn de vigerende beleidsdocumenten gedateerd.

De visie heeft als doel dat Nederland in 2040 concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig is. Daarbij gaat de visie uit van het 'decentraal, tenzij..' principe. Hiermee wordt de ruimtelijke ordening in toenemende mate neergelegd bij gemeenten en provincies. Een rijksverantwoordelijkheid kan aan de orde zijn indien: een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingskracht van provincies en gemeenten overstijgt; over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan; een onderwerp provincie- of landsoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelingsrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is.

Nederland concurrerend

Nederland heeft een goede ruimtelijke economische structuur voor een excellent vestigingsklimaat voor bedrijven en kenniswerkers. Dit betekent onder andere een uitstekende internationale bereikbaarheid van stedelijke regio's en optimale (logistieke) verbindingen van de mainports Rotterdam en Schiphol, de brainport Zuidoost Nederland en de greenports met Europa en de rest van de wereld.

Nederland bereikbaar

De groei van mobiliteit over de weg, spoor en vaarwegen zal worden gefaciliteerd. De ambitie is dat gebruikers beschikken over optimale ketenmobiliteit via multimodale knooppunten en door goede afstemming van infrastructuur en ruimtelijke ontwikkeling.

Nederland leefbaar en veilig

De woon- en werklocaties in steden en dorpen moeten aansluiten op de kwalitatieve vraag en de locaties voor transformatie en herstructurering worden zo veel mogelijk benut. Waterveiligheid en beschikbaarheid van voldoende zoetwater heeft ruimte nodig en stelt eisen aan de stedelijke ontwikkeling. Nederland behoudt haar unieke cultuurhistorische waarden en heeft een natuurnetwerk dat de flora- en faunasoorten in stand houdt. Het aandeel duurzame energiebronnen zal moeten toenemen.

Planspecifiek

De SVIR is niet specifiek van toepassing op het plangebied.

4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening     

De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens provinciale verordening respectievelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 13 nationale belangen opgenomen die in de SVIR zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

Planspecifiek

Het bestemmingsplan 'Oudenhof en Klinkenbergplas' is niet in strijd met de uitgangspunten van het Barro.

4.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking     

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven:

'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende voorwaarden:

  1. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;
  2. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;
  3. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.'

Planspecifiek

In het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking is het allereerst van belang of er sprake is van een nieuwe ontwikkeling waardoor het plan getoetst moet worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Op basis van jurisprudentie blijkt dat kleinschalige woningbouwlocaties bestaande uit één of enkele woningen niet gezien worden als een stedelijke ontwikkeling en dus niet getoetst hoeven te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking (ABRvS 18 december 2013, 201302867/1/R4).

Onderhavig bestemmingsplan betreft een actualisatie van bestaande bestemmingsplannen en legt de bestaande situatie binnen het plangebied 'Oudenhof en Klinkenbergplas' vast. Het bestemmingsplan is conserverend van aard. Het plangebied betreft bestaand stedelijk gebied, waarin geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. Derhalve hoeft niet getoetst te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

Voor het deelgebied 'Oude Vaartweg' is naar aanleiding van een tussenuitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State d.d. 10 december 2014 in het rapport 'Onderbouwing Ladder voor duurzame verstedelijking Oude Vaartweg' (Companen B.V. d.d. 11 maart 2015) geconcludeerd dat in de behoefte voor de beoogde kantoren en bedrijven niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien door herstructurering, transformatie of anderszins. Het onderzoeksrapport is als bijlage aan deze toelichting toegevoegd (zie bijlagen bij toelichting bijlage 1).

4.2 Provinciaal beleid     

Provincie Zuid-Holland heeft voor haar ruimtelijke visie de Visie Ruimte en Mobiliteit, de Verordening Ruimte 2014 en het Programma Ruimte vastgesteld. De Visie Ruimte en Mobiliteit bevat het strategische beleid. Het ruimtelijk-relevante, operationele beleid is opgenomen in het Programma Ruimte. De verplichtingen voor ruimtelijke plannen van de provincie of lagere overheden zijn opgenomen in de Verordening.

4.2.1 Visie Ruimte en Mobiliteit     

Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland hebben op 9 juli 2014 de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) vastgesteld. In deze visie signaleert de provincie de structurele veranderingen in samenleving, economie en milieu. De voorspelbaarheid van nieuwe ontwikkelingen vermindert, demografische ontwikkelingen verschillen en de regionale economie internationaliseert en is kwetsbaar voor externe schokken. Tegelijkertijd gaan technologische innovaties snel en kunnen oplossingen in beeld brengen die nu nog onhaalbaar lijken. Deze tijd vraagt om maatwerk, flexibiliteit en aanpassingsvermogen. De economische, technologische en demografische ontwikkelingen werken door in de wijze waarop mensen en bedrijven de ruimte en het mobiliteitsnetwerk gebruiken. De provincie wil aansluiten op de bestaande en toekomstige dynamiek door waar mogelijk flexibiliteit in regelgeving te bieden. De VRM is opgesteld vanuit de gedachte dat regels en kaders van de overheid nodig blijven, maar niet nodeloos mogen knellen.

De VRM biedt geen vastomlijnd ruimtelijk eindbeeld, maar wel een perspectief voor de gewenste ontwikkeling van Zuid-Holland als geheel. De gewenste ontwikkeling is verwoord in vier rode draden:

  1. beter benutten en opwaarderen van wat er is;
  2. vergroten van de agglomeratiekracht;
  3. verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit;
  4. bevorderen van een water- en energie-efficiënte samenleving.

Vanuit het besef dat stad en land één leefomgeving vormen met elkaar aanvullende kwaliteiten, kent deze VRM een indeling in functionele hoofdstukken. Het hoofdstuk 'Mobiliteit en bebouwde ruimte' geeft uitwerking aan de eerste en tweede rode draad. Het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit (derde rode draad) komt hoofdzakelijk tot uiting in het hoofdstuk 'Kwaliteit van landschap, groen en erfgoed’ en het bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving hoofdzakelijk bij ‘Water, bodem en energie’. Onder planspecifiek wordt voor voorliggende ontwikkeling nader ingegaan op de hoofdstukken.

Planspecifiek

Vanuit de VRM zijn de volgende aspecten van belang voor onderhavige plangebied.

De gronden van het plangebied worden in de VRM grotendeels gekenmerkt door de ligging in bestaand dorpsgebied, de ligging langs dorpsranden en een landschappelijke element zoals de rivierdeltacomplex met jonge zeeklei.

Voorliggend bestemmingsplan betreft bestaand stedelijk gebied en heeft overwegend een conserverend karakter. Eventuele ontwikkelingen dienen bij voorkeur plaats te vinden in het bestaand stedelijk gebied. Daarnaast is een goede landschappelijke inpassing van belang.

4.2.2 Actualisatie Visie ruimte en mobiliteit     

Vanaf 17 juni 2016 ligt het ontwerp ter inzage van de Actualisering 2016 van de Visie ruimte en mobiliteit, het Programma ruimte, de Verordening ruimte 2014 en de Cultuurhistorische Hoofdstructuur. De terinzagelegging duurt van 17 juni tot en met 14 juli. Gedurende die termijn kan iedereen een zienswijze indienen. Volgens planning zullen Provinciale Staten de Actualisering 2016 in december van dit jaar vaststellen.

In onderstaande opsomming de voornaamste wijzigingen die relevant zijn voor dit bestemmingsplan:

  1. Wonen en vliegen in de regio Schiphol: Toevoegen van woningen binnen bestaand stedelijk gebied blijft mogelijk. Geluid moet nadrukkelijk onderdeel gaan worden van de integrale belangenafweging die in het kader van een ruimtelijk besluit wordt gemaakt. De provincie onderzoekt nog welke mogelijkheden er zijn om “een vroegtijdige en juiste informatievoorziening aan potentiële en nieuwe bewoners, middels toezicht op- en actief bijdragen aan deze informatievoorziening, al dan niet in combinatie met kettingbedingen” vast te leggen. De provincie wenst de volle verantwoordelijkheid voor de gemeentelijke besluitvorming, ook met het oog op mogelijke klachten bij de gemeente neer te leggen.
  2. Bebouwde kom: de provincie geeft een definitie voor bebouwde kom, nl. bestaand stads- en dorpsgebied;
  3. Ruimtelijke kwaliteit: er zijn wat zaken die elders geregeld waren vooral in dit artikel terecht gekomen, zoals graslanden in de bollenstreek, bedrijfswoningen, hergebruik van kassen en herbestemmen bestaande bebouwing buiten bestaand stads- en dorpsgebied. Dit onderdeel heeft 3 benaderingswijzen: de ene ziet op inpassen, aanpassen of transformeren, de andere op niveaus: gebiedsidentiteit, structuren en kavelniveau een derde ziet op beschermingscategorieën (1 topkwaliteit, 2 bijzondere kwaliteit), voor de betreffende gebieden dient in de toelichting van een ruimtelijk besluit op deze punten een onderbouwing te worden geleverd ;
  4. Windenergie: de verordening maakt het mogelijk om buiten de aangewezen locaties kleinere windmolens toe te staan voor zover dat passend is bij de lokale situatie;
  5. Archeologie: naar aanleiding van uitgevoerde onderzoeken is de verwachtingswaarde in een aantal gevallen bijgesteld;
  6. Regionale visies voor wonen: GS hebben de regionale visies aanvaard tot 1 juli 2017; bij de actualisering die voor juli 2017 gevraagd wordt zet de provincie is op een doorontwikkeling om ze kwalitatiever en integraler te maken.

Bovenstaande heeft vooralsnog geen directe invloed op de bestemmingsregeling in dit bestemmingsplan.

4.2.3 Verordening Ruimte     

Tegelijk met de VRM hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland ook de Verordening Ruimte 2014 vastgesteld (geconsolideerd, in werking per 4 februari 2016). De verordening draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke belangen en doelen zoals die benoemd zijn in de provinciale structuurvisie 'ontwikkelen met schaarse ruimte'. De verordening bevat hiertoe instructieregels die van belang zijn voor gemeenten bij het opstellen van hun ruimtelijke plannen, zoals de ladder voor duurzame verstedelijking.

Planspecifiek

In de Verordening Ruimte staan regels opgesteld met betrekking tot de realisatie van nieuwe ontwikkelingen. Het voorliggende bestemmingsplan heeft een conserverend karakter. Het plangebied betreft bestaand stedelijk gebied, waarin geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is gezien het conserverende karakter van het plan derhalve niet noodzakelijk (zie toelichting paragraaf 4.1.3). Bij nieuwe ontwikkelingen is het van belang dat het initiatief getoetst wordt aan de provinciale ladder voor duurzame verstedelijking.

4.3 Gemeentelijk beleid     

4.3.1 Structuurvisie Oegstgeest 2005 - 2020     

De structuurvisie Oegstgeest 2005-2020 vormt tot 2020 de integrale leidraad voor de beoordeling van ruimtelijke ontwikkelingen binnen Oegstgeest en geeft richting aan nieuwe bestemmingsplannen. De structuurvisie is op 30 juni 2005 vastgesteld door de gemeenteraad. De structuurvisie biedt een kader voor de toekomstige ontwikkelingen van Oegstgeest. De visie is geen volledig uitgewerkt plan, het vormt een sturingskader op hoofdlijnen. Het moet dan ook gevolgd worden door uitwerkingsplannen (bestemmingsplannen, bouwplannen) en eventueel aangevuld worden met aangepast sectoraal beleid. De structuurvisie geeft de grenzen van de planvorming aan: waar en hoe kunnen zich ruimtelijke ontwikkelingen voordoen in de komende 15 tot 20 jaar.

De Structuurvisie geeft op hoofdlijnen richting aan de dynamiek binnen de gemeente, waarbij het evenwicht tussen natuur, wonen en economie behouden dient te blijven. Voor de toekomst wil Oegstgeest in de eerste plaats haar bestaande kwaliteiten als woongemeente behouden en versterken. Daarbinnen wil de gemeente bijdragen aan regionale vraagstukken als het leveren van een aantrekkelijk vestigingsklimaat en ruimte voor bedrijven, de ontwikkeling van natuur- en recreatiegebieden en het op peil houden van het voorzieningenaanbod. Uitbreiding van het woningaanbod is alleen mogelijk als het past binnen het dorpse karakter. Er mag binnen de bebouwde kom alleen gebouwd worden op herstructureringslocaties. Binnen de uitbreiding van het woningaanbod heeft het huisvesten van de groeiende groep ouderen en starters (jongeren) prioriteit.


Visiekaart Structuurvisie (2005), plangebied rood omlijnd

Planspecifiek

De plankaart van de structuurvisie geeft de locatie Oudenhof en Klinkenbergerplas de aanduidingen ‘Groen’ en 'Water'. De locatie is ook opgenomen in de deelgebieden 'Klinkenberg', 'Noord Oegstgeest' en 'Lange Voort'.

Voor Groen en Water geldt dat niet zozeer nieuw groen wordt voorgesteld, maar vooral maatregelen om enerzijds het aanwezige groen met elkaar te verbinden (ecologische en recreatieve verbindingen) en om anderzijds bestaand groen beter te benutten. Gebieden als de Klinkenbergerplas, landgoederen en parken zijn waardevolle elementen die niet mogen worden aangetast. De Haarlemmertrekvaart en het Oegstgeester Kanaal dienen als waardevolle recreatieve route. Naast het verbinden van de groenzones en het versterken van de recreatieve activiteiten en routes zijn in de deelgebieden, behoudens het voorzien en afronden in zorgvoorzieningen, geen ontwikkelingen voorzien.

4.3.2 Oegstgeest in beweging, Het levende Dorp, Visiedocument 2020 (2011)     

De gemeente blijft ook in de toekomst streven naar een goed en evenwichtig leefklimaat. De goede mix van wonen, werken en leven wil de gemeente ook in 2020 koesteren. Er dient een goede balans te zijn tussen rust en reuring.

Om dit te bereiken zoekt Oegstgeest naar samenwerking met inwoners, buurgemeenten en lokale en regionale partners. Dienstverlening en kwaliteit van beleid staan in de gemeente hoog in het vaandel.

Oegstgeest zal zich steeds nadrukkelijker profileren als een proactieve partner, die zich inspant voor een sterke regio. Om dit toekomstbeeld waar te maken, benoemt het college vier hoofdthema’s, die als een rode draad door deze visie zijn verweven.

  1. Benutten van potentieel: In 2020 worden de bronnen van het dorp optimaal benut. De gemeente onderscheidt enerzijds het fysieke potentieel, waaronder het groen, het water en de gebouwen en monumenten. Anderzijds beschikt de gemeente ook over het potentieel van de inwoners, gekenmerkt door een relatief hoog opleidingsniveau, actief ondernemerschap en een goed georganiseerd sociaal netwerk. Al die bronnen wil de gemeente in de toekomst aanspreken om de gemeentelijke ambities te realiseren.
  2. Gemeente als meewerkkracht: De gemeentelijke organisatie heeft de inwoners en partners hard nodig om het aantrekkelijke woon-, werk- en leefklimaat van Oegstgeest in stand te houden. De gemeente wil een rol vervullen als actieve meewerkkracht, die alle betrokken partijen motiveert, faciliteert en ondersteunt om het potentieel van ons dorp aan te wenden.
  3. Verbindingen leggen: Als moderne overheid streeft de gemeente Oegstgeest een gelijkwaardige samenwerkingsrelatie met inwoners en partners na. De gemeente brengt mensen, initiatieven en belangen bij elkaar om zo de gewenste ontwikkelingen tot stand te brengen. Ook de fysieke verbinding wordt gelegd door wegen, groen en water op elkaar aan te sluiten.
  4. Duurzaamheid: De gemeente en de gemeenschap zetten zich bewust in om invulling te geven aan het begrip duurzaamheid. In de fysieke zin spant de gemeente zich in om het milieu zo min mogelijk te belasten. In de sociale zin wordt geprobeerd het aantal kansarmen, zowel hier als elders op de wereld, te verminderen en maakt men zich hard voor maatschappelijke verantwoord ondernemen. De gemeente geeft op beide vlakken het goede voorbeeld door duurzaamheid te integreren in alles wat zij doet.

In het visiedocument wordt expliciet aandacht besteed aan de groenstructuur. De groenstructuur en de prominente rol van het water zijn zeer bepalend voor de kwaliteit van wonen, werken en leven. De gemeente wil inwoners meer bij het beheer, het onderhoud en de inrichting van het groen betrekken. Oegstgeest dient uit te groeien tot een verbindende schakel in de regionale groen- en waterstructuur, waardoor er in de regio een doorgaande groene zone ontstaat. De gemeente stimuleert een gevarieerd en levendig gebruik van de omliggende natuur, door langs (water)routes en plassen kansen te bieden aan ondernemers, bijvoorbeeld voor kleinschalige horeca, schooltuinen, een dorpsboomgaard of een kinderboerderij.

4.3.3 Groenbeleidsplan 2011 - 2015     

Het Groenbeleidsplan vormt het kader voor hoe in Oegstgeest het gewenste groen en blauw er uit zal zien. Het geeft richting aan toekomstige (her)inrichtingen, omvormingen en eventuele uitbreidingen van het openbaar groen. Uitgangspunten zijn:

  • het in stand houden en ontwikkelen van de groenstructuur in Oegstgeest en aansluiting op regionale groenstructuren;
  • het bewaken en verhogen van de kwaliteit en duurzaamheid;
  • het optimaliseren van de gebruikswaarde van het groen;
  • voorlichting.

In het Groenbeleidsplan heeft de gemeente Oegstgeest het streven naar behoud en versterking van de hoofdgroenstructuur verwoord. Dit streven staat ook centraal in de “Structuurvisie Oegstgeest 2005 – 2020”. De hoofdgroenstructuur is voor een groot deel historisch bepaald. De waterlopen (blauwe structuur) en de bos- en landgoederen zijn de belangrijkste onderdelen van de hoofdgroenstructuur. Deze structuur sluit aan op de bovenlokale groenblauwe structuur. Langs de randen van de gemeente Oegstgeest zijn drie omvangrijke groene zones te onderscheiden die van regionaal belang zijn. Binnen Oegstgeest zijn een aantal groene elementen van formaat te onderscheiden die op een lager schaalniveau de groene dooradering van de gemeente vormen. Op een lager niveau zijn er de wegen die de groenvoorzieningen van hogere orden verbinden. Zowel de recreatieve en educatieve, als de ecologische functie van de hoofdgroenstructuur wordt van belang geacht. Om dit streven nader uit te werken zijn in het Groenbeleidsplan projecten geformuleerd.

Zones in de hoofdgroenstructuur

Voor het plangebied is het volgende van belang.

  1. Klinkenbergerzone (verbindingszone tussen de Kaag, de Elsgeesterpolder en (de polders achter) de binnenduinen).

    De Klinkenbergerplas is ecologisch gezien (nog) niet erg waardevol, al zijn hier wel steeds meer watervogels waar te nemen. De noordelijke kleine plas is verondiept en zal worden ingericht als natuurgebied. Een deel van de grote plas krijgt een natuurvriendelijke oeverinrichting. Recreatieve voorzieningen zullen hier de komende jaren worden uitgebreid. Via oevers en open water, zoals het Poelmeer (21) bestaat er een

    verbinding met het open poldergebied ten noorden van het zwembad Poelmeer en de nieuwe wijk Poelgeest. Deze gebieden sluiten aan op het Kaaggebied. De oeverlanden langs de noordzijde van het Oegstgeesterkanaal versterken de functie. Het ecologisch functioneren van het open gebied ten noorden van de wijk Poelgeest is afhankelijk van de aansluiting op de Overveeroevers (2), nu in agrarisch beheer.

  2. De Hoogspanningszone (verbindingszone tussen Overveerpolder en Elsgeesterpolder):
    Deze zone is onderdeel van allerlei groene stroken en plantsoenen in Haaswijk, Morsebel en Poelgeest en ligt onder de hoogspanningsleiding, waar niet mag worden gebouwd. De zone loopt evenwijdig aan de Haarlemmertrekvaart (24) en ligt tegenover de Klinkenbergerplas (22), sluit in het zuiden aan op de noordelijke natuurlijke oever van het Oegstgeesterkanaal (33) en sluit in het noorden aan op een groenstrook langs het voormalige MEOB terrein en het terrein van Van der Luyt.

    De hoogspanningszone is afwisselend ingericht met voornamelijk een recreatieve functie. Vrijwel de gehele strook bestaat uit grasland met watergangen met op rijen geplaatste knotwilgen. Het gras is kort gemaaid en de oevers zijn beschoeid. Aan het zuidelijke uiteinde ligt een klein eilandje met elzen. Plaatselijk is een speeltuintje aangelegd met een meidoornhaag. Soms loopt er een wandelpaadje over het grasveld. Afhankelijk van de ondergrond kan in de hoogspanningszone het ecologisch beheer worden uitgebreid. Door de aanleg van een groene zone langs het voormalige MEOB-terrein kan deze verbindingszone worden versterkt.

  3. De Oegstgeesterkanaalzone (verbindingszone tussen Poelmeer en Morsebelzone):
    Langs het Oegstgeesterkanaal (33) ligt aan weerszijden een strook openbaar groen. De noordzijde wordt gedeeltelijk natuurlijk beheerd. Er is een toenemende behoefte aan recreatieruimte dicht bij huis. De noordoever is niet overal toegankelijk voor wandelaars. Hier wordt een wandelpad aangelegd waarmee het gebied recreatief wordt ontsloten. Dit wandelpad legt enerzijds een verbinding met het wandelpad richting het Boerhaaveplein en verder naar het Groene Kerkje, in de andere richting met de wandelroute langs de Haarlemmertrekvaart en vervolgens naar de Klinkenbergerplas.
  4. Hofdijckzone (verbindingszone tussen Voscuyl en Oud Poelgeest):
    Deze zone verbindt het drogere Bos van Wijckerslooth (35) met het landgoed van Oud Poelgeest (8). Het voormalige landgoed Bos van Wijckerslooth (35) vormt een overgang van een oude strandwal (waarop de Rhijngeesterstraatweg) naar het lager gelegen deel (Terweeweg-Lijtweg-Wijttenbachweg) met een zandige, ooit opgeworpen heuvel. Landgoed Oud Poelgeest (8) is een nat gebied naast een oude strandwal. De overeenkomst is wat betreft de vegetatie gelegen in de soort bomen (eik, beuk, hulst), in beide gebieden zijn stinsenplanten te vinden. Het verschil tussen het landgoed en het bos is voornamelijk de ondergroei (o.a. Doronicum pardalianches L. in Oud Poelgeest). De verschillen in de fauna hangen daarmee samen.

    De boomrijke verbinding wordt gevormd, van west naar oost, over de Hofdijck (36) en de Laan van Alkemade (37), met als versterkende elementen het Hofbrouckerpark (38) en de houtsingels rond sportcomplex de Krogt (39) tussen de Hofbrouckerlaan en de Laan van Oud Poelgeest. Deze zone verdient ecologisch versterking.

4.3.4 Milieubeleidsplan 2011 - 2014     

Het algemene kader voor het milieubeleid van de gemeente Oegstgeest is vastgelegd in het Milieubeleidsplan 2011-2014: “Duurzaamheidagenda Samenwerken en Verbinden” (november 2011) .

Het Milieubeleidsplan Oegstgeest liept tot en met 2014. De gemeenteraad van Oegstgeest heeft besloten om de geldigheid van het Milieubeleidsplan met de duur van 2 jaar te verlengen, conform de mogelijkheden in de Wet milieubeheer. Het Milieubeleidsplan is dan het geldend beleidskader tot en met 2016.

Het Milieubeleidsplan kent een directe relatie met de ruimtelijke ordening, bijvoorbeeld met betrekking tot de doelstellingen voor duurzame inrichting, voor duurzame (steden-)bouw, alsook voor het klimaat en energiebesparing.

Oegstgeest komt op voor een goede leefomgeving, voor veiligheid en duurzaamheid. Duurzaamheid is daarbij de ideale mix van ecologische, economische en sociale belangen voor onze gemeente voor de lange termijn. De gemeente werkt hier al lang aan en gaat met deze Duurzaamheidsagenda 2011-2014 een nieuwe stap maken die gaat leiden tot veel concrete acties. De gemeente wil vooral zo veel mogelijk duurzaamheidkansen benutten. We willen wonen in een gezonde en veilige leefomgeving. We leven echter in een sterk verstedelijkt gebied met veel infrastructuur en bedrijvigheid. Weg-, trein- en vliegverkeer, het vervoer van gevaarlijke stoffen en bedrijfsactiviteiten zijn geregeld zodat ze geen gevaar voor onze gezondheid en veiligheid vormen. De gemeente zorgt er voor dat dit ook zo blijft. Dat betekent aandacht voor luchtkwaliteit en geur, voor geluid en verkeer maar ook voor bedrijfsactiviteiten en het gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. De bodemkwaliteit moet geschikt zijn om op te wonen. En voor de samenleving moet de informatie hierover eenvoudig beschikbaar zijn.

De gemeente en de Omgevingsdienst zorgen er voor dat de bedrijven werken conform de meest actuele regels. Dit betekent dat bedrijven een actuele vergunning hebben of conform Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB) werken (zoals het Activiteitenbesluit, Besluit Landbouw, Besluit glastuinbouw).

Mobiliteit veroorzaakt vaak geluidproductie en emissie van lucht verontreinigende stoffen. Dat mag niet tot overlast leiden. Verkeersbewegingen en vervoer van stoffen kunnen tot veiligheidsrisico’s leiden. Die risico’s wil de gemeente tot een minimum beperken. Duurzame mobiliteit is ook onderdeel van ons klimaat- en energiebeleid en van het beleid voor luchtkwaliteit en geluid. Het is ook een aandachtspunt bij duurzame inrichting.

Een groene omgeving draagt bij aan een gezonde leefomgeving en heeft een belangrijke recreatieve functie. De gemeente wil die groene omgeving daarom beschermen waar nodig. Het kan gaan om natuur, maar ook over agrarisch gebied. Landelijke geuren kunnen echter ook negatief worden beleefd. Overlast in dat kader zal de gemeente tegengaan en voorkomen. Er wordt gewerkt aan de vitaliteit en de uitbreiding van de groene gebieden.

4.3.5 Uitvoeringsplan Ecologische verbindingen in de gemeente Oegstgeest (2013)     

Het voorliggende uitvoeringsplan is een uitwerking van de ambitie van Oegstgeest om de ecologische verbindingen in de gemeente in kaart te brengen en deze waar mogelijk te versterken en/of uit te breiden.

De ecologische structuur in de gemeente Oegstgeest bestaat uit kerngebieden en verbindingszones. De verbindingszones zijn voornamelijk lijnvormige elementen als watergangen, kanalen, bomenlanen, lijnvormige beplantingen en wegbermen. Tevens kunnen verbindingen bestaan uit kleinere groengebieden (stapstenen) die op een bepaalde afstand van elkaar liggen. De verbindingszones hebben 3 functies vanuit de ecologie, te weten: een verbindingsfunctie, belevingsfunctie en leefgebiedfunctie. De inzet van de gemeente moet zich richten op verbetering van ecologische verbindingen, door omvorming en een natuurlijker beheer van de groene zones en watergangen.

4.3.6 Snippergroenbeleid 2013     

Oegstgeest heeft in de meeste buurten behoorlijke openbare groenvoorzieningen. Het openbaar groen heeft een belangrijke functie als zichtgroen, recreatief groen, educatief groen, esthetisch groen, maar ook de ecologische waarde van het groen rondom bebouwing is van belang. De gemeente kan besluiten openbaar groen te verkopen of te verhuren. In de nota zijn de mogelijkheden uitgewerkt om percelen openbaar groen van beperkte omvang te verkopen.

4.3.7 Welstandsnota (herziening 2015)     

De gemeente Oegstgeest heeft sinds 2004 een welstandsnota zoals aangegeven in de Woningwet en is eerder herzien in 2009. Met de herziening van 2015 wil de gemeente het welstandsbeleid actualiseren naar aanleiding van nieuwe ontwikkelingen, veranderingen in de wetgeving en ervaring met de uitvoering van het welstandstoezicht. Doel van de welstandstoets is het behartigen van het publieke belang door de lokale overheid, waarbij de individuele vrijheid van de burger of ondernemer wordt afgewogen tegen het aanzien van hun omgeving als algemene waarde.

Volgens de Woningwet moet een plan voldoen aan redelijke eisen van welstand. Deze eisen betreffen het bouwwerk op zichzelf en in zijn omgeving. De gemeente heeft in het welstandsbeleid met name het algemeen belang op het oog. Het beleid is opgesteld vanuit de gedachte, dat welstand een bijdrage levert aan de totstandkoming en het beheer van een aantrekkelijke bebouwde omgeving. Het welstandsbeleid geeft de gemeente de mogelijkheid om cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische waarden te benoemen en een rol te geven bij de ontwikkeling en beoordeling van bouwplannen. Met de gebiedsgerichte benadering wil de gemeente in principe de waardevolle eigenschappen van de kernen behouden.
Binnen het plangebied zijn vier verschillende gebieden gedefinieerd; Dorpslinten Oegstgeest, Rechte wijken, Meanderwijken en Sport & recreatie. Doel van het welstandsbeleid is het welstandstoezicht helder onder woorden te brengen en op een effectieve en controleerbare wijze in te richten.

4.3.8 Actieplan Geluid Oegstgeest (2008)     

De richtlijn Omgevingslawaai 2002/49/EG van de Europese Commissie stelt het maken van geluidskaarten en actieplannen verplicht voor gemeentes die deel uitmaken van een agglomeratie. De minister van VROM heeft in Nederland 6 van zulke agglomeraties aangewezen. Oegstgeest ligt in de agglomeratie Den Haag – Leiden. Daarom moet Oegstgeest geluidskaarten en een actieplan produceren.

Oegstgeest wil de geluidbelasting terugbrengen door in de eerste plaats maatregelen aan de bron te nemen. Dat zijn maatregelen die leiden tot minder verkeer én tot verkeer dat minder geluid produceert. Zulke maatregelen worden ook in het kader van de luchtkwaliteit al overwogen. Voor geluid denkt de gemeente aan toepassing van stille wegdekken op enkele knelpuntsituaties. Om bestaande knelpunten aan te pakken neemt de gemeente zich voor de wegen met plandrempeloverschrijding (en ook de overige wegen) te voorzien van stil asfalt. Dit zal plaatsvinden wanneer die wegen volgens het regulier onderhoudsschema van nieuw wegdek voorzien zullen worden.

De gemeente wil ook voorkomen dat er nieuwe situaties ontstaan met hoge geluidbelastingen. Maar Oegstgeest moet niet helemaal “op slot”. Er moeten nieuwe ontwikkelingen mogelijk blijven, die zorgvuldig worden ingepast. De invloed van geluid op de leefomgeving wordt daarin meegewogen samen met andere factoren.

4.3.9 Visie toekomst kinderopvang (2009)     

De gemeente Oegstgeest heeft een visiestuk opgesteld waarin een overzicht staat van het huidige aanbod van kinderopvang, landelijke en lokale ontwikkelingen worden geschetst, wensen en ideeën van verschillende kinderopvangorganisaties op een rij worden gezet en waar de visie en ambitie van de gemeente op het gebied van kinderopvang wordt weergeven.

Kinderopvang moet worden gezien als een blijvende noodzakelijke voorziening. Het huidige kinderopvangaanbod in Oegstgeest is - zo laten de prognoses zien - onvoldoende (en dan vooral in Oegstgeest Midden/ Zuid en op termijn misschien ook in Poelgeest en Nieuw - Rhijngeest) om aan de toekomstige vraag te voldoen.

De gemeente wil - binnen zijn verantwoordelijkheden - bijdragen aan een antwoord op deze sterk groeiende vraag naar kinderopvang. Zo wordt bij de bouw van nieuwe scholen standaard rekening gehouden met buitenschoolse opvang. Omdat de mogelijkheden bij scholen in Oegstgeest beperkt zijn, wil de gemeente net zo goed meewerken aan andere huisvestingscombinaties, zoals met sport of scouting. Ook wordt geprobeerd in bestemmingsplannen ruimte voor buitenschoolse opvang te reserveren.

4.3.10 Paraplubestemmingsplan Mantelzorg     

De vergrijzing heeft tot gevolg dat er een grotere behoefte komt aan thuis- en mantelzorg in Oegstgeest. In april 2008 is in opdracht van de gemeente Oegstgeest een onderzoek uitgevoerd naar de woonvoorkeuren van 55-plussers binnen de gemeente met als doel te achterhalen welke aspecten senioren belangrijk vinden. Ongeveer 80% van de respondenten heeft aangegeven zolang mogelijk in de eigen woning te willen blijven wonen.

De gemeente Oegstgeest acht het van groot belang dat hulpverlening door naasten daadwerkelijk plaats kan vinden in de eigen woonomgeving. Nut en noodzaak van mantelzorg worden dus erkend, maar in de meeste gevallen is er sprake van strijdigheid met het bestemmingsplan. Door middel van het paraplubestemmingsplan wil de gemeente mantelzorg voor alle bestemmingsplannen regelen.

Uitgangspunt van het Paraplubestemmingsplan Mantelzorg is een verbod tot het gebruik van aan-, uitbouw of bijgebouwen voor mantelzorg. Van dit verbod kan worden afgeweken door middel van een bevoegdheid van burgemeester en wethouders. De definitie voor mantelzorg die daarbij in dit bestemmingsplan wordt gehanteerd, is:

'Langdurige, intensieve niet georganiseerde zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt gegeven aan een ieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak door één of meer leden uit diens directe dan wel sociale omgeving, waarbij de zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie.'

Mantelzorg is dus alle langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep (de gebruikelijke zorg overstijgend) wordt geboden aan een hulpbehoevende. Dit gebeurt door personen uit de directe omgeving van de hulpbehoevende, waarbij de zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de bestaande sociale relatie. Het gaat dus om zorg die wordt geboden buiten de professionele/betaalde zorg om. Mantelzorg is onder voorwaarden mogelijk binnen alle woonbestemmingen van de gemeente Oegstgeest. Op bedrijfswoningen bij overige bestemmingen is dit plan ook van toepassing. Recreatiewoningen zijn echter uitgesloten van de regeling.

Huisvesting in verband met mantelzorg kan onder voorwaarden ook vergunningvrij zijn. In een woning of in een bestaand bouwwerk bij een woning mag iemand (met zijn of haar levenspartner) wonen die zorg verleent aan de bewoner van de woning of zorg ontvangt van de bewoner van de woning. Dit is alleen onder voorwaarden toegestaan. Na beëindiging van de mantelzorgbehoefte moeten de mantelzorgvoorzieningen weer worden verwijderd.

4.3.11 Regeling Kelderbeleid (2004)     

Vanuit het bestuur van Oegstgeest is de wens geuit beleidsregels te formuleren ten aanzien van het realiseren van kelders bij woningen. Met name doordat vaak in de erfgrens wordt gebouwd leidt dit tot overlast bij belendende percelen. De bouw van kelders bij woningen binnen de bebouwde kom kan worden toegestaan, mits wordt voldaan aan de volgende criteria:

  • het verzoek dient een objectieve dringende reden te bevatten waarom in het specifieke geval van het bestemmingsplan wordt afgeweken;
  • er mag geen strijdigheid ontstaan met eventueel aanwezig rijksbeleid dan wel provinciaal beleid;
  • belanghebbenden mogen niet worden geschaad door het toepassen van de afwijkingsmogelijkheid;
  • er mag bij het toepassen van de afwijkingsmogelijkheid geen strijd ontstaan met geldende milieuwetgeving;
  • het verzoek om afwijking moet passen binnen de ruimtelijke structuur voor het betreffende gebied.

4.3.12 Wonen en werken aan huis (2004)     

De gemeente kent een eigen beleidsregel met betrekking tot wonen en werken aan huis. Deze beleidsregel weerspiegelt de lijn die de gemeente inzet voor alle nieuwe bestemmingsplannen in Oegstgeest. De combinatie van wonen en aan huis werken moet, op eenduidige wijze, mogelijk worden gemaakt in Oegstgeest. Juridische valkuilen dienen daarbij echter vermeden te worden.

Beroep of bedrijf aan huis is alleen mogelijk in de woning zelf, inclusief eventuele aan- of uitbouwen. In de vrijstaande bijgebouwen is geen beroeps- of bedrijfsactiviteit mogelijk). Op deze wijze is de regeling eenvoudiger en eenduidiger te handhaven.

4.3.13 Ligplaatsen pleziervaartuigen (2003)     

Uit oogpunt van veiligheid, gezondheid en het aanzien van de gemeente, kent de gemeente Oegstgeest een regeling omtrent het ordelijk gebruik van de ligplaatsen voor pleziervaartuigen. In deze regeling staat onder andere dat het verboden is om zonder een vergunning van bevoegd gezag met een pleziervaartuig een ligplaats in te nemen op de ligplaatsen van het ligplaatsen-plan.

4.3.14 Terrassenbeleid gemeente Oegstgeest 2005     

Het terrassenbeleid gemeente Oegstgeest 2005 is door het college van burgemeester en wethouders op 8 november 2005 gewijzigd vastgesteld en op 1 januari 2006 in werking getreden. In het terrassenbeleid zijn beleidsregels opgenomen die betrekking hebben op het plaatsen, uitstraling, situering en openingstijden van terrassen. De beleidsregels uit het terrassenbeleid zijn van toepassing op het plaatsen van terrassen op de openbare weg, waarbij het niet relevant is of een terras op eigen terrein of op gemeentegrond is gesitueerd. Als een terras voor klanten bereikbaar is, en dus voor het publiek toegankelijk, dan dient een terrasvergunning aanwezig te zijn. Slechts voor terrassen in particuliere tuinen geldt het terrassenbeleid niet. Tevens wordt verwezen naar de Algemene Plaatselijk Verordening van de gemeente Oegstgeest.

4.3.15 Notitie parkeren 2003     

De gemeenteraad van Oegstgeest heeft in 2003 het beleid met betrekking tot parkeren vastgesteld. Dit houdt onder andere in dat wordt aangesloten aan de landelijk geldende CROW-richtlijnen.

4.3.16 Nota duurzaamheidsbeleid 2013-2017     

In het collegeprogramma en coalitie-akkoord is duurzaamheid benoemd als één van de speerpunten voor deze bestuurlijke periode. Duurzaamheid is als rode draad stevig verankerd in de Toekomstvisie 2020. Binnen de periode van het duurzaamheidsbeleid streeft de gemeente Oegstgeest er naar om de volgende doelstellingen te bereiken:

  1. Duurzaamheid integraal in het gemeentelijk beleid verankeren;
  2. Elk jaar specifiek aandacht besteden aan het ondersteunen van en bijdragen aan één van de 8 van de Millenniumdoelen;
  3. Creëren van een duurzame werkomgeving, bedrijfsvoering en organisatie en daarin duurzaam gedrag mogelijk maken en stimuleren;
  4. Gemeentelijke taken duurzaam uitvoeren;
  5. Het verduurzamen van dagelijkse zaken, middels duurzame initiatieven van en met externe partners te stimuleren.

4.3.17 Kadernota Mobiliteitsplan (2016)     

In 2016 is de kadernota mobiliteitsplan Oegstgeest vastgesteld. Aanleiding is de ambitie in de coalitieagenda 2014-2018 dat, om het dorp aantrekkelijk te houden om te wonen, werken en recreëren, een goede verkeersveiligheid, bereikbaarheid en leefbaarheid van belang is. Het mobiliteitsplan Oegstgeest beschrijft de ambitie en de (gewenste) ontwikkelingen van Oegstgeest op het gebied van mobiliteit.

De doelstelling van Oegstgeest is veilig, bereikbaar en leefbaar te zijn. De mobiliteit en de mobiliteitsmaatregelen moeten bijdragen aan deze doelstellingen. Enkele kaders en uitgangspunten zijn in de kadernota opgenomen:

  1. De bestaande hoofdstructuur behouden en kruispunten op de hoofdstructuur zo inrichten dat de verkeersveiligheid verbetert;
  2. Vormgeving van wegen aanpassen aan hun functie conform het principe 'Duurzaam veilig' en het fietsnetwerk optimaliseren;
    Openbaar vervoer afstemmen op twee hoofddoelgroepen: verbindend OV via de snelle routes op hoofdwegen laten rijden en een systeem faciliteren voor mensen met een mobiliteitsbeperking;
  3. In bestaande woonbuurten met een parkeerdruk tot 95% een afstand van 100 m van de parkeerplek tot de woning accepteren. Bij een parkeerdruk gelijk aan of hoger dan 95% een afstand van 150 m accepteren. Een stelsel van parkeernormen opstellen voor nieuwe ontwikkelingen en geen parkeermaatregelen nemen met uitzondering van blauwe zones bij winkelcentra.

In en om het plangebied zijn diverse scholen aanwezig. De gemeente Oegstgeest acht de verkeersveiligheid van scholieren als zeer belangrijk. In het kader school- en sportomgevingen krijgen de volgende elementen een plaats: mobiliteitsgedrag in kaart brengen, beïnvloedingsmogelijkheden inventariseren, essentiële inrichtingseisen opstellen, herkenbaarheid vergroten, snelheid remmen, de ingangen aansluiten op het fietsroutenetwerk.

Met name aan de Lange Voort spelen problemen op het vlak van de verkeersveiligheid. Derhalve worden diverse acties en maatregelen in het mobiliteitsplan benoemd welke betrekking hebben op onder andere het verbeteren van het fietsroutenetwerk, herinrichting van de Lange Voort op de functie verblijfsgebied, maar ook het bestuderen analyseren van gevaarlijke punten en oplossingen hiervoor aandragen.

4.3.18 Evenementenbeleid Oegstgeest 2016     

Op 29 september 2011 is het evenementenbeleid in werking getreden. De nota evenementenbeleid is geschreven om het proces van vergunningverlening voor evenementen in goede banen te leiden. Het beleid beoogt een duidelijk kader te geven waarmee de beste voorbereiding, begeleiding en beoordeling van een evenement mogelijk is. Na vaststelling van de nota evenementenbeleid in 2011 zijn er diverse ontwikkelingen geweest die er toe geleid hebben het evenementenbeleid te actualiseren. De actualiseren heeft plaats gevonden in 2016.

Om de veiligheid te waarborgen bij evenementen is een kader evenementenveiligheid vastgesteld door de Veiligheidsregio Hollands Midden (VRHM). Eveneens is de actuele Drank- en Horecawet opgenomen in het huidige evenementenbeleid.

Naar aanleiding van jurisprudentie is in onderhavig bestemmingsplan een aanduiding 'evenemententerrein' opgenomen. Ter plaatse van de aanduiding 'evenemententerrein' zijn, onder voorwaarden, evenementen toegestaan. Bij de aanvraag evenementenvergunning zal worden beoordeeld of een evenement passend is in de omgeving en voldoet aan de wettelijk gestelde eisen.

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten     

Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan aangetoond worden. Daaronder valt de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.). Gezien het conserverende karakter van het bestemmingsplan wordt per onderzoeksaspect enkel een beschrijving gegeven van de situatie ter plaatse.

5.1 Milieuaspecten     

5.1.1 Bedrijven en milieuzonering     

Het aspect milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.

Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven alsmede een goed klimaat voor de gevoelige functies.

Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie (editie 2009) is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Onderstaand het verband tussen de afstand en de milieucategorie:

milieucategorie richtafstand rustige woonwijk en rustig buitengebied gemengd gebied
1 10 m 0 m
2 30 m 10 m
3.1 50 m 30 m
3.2 100 m 50 m
4.1 200 m 100 m
4.2 300 m 200 m


De richtafstanden gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd, dan kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Benadrukt moet worden dat de richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype) en dat de richtafstanden bij een omgevingstype gemengd gebied (een gebied met een matige tot sterke functiemenging) met 1 stap kunnen worden verlaagd zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat.


Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt.

Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

  • het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Situatie binnen het plangebied

In 2016 is een inventarisatie gemaakt van de in het plangebied aanwezige bedrijven. Uit de lijst van bedrijven en niet-woonfuncties blijkt dat met name categorie 1 en 2 bedrijven en/of inrichtingen in het plangebied aanwezig zijn. De niet-woonfuncties binnen het plangebied zijn in de tabel weergegeven.

Naam Adres Functie (bestemming) SBI code Milieu-categorie Gewenste afstand t.o.v. woningen Werkelijke afstand t.o.v. woningen Voldoet

Horizon jeugdzorg

Poelruiterpad 1 - 7 Opvang en wonen (M)

8621, 8622, 8623

1 10 m 235 m Ja
Grondstoffenbank Zuid Holland (historisch) Poelruiterpad naast 1 verwerker grond en baggerspecie (N) - - - 235 m Ja
IBB Kondor Oude Vaartweg 1 Kantoor (B)

63, 69tm71, 73, 74, 77, 78, 80tm82

1 10 m 15 m Ja
v.d. Haar en Partners Oude Vaartweg 1 Kantoor (B)

63, 69tm71, 73, 74, 77, 78, 80tm82

1 10 m 15 m Ja
VOC Oude Vaartweg 1 Onderhoudsbedrijf (B) - 1 10 m 15 m Ja
Tauro Beheer Oude Vaartweg 1 Kantoor (B)

63, 69tm71, 73, 74, 77, 78, 80tm82

1 10 m 15 m Ja
Korswagen Groep Oude Vaartweg 2 Kantoor (B)

63, 69tm71, 73, 74, 77, 78, 80tm82

1 10 30 m Ja
Th. P. v. Steijn en zn. Oude Vaartweg 5 Teelt van gewassen (A) 011, 012, 013 2 30 m 15 m Nee
P. Ruigrok Oude Vaartweg 6 Teelt van gewassen (A) 011, 012, 013 2 30 m 15 m Nee
Openhaard-houthandel Hoogeveen Oude Vaartweg, achter nr. 8 Bedrijf - houthandel (B) 4673 2 30 m 50 m Ja
Bestemming 'Bedrijf - nader uit te werken' Punt ten zuiden Oude Vaartweg / Haarlemmervaart Bedrijf - nader uit te werken (B-U) - 1 10 m 10 m Ja
Recreatieterrein Klinkenbergpad 1 - 7 Recreatie (R) - 1 10 m 136 m Ja
La-C Aldo van Eycklaan 68 (GD) - 2 30 m 0 m Nee
Kinderdagverblijf het Kindercircus - SKO Oegstgeest Aldo van Eycklaan 56 Kinderopvang (GD) 8891 2 30 m 0 m Nee
Atilla Gerrit Rietveldlaan 1a Handboogschutters vereniging (S) 931 1 10 m 28 m Ja
Scouting Sagara Satrya's Mariahoevelaan 8 Scouting (M) - 2 30 33 m Ja
Dierenkliniek Rijngeest President Kennedylaan 260 Dierenkliniek (W)

8621, 8622, 8623

1 10 m 11 m Ja
Hofdijckschool Hazenboslaan 1 Basisschool (M) 852. 8531 2 30 m 11 m Nee
Leo Kanner School Hazenboslaan 101 Speciaal voortgezet onderwijs (M)

852, 8531

2 30 m 20 m Nee
De Kring Rembrandt van Rijnlaan 26 Basisschool (M)

852, 8531

2 30 m 15 m Nee
Montessorischool Lange Voort 261 c Basisschool (M)

852, 8531

2 30 m 3 m Nee
Restaurant Tolhuysch (historisch) Jaagpad 1 Horeca (H) 561 1 10 m 0 m -
Gasdrukregel- en meetstation

Govert Flincklaan

(plantsoen ter hoogte van nr. 24)

- 35 2 30 m 15 m Nee
Gasdrukregel- en meetstation Mariahoevelaan 3 - 35 2 30 m 15 m Nee
Opslagtank KPN Telecom Admiraal de Ruyterlaan 1 Bedrijf - nutsvoorziening (B) - 1 10 m 4 m Nee

Conclusie

Het bestemmingsplan betreft een conserverend plan. De bestaande situatie wordt vastgelegd en van een ruimtelijke-juridische regeling voorzien en daarmee integraal beheerd. Hierdoor komt het bijvoorbeeld voor dat bedrijven en woningen die vlak bij elkaar liggen ook zijn bestemd conform deze situatie, ondanks het feit dat zij op grond van de ruimtelijke en milieuregelgeving (bij voorkeur) verder van elkaar zouden moeten zijn gesitueerd.

De bestaande situatie kan voor wat betreft de milieuzonering niet meer worden vastgelegd conform de gewenste indicatieve afstanden aangezien zij een feit is. Op basis van de Wet milieubeheer kunnen eventueel maatregelen worden getroffen / geëist zodat hinder op gevoelige functies kan worden gereduceerd dan wel voorkomen. Voor zover bekend levert de bestaande bedrijvigheid geen hinder op voor de bestaande woonomgeving.

5.1.2 Geluid     

De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

  • woningen;
  • geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen, ligplaatsen voor woonschepen);
  • andere geluidsgevoelige gebouwen (onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven).

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.

Planspecifiek

Akoestisch onderzoek in het kader van de Wet geluidhinder moet worden uitgevoerd wanneer sprake is van nieuwbouw van geluidgevoelige objecten. Voor onderhavig bestemmingsplan is geen nader akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai noodzakelijk. Er vinden namelijk geen nieuwe ontwikkelingen plaats ten opzichte van datgene wat al in de geldende bestemmingsplannen is toegestaan. Ook zijn er geen wijzigingen in de wegenstructuur.

5.1.3 Bodem     

In het kader van een bestemmingsplan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt is of geschikt te maken is voor de nieuwe bestemming. Middels een bodemonderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde bestemming van het plangebied bij elkaar passen.

Planspecifiek

In de huidige situatie zijn er wat betreft bodem geen knelpunten bekend. Daarnaast worden binnen het plangebied geen nieuwe bestemmingen mogelijk gemaakt. Een onderzoek naar de bodemgesteldheid is derhalve niet noodzakelijk.

5.1.4 Externe veiligheid     

Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd.

De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

  • risicovolle (Bevi-)inrichtingen (Bevi);
  • vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen (Bevb);
  • vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor (Btev).

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.

Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar

Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen.

Plaatsgebonden risico en groepsrisico

Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour.

Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording.

Risicovolle (Bevi-)inrichtingen

Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijbehorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.

Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen

Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er verschillende ontwikkelingen gaande. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen en wordt er gewerkt aan een Structuurvisie buisleidingen. Deze Structuurvisie wordt de opvolger van het Structuurschema Buisleidingen uit 1985 en bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen.

Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico (PR 10-6) in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden.

Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor

Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd.

Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden.

Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.

Planspecifiek

De volgende afbeelding toont een fragment van de risicokaart externe veiligheid. De risicokaart toont de risicovolle inrichtingen en de transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Fragment risicokaart externe veiligheid

Risicovolle inrichtingen

In het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig. Wel is een drietal risicovolle inrichtingen in de nabijheid van het plangebied gelegen. Het betreft het bedrijf Akzo Nobel Coatings (Rijksstraatweg 31, noorden plangebied), het zwembad Poelmeer (Lange Voort 273, zuidoosten plangebied) en het BP tankstation Elsgeest (Rijksweg A44, noordwesten plangebied).

Het tankstation is een tankstation voor de aflevering van brandstoffen, waaronder lpg, aan het wegverkeer. Bepalende risico-onderdelen van het tankstation zijn het lpg-vulpunt, het lpg-reservoir en de lpg-afleverinstallatie. Voor het tankstation dient rekening te worden gehouden met een afstand van 150 meter ten behoeve van het groepsrisico. De dichtstbijzijnde woningen in het plangebied liggen op voldoende afstand (meer dan 150 meter) tot dit tankstation, buiten de risicocontour.

Buiten het plangebied aan de Rijksstraatweg 31 in Sassenheim ligt de Bevi-inrichting Akzo Nobel Coatings. De PR 10-6-contour is niet buiten de inrichting gelegen. In 2010 is een QRA voor deze inrichting opgesteld omdat een overschrijding van de hoge BRZO-drempel plaatsvindt. Uit deze QRA is gebleken dat het invloedsgebied van het GR op 550 m is gelegen. Een klein deel van het plangebied ligt binnen het invloedsgebied. Uit de QRA is gebleken dat het GR niet overschreden wordt en zelfs kleiner is dan 0,01 maal de oriëntatiewaarde. De aanwezigheid van de inrichting vormt dus geen belemmering voor voorliggende bestemmingsplan.

Het zwembad Poelmeer is de derde risicovolle inrichting op de risicokaart. Hoewel in deze inrichting gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, wordt het zwembad niet beschouwd als een Bevi-inrichting, maar valt onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit. Dit vanwege de aard en hoeveelheid van de aanwezige gevaarlijke stoffen. De inrichting beschikt niet over een plaatsgebonden risicocontour en/of invloedsgebied van het groepsrisico. Hiermee legt de inrichting geen beperkingen op de omgeving.

Vervoer gevaarlijke stoffen

In het plangebied zijn geen buisleidingen van de Gasunie aanwezig. Wel ligt ten oosten van het plangebied de spoorlijn Leiden - Haarlem/Schiphol. Volgens het Basisnet Spoor vindt geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over deze spoorlijn.

Wel bevindt het plangebied zich in de invloedsfeer van de rijksweg A44, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Over de A44 ter hoogte van het plangebied worden uitsluitend LF1, LF2 en GF3 stoffen getransporteerd. Het invloedsgebied van LF1 en LF2 stoffen bedraagt 45 meter, van GF3 stoffen 355 meter. Slechts een beperkt deel van het plangebied vlat binnen de invloedsgebied van deze weg. Het groepsrisico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over de A44 ligt onder de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico verandert niet als gevolg van dit bestemmingsplan. De risico’s als gevolg van de transporten met gevaarlijke stoffen over de A44 moeten worden meegenomen in een verantwoording van het groepsrisico (zie bijlagen bij toelichting bijlage 2).

Daarbij is ingegaan op de mogelijkheden voor hulpverlening, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid

Conclusie

Voor het bestemmingsplangebied is de rijksweg A44 als risicobron van belang. Naar aanleiding van de uitgevoerde verantwoording van het groepsrisico kan geconcludeerd worden dat het groepsrisico als gevolg van de transporten met gevaarlijke stoffen over de A44 geen belemmering vormt voor het vaststellen van het bestemmingsplan.

5.1.5 Luchtkwaliteit     

In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).

Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing.

Besluit gevoelige bestemmingen

Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening.

Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt.

De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:

  • scholen;
  • kinderdagverblijven;
  • verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.

Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten.

Planspecifiek

In voorliggend bestemmingsplan worden geen nieuwe gevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Nader onderzoek naar luchtkwaliteit is derhalve niet noodzakelijk.

5.2 Waterhuishouding     

Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.

Waterbeleid voor de 21e eeuw

De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

  • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
  • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.

Waterwet

Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In de integrale watervergunning gaan zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) op in één aparte watervergunning.

Nationaal Waterplan

Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016 - 2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.

Beleid Hoogheemraadschap van Rijnland

Waterbeheerplan Hoogheemraadschap van Rijnland

Het Hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. De drie hoofddoelen van dit beheer zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water.

Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten en te beheren. Daarbij wil Rijnland dat watergangen en kunstwerken zoals gemalen op orde en toekomstvast worden gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering.

Rijnlands taken en bevoegdheden op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert Rijnland rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties.

Aan de hand van het Waterbeheersplan werkt Rijnland aan zijn ambities. In het proces van ruimtelijke planvorming heeft Rijnland een adviserende rol. In de uitvoerings- en beheersfase van ruimtelijke plannen heeft Rijnland een regelgevende rol.

Keur en Beleidsregels

Op grond van de Waterwet is Rijnland als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels

te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:

  • waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden);
  • watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken);
  • andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen);
  • de bodem van kwelgevoelige gebieden;

Maar ook aan:

  • Onttrekken en lozen van grondwater;
  • Het aanbrengen van verhard oppervlak.

De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Wie bv. op een waterkering wil bouwen, moet een watervergunning aanvragen bij Rijnland (én een omgevingsvergunning bij de gemeente). In de uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt.

Riolering en afkoppeling

Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met Rijnland afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat Rijnland uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen.

De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat.

Zorgplicht en preventieve maatregelen voor Hemelwater

Voor de verwerking van hemelwater wijst het hoogheemraadschap op de zorgplicht en op het nemen van preventieve maatregelen. Het verdient aanbeveling daar waar mogelijk aandacht te besteden aan maatregelen bij de bron. Preventie heeft de voorkeur boven ‘end-of-pipe’ maatregelen. Uitgangspunt is dat het te lozen hemelwater geen significante verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater mag veroorzaken en emissie van vervuilende stoffen op het oppervlaktewater waar mogelijk wordt voorkomen door bijvoorbeeld:

  • duurzaam bouwen;
  • het toepassen berm- of bodempassage;
  • toezicht en controle tijdens de aanlegfase en handhaving tijdens de beheerfase ter voorkoming van verkeerde aansluitingen;
  • het regenwaterriool uit te voeren met (straat)kolken voorzien van extra zand- slibvang of zakputten (putten met verdiepte bodem) op tactische plekken in het stelsel;
  • adequaat beheer van straatoppervlak, straatkolken en zakputten (straatvegen en kolken/putten zuigen);
  • het toepassen van duurzaam onkruidbeheer;
  • de bewoners, gebruikers en beheerders voor te lichten over de werking van de riolering en een juist gebruik hiervan;
  • het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en repareren en chemische onkruidbestrijding.

Daar waar ondanks de zorgplicht en de preventieve maatregelen het te lozen hemelwater naar verwachting een aanmerkelijk negatief effect heeft op de oppervlaktewaterkwaliteit, kan in overleg tussen de gemeente en het hoogheemraadschap gekozen worden voor aanvullende voorzieningen, een verbeterd gescheiden stelsel of - als laatste keus - aansluiten op het gemengde stelsel. Ook kan de gemeente in overleg met het waterschap kiezen voor een generieke ‘end-of-pipe’ aanpak. Deze keuze moet dan expliciet gemaakt worden in het GRP.

Watertoets

De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Het hoogheemraadschap is in het kader van het vooroverleg betrokken bij de totstandkoming van dit plan.

Waterafvoer

De bebouwing dient te voldoen aan het beleid van het hoogheemraadschap over de afvoer van hemelwater en vuilwater. Dit houdt in dat het hemelwater wordt afgekoppeld en het vuilwater via het riool wordt afgevoerd. Het afkoppelen draagt bij aan de doelstelling zoals die zijn gesteld in het Waterbeheerplan, namelijk de volgorde van vasthouden, bergen en afvoeren van water. De voordelen van het afkoppelen van hemelwater zijn:

  • de riolering wordt ontlast waardoor minder overstorten van ongezuiverd rioolwater optreden;
  • de zuivering krijgt minder schoon water te verwerken waardoor het zuiveringsrendement verbetert;
  • schoon hemelwater wordt geloosd in het gebied waar het valt, zodat er in droge tijden geen gebiedsvreemd water ingelaten hoeft te worden.

Compensatie

De regels en voorwaarden van het beleid voor watercompensatie zijn afgeleid uit de Keur (artikel 14 lid 1, 2 en 3). De toename aan verharding dient volgens de regels van het hoogheemraadschap in de vorm van nieuw open water te worden gecompenseerd. Een toename aan verharding zorg er voor dat het regenwater sneller op het oppervlaktewater zal afstromen. Het uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is dat er geen verslechtering van de huidige situatie mag optreden. Het hoogheemraadschap hanteert bij een toename aan verharding van meer dan 500 m², de 15 % regeling. Deze regeling houdt in dat toename aan verharding met 15 % oppervlakte water gecompenseerd dient te worden. In het bestemmingsplan is in de planregels opgenomen dat bij een toename met meer dan 500 m² aan bebouwing overleg met het hoogheemraadschap moet plaatsvinden.

Planspecifiek

In zijn algemeenheid geldt dat voor aanpassingen aan het bestaande waterhuishoudingsysteem bij het Hoogheemraadschap van Rijnland vergunning dient te worden aangevraagd op grond van de Keur.

Het bestemmingsplan heeft een conserverend karakter. Alle watergangen en waterpartijen worden positief bestemd. Waterkeringen worden overgenomen op basis van de 'legger' van het hoogheemraadschap. Er worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die van invloed kunnen zijn op de waterhuishouding of strijdig zijn met het beleid van de waterbeheerders.

5.3 Ecologie     

Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de huidige Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de huidige tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten.

Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek

Het plangebied maakt geen deel uit van een Nationaal landschap, beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000, Wetland, Nationaal Park of Natuurnetwerk Nederland. Het plangebied maakt eveneens geen deel uit van een belangrijk weidevogelgebied, gebieden met een bijzondere kwaliteit of karakteristieke landschapselementen.

Voorts worden in voorliggend bestemmingsplan geen ontwikkelingen opgenomen die een wezenlijk effect zullen hebben op de aanwezige flora en fauna. Een ecologisch onderzoek kan derhalve achterwege blijven. Wel geldt altijd voor iedereen in Nederland dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

5.4 Cultureel erfgoed     

5.4.1 Archeologie     

In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Monumentenwet en de Wet op de archeologische monumentenzorg. Op basis van deze wetten zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Monumentenwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat waar nodig die waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden.

Archeologische waardenkaart Oegstgeest (2008)

De gemeente Oegstgeest heeft een rijk bodemarchief. In de afgelopen decennia is bij tientallen opgravingen vastgesteld dat het onderzoek van de archeologische resten die in de bodem verborgen liggen een van de belangrijkste bronnen van kennis over de bewoningsgeschiedenis vormt. De doelstelling van het gemeentelijk archeologiebeleid is om de archeologische bronnen zo verantwoord mogelijk te beschermen. De erosie van het bodemarchief is ondanks alle inspanningen tot behoud van archeologische resten immers nog steeds erg groot. Dit betekent dat bij bouwwerkzaamheden verstoring van de diepere ondergrond uit archeologisch oogpunt zoveel mogelijk dient te worden vermeden. Waar dit niet mogelijk is, zal in de gebieden waar waardevolle, informatieve archeologische resten verloren dreigen te gaan, voorafgaand aan de geplande bodemingreep verantwoord onderzoek dienen plaats te vinden.

Oegstgeest heeft drie verschillende 'waarderingsgebieden', waar verschillende regimes gelden naar aanleiding van de archeologische waarde of de archeologische verwachtingswaarde. Voor deze waarderingsgebieden wordt in opzet dezelfde planregel gebruikt, waarin een omgevingsvergunningstelsel is opgenomen. De verschillen tussen de waarderingsgebieden zitten in de oppervlakten en diepte van bodemverstoring vanaf wanneer een vergunning dient te worden aangevraagd.

De gemeentelijke waardenkaart onderscheidt de volgende verwachtingszones met bijbehorende oppervlakte- en dieptecriteria:

Verwachting Oppervlakte Diepte
Archeologische waarde > 25 m² 50 cm
Hoge verwachtingswaarde > 100 m² 50 cm
Gematigde verwachting > 250 m² 50 cm
Lage verwachting Geen voorschriften Geen voorschriften
Geen verwachting Geen voorschriften Geen voorschriften

Planspecifiek

Volgens de archeologische waarden- en verwachtingenkaart van de gemeente is in het plangebied sprake van de volgende archeologische (verwachtings)waarden:

Uitsnede archeologische waarden- en verwachtingenkaart, plangebied rood omlijnd

Voor het merendeel van het plangebied geldt dat er sprake is van een lage tot gematigde archeologische verwachting. In het noorden van het plangebied en een zuidoostelijke strook van het plangebied geldt een hoge archeologische verwachtingswaarde. Er bevinden zich geen archeologische monumenten in het plangebied.

Aan bodemingrepen die groter zijn dan de in de tabel genoemde oppervlaktes èn dieper gaan dan 50 cm zullen in ruimtelijke plannen voorwaarden verbonden worden die gericht zijn op het behoud (in of ex situ) van de aanwezige archeologische resten. Voor ontwikkelingen heeft dit tot gevolg dat er eerst archeologisch onderzoek verricht moet worden alvorens te kunnen ontwikkelen. In het bestemmingsplan zal worden getoetst of een mogelijke toekomstige ingreep in overeenstemming is met de archeologische waarden. Hiertoe zijn voor de gebieden met een hoge en gematigde archeologische verwachtingswaarden respectievelijk de dubbelbestemmingen Waarde - Archeologie 2 en Waarde - Archeologie 3 in het bestemmingplan opgenomen, overeenkomstig het gemeentelijk beleid.

5.4.2 Cultuurhistorie     

Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen.

Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.

Planspecifiek

Tolhuis en Tolhek

Binnen het bestemmingsplangebied bevindt zich alleen het rijksmonument het Tolhuis met tolhek langs de Haarlemmertrekvaart aan het Jaagpad 1, 3, 5, en 7. Het Tolhuis is een tolgaarderswoning uit de 17e eeuw met latere toevoegsels. Het is gebouwd voor het openbaar nut, om onderhoud aan de Trekvaart en de weg door middel van tolheffing te bekostigen. Trekschuiten legden hier vroeger aan om tolgeld af te dragen aan het toenmalige beheer. Ook wagens, karren, paarden, voetgangers en vee wat langs het 'tolhek' passeerden diende tolgeld af te dragen. Het monumentale tolhek beschikt over pijlers van baksteen en zandstenen bekroning. Aan weerszijden hangen de wapens van Haarlem en Leiden met het jaartal 1656.

Het Tolhuis en het naastgelegen Tolhek langs het Jaagpad zijn beide beschermd monument in de zin van de Monumentenwet 1988. Derhalve dient het uiterlijk van het bestaande gebouw gerespecteerd te worden. Eventuele wijzigingen of aanvullingen mogen hieraan geen afbreuk doen en dienen in het kader van de aanvraag monumentenvergunning door de monumentencommissie te worden beoordeeld.

Oudenhofmolen

Buiten het plangebied van dit bestemmingsplan bevindt zich de Oudenhofmolen. Deze molen staat in het Irispark aan de Lelielaan en dateert uit 1783. Oorspronkelijk is de molen gebouwd ten behoeve van de bemaling van de polder Oudenhof, welke door ontpoldering in 1963 ophield te bestaan.

De Oudenhofmolen is aangewezen als rijksmonument en geniet als zodanig bescherming onder de Monumentenwet. Naast de cultuurhistorische waarde van de molen in algemene zin is ook het functioneren van de molen van belang. Samen vormen deze aspecten de belevingswaarde van de molen.
Ten behoeve van het functioneren van de molen dient in beginsel rondom elke molen een geschikte biotoop aanwezig te zijn teneinde de vrije windvang voor de molens te kunnen garanderen. Vanwege de aanwezige grootschalige bebouwing en bomen met opgaand groen is de windvang reeds beperkt. Ondanks de reeds verstoorde omstandigheden, zullen de goedkeuringscriteria in de vorm van een beschermingszone voor molens in stedelijk gebied die de provincie Zuid-Holland hanteert bij de goedkeuring van bestemmingsplannen (Nota Regels-voor-Ruimte), onverkort voor dit bestemmingsplan van toepassing zijn. Derhalve zal op de plankaart een afstandscirkel worden aangebracht, voor zover deze cirkel in het onderhavige plangebied ligt.

De bruikbare windrichting voor de molen komt overwegend uit het zuidwesten en zuiden. Onderhavig plangebied ligt echter ten oosten van de molen en zal de omstandigheden niet verder verslechteren. Het plan maakt in het gebied van de molenbiotoop ook geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk.

Ligging rijksmonumenten Tolgaarderswoning (1) en Oudenhofmolen (2) (bron: Bing.com/maps)

Voorliggend bestemmingsplan is overwegend conserverend van aard en zal geen stedenbouwkundige veranderingen met zich meebrengen en/of afbreuk doen aan de landschappelijke waarden en beeldkwaliteit in de (directe) omgeving van het monument. Uitgangspunt is het handhaven van de kwaliteit en waar mogelijk deze te vergroten. Nader cultuurhistorisch onderzoek is niet noodzakelijk.

5.5 Besluit Milieueffectrapportage     

Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit ruimtelijke ordening moet ook worden getoetst aan het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Gemeenten en provincies moeten bij bouwprojecten beoordelen of een milieueffectrapport (MER) dan wel een m.e.r.-beoordeling nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig. Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, moet bepaald worden of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn.

Het bestemmingsplan is conserverend van aard waarbij nieuwe ontwikkelingen niet mogelijk worden gemaakt. Er worden geen projecten mogelijk gemaakt die zijn benoemd in de bijlage behorende bij het Besluit m.e.r. Dit houdt in dat verdere toetsing aan het Besluit m.e.r. niet van toepassing is.

Hoofdstuk 6 Juridische planbeschrijving     

6.1 Algemeen     

Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).

Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.

Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

6.2 Toelichting op de planregels     

De planregels van het bestemmingsplan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de geldende bestemmingsplannen. In onderstaande paragrafen zullen de regels nader worden uiteengezet.

6.3 Bestemmingen     

In deze paragraaf komen alle (enkel)bestemmingen aan de orde. Het betreft een indeling van bestemmingen in hoofdgroepen waarin de meest voorkomende functies kunnen worden ondergebracht. De indeling in hoofdgroepen maakt het raadplegen van een bestemmingsplan en het zoeken naar bepaalde functies eenvoudiger.

De gronden van het gehele plangebied hebben een positieve bestemming. Een positieve bestemming betekent dat gebruik van de gronden voor de verschillende bestemmingen direct mogelijk is. Bovendien betekent het dat oprichting van gebouwen direct mogelijk is nadat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen heeft verleend. Een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt verleend indien zij voldoet aan onder meer de regels van het bestemmingsplan, het Bouwbesluit en de Bouwverordening.

Hoofdstuk 7 Financiële uitvoerbaarheid     

7.1 Algemeen     

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van ‘afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

  • het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
  • het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Voorliggend bestemmingsplan maakt geen (grootschalige) ontwikkelingen van aangewezen bouwplannen mogelijk. Wanneer er ontwikkelingen zullen plaatsvinden, worden deze op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten in verband met de realisatie van het plan zijn dan voor rekening van de initiatiefnemer. Voor de gemeente zijn er verder geen kosten te verhalen. Hiermee kan afgezien worden van het vaststellen van een exploitatieplan.

Hoofdstuk 8 Maatschappelijke uitvoerbaarheid     

8.1 Overleg artikel 3.1.1 Bro en inspraak     

Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel is overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

Het voorontwerpbestemmingsplan Oudenhof en Klinkenbergerplas heeft op grond van de inspraakverordening Oegstgeest en het bepaalde in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht in de periode van 2 november 2016 tot en met 14 december 2016 zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld om inspraakreacties schriftelijk en/of mondeling kenbaar te maken.

De resultaten van het overleg en de inspraak zijn in een Nota Inspraak en overleg (zie bijlagen bij toelichting bijlage 3) opgenomen. De reacties zijn voorzien van een gemeentelijke beantwoording en leiden in enkele gevallen tot aanpassing van het bestemmingsplan. De aanpassingen betreffen:

Toelichting

  • De paragraaf ‘ecologie’ wordt in de toelichting van het bestemmingsplan aangevuld met de nieuwe Wet natuurbescherming, de ligging buiten provinciaal beschermd gebied en de aanwezige foerageergebieden en vliegroutes in het plangebied.
  • De paragraaf ‘bedrijven en milieuzonering’ wordt geactualiseerd voor wat betreft de bedrijvigheid in het plangebied. Ook wordt gecorrigeerd dat het gebied ‘De Oude Vaartweg’ wel binnen het plangebied valt.
  • De paragraaf ‘geluid’ wordt kort aangevuld met een planspecifieke toetsing.
  • Er wordt een groepsrisicoverantwoording uitgevoerd die zal worden opgenomen in de paragraaf ‘externe veiligheid’ in de toelichting.
  • Aan de toelichting zal een toetsing aan het Besluit milieueffectrapportage worden toegevoegd.
  • In hoofdstuk 2 onder het kopje ‘Water en groen’ wordt kort ingegaan op het Hofbrouckerpark.

Verbeelding

  • De vier bouwvlakken en directe omgeving van de bestaande aanleunwoningen aan de Piet Heinlaan en de Hazenboslaan worden buiten het plangebied van het bestemmingsplan gehouden.
  • De gronden van het vigerende bestemmingsplan ‘Oud Poelgeest’ worden buiten het plangebied van het bestemmingsplan gehouden.
  • De trap en de helling van het woongebouw Olympia 3 wordt gewijzigd van ‘Verkeer’ naar ‘Wonen’.
  • Het groen ter hoogte van de hellingbaan zal van de bestemming ‘Groen’ worden gewijzigd naar ‘Tuin’.

Verder zijn enkele ambtshalve aanpassingen doorgevoerd in het bestemmingsplan. Deze zijn ook uiteengezet in de Nota Inspraak en overleg.

Naar aanleiding van de uitspraak op 30 januari 2019 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn er wijzigingen doorgevoerd aan het bestemmingsplan om de vernietigde plandelen te herstellen. Voorliggende partiële herziening voorziet hierin. De wijzigingen zijn inzichtelijk gemaakt in toelichting paragraaf 1.2.

8.2 Zienswijzenprocedure     

Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De ontvangen zienswijzen zijn beantwoord in de Nota van beantwoording Zienswijzen welke als bijlage bij de toelichting is opgenomen (bijlagen bij toelichting bijlage 4). De zienswijzen zijn voorzien van een gemeentelijke beantwoording en leiden in enkele gevallen tot aanpassing van het bestemmingsplan. Deze aanpassingen, evenals enkele ambtshalve aanpassingen zijn in de Nota van beantwoording Zienswijzen uiteengezet.

Bijlagen bij toelichting     

Bijlage 1: Rapport Ladder - Companen 11 maart 2015

Bijlage 2: Verantwoording Groepsrisico

Bijlage 3: Nota Inspraak en overleg

Bijlage 4: Nota van beantwoording Zienswijzen

Regels     

Hoofdstuk 1 Inleidende regels     

Artikel 1 Begrippen     

In deze regels wordt verstaan onder:

1.1 Plan     

het bestemmingsplan 1e partiële herziening Oudenhof en Klinkenbergerplas van de Gemeente Oegstgeest als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0579.1phBPOudeklink-VA01.

1.2 Bestemmingsplan     

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels (en eventuele bijlagen).

1.3 Verbeelding     

analoge verbeelding: de verbeelding van het bestemmingsplan ” 1e partiële herziening Oudenhof en Klinkenbergerplas ”, bestaande uit een kaart met het nummer NL.IMRO.0579.1phBPOudeklink-VA01 ;

digitale verbeelding: de verbeelding van het bestemmingsplan ” 1e partiële herziening Oudenhof en Klinkenbergerplas ”, met de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0579.1phBPOudeklink-VA01 .

1.4 Aan huis verbonden (bedrijfs-)activiteiten     

het al dan niet bedrijfsmatig verlenen van diensten, met uitzondering van een groepspraktijk c.q. het uitoefenen van ambachtelijke − geheel of overwegend door middel van handwerk uit te oefenen − bedrijvigheid, waarvan de omvang en uitstraling zodanig zijn dat de activiteit in een woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend. Tevens zijn hieronder begrepen:

  1. bed and breakfast
  2. cateringbedrijf voorzover voedsel niet ter plaatse wordt verkocht en/of afgehaald
  3. webwinkel voorzover deze geen uitstalling ten verkoop heeft en/of goederen niet ter plaatse kunnen worden afgehaald

1.5 Aan huis verbonden beroep     

een beroep waarvan de uitoefening niet publieksgericht is en dat op kleine schaal in een woning en/of de bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende beroepsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse.

1.6 Aanduiding     

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.7 Aanduidingsgrens     

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.8 Aaneengebouwd     

bebouwing waarbij minimaal twee hoofdgebouwen, niet zijnde woongebouwen, aan minimaal één zijde in de zijdelingse gemeenschappelijke perceelsgrens zijn gebouwd en samen visueel één geheel vormen.

1.9 Aan- en uitbouw     

een aan een hoofdgebouw gebouwd gebouw of deel van een hoofdgebouw dat door zijn verschijningsvorm een ondergeschikte bouwmassa vormt dan wel in bouwkundig opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw.

1.10 Achtererf     

erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 3 m van de voorkant, van het hoofdgebouw.

1.11 Afhankelijke woonruimte     

een aan-, uit- of bijgebouw dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte van de huishouding uit een oogpunt van mantelzorg gehuisvest is.

1.12 Agrarisch bedrijf     

een onderneming, geheel of overwegend gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen van producten door het telen van gewassen.

1.13 Archeologisch deskundige     

een deskundige met betrekking tot archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag te stellen kwalificaties.

1.14 Archeologisch onderzoek     

onderzoek verricht door of namens een volgens de erfgoedwet gecertificeerde dienst of instelling.

1.15 Archeologische verwachting     

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied (verwachte) voorkomende overblijfselen uit oude tijden.

1.16 Archeologische waarde     

de waarde die een gebied bezit op grond van de aldaar aanwezige archeologische resten.

1.17 Bebouwing     

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

1.18 Bebouwingspercentage     

het percentage dat de grootte van het bouwvlak aangeeft, dat maximaal mag worden bebouwd, tenzij in de regels anders is bepaald.

1.19 Bed and breakfast     

het bedrijfsmatig en op kleine schaal tegen betaling aanbieden van logies/overnachting in een daarvoor geschikt deel van een woning (hoofd- of bijgebouw) gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en kortdurend verblijf met ontbijtmogelijkheden, waarbij geldt dat dit ondergeschikt aan de woonfunctie plaatsvindt. Het gaat om niet-permanente bewoning en niet om huisvesting van tijdelijke- of seizoenarbeiders.

1.20 Bedrijf     

een onderneming waarbij het accent ligt op het vervaardigen, bewerken, installeren, inzamelen en verhandelen van goederen, waarbij eventueel detailhandel uitsluitend plaatsvindt als ondergeschikt onderdeel van de onderneming in de vorm van verkoop c.q. levering van ter plaatse vervaardigde, bewerkte of herstelde goederen, dan wel goederen die in rechtstreeks verband staan met de uitgeoefende handelingen.

1.21 Bedrijfswoning     

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die slechts is bestemd voor bewoning door een persoon (en zijn/haar huishouden), wiens huisvesting daar noodzakelijk is, gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein.

1.22 Bestaand gebruik     

het op het tijdstip van het in werking treden van het plan aanwezige gebruik van grond en opstallen.

1.23 Bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen     

afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet dan wel Wabo.

1.24 Bestaande bouwwerken     

bouwwerken zoals aanwezig op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit plan, dan wel die mogen worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning.

1.25 Bestemmingsgrens     

de grens van een bestemmingsvlak.

1.26 Bestemmingsvlak     

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.27 Bijgebouw     

een vrijstaand gebouw dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde perceel gelegen hoofdgebouw.

1.28 Bouwen     

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

1.29 Bouwgrens     

de grens van een bouwvlak.

1.30 Bouwlaag     

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat is begrensd door op (nagenoeg) gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen en dat zodanige afmetingen en vormen heeft dat dit gedeelte zonder ingrijpende voorzieningen voor de toegestane functie(s) geschikt of geschikt te maken is.

1.31 Bouwperceel     

een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.32 Bouwperceelgrens     

de grens van het bouwperceel.

1.33 Bouwvlak     

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

1.34 Bouwwerk     

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.

1.35 Dagrecreatie     

vormen van recreatie die in principe plaatsvinden tussen 7.00 en 22.00 uur en niet gericht zijn op het verstrekken van nachtverblijf, nader te onderscheiden in:

  1. extensieve dagrecreatie: vormen van niet-gemotoriseerde recreatie die niet intensief zijn en een geringe impact op de omgeving hebben en welke in hoofdzaak zijn gericht op natuurbeleving en landschapsbeleving, zoals wandelen, fietsen, vissen, zwemmen in open water, watersport;
  2. intensieve dagrecreatie: vormen van recreatie waarbij men gebruik maakt van een sterk geconcentreerd voorzieningenpakket of één voorziening, waarbij het omringende landschap van minder belang is en zich relatief veel mensen per oppervlakte-eenheid (kunnen) bevinden.

1.36 Dakkapel     

een in een schuin dakvlak aangebrachte constructie voorzien van een raampartij ter vergroting van een gebouw, die zich tussen de dakgoot en de nok van een dakvlak bevindt, waarbij deze constructie onder de noklijn is gelegen en de onderzijde van de constructie in het dakvlak is geplaatst.

1.37 Dakopbouw     

een toevoeging aan het hoofdgebouw door het verhogen van de nok of bovenste dakrand van het dak die het silhouet van het oorspronkelijke gebouw verandert.

1.38 Deskundige     

een door het bevoegd gezag aan te wijzen onafhankelijk persoon met specifieke kennis of commissie van personen inzake een bepaalde vakdiscipline.

1.39 Detailhandel     

het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die goederen kopen, leasen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

1.40 Dienstverlening     

het bedrijfsmatig verlenen van commerciële diensten, waarbij het publiek rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen, zoals reis- en uitzendbureaus, kapsalons, pedicures, wasserettes, makelaarskantoren, en bankfilialen.

1.41 Eerste bouwlaag     

de onderste bouwlaag, waarvan de vloer boven maaiveld is gelegen.

1.42 Erfafscheiding     

een bouwwerk geplaatst om de grens met de naburige percelen aan te geven en niet zijnde een natuurlijk gewas zoals een haag.

1.43 Erker     

een ondergeschikte uitbouw aan de voor- en/ of zijkant van een gebouw, niet zijnde een entree, grenzend aan een verblijfsruimte van het betreffende gebouw, waarvan de naar openbaar gebied gekeerde zijde en nog minimaal één andere zijde (grotendeels) transparant is.

1.44 Escortbedrijf     

een natuurlijk persoon, groep van personen of rechtspersonen, die bedrijfsmatig of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, aanbiedt om prostitutie te verrichten, die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte worden uitgeoefend, onder andere escortservice en bemiddelingsbureaus.

1.45 Evenementen     

het geheel van incidentele of terugkerende activiteiten (niet zijnde een weekmarkt) , dat plaatsvindt bij een voor publiek toegankelijke gebeurtenis, zoals een feest, kermis, optocht, braderie, beurs, concert, sportmanifestatie of andere soortgelijke bijeenkomst tot ontspanning en vermaak, of een vertoning, voorstelling of herdenking.

1.46 Gebouw     

elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.47 Geluidscherm     

geluidswerende voorziening in de vorm van een scherm.

1.48 Geluidswal     

een geluidswerende voorziening in de vorm van een grondlichaam of een vergelijkbare dijk.

1.49 Gestapelde woning     

een woning die geheel of gedeeltelijk boven dan wel onder een andere woning is gesitueerd.

1.50 Hoofdgebouw     

een gebouw dat op een bouwperceel door zijn ligging, constructie of afmetingen, als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.

1.51 Hoofdfunctie     

een functie waarvoor het gebouw hoofdzakelijk mag worden gebruikt.

1.52 Horecabedrijf 1     

een bedrijf gericht op één of meer van de navolgende activiteiten:

  1. het verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken;
  2. het exploiteren van zaalaccommodatie.

1.53 Horecabedrijf 2     

een bedrijf vallend onder de horecasector, dat uitsluitend of in hoofdzaak is gericht op bedrijfsmatig verstrekken van dranken en/of etenswaren/maaltijden t.b.v. gebruik ter plaatse zoals cafés, bars, bodega’s, restaurants, broodjeszaken, conditoreien, pannenkoekenrestaurants, lunchrooms, koffiecafé’s, ijssalons of een mengvorm daarvan. Cafetaria’s, snackbars, fritures, discotheken en daarmee vergelijkbare horecabedrijven waarvan het gezamenlijke oppervlakte meer dan 10 m2, vallen hierbuiten.

1.54 Intensieve dagrecreatie     

verblijf en activiteiten gericht op ontspanning in de vrije tijd zoals sport en spel, natuurbeleving, amusement en uitstapjes, die uitsluitend plaatsvinden binnen een tijdsbestek van een dag voor recreatieve doeleinden zonder dat er een overnachting ter plaatse mee gepaard gaat.

1.55 Kelder     

een gedeelte van een gebouw dat wordt afgedekt door een vloer- of dakconstructie waarvan de bovenkant, voor zover de kelder tenminste niet onder het hoofdgebouw gesitueerd is, minimaal 10 cm onder het direct aansluitende, al dan niet verharde, terrein ligt.

1.56 Kunstobject     

een bouwwerk, geen gebouwen zijnde, met artistieke waarde.

1.57 Ligplaats     

een ligplaats bestemd voor het aanmeren van een pleziervaartuig.

1.58 Maatschappelijke voorzieningen     

educatieve, (para)medische, justitiële opvanginrichting, niet-justitiële jeugdzorg, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke, religieuze, onderwijsvoorzieningen, zorgvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, alsmede ondergeschikte detailhandel en horeca in combinatie met en ten dienste van deze voorzieningen.

1.59 Mantelzorg     

langdurige, intensieve niet georganiseerde zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt gegeven aan een ieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak door één of meer leden uit diens directe dan wel sociale omgeving, waarbij de zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie.

1.60 Nutsvoorzieningen     

voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling, elektrische laadpalen en apparatuur voor telecommunicatie.

1.61 Ondergeschikte horeca     

het qua aard en omvang beperkt verstrekken van dranken en etenswaren voor gebruik ter plaatse als ondergeschikte functie in verband met andere ter plaatse toegestane hoofdfuncties (niet zijnde horeca).

1.62 Overkapping     

een bouwwerk, geen gebouwen zijnde, voorzien van een gesloten dak en met aan ten hoogste één zijde een gesloten wand.

1.63 Peil     

Hieronder wordt verstaan:

  1. bij ligging aan een weg: de kruin van de weg;
  2. bij ligging aan een anderszins verhard terrein: de bovenkant van dat terrein;
  3. bij ligging anders dan aan een weg of verhard terrein: het maaiveld;
  4. indien in of op het water wordt gebouwd: het Nieuw Amsterdams Peil (of een ander plaatselijk aan te houden waterpeil).

1.64 Pleziervaartuig     

een vaartuig, niet zijnde een woonschip, en met uitzondering van een zeilplan, dat uitsluitend of hoofdzakelijk wordt gebruikt voor enige vorm van pleziervaart, waterrecreatie of watersport, waaronder begrepen kano's, open roei- en visboten en andere houten, rubber en kunststof vaartuigen, of anderszins bevaarbaar vaartuig.

1.65 Publieksverzorgende ambachten     

een bedrijf, waarin een publiekverzorgende bedrijf ambacht met een ondergeschikte toonbank-functie wordt uitgeoefend, zoals een schoenmaker, fietsenmaker, apotheek of stomerij.

1.66 Seksinrichting     

een voor het publiek toegankelijk gebouw of bouwwerk, dan wel onderkomens, waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen een erotisch massagesalon, al of niet in combinatie met elkaar.

1.67 Staat van Bedrijfsactiviteiten     

de Staat van Bedrijfsactiviteiten die van deze regels onderdeel uitmaakt.

1.68 Standplaats     

het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aan bieden, verkopen of afleveren van goederen, dan wel het aanbieden van diensten:

  1. gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, wagen of tafel;
  2. door anderszins goederen uit te stallen of uitgestald te hebben om deze te koop aan te bieden, te verkopen of af te leveren.

1.69 Stedenbouwkundige kwaliteit     

de aan een gebied toe te kennen waarde in verband met stedenbouwkundige elementen, zoals de aanwezige en/of geprojecteerde infrastructuur, waaronder groenelementen, ligging, maatvoering, functie en karakter van bouwwerken in dat gebied.

1.70 Steiger     

een gewoonlijk houten constructie die het water insteekt en waaraan een boot kan afmeren.

1.71 Twee-aaneen     

bebouwing waarbij de hoofdgebouwen aan één zijde in de zijdelingse perceelsgrens zijn gebouwd, waarbij onderscheid kan worden gemaakt in geschakelde hoofdgebouwen en twee aaneengebouwde hoofdgebouwen.

1.72 Voorgevellijn     

een aangegeven lijn, waarin of waarachter de voorgevel van het hoofdgebouw dient te worden gebouwd, dan wel fictieve lijn gelegen in de voorgevel en het verlengde daarvan.

1.73 Vrijstaand     

bebouwing waarbij de hoofdgebouwen niet in de perceelsgrens zijn gebouwd.

1.74 Waterhuishoudkundige voorzieningen     

voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging en waterkwaliteit, waaronder duikers, stuwen, gemalen, inlaten en voorzieningen ten behoeve van berging en infiltratie van hemelwater.

1.75 Woning     

een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van een huishouden.

1.76 Woonerf     

de voor Wonen bestemde gronden van één bouwperceel met uitzondering van de tot Wonen bestemde gronden gelegen binnen het bouwvlak.

1.77 Woonschip     

elk vaartuig dat uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebruikt als, of te oordelen naar zijn constructie of inrichting uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is tot, een als hoofdverblijf geldend dag- of nachtverblijf van één of meer personen.

Artikel 2 Wijze van meten     

Bij toepassing van de regels wordt als volgt gemeten:

2.1 Afstand     

afstanden tussen bouwwerken onderling alsmede afstanden van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn.

2.2 De bouwhoogte van een bouwwerk     

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.3 Breedte, diepte c.q. lengte van een bouwwerk     

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van de gemeenschappelijke scheidingsmuren.

2.4 Dakhelling     

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

2.5 De goothoogte van een bouwwerk     

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

2.6 De inhoud van een bouwwerk     

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.7 De (bruto vloer)oppervlakte van een bouwwerk     

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.8 De vloeroppervlakken van een gebouw     

de gebruiksoppervlakte volgens NEN2580.

2.9 Ondergeschikte bouwdelen     

Bij toepassing van het in dit artikel bepaalde worden ondergeschikte bouwonderdelen, zijnde:

  1. plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, luchtkokers, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, balkons en overstekende daken met betrekking tot de goot- en bouwhoogte, oppervlakten en bouwgrenzen buiten beschouwing gelaten, met dien verstande dat de overschrijding van een overstekend dak niet meer mag bedragen dan 1,5 m.
  2. dakkapellen met betrekking tot de goothoogte buiten beschouwing gelaten mits de breedte van de dakkapel in het voordakvlak niet meer bedraagt dan 50% van de breedte van het voordakvlak en de onderzijde van de dakkapel op minimaal 0,50 m van de dakvoet word gebouwd.
  3. In afwijking van het bepaalde onder artikel 2 lid 9 sub b zijn dakkapellen niet toegestaan indien op de verbeelding aangeduid.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels     

Artikel 3 Agrarisch     

3.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor Agrarisch aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. uitoefening van een grondgebonden agrarisch tuinbouwbedrijf, geheel of overwegend gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen van producten door het telen van gewassen;
  2. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' is één bedrijfswoning toegestaan;
  3. ter plaatse van de aanduiding 'kas: kassen;
  4. bij deze bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen zoals groen, water, nutsvoorzieningen en voetpaden, ontsluitingswegen en parkeren.

3.2 Bouwregels     

3.2.1 Gebouwen     

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  1. de gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
  2. ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m) is ten hoogste de aangegeven goothoogte toegestaan;
  3. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m) is ten hoogste de aangegeven bouwhoogte toegestaan.
3.2.2 Bedrijfswoningen     

Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende regels:

  1. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' is één bedrijfswoning toegestaan;
  2. bedrijfswoningen worden binnen het bouwvlak gebouwd;
  3. de inhoud van een bedrijfswoning bedraagt ten hoogste 600 m³;
  4. ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' is voor een bedrijfswoning ten hoogste de aangegeven goothoogte toegestaan;
  5. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' is voor een bedrijfswoning ten hoogste de aangegeven bouwhoogte toegestaan.
3.2.2.1 Erkers     

Voor het bouwen van een erker aan de voor- of zijgevel van de bedrijfswoning gelden de volgende regels:

  1. de diepte van een erker bedraagt ten hoogste 1,5 m;
  2. de breedte van een erker bedraagt ten hoogste 50% van de breedte van de gevel, van het oorspronkelijke hoofdgebouw;
  3. de goothoogte van een erker en de bouwhoogte bedraagt ten hoogste 3 m of 0,25 m boven de vloer van de eerste verdieping van de woning;
  4. de afstand van de voorzijde van de erker tot de voor- of zijdelingse perceelsgrens bedraagt ten minste 1,5 m.
3.2.2.2 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen bij bedrijfswoningen     

Voor aan- en uitbouwen en bijgebouwen gelden de volgende regels:

  1. aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd 3 m achter de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan;
  2. de gezamenlijk oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen bedraagt ten hoogste 80 m²;
  3. de afstand van aan- en uitbouwen en bijgebouwen tot de zijdelingse en achterste perceelsgrens bedraagt tenminste 1 m, tenzij in de desbetreffende perceelgrens worden gebouwd;
  4. de afstand van bijgebouwen tot het hoofdgebouw, andere bijgebouwen en aan- en uitbouwen bedraagt ten minste 2,5 m;)
  5. de bouwhoogte van aan- of uitbouwen bedraagt ten hoogste 0,25 m boven de hoogte van de eerste verdiepingsvloer van het hoofdgebouw tot en maximum van 4 meter;
  6. de goot- en bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt ten hoogste 3 m;
  7. de diepte van aan- en uitbouwen bedraagt, gemeten vanaf de oorspronkelijke achtergevel, ten hoogste 3,5 m.
3.2.2.3 Kelders bij bedrijfswoning     

Voor kelders bij de bedrijfswoning gelden de volgende regels:

  1. kelders mogen binnen en buiten het bouwvlak gebouwd;
  2. de oppervlakte van kelders die buiten het bouwvlak worden gerealiseerd bedraagt ten hoogste 30% van de gronden gelegen buiten het bouwvlak en gelegen achter de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan, met een maximum van 50 m²;
  3. voor kelders die naast het bouwvlak worden gerealiseerd geldt tevens dat deze 3 meter achter de voorgevellijn worden gesitueerd;
  4. de hoogte van kelders bedraagt ten hoogste 0,1 m beneden het direct aansluitende, al dan niet verharde, terrein, met dien verstande dat in voorkomende gevallen een goede aansluiting op de openbare weg en belendende percelen wordt gerealiseerd;
  5. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens en de openbare weg bedraagt ten minste 1 meter, tenzij belendende percelen tegelijkertijd een kelder bouwen, in geval in de gezamenlijke zijperceelsgrens mag worden gebouwd;
  6. de kelder mag niet ten koste gaan van de op het perceel aanwezige parkeerplaatsen.
3.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan niet groter mag zijn dan 1 m;
  2. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de naar de weg gekeerde gevel niet groter mag zijn dan 2 m.
  3. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 m bedragen.

3.3 Specifieke gebruiksregels     

De gronden met deze bestemming mogen tevens worden gebruikt voor:

  1. de uitoefening van ondergeschikte nevenactiviteiten in de vorm van verwerking en verkoop van hoofdzakelijk ter plaatse geproduceerde agrarische producten.

Artikel 4 Bedrijf     

4.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor Bedrijf aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. bedrijven uit de categorie 1 van de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten (zie bijlagen bij de regels bijlage 2);
  2. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2' bedrijven uit de categorie 2 van de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten (zie bijlagen bij de regels bijlage 2);
  3. ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorziening': uitsluitend nutsvoorzieningen waaronder een sirene-installatie;
  4. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - houthandel'; een houthandel in categorie 1 als bedoeld in de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten, zoals weergegeven in bijlagen bij de regels bijlage 2;
  5. de bij deze bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen zoals groen, water, (ontsluitings)wegen, nuts-, parkeer-, en laad- en losvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en (ondergrondse) afvalinzamelpunten.

4.2 Bouwregels     

4.2.1 Gebouwen     

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  1. gebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd;
  2. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' is ten hoogste de aangegeven bouwhoogte toegestaan;
  3. bedrijfswoningen zijn niet toegestaan.
4.2.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde     

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan niet meer dan 1 m mag bedragen;
  2. overkappingen en/of bedrijfsinstallaties mogen niet voor de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan worden gebouwd;
  3. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 m bedragen, met uitzondering van de volgende bouwwerken, geen gebouwen zijnde:
    1. de bouwhoogte van bedrijfsinstallaties bedraagt ten hoogste 6 m;
    2. de bouwhoogte van vlaggenmasten en lichtmasten bedraagt ten hoogste 6 m.

4.3 Afwijken van de gebruiksregels     

Bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4 lid 1:

  1. om bedrijven toe te laten in een categorie hoger dan de in artikel 4 lid 1 genoemde categorieën, voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving geacht kan worden te behoren tot de categorieën zoals in artikel 4 lid 1 genoemd;
  2. om bedrijven toe te laten die niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn genoemd, voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving geacht kan worden te behoren tot de categorieën zoals in artikel 4 lid 1 genoemd.

Artikel 5 Gemengd     

5.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor Gemengd aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. wonen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van aan-huis-verbonden beroepen;
  2. maatschappelijke voorzieningen;
  3. ter plaatse van de aanduiding 'kinderdagverblijf': tevens kinderopvang en buitenschoolse opvang;
  4. bij deze bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen zoals groen, water, nuts- en parkeervoorzieningen.

5.2 Bouwregels     

5.2.1 Hoofdgebouwen     

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  1. hoofdgebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd;
  2. ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' is ten hoogste de aangegeven goothoogte toegestaan;
  3. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' is ten hoogste de aangegeven bouwhoogte toegestaan.
5.2.2 Kelders     

Voor het bouwen van kelders gelden de volgende regels:

  1. kelders zijn niet toegestaan bij gestapelde woningen;
  2. kelders mogen binnen en buiten het bouwvlak gerealiseerd worden;
  3. de oppervlakte van kelders die buiten het bouwvlak wordt gerealiseerd, mag niet meer bedragen dan 30% van de gronden gelegen buiten het bouwvlak en gelegen áchter de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan, met een maximum van 50 m²;
  4. voor kelders die naast het bouwvlak worden gerealiseerd geldt tevens dat deze 3 meter achter de voorgevelrooilijn moeten worden gesitueerd;
  5. de hoogte van kelders bedraagt ten hoogste 0,1 meter beneden het direct aansluitende, al dan niet verharde, terrein, met dien verstande dat in voorkomende gevallen een goede aansluiting op de openbare weg en belendende percelen wordt gerealiseerd;
  6. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens en de openbare weg bedraagt ten minste 1 meter. Indien belendende percelen tegelijkertijd een kelder bouwen, mag in de gezamenlijke zijperceelsgrens worden gebouwd;
  7. de kelder mag niet ten koste gaan van de op het perceel aanwezige parkeerplaatsen.
5.2.3 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen     

Voor aan- en uitbouwen en bijgebouwen, gelden de volgende regels:

  1. aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd 3 m achter de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan;
  2. de gezamenlijke oppervlakte van deze bouwwerken bedraagt ten hoogste:
    1. 50% van het achtererf, wanneer de oppervlakte van het perceel niet groter is dan 500 m², met een maximum van 60 m²;
    2. 40% van het achtererf, wanneer de oppervlakte van het perceel groter is dan 500 m², met een maximum van 80 m²;
  3. de afstand van deze bouwwerken tot de zijdelingse en achterste perceelsgrens bedraagt tenminste 1 m, tenzij in de desbetreffende perceelgrens worden gebouwd;
  4. de bouwhoogte van aan- of uitbouwen bedraagt ten hoogste 0,25 m boven de hoogte van de eerste verdiepingsvloer van het hoofdgebouw tot een maximum van 4 meter;
  5. de goot- en bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt ten hoogste 3 m;
  6. de diepte van aan- en uitbouwen bedraagt, gemeten vanaf de oorspronkelijke achtergevel, ten hoogste 3,5 m.
5.2.4 Bouwwerken geen gebouwen zijnde     

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van erfscheidingen,

    mag ten hoogste 3 m bedragen;

  2. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan niet meer dan 1 m mag bedragen.

5.3 Specifieke gebruiksregels     

Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met deze bestemming. Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in dit lid, wordt in ieder geval gerekend:

  1. ten behoeve van een seksinrichting;
  2. het plaatsen van caravans.
5.3.1 Algemene gebruiksregels     

Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met deze bestemming. Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in dit lid, wordt in ieder geval gerekend:

  1. ten behoeve van een seksinrichting;
  2. het plaatsen van caravans.
5.3.2 Gebruikregel aan-huis-verbonden beroepen     

Gebruik van ruimten binnen de woning ten behoeve van de uitoefening van een aan huis verbonden beroep wordt als gebruik overeenkomstig de bestemming aangemerkt voor zover dit gebruik ondergeschikt blijft aan de woonfunctie en mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  1. maximaal 40% van het vloeroppervlak van de woning tot ten hoogste 30 m² mag worden gebruikt voor het aan huis verbonden beroep;
  2. degene die het aan huis verbonden beroep in de woning uitoefent, dient tevens de bewoner van de woning te zijn;
  3. door degene die het aan huis verbonden beroep uitoefent, kan worden aangetoond dat de uitoefening van het beroep geen extra parkeerruimte vereist binnen het openbaar gebied;
  4. er mag geen detailhandel, groothandel of horeca plaatsvinden.

5.4 Afwijken van de gebruiksregels     

5.4.1 Afwijkingsmogelijkheid aan-huis-verbonden (bedrijfs)activiteiten     

Het bevoegd gezag kan afwijking verlenen van het bepaalde in artikel 5 lid 1 voor het gebruik van ruimten voor aan huis verbonden bedrijfsactiviteiten, voor zover dit gebruik ondergeschikt blijft aan de woonfunctie en mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  1. de maximum vloeroppervlakte voor een aan huis verbonden bedrijfsactiviteit bedraagt 40% van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw;
  2. de aan huis verbonden bedrijfsactiviteit mag alleen in gebouwen (binnen en buiten het bouwvlak) worden uitgeoefend;
  3. degene die de bedrijfsactiviteiten zal uitvoeren, dient tevens de bewoner van de woning te zijn;
  4. door degene die de aan huis verbonden bedrijfsactiviteit uitoefent, kan worden aangetoond dat de uitoefening van de activiteit niet leidt tot onevenredige parkeerdruk binnen het openbaar gebied;
  5. de bedrijfsactiviteit dient qua aard, milieubelasting en uitstraling te passen in een woonomgeving;
  6. er mag geen detailhandel, groothandel of horeca plaatsvinden, uitgezonderd een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit in verband met de aan huis verbonden bedrijfsactiviteit.
  7. ten behoeve van een bed and breakfast mogen niet meer dan 3 kamers per woning beschikbaar worden gesteld.

Artikel 6 Groen     

6.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor Groen aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. (openbaar) groen, water, voet- en fietspaden, parken, inritten, (ondergrondse) voorzieningen ten behoeve afvalinzameling;
  2. sloten, vijvers en moerassen ten behoeve van waterberging, waterafvoer en/of beheersing van de grondwaterstand;
  3. ter plaatse van de aanduiding 'gemaal': tevens een gemaal;
  4. ter plaatse van de aanduiding 'geluidswal': tevens een geluidswal;
  5. ter plaatse van de aanduiding 'geluidscherm': tevens een geluidscherm;
  6. bij de bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen zoals waterhuishoudkundige, speel-, nuts- en parkeervoorzieningen.

6.2 Bouwregels     

6.2.1 Gebouwen     

Op deze gronden mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen worden gebouwd, met inachtneming van de volgende regels:

  1. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 3 m;
  2. de oppervlakte bedraagt niet meer dan 25 m².
6.2.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde     

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 1 m bedragen;
  2. de hoogte van kunstobjecten en lichtmasten mag niet meer dan 6 m bedragen;
  3. de hoogte van voetbalkooien mag niet meer dan 10 m bedragen;
  4. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 m bedragen.

Artikel 7 Horeca     

7.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor Horeca aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. horeca, als bedoeld in horecabedrijf 1, met uitzondering van discotheken;
  2. ter plaatse van de aanduiding 'wonen': tevens voor het gebruik ten behoeve van wonen;
  3. ter plaatse van de aanduiding 'kantoor': tevens een kantoor;
  4. ter plaatse van de aanduiding 'terras': tevens een terras;
  5. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - rijksmonument' zijn de gronden en gebouwen tevens bestemd voor de bescherming en instandhouding van rijksmonumenten;
  6. bij deze bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen zoals groen, water, nuts-, speel- en parkeervoorzieningen.

7.2 Bouwregels     

7.2.1 Hoofdgebouwen     

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  1. hoofdgebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd;
  2. ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' is ten hoogste de aangegeven goothoogte toegestaan;
  3. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' is ten hoogste de aangegeven bouwhoogte toegestaan;
  4. ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' zijn de bestaande bijbehorende bijgebouwen toegestaan.
7.2.2 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen     

Voor aan- en uitbouwen en bijgebouwen, gelden de volgende regels:

  1. aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd 3 m achter de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan;
  2. de gezamenlijk oppervlakte van deze bouwwerken bedraagt ten hoogste:
    1. 50% van het achtererf, wanneer de oppervlakte van het perceel niet groter is dan 500 m², met een maximum van 60 m²;
    2. 40% van het achtererf, wanneer de oppervlakte van het perceel groter is dan 500 m², met een maximum van 80 m²;
  3. de afstand van deze bouwwerken tot de zijdelingse en achterste perceelsgrens bedraagt tenminste 1 m, tenzij in de desbetreffende perceelgrens worden gebouwd;
  4. de bouwhoogte van aan- of uitbouwen bedraagt ten hoogste 0,25 m boven de hoogte van de eerste verdiepingsvloer van het hoofdgebouw tot en maximum van 4 m;
  5. de goot- en bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt ten hoogste 3 m;
  6. de diepte van aan- en uitbouwen bedraagt, gemeten vanaf de oorspronkelijke achtergevel, ten hoogste 3,5 m.
7.2.3 Bouwwerken geen gebouwen zijnde     

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan niet meer dan 1 m mag bedragen;
  2. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 m bedragen, met uitzondering van de volgende bouwwerken, geen gebouwen zijnde:
    1. de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt ten hoogste 6 m.

Artikel 8 Maatschappelijk     

8.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor Maatschappelijk aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. maatschappelijke voorzieningen;
  2. ter plaatse van de aanduiding 'kinderdagverblijf': tevens kinderopvang en buitenschoolse opvang;
  3. ter plaatse van de aanduiding 'scouting': tevens scouting;
  4. aan de toegestane voorzieningen ondergeschikte en daarmee samenhangende activiteiten zoals ondergeschikte horeca en detailhandel;
  5. bij deze bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen zoals groen, water, parkeer-, speel-, nutsvoorzieningen, voet en fietspaden en toegangswegen.

8.2 Bouwregels     

8.2.1 Hoofdgebouwen     

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  1. hoofdgebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd;
  2. ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' is ten hoogste de aangegeven goothoogte toegestaan;
  3. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' is ten hoogste de aangegeven bouwhoogte toegestaan;
  4. ter plaatse van de aanduiding ''maximum bebouwingspercentage (%)' is ten hoogste het aangegeven bebouwingspercentage toegestaan.
8.2.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde     

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan niet meer dan 1 m mag bedragen;
  2. overkappingen en/of bedrijfsinstallaties mogen niet voor de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan worden gebouwd;
  3. de maximale bouwhoogte van een overkapping bedraagt 3 m, met dien verstande dat de maximale oppervlakte 25 m² bedraagt en de overkapping minimaal 3 m achter de voorgevel wordt gebouwd;
  4. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 m bedragen, met uitzondering van de volgende bouwwerken, geen gebouwen zijnde:
    1. de bouwhoogte van bedrijfsinstallaties bedraagt ten hoogste 6 m;
    2. de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt ten hoogste 6 m.

8.3 Nadere eisen     

8.3.1 Bevoegdheid     

Het bevoegd gezag kan na afweging van de in het geding zijnde belangen nadere eisen stellen met betrekking tot:

  1. de situering, afmeting en hoogte van bouwwerken;
  2. de situering van en het aantal parkeerplaatsen;
  3. de situering van in- en uitritten en andere wegen en paden;
  4. de situering van leidingen en andere daarmee samenhangende constructies;
  5. de (overige) inrichting van het perceel.
8.3.2 Toepassing     

De bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen wordt toegepast:

  1. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  2. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de parkeermogelijkheden in de naaste omgeving;
  3. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving;
  4. ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die uit een oogpunt van verkeersveiligheid, in het bijzonder het benodigde uitzicht op hoeken van wegen, bochten en in- en uitritten niet gewenst is;
  5. ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die uit een oogpunt van brandveiligheid c.q. brand en rampenbestrijding niet gewenst is, waarbij rekening dient te worden gehouden met het waarborgen, in stand houden c.q. tot stand brengen van een brandveilige situatie en goede bereikbaarheid;
  6. ter bescherming en voorkoming van onevenredige aantasting van de (bestaande) boombeplanting en ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing;
  7. ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die uit een oogpunt van milieu niet gewenst is;
  8. ter waarborging en bescherming van monumentale en beeldbepalende bouwwerken alsmede van het aanwezige beschermd dorps- en stadsgezicht;
  9. ter waarborging van de sociale veiligheid.

Artikel 9 Natuur     

9.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor Natuur aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. het behoud, herstel en ontwikkeling van natuurwetenschappelijke en landschappelijke waarden; met daarbij behorend(e):
    1. extensief recreatief medegebruik;
    2. voet- en fietspaden;
    3. watervoorzieningen;
  2. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur - brug, tunnel' tevens ten behoeve van de aanleg van een brug en/of tunnel;
  3. ter plaatse van de aanduiding 'uitzichtpunt' tevens ten behoeve van een zitbank en/of wand.

9.2 Bouwregels     

9.2.1 Gebouwen     

Gebouwen zijn niet toegestaan.

9.2.2 Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur - brug, tunnel' zijn balustrades toegestaan tot 1 m boven het niveau van het opgaande pad;
  2. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt ten hoogste 3 m.

9.3 Specifieke gebruiksregels     

Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met deze bestemming. Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in dit lid, wordt in ieder geval gerekend:

  1. het opslaan, storten of bergen van materialen en producten, behoudens voorzover zulks nodig is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  2. het beoefenen van lawaaisporten;
  3. kamperen.

9.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden     

9.4.1 Verbod zonder vergunning     

Het is verboden op of in de als Natuur bestemde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  1. het ontgronden, uitdiepen, egaliseren, afgraven, diepploegen en ophogen van gronden en/of anderszins wijzigen van de bodemstructuur;
  2. het opslaan, storten of bergen van materialen en producten voor andere doeleinden dan die bedoeld in artikel 9 lid 3 sub a;
  3. het planten, rooien, kappen of verminken van de houtopstanden en gewassen, alsmede het verwijderen van oevervegetaties;
  4. het aanleggen of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen (al dan niet tijdelijk);
  5. het aanbrengen van oeverbeschoeiingen;
  6. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
  7. het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- en/of communicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
9.4.2 Uitzonderingen op het verbod     

Het verbod, zoals in artikel 9 lid 4.1 bedoeld, is niet van toepassing indien de werken en werkzaamheden:

  1. het normale onderhoud betreffen;
  2. noodzakelijk zijn in verband met het op de bestemming gerichte beheer of gebruik van de grond;
  3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
9.4.3 Voorwaarden     

De in artikel 9 lid 4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de aanwezige waarden zoals beschreven in artikel 9 lid 1.

Artikel 10 Recreatie     

10.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor Recreatie aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. extensieve dagrecreatie;
  2. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - intensieve dagrecreatie' intensieve dagrecreatie in de vorm van speelterreinen en stranden, met de daarbij behorende gebouwen ten behoeve van sanitaire voorzieningen, horeca overeenkomstig horecabedrijf 2, duiksport en educatieve doeleinden gericht op de recreatieve functie;
  3. horeca overeenkomstig horecabedrijf 2;
  4. groenvoorzieningen;
  5. water;
  6. parkeervoorzieningen;
  7. wegen, fiets- en wandelpaden;

met de daarbij behorende andere bouwwerken en andere werken.

10.2 Bouwregels     

10.2.1 Bedrijfswoning     

Voor bedrijfswoningen de navolgende regels gelden:

  1. de bedrijfswoning mag uitsluitend worden gerealiseerd binnen het hoofdgebouw van de horecavoorziening;
  2. de oppervlakte van de bedrijfswoning mag maximaal 150 m² bedragen.
10.2.2 Gebouwen     

Voor gebouwen de navolgende regels gelden:

  1. gebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd;
  2. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' is ten hoogste de aangegeven bouwhoogte toegestaan;
  3. de oppervlakte van een horecavoorziening inclusief terrassen ten hoogste 750 m² bedraagt.
10.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen;
  2. de maximale bouwhoogte van een overkapping bedraagt 3 m, met dien verstande dat de maximale oppervlakte 25 m² bedraagt;
  3. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 m bedragen, met uitzondering van de volgende bouwwerken, geen gebouwen zijnde:
    1. de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt ten hoogste 6 m;
    2. de bouwhoogte van lichtmasten bedraagt ten hoogste 6 m;
    3. de lengte - gemeten vanaf de oeverlijn - en breedte van de steiger mogen niet meer bedragen dan respectievelijk 10 m en 2 m.

10.3 Afwijken van de bouwregels     

Bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 10 lid 1 ten einde een vrijstaand sanitair gebouw in de intensieve dagrecreatieve zone nabij het strand ten behoeve van de Tolhuisbrug toe te staan onder voorwaarde dat:

  1. de oppervlakte niet meer bedraagt dan 25 m² per gebouw;
  2. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3 meter.

10.4 Specifieke gebruiksregels     

10.4.1 Strijdig gebruik     
  1. het opslaan, storten of bergen van materialen en producten, behoudens voorzover zulks nodig is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  2. het beoefenen van lawaaisporten;
  3. kamperen.

Artikel 11 Sport     

11.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor Sport aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. sportactiviteiten en sportvoorzieningen;
  2. aan de toegestane voorzieningen ondergeschikte en daarmee samenhangende activiteiten zoals ondergeschikte horeca en detailhandel;
  3. bij deze bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen zoals groen, water, parkeer-, speel-, nutsvoorzieningen, voet en fietspaden en toegangswegen.

11.2 Bouwregels     

11.2.1 Gebouwen     

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  1. gebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd;
  2. ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' is ten hoogste de aangegeven bouwhoogte toegestaan;
  3. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' is ten hoogste de aangegeven bouwhoogte toegestaan.
11.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen;
  2. de maximale bouwhoogte van een overkapping bedraagt 3 m, met dien verstande dat de maximale oppervlakte 25 m² bedraagt;
  3. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 m bedragen, met uitzondering van de volgende bouwwerken, geen gebouwen zijnde:
    1. de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt ten hoogste 6 m;
    2. de bouwhoogte van sportvoorzieningen zoals ballenvangers bedraagt ten hoogste 7m;
    3. de bouwhoogte van lichtmasten bedraagt ten hoogste 12 m;
    4. de bouwhoogte van speelvoorzieningen inclusief bijbehorende bouwwerken bedragen ten hoogste 5 meter.

11.3 Afwijken van de bouwregels     

Bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van:

  1. het bepaalde artikel 11 lid 2.1 om gebouwen van beperkte omvang ten behoeve van opslag toe te staan onder voorwaarde dat:
    1. de oppervlakte niet meer bedraagt dan 25 m² per gebouw;
    2. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3 meter.

11.4 Afwijken van de gebruiksregels     

Bevoegd gezag kan afwijken van artikel 11 lid 1 voor het gebruik van de gronden en bouwwerken voor activiteiten die geen sportief karakter hebben, maar die naar aard en de invloed op de omgeving gelijk gesteld zijn met de sportieve activiteiten.

Artikel 12 Tuin     

12.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor Tuin aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. de voor- en zijtuinen bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen (woningen);
  2. aan- en uitbouwen en bijgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen';
  3. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van tuin - parkeerplaats': tevens parkeerplaats(en);
  4. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van tuin - hellingbaan' tevens een hellingbaan;
  5. ter plaatse van de aanduiding 'geluidswal': tevens een geluidswal;
  6. bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals groen, toegangspaden, terrassen en waterpartijen.

12.2 Bouwregels     

12.2.1 Gebouwen     
  1. ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' zijn de bestaande bouwwerken toegestaan.
  2. de bouwhoogte van bouwwerken bedraagt ten hoogste 3 m.
12.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd;
  2. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 1 m.

12.3 Afwijken van de bouwregels     

Bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 12 lid 1 ten einde een erker, dan wel tochtportalen of afdakjes te realiseren met dien verstande dat:

  1. de breedte van een erker bedraagt ten hoogste 50% van de breedte van de gevel, van het oorspronkelijke hoofdgebouw;
  2. gemeten vanuit de oorspronkelijke voorgevel of de naar het openbaar gebied gekeerde zijgevel de diepte niet meer mag bedragen dan 1,5 m;
  3. het oppervlak niet meer mag bedragen dan 7 m²;
  4. de afstand van de voorzijde van de erker tot de voor- en zijdelingse perceelsgrens bedraagt ten minste 1,5 m;
  5. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 0,25 m boven de hoogte van de eerste verdiepingsvloer van het hoofdgebouw tot en maximum van 4 meter.

12.4 Specifieke gebruiksregels     

Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van tuin - parkeerplaats' moeten de parkeerplaatsen te allen tijden in stand worden gehouden.

Artikel 13 Verkeer     

13.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor Verkeer aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. wegen met doorgaande rijstroken met hoofdzakelijk een functie als gebieds- en wijkontsluiting;
  2. ter plaatse van de aanduiding 'geluidscherm': een geluidscherm;
  3. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - calamiteitenontsluiting' een calamiteitenontsluiting, uitsluitend ten behoeve van hulpdiensten;
  4. bij deze bestemming behorende bouwwerken, geen gebouw zijnde en voorzieningen zoals: groen, water, bruggen, duikers, keerwanden, beschoeiingen, nutsvoorzieningen, voet- en fietspaden, ontsluitingswegen en –paden, parkeervoorzieningen, laad- en losvoorzieningen, (ondergrondse) afvalinzamelpunten, reclame-uitingen, geluidwerende voorzieningen, elektrische laadpalen, verlichting, verkeersregeling, Abri’s

13.2 Bouwregels     

13.2.1 Gebouwen     

Op deze gronden mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen worden gebouwd, met inachtneming van de volgende regels:

  1. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 3 m;
  2. de oppervlakte bedraagt niet meer dan 25 m².
13.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     
  1. de bouwhoogte van geluidwerende voorzieningen bedraagt ten hoogste 5 m.
  2. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde - anders dan ten behoeve van de verkeersregeling, verkeersaanduiding, wegaanduiding of verlichting - bedraagt ten hoogste 3 m.
  3. de hoogte van bouwwerken ten behoeve van verlichting, geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer mogen ten hoogste 16 meter bedragen.

13.3 Nadere eisen     

13.3.1 Bevoegdheid     

Het bevoegd gezag kan na afweging van de in het geding zijnde belangen nadere eisen stellen met betrekking tot:

  1. de situering, afmeting en hoogte van bouwwerken;
  2. de situering van en het aantal parkeerplaatsen;
  3. de situering van in- en uitritten en andere wegen en paden;
  4. de situering van leidingen en andere daarmee samenhangende constructies;
  5. de (overige) inrichting van het perceel.
13.3.2 Toepassing     

De bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen wordt toegepast:

  1. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  2. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de parkeermogelijkheden in de naaste omgeving;
  3. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving;
  4. ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die uit een oogpunt van verkeersveiligheid, in het bijzonder het benodigde uitzicht op hoeken van wegen, bochten en in- en uitritten niet gewenst is;
  5. ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die uit een oogpunt van brandveiligheid c.q. brand en rampenbestrijding niet gewenst is, waarbij rekening dient te worden gehouden met het waarborgen, in stand houden c.q. tot stand brengen van een brandveilige situatie en goede bereikbaarheid;
  6. ter bescherming en voorkoming van onevenredige aantasting van de (bestaande) boombeplanting en ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing;
  7. ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die uit een oogpunt van milieu niet gewenst is;
  8. ter waarborging en bescherming van monumentale en beeldbepalende bouwwerken alsmede van het aanwezige beschermd dorps- en stadsgezicht;
  9. ter waarborging van de sociale veiligheid.

Artikel 14 Verkeer - Verblijfsgebied     

14.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor Verkeer - Verblijfsgebied aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. verblijfsgebied met (ontsluitings)wegen, fiets- en voetpaden, in- en uitritten, fiets- en voetgangerstunnels, fietsenstallingen met hoofdzakelijk een functie voor verblijf, verplaatsing en gebruik ten dienste van aangrenzende bestemmingen;
  2. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - garageboxen': tevens autoboxen/garageboxen;
  3. bij deze bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen zoals groen, water, parkeer-, speel- en nutsvoorzieningen, reclame-uitingen, elektrische laadpalen, bruggen, ontsluitingswegen, inritten, geluidsschermen en (ondergrondse) afvalinzamelpunten, Abri’s.

14.2 Bouwregels     

14.2.1 Gebouwen     
  1. Op deze gronden mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen worden gebouwd, met inachtneming van de volgende regels:
    1. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 3 m;
    2. de oppervlakte bedraagt niet meer dan 25 m².
  2. In afwijking van het bepaalde in artikel 13 lid 2.1 sub a mogen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - garageboxen' tevens autoboxen c.q. garageboxen worden gebouwd, waarbij de bouwhoogte ten hoogste de bestaande situatie bedraagt zoals aanwezig bij de ter inzage legging van het ontwerpbestemmingsplan;
14.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Binnen deze bestemming mogen bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels voor het bouwen:

  1. de hoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, mag ten hoogste 4 meter bedragen;
  2. de hoogte van kunstobjecten mag ten hoogste 6 meter bedragen;

14.3 Nadere eisen     

14.3.1 Bevoegdheid     

Het bevoegd gezag kan na afweging van de in het geding zijnde belangen nadere eisen stellen met betrekking tot:

  1. de situering, afmeting en hoogte van bouwwerken;
  2. de situering van en het aantal parkeerplaatsen;
  3. de situering van in- en uitritten en andere wegen en paden;
  4. de situering van leidingen en andere daarmee samenhangende constructies;
  5. de (overige) inrichting van het perceel.
14.3.2 Toepassing     

De bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen wordt toegepast:

  1. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  2. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de parkeermogelijkheden in de naaste omgeving;
  3. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving;
  4. ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die uit een oogpunt van verkeersveiligheid, in het bijzonder het benodigde uitzicht op hoeken van wegen, bochten en in- en uitritten niet gewenst is;
  5. ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die uit een oogpunt van brandveiligheid c.q. brand en rampenbestrijding niet gewenst is, waarbij rekening dient te worden gehouden met het waarborgen, in stand houden c.q. tot stand brengen van een brandveilige situatie en goede bereikbaarheid;
  6. ter bescherming en voorkoming van onevenredige aantasting van de (bestaande) boombeplanting en ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing;
  7. ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die uit een oogpunt van milieu niet gewenst is;
  8. ter waarborging en bescherming van monumentale en beeldbepalende bouwwerken alsmede van het aanwezige beschermd dorps- en stadsgezicht;
  9. ter waarborging van de sociale veiligheid.

14.4 Afwijken van de gebruiksregels     

Het bevoegd gezag kan met omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 14 lid 4 ten einde de volgende voorzieningen mogelijk te maken;

  1. een terras ten behoeve van een horecagelegenheid direct aansluitend op de horecagelegenheid;
  2. gebruikmaking van de afwijkingsmogelijkheid als bedoeld in artikel 14 lid 4 sub a kan onder de volgende voorwaarden:
    1. het oppervlak mag niet meer bedragen dan 50 m²;
    2. het belang van derden mag niet onevenredig worden geschaad;
    3. in het kader van de verkeersveiligheid is de aanleg van het terras mogelijk.

Artikel 15 Water     

15.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor Water aangewezen gronden zijn bestemd voor

  1. waterhuishoudkundige doeleinden;
  2. waterberging;
  3. waterlopen met bijbehorende taluds;
  4. ter plaatse van de aanduiding 'ligplaats' tevens voor een ligplaats;
  5. ter plaatse van de aanduiding 'woonschepenligplaats' tevens een ligplaats voor woonschepen;
  6. ter plaatse van de aanduiding 'steiger' tevens voor een steiger;
  7. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water - botenloods' tevens een botenloods;
  8. bermen;
  9. groenvoorzieningen;
  10. recreatieve voorzieningen;
  11. bij de bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen zoals groenvoorzieningen, oeverbeschoeiingen, bruggen.

15.2 Bouwregels     

15.2.1 Gebouwen     

Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen worden gebouwd.

15.2.2 Woonschepen     

Voor de ligplaatsen van woonschepen gelden de volgende regels:

  1. de lengte van een woonschip bedraagt ten hoogste 20 m;
  2. de breedte van een woonschip bedraagt ten hoogste 6 m.;
  3. de hoogte van een woonschip bedraagt ten hoogste 5 m;
  4. het aantal woonschepen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' is aangegeven.
15.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

Binnen deze bestemming mogen bouwwerken geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels:

  1. steigers mogen worden gebouwd mits:
    1. gesitueerd binnen de aanduiding 'steiger';
    2. de steiger niet meer dan 1 meter boven het gemiddelde waterpeil uitsteekt;
  2. bruggen mogen worden gebouwd waarvan de doorvaarhoogte tenminste 2,20 meter bedraagt, gemeten vanaf het gemiddelde waterpeil;
  3. de hoogte van de overige bouwwerken geen gebouwen zijnde mag niet groter zijn dan 1 meter gemeten vanaf het gemiddelde waterpeil.

Artikel 16 Wonen     

16.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor Wonen aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. het wonen, daaronder begrepen aan huis gebonden beroepen;
  2. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - dierenartsenpraktijk': een praktijkruimte ten behoeve van een dierenartsenpraktijk uitsluitend in de kelder en op de begane grond;
  3. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - parkeren op begane grond': een parkeerplaats op de begane grond;
  4. ter plaatse van de aanduiding 'kantoor': tevens een kantoor;
  5. bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals groen, tuinen, water, groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen.

16.2 Bouwregels     

16.2.1 Hoofdgebouwen     

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  1. hoofdgebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd;
  2. de volgende bebouwingstypologie is van toepassing:
    1. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' worden uitsluitend vrijstaande woningen gebouwd;
    2. ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen' worden uitsluitend halfvrijstaande en/of geschakelde woningen gebouwd;
    3. ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd' worden uitsluitend aaneengebouwde woningen gebouwd;
    4. ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' worden uitsluitend gestapelde woningen gebouwd;
    5. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - geschakeld' zijn vrijstaande woningen welke zijn geschakeld middels garages toegestaan;
  3. op de gronden met doorgaande bouwvlakken en de nadere bouwaanduiding ‘vrijstaand’, mag, waar dit bestemmingsvlak wordt begrens door een voorgevellijn, het aantal woningen niet toenemen en gelden voorts de volgende bepalingen:
    1. de breedte van de voorgevel van een vrijstaande woning dient ten minste 7,5 m te bedragen;
    2. de afstand van hoofdgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens dient ten minste 5 m te bedragen;
    3. ondergronds bouwen ten behoeve van kelders is toegestaan, waarbij geldt dat:
      1. het vloeroppervlak van de kelder tezamen met eventuele kelders onder het bij de woning behorende achtererf, ten hoogste 50 m² mag bedragen;
  4. ter plaatse van de aanduiding 'onderdoorgang' is bebouwing op de eerste bouwlaag niet toegestaan;
  5. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - rijksmonument' zijn de gronden en gebouwen tevens bestemd voor de bescherming en instandhouding van rijksmonumenten;
  6. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' mag het aantal woningen niet meer bedragen dan is aangegeven;
  7. ter plaatse van de aanduiding 'maximale goothoogte (m)' is ten hoogste de aangegeven goothoogte toegestaan;
  8. ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte (m)' is ten hoogste de aangegeven bouwhoogte toegestaan;
  9. ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' zijn de bestaande bijbehorende bijgebouwen toegestaan;
  10. ter plaatse van de aanduiding 'gevellijn' moet de voorgevel van het hoofdgebouw zijn georiënteerd.
16.2.2 Bijbehorende bouwwerken     

16.2.2.1 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen     

Voor aan- en uitbouwen en bijgebouwen gelden de volgende regels:

  1. ten behoeve van gestapelde bouw mogen geen aan- en uitbouwen en bijgebouwen gebouwd worden;
  2. de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen bedraagt ten hoogste:
    1. 50% van het woonerf, wanneer de oppervlakte van het perceel niet groter is dan 500 m², met een maximum van 60 m²;
    2. 40% van het woonerf, wanneer de oppervlakte van het perceel groter is dan 500 m², met een maximum van 80 m²;
  3. de afstand van aan- en uitbouwen en bijgebouwen tot de zijdelingse en achterste perceelsgrens bedraagt tenminste 1 m, tenzij in de desbetreffende perceelgrens wordt gebouwd;
  4. aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd vanaf 3 m achter de naar de weg gekeerde gevel cq het verlengde daarvan;
  5. in aanvulling op artikel 16 lid 2.1 sub c dient, indien op de verbeelding een voorgevellijn is aangegeven, de afstand van aan- en uitbouwen en bijgebouwen tot de zijdelingse en achterste perceelsgrens ten minste 2,5 m te bedragen, tenzij de gebouwen in de perceelsgrens worden gebouwd;
  6. in afwijking van het bepaalde in artikel 16 lid 2.2.1 sub c dient, indien op de verbeelding een voorgevellijn is aangegeven, de afstand van uitbouwen en bijgebouwen tot de voorgevellijn ten minste 3 m te bedragen;
  7. de bouwhoogte van aan- of uitbouwen bedraagt ten hoogste 0,25 m boven de hoogte van de eerste verdiepingsvloer van het hoofdgebouw tot een maximum van 4 meter en is niet hoger dan de woning waar tegenaan wordt gebouwd;
  8. de goot- en bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt ten hoogste 3 m;
  9. de diepte van aan- en uitbouwen bedraagt, gemeten vanaf de oorspronkelijke achtergevel, ten hoogste 3,5 m.
16.2.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  1. steigers mogen worden gebouwd mits:
    1. de steiger niet wordt gebouwd aan een doorgaande vaarweg;
    2. de breedte van de steiger niet groter is dan de helft van de perceelsbreedte;
    3. de hoogte van de steiger niet groter is dan 1 meter boven het gemiddelde waterpeil;
  2. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn bedraagt ten hoogste 2 meter;
  3. de maximale bouwhoogte van een overkapping bedraagt 3 m, met dien verstande dat de maximale oppervlakte 25 m² bedraagt en de overkapping minimaal 3 m achter de voorgevel wordt gebouwd;
  4. de hoogte van speeltoestellen nabij gestapelde bouw bedraagt ten hoogste 4 meter;
  5. de hoogte van overige bouwwerken geen gebouwen zijnde bedraagt ten hoogste 3 meter.
16.2.2.3 Kelders     

Voor kelders gelden de volgende regels:

  1. Binnen het gehele bouwvlak mogen kelders worden gebouwd;
  2. in afwijking van het gestelde in sub a, mag, indien op de verbeelding een voorgevellijn is aangegeven, alleen een kelder worden gerealiseerd onder het op te richten hoofdgebouw met in acht name van het gestelde in artikel 16 lid 2.1 sub c onder 3;
  3. Buiten het bouwvlak mogen kelders worden gebouwd mits:
    1. De oppervlakte van de kelder is niet groter dan 30% van de gronden die zijn gelegen zowel buiten het bouwvlak als achter de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan, met een maximum van 50 m²;
    2. De afstand tot de zijdelingse perceelsgrens en de openbare weg tenminste 1 meter bedraagt, tenzij belendende percelen gelijktijdig een kelder bouwen, in welk geval in de gezamenlijke zijdelingse perceelgrens mag worden gebouwd;
    3. De kelder wordt tenminste 3 meter achter de voorgevellijn gesitueerd;
  4. De bovenkant van een kelder mag ten hoogste 0,1 meter beneden het direct aansluitende, al dan niet verharde, terrein liggen, met dien verstande dat in voorkomende gevallen een goede aansluiting op de openbare weg en belendende percelen wordt gerealiseerd;
  5. Een kelder mag niet ten koste gaan van op het perceel aanwezige parkeerplaatsen.

16.3 Nadere eisen     

16.3.1 Bevoegdheid     

Bevoegd gezag kan na afweging van de in het geding zijnde belangen nadere eisen stellen met betrekking tot:

  1. de situering, afmeting en hoogte van bouwwerken;
  2. de situering van en het aantal parkeerplaatsen;
  3. de situering van in- en uitritten en andere wegen en paden;
  4. de situering van leidingen en andere daarmee samenhangende constructies;
  5. de (overige) inrichting van het perceel.
16.3.2 Toepassing     

De bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen wordt toegepast:

  1. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  2. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de parkeermogelijkheden in de naaste omgeving;
  3. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving;
  4. ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die uit een oogpunt van verkeersveiligheid, in het bijzonder het benodigde uitzicht op hoeken van wegen, bochten en in- en uitritten niet gewenst is;
  5. ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die uit een oogpunt van brandveiligheid c.q. brand en rampenbestrijding niet gewenst is, waarbij rekening dient te worden gehouden met het waarborgen, in stand houden c.q. tot stand brengen van een brandveilige situatie en goede bereikbaarheid;
  6. ter bescherming en voorkoming van onevenredige aantasting van de (bestaande) boombeplanting en ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing;
  7. ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die uit een oogpunt van milieu niet gewenst is;
  8. ter waarborging van de sociale veiligheid.

16.4 Afwijken van de bouwregels     

Bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van:

  1. het bepaalde artikel 16 lid 2.1 sub c en artikel 16 lid 2.1 sub e ten behoeve van het realiseren van een dakopbouw/nokverhoging met dien verstande dat:
    1. de nokhoogte met maximaal 1,5 m verruimd mag worden;
  2. het bepaalde in artikel 16 lid 2.2.1 sub d ten einde het dakvlak van het hoofdgebouw door te trekken bij aanbouwen of uitbouwen;
  3. het bepaalde in artikel 16 lid 2.2.1 sub g ten einde een kap op bijgebouw toe te staan tot een maximale nokhoogte tot 5m.
16.4.1 Afwijken mantelzorg     

Bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van:

  1. artikel 16 lid 1 voor het gebruik van bijbehorende bouwwerken bij woningen als afhankelijke woonruimte in combinatie met de noodzakelijke verbouw daarvan, of;
  2. de bouwregels van de vigerende bestemmingsplannen voor het creëren van extra bouwmogelijkheden in de vorm van een bijbehorend bouwwerk, een aan-, uitbouw en/ of bijgebouw zijnde, bij woningen ten behoeve van mantelzorg; met inachtneming van de volgende voorwaarden:
    1. door een deskundige is aangetoond dat de afwijking noodzakelijk is in verband met medische, psychische en/of sociale omstandigheden;
    2. door de vestiging van extra woonruimte mag er geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de in het geding zijnde belangen waaronder die van omwonenden en bedrijven;
    3. de noodzakelijke parkeervoorzieningen dienen op eigen terrein te worden gesitueerd, dan wel conform de huidige situatie.
    4. er mag geen extra ontsluitingsmogelijkheid op de openbare weg worden gemaakt;
    5. het gebruik van aan,-uitbouw en/of bijgebouw mag niet plaats vinden bij recreatiewoningen;
    6. er een getekende overeenkomst met de gemeente is, waarin is geregeld; - melding van beëindiging van de mantelzorg situatie - bankgarantie van 10% van de (ver)bouwkosten met een minimum van 2.500 euro - bouwkundig rapport met omschrijving van het terugbrengen in oude staat na beëindiging van de mantelzorg.
16.4.1.1 Voorwaarden     

Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 16 lid 4.1 sub a van dit plan kan bovendien slechts worden afgegeven indien:

  1. er op het erf sprake is van aanwezige bijbehorende bouwwerken, aan-, uitbouw, en/of bijgebouwen zijnde, die geschikt kunnen worden gemaakt voor het bieden van mantelzorg;
  2. de aanvrager ter toetsing met de indiening van de aanvraag om afwijking een bouwkundig rapport overlegt, waarin een overzicht gegeven wordt van:
    1. de bestaande bouwkundige en gebruikssituatie;
    2. de te treffen voorzieningen;
    3. de nieuwe (inrichtings)situatie;
  3. er een getekende overeenkomst met de gemeente is, waarin is geregeld; - melding van beëindiging van de mantelzorg situatie - bankgarantie van 10% van de (ver)bouwkosten met een minimum van 2.500 euro - bouwkundig rapport met omschrijving van het terugbrengen in oude staat na beëindiging van de mantelzorg.
16.4.1.2 Bebouwingsvoorwaarden     

Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 16 lid 4.1 sub b van dit plan kan slechts worden afgegeven indien:

  1. het bruto vloeroppervlak aan, aan-, uitbouw, en/of bijgebouwen ten hoogste 100 m2 bedraagt, met dien verstande dat het gezamenlijk bebouwd oppervlak ten hoogste 75% van het achtererf bedraagt;
  2. er op het erf geen sprake is van reeds aanwezige aan-, uit-, en/of bijgebouwen die geschikt kunnen worden gemaakt voor het bieden van mantelzorg;
  3. de goothoogte van een aan- of uitgebouwde uitbreiding van de woonruimte niet meer bedraagt dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw met een maximum van 3,00 meter;
  4. de goothoogte van een bijgebouw c.q. mantelzorgwoning niet meer bedraagt dan 3,00 meter;
  5. de nokhoogte maximaal 3/4 gedeelte van de nokhoogte van het hoofdgebouw bedraagt;
  6. de aanvrager ter toetsing van dit plan met de indiening van de aanvraag om afwijking een bouwkundig rapport overlegt, waarin een overzicht gegeven wordt van:
    1. de bestaande bouwkundige en gebruikssituatie;
    2. de te treffen voorzieningen;
    3. de nieuwe (inrichtings)situatie;
  7. er een getekende overeenkomst met de gemeente is, waarin is geregeld; - melding van beëindiging van de mantelzorg situatie - bankgarantie van 10% van de (ver)bouwkosten met een minimum van 2.500 euro - bouwkundig rapport met omschrijving van het terugbrengen in oude staat na beëindiging van de mantelzorg.
16.4.1.3 Intrekken omgevingsvergunning     

Het bevoegd gezag trekt de omgevingsvergunning, verleend op grond van artikel 16 lid 4.1 in, indien de bij het verlenen van de omgevingsvergunning bestaande noodzaak vanuit een oogpunt van mantelzorg niet meer aanwezig is.

16.4.2 Afwijken bed and breakfast     

Bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in artikel 16 lid 1 voor het gebruik van woningen ten behoeve van bed and breakfast mits:

  1. er niet meer dan 3 kamers voor bed and breakfast beschikbaar worden gesteld;
  2. de bed and breakfast ondergeschikt is aan de woonfunctie;
  3. de exploitant van de bed and breakfast de hoofdbewoner van de woning is;
  4. er op eigen terrein in de nodige parkeerbehoefte kan worden voorzien.

16.5 Specifieke gebruiksregels     

Gebruik van ruimten binnen de woning ten behoeve van de uitoefening van aan huis gebonden beroepen wordt als gebruik overeenkomstig de bestemming aangemerkt voor zover dit gebruik ondergeschikt blijft aan de woonfunctie en mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  1. ten hoogste 40% van het vloeroppervlak van de woning tot ten hoogste 30 m² wordt gebruikt voor het aan-huis-verbonden beroep;
  2. degene die het aan-huis-verbonden beroep in de woning uitoefent, dient tevens de bewoner van de woning te zijn;
  3. door degene die het aan-huis-verbonden beroep uitoefent, kan worden aangetoond dat de uitoefening van het beroep geen extra parkeerruimte vereist binnen het openbaar gebied;
  4. voorzien is in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein;
  5. er mag geen detailhandel, groothandel of horeca plaatsvinden.

16.6 Afwijken van de gebruiksregels     

Bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 16 lid 1 voor het gebruik van ruimten binnen de woning en op het erf voor aan-huis-verbonden (bedrijfs)activiteiten, voor zover dit gebruik ondergeschikt blijft aan de woonfunctie en mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  1. ten hoogste 40% van het vloeroppervlak van – bij elkaar geteld – de woning en de bijgebouwen, tot ten hoogste 50 m², mag worden gebruikt voor het aan- huis-verbonden bedrijf;
  2. degene die de activiteiten in de woning of het bijgebouw zal uitvoeren, dient tevens de bewoner van de woonwagen te zijn;
  3. de noodzakelijke parkeervoorzieningen dienen op eigen terrein te worden gesitueerd;
  4. het bedrijf dient qua aard, milieubelasting en uitstraling te passen in een woonomgeving;
  5. voor de activiteit is geen omgevingsvergunning milieu benodigd;
  6. er mag geen detailhandel, groothandel of horeca plaatsvinden, uitgezonderd een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit in verband met de aan-huis-verbonden activiteit.

Artikel 17 Wonen - Woonwagenstandplaats     

17.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor Wonen - Woonwagenstandplaats aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. woonwagenstandplaatsen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een aan huis verbonden beroep;
  2. bij deze bestemming behorende bouwwerken, geen gebouw zijnde en voorzieningen zoals groen, erven, tuinen, speelvoorzieningen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, aanlegsteigers, bruggen, duikers, keerwanden, beschoeiingen, nutsvoorzieningen, voet- en fietspaden, ontsluitingswegen en –paden, parkeervoorzieningen, laad- en losvoorzieningen, (ondergrondse) afvalinzamelpunten, reclame-uitingen, geluidwerende voorzieningen, elektrische laadpalen, verlichting, verkeersregeling).

17.2 Bouwregels     

17.2.1 Hoofdgebouwen (woonwagens)     

Voor het bouwen van de hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  1. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' zijn ten hoogste het aangegeven aantal woonwagens toegestaan;
  2. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte' is ten hoogste de aangegeven maximum bouwhoogte toegestaan.
17.2.2 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen     

Voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen gelden de volgende regels:

  1. de gezamenlijke inhoud van aan- en uitbouwen en bijgebouwen bedraagt 50 m³ per woonwagenstandplaats;
  2. de bouwhoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen bedraagt ten hoogste 3 m.
17.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan niet meer dan 1 meter mag bedragen;
  2. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m.

17.3 Nadere eisen     

17.3.1 Bevoegdheid     

Het bevoegd gezag kan na afweging van de in het geding zijnde belangen nadere eisen stellen met betrekking tot:

  1. de situering, afmeting en hoogte van bouwwerken;
  2. de situering van en het aantal parkeerplaatsen;
  3. de situering van in- en uitritten en andere wegen en paden;
  4. de situering van leidingen en andere daarmee samenhangende constructies;
  5. de (overige) inrichting van het perceel.
17.3.2 Toepassing     

De bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen wordt toegepast:

  1. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  2. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de parkeermogelijkheden in de naaste omgeving;
  3. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving;
  4. ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die uit een oogpunt van verkeersveiligheid, in het bijzonder het benodigde uitzicht op hoeken van wegen, bochten en in- en uitritten niet gewenst is;
  5. ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die uit een oogpunt van brandveiligheid c.q. brand en rampenbestrijding niet gewenst is, waarbij rekening dient te worden gehouden met het waarborgen, in stand houden c.q. tot stand brengen van een brandveilige situatie en goede bereikbaarheid;
  6. ter bescherming en voorkoming van onevenredige aantasting van de (bestaande) boombeplanting en ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing;
  7. ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die uit een oogpunt van milieu niet gewenst is;
  8. ter waarborging en bescherming van monumentale en beeldbepalende bouwwerken alsmede van het aanwezige beschermd dorps- en stadsgezicht;
  9. ter waarborging van de sociale veiligheid.
17.3.3 Specifieke gebruiksregels     

Gebruik van ruimten binnen de woonwagen ten behoeve van de uitoefening van een aan huis verbonden beroep wordt als gebruik overeenkomstig de bestemming aangemerkt voor zover dit gebruik ondergeschikt blijft aan de woonfunctie en mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  1. maximaal 40% van het vloeroppervlak van de woonwagen tot ten hoogste 30 m² mag worden gebruikt voor het aan huis verbonden beroep;
  2. degene die het aan huis verbonden beroep in de woonwagen uitoefent, dient tevens de bewoner van de woonwagen te zijn;
  3. door degene die het aan huis verbonden beroep uitoefent, kan worden aangetoond dat de beroepsuitoefening geen extra parkeerruimte vereist binnen het openbaar gebied;
  4. er mag geen detailhandel, groothandel of horeca plaatsvinden.

17.4 Afwijken van de bouwregels     

Het bevoegd gezag kan afwijking verlenen van het bepaalde in lid 32.4 voor het gebruik van ruimten binnen de woonwagen en op het erf voor aan huis verbonden bedrijfsactiviteiten, voor zover dit gebruik ondergeschikt blijft aan de woonfunctie en mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  1. maximaal 40% van het vloeroppervlak van – bij elkaar geteld – de woonwagen en de bijgebouwen, tot ten hoogste 50 m², mag worden gebruikt voor de aan huis verbonden bedrijfsactiviteit;
  2. degene die de bedrijfsactiviteiten in de woonwagen of het bijgebouw zal uitvoeren, dient tevens de bewoner van de woonwagen te zijn;
  3. de noodzakelijke parkeervoorzieningen dienen op eigen terrein te worden gesitueerd;
  4. de bedrijfsactiviteit dient qua aard, milieubelasting en uitstraling te passen in een woonomgeving;
  5. de bedrijfsactiviteit mag niet milieuvergunningplichtig zijn;
  6. er mag geen detailhandel, groothandel of horeca plaatsvinden, uitgezonderd een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit in verband met de aan huis verbonden bedrijfsactiviteit.

Artikel 18 Bedrijf - Uit te werken     

18.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor Bedrijf - Uit te werken aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. bedrijven uit de categorie 1 van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten, zoals weergegeven in bijlagen bij de regels bijlage 2;
  2. kantoren met inachtneming van het volgende:
    1. zelfstandige kantoren tot een maximaal bruto vloeroppervlak van 1.000 m² per vestiging;
    2. onzelfstandige kantoren tot een bruto vloeroppervlak dat minder bedraagt dan 50% van het totale bruto vloeroppervlak en minder is dan 3.000 m²;
  3. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - calamiteitenontsluiting' een calamiteitenontsluiting;
  4. de bij deze bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen, zoals water, (ontsluitings)wegen, nuts-, parkeer-, en laad- en losvoorzieningen, groen, voet- en fietspaden, waterhuishoudkundige voorzieningen en (ondergrondse) afvalinzamelpunten.

18.2 Uitwerkingsregels     

Burgemeester en wethouders werken de in artikel 18 lid 1 genoemde bestemming nader uit, met inachtneming van de volgende uitwerkingsregels:

18.2.1 Bouwregels     
  1. de bebouwing dient binnen het bouwvlak te worden gerealiseerd;
  2. de maximale bouwhoogte bedraagt niet meer dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte (m) is aangeduid;
  3. het bebouwd oppervlak bedraagt maximaal 1.201 m² met dien verstande dat maximaal 6 panden mogen worden gebouwd met een maximum bebouwd oppervlak van 200 m² per pand;
  4. overkappingen zijn niet toegestaan;
  5. het bestemmingsvlak 'Bedrijf - Uit te werken' dient voor minimaal 15% een groene invulling te krijgen;
  6. in het bestemmingsvlak 'Bedrijf - Uit te werken' dient water te worden gerealiseerd met dien verstande dat dit tenminste 15% van het toegenomen oppervlakte aan verharding dient te zijn;
  7. in aanvulling op het bepaalde onder f dient het bestaande water dat wordt gedempt voor 100% te worden gecompenseerd;
  8. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - afscherming' dient een groene afscherming in de vorm van bomen te worden opgericht;
  9. er dient een calamiteitenontsluiting, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - calamiteitenontsluiting' te worden gerealiseerd;
  10. per 100 m² bedrijfsvloeroppervlak dient in het bestemmingsvlak 'Bedrijf – Uit te werken' te worden voorzien in 2,05 parkeerplaatsen;
  11. in afwijking van het gestelde onder j dient in het bestemmingsvlak 'Bedrijf – Uit te werken' per 100 m² bedrijfsvloeroppervlak van een zelfstandig kantoor met baliefunctie te worden voorzien in 2,85 parkeerplaatsen;
  12. van het bepaalde in artikel 18 lid 2.1 sub c kan worden afgeweken ten einde maximaal twee panden samen te voegen tot één pand, met dien verstande dat het maximum bruto vloeroppervlakte van een zelfstandig kantoor per vestiging, zoals bedoeld in artikel 18 lid 1 sub b onder 1 en het maximaal bebouwd oppervlak zoals bedoeld onder artikel 18 lid 2.1 sub c niet wordt overschreden;
  13. indien gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om twee panden samen te voegen zoals bedoeld onder artikel 18 lid 2.1 sub l, dan bedraagt het aantal panden minimaal 3 en maximaal 5.
18.2.2 Gebruiksregels     
  1. Bevi-inrichtingen zijn niet toegestaan;
  2. detailhandel is niet toegestaan;
  3. geluidshinderlijke inrichtingen in de zin van de Wet geluidhinder zijn niet toegestaan;
  4. opslag van meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk is niet toegestaan;
  5. activiteiten uit kolom 1 van bijlagen C en D van het Besluit milieueffectrapportage 1994 zijn niet toegestaan in de gevallen zoals bedoeld in kolom 2 van de desbetreffende bijlage;
  6. bedrijfswoningen zijn niet toegestaan.
  7. van het bepaalde in artikel 18 lid 1 sub a kan worden afgeweken, teneinde bedrijven toe te laten die voorkomen in een categorie hoger dan op basis van het bepaalde in artikel 18 lid 1 sub a toelaatbaar is, indien en voorzover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving geacht kan worden te behoren tot de toelaatbare categorie zoals genoemd in artikel 18 lid 1 sub a;
  8. van het bepaalde in artikel 18 lid 1 sub a kan worden afgeweken, teneinde bedrijven toe te laten die niet voorkomen in de Staat van bedrijfsactiviteiten (zie bijlagen bij de regels bijlage 2), indien en voorzover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving geacht kan worden te behoren tot de toelaatbare categorie zoals genoemd in artikel 18 lid 2.1 sub a;
  9. het bevoegd gezag kan het plan wijzigen door het opnemen dan wel afvoeren van een bedrijf indien ontwikkelingen op het gebied van de milieuhygiëne dan wel technologische ontwikkeling daartoe aanleiding geven.

18.3 Bouwregels     

Op deze gronden mag uitsluitend worden gebouwd in overeenstemming met een in werking getreden uitwerkingsplan en met inachtneming van de in dat plan opgenomen regels.

18.3.1 Dempverbod     

Op deze gronden mogen oppervlaktewateren alleen worden gedempt in overeenstemming met een in werking getreden uitwerkingsplan en met inachtneming van de in dat plan opgenomen regels.

18.3.2 Nadere eisen     

18.3.2.1 Bevoegdheid     

Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de plaats en afmeting van de bebouwing, ten behoeve van:

  1. een samenhangend straat en bebouwingsbeeld;
  2. de verkeersveiligheid;
  3. de milieusituatie;
  4. de sociale veiligheid;
  5. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  6. reclame-uitingen.
18.3.2.2 Toepassing     

De bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen wordt toegepast:

  1. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  2. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de parkeermogelijkheden in de naaste omgeving;
  3. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving;
  4. ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die uit een oogpunt van verkeersveiligheid, in het bijzonder het benodigde uitzicht op hoeken van wegen, bochten en in- en uitritten niet gewenst is;
  5. ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die uit een oogpunt van brandveiligheid c.q. brand en rampenbestrijding niet gewenst is, waarbij rekening dient te worden gehouden met het waarborgen, in stand houden c.q. tot stand brengen van een brandveilige situatie en goede bereikbaarheid;
  6. ter bescherming en voorkoming van onevenredige aantasting van de (bestaande) boombeplanting en ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing;
  7. ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die uit een oogpunt van milieu niet gewenst is;
  8. ter waarborging van de sociale veiligheid.

Artikel 19 Leiding - Hoogspanningsverbinding     

19.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor Leiding - Hoogspanningsverbinding aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. een bovengrondse 150 kV-verbinding met de daarbij behorende bouwwerken en andere werken;
  2. exploitatie van GSM netwerkantennes door en/of ten behoeve van derden en mag op deze gronden, door en/of ten behoeve van derden, gebruik worden gemaakt van (in beginsel onbemande) datacommunicatiemiddelen voor de exploitatie van glasvezelnetwerken;

waarbij alle overige bestemmingen daaraan ondergeschikt zijn.

19.2 Bouwregels     

Op de in artikel 19 lid 1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken worden gerealiseerd ten behoeve van de bovengrondse hoogspanningsverbinding.

19.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden     

19.3.1 Verbod zonder vergunning     

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag, de navolgende werken en/of werkzaamheden, geen normale onderhoudswerkzaamheden zijnde, in de 55 meter brede zakelijk rechtstrook van de bovengrondse hoogspanningsverbinding uit te voeren of te doen uitvoeren:

  1. het plaatsen van onroerende objecten, geen bebouwing zijnde;
  2. het aanleggen van wegen en verhardingen;
  3. het aanbrengen van hoogopgaande beplantingen en/of bomen;
  4. het wijzigen van het maaiveldniveau;
  5. het leggen van kabels en leidingen.
19.3.2 Voorwaarden     

Alvorens te beslissen omtrent een aanvraag om omgevingsvergunning, als bedoeld onder artikel 19 lid 3 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de leidingbeheerder.

Artikel 20 Leiding - Riool     

20.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor Leiding - Riool aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:

  1. een ondergrondse afvalwatertransportleiding;
  2. bij de bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen.

20.2 Bouwregels     

Voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

  1. in afwijking van het bepaalde bij de andere daar voorkomende bestemmingen(en) mag alleen ten dienste van deze bestemming worden gebouwd;
  2. gebouwen mogen niet worden gebouwd;
  3. de maximale bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m.

20.3 Afwijken van de bouwregels     

20.3.1 Afwijken voor bouwen ten behoeve van andere bestemmingen     

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 20 lid 2 voor de bouw van bouwwerken ten behoeve van de andere daar voorkomende bestemming(en).

20.3.2 Uitzondering     

Een omgevingsvergunning voor het afwijken is niet vereist indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruikt wordt gemaakt van de bestaande fundering.

20.3.3 Voorwaarden     

Een omgevingsvergunning voor het afwijken wordt verleend indien de bij de betrokken bestemming behorende (bouw)regels in acht worden genomen en het belang van de ondergrondse afvalwatertransportleiding(en) niet onevenredig worden geschaad. Alvorens omtrent het verlenen van ontheffing te beslissen, winnen burgemeester en wethouders advies in bij de beheerder(s) van de leiding(en).

20.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden     

20.4.1 Verbod     

Het is verboden op of in de gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren:

  1. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe wordt gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage (verlagen van grondwaterpeil);
  2. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  3. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
  4. het aanleggen of aanbrengen van dijken of andere taluds, kaden of aanlegplaatsen;
  5. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen, het bebossen en aanplanten van gronden en het verwijderen, kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting alsmede het verwijderen van oevervegetaties.
20.4.2 Uitzonderingen     

Het verbod van artikel 20 lid 4.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of bouwwerken die:

  1. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor ontheffing is verleend als in artikel 20 lid 3 bedoeld;
  2. normaal onderhoud, beheer en gebruik ten dienste van de bestemming betreffen;
  3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit plan;
  4. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning.
20.4.3 Voorwaarden     

De omgevingsvergunning wordt verleend indien het belang van de ondergrondse afvalwatertransportleiding(en) door de werken en werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad en ter zake vooraf advies van de beheerder(s) van de leiding(en) is ingewonnen.

Artikel 21 Waarde-Archeologie 2     

21.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor Waarde-Archeologie 2 aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden.

21.2 Bouwregels     

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

  1. Op deze gronden mogen ten behoeve van de in artikel 21 lid 1 bedoelde bestemming uitsluitend gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd die voor aanvullend of definitief archeologisch onderzoek (opgraven) noodzakelijk zijn, mits de bepalingen van artikel 21 lid 3 vooraf in acht zijn genomen.
  2. Tevens mogen op deze gronden gebouwen/bouwwerken geen gebouwen zijnde worden opgericht voor de primaire bestemming(en) als bedoeld in het betreffende bestemmingsplan, mits de bepalingen van artikel 21 lid 3 vooraf in acht zijn genomen.

21.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden     

21.3.1 Verbod zonder vergunning     
  1. Het is verboden op of in de gronden met de dubbelbestemming Waarde-Archeologie 2 zonder of in afwijking van een schriftelijke omgevingsvergunning van het gevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, dieper dan 50 cm en over een (totale) oppervlakte groter dan 100 m².
    1. grondwerkzaamheden, waartoe wordt gerekend het ophogen, afgraven, verwijderen van oude funderingen, woelen en mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
    2. het planten of rooien van bomen en diepwortelende struiken waarbij stobben worden verwijderd;
    3. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
    4. het verlagen van het waterpeil;
    5. het werken met opsporingsapparatuur (waaronder vallen metaaldetectoren, grondradar en ander detectieapparatuur), gevolgd door het opgraven van archeologische vondsten en relicten;
    6. het heien van palen en slaan van damwanden;
  2. De aanvrager van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, dient bij het indienen van de aanvraag een archeologisch rapport over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van bevoegd gezag, in voldoende mate is vastgesteld.
  3. De werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden als bedoeld onder lid a 1 t/m 6 zijn slechts toelaatbaar, indien en voor zover deze door die werken of werkzaamheden geen afbreuk doen aan het behoud en de bescherming van de archeologische waarden in de desbetreffende gronden.
21.3.2 Uitzonderingen op het verbod     

Het verbod zoals bedoeld in artikel 21 lid 3 is niet van toepassing indien:

  1. het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplanting en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  2. de werken of werkzaamheden:
    1. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
    2. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of ontgrondingenvergunning;
21.3.3 Voorwaarden     

Aan de omgevingsvergunning kunnen de volgende voorwaarden worden verbonden:

  1. de verplichting tot het doen van archeologisch bureauonderzoek;
  2. de verplichting tot het doen van inventariserend en/of waarderend archeologisch onderzoek zoals boringen, proefsleuven en non-destructief onderzoek (zoals bijvoorbeeld grondradar- en weerstandsonderzoek);
  3. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden kunnen worden behouden (behoud in situ);
  4. de verplichting tot definitief archeologisch onderzoek (opgraven) en het conserveren van de archeologische resten en het opstellen van een eindrapportage;
  5. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door bevoegd gezag te stellen kwalificaties (archeologische begeleiding);

21.4 Wijzigingsbevoegdheid     

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen door:

  1. de dubbelbestemming Waarde-Archeologie 2 geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van inventariserend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;
  2. aan gronden alsnog de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 1 of de dubbelbestemming Waarde-Archeologie 3 toe te kennen indien uit inventariserend en/of definitief archeologisch onderzoek blijkt dat de begrenzing van de gronden met deze medebestemming, gelet op ter plaatse aanwezige archeologische waarden, aanpassing behoeft.

Artikel 22 Waarde-Archeologie 3     

22.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor Waarde-Archeologie 3 aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden.

22.2 Bouwregels     

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

  1. Op deze gronden mogen ten behoeve van de in artikel 22 lid 1 bedoelde bestemming uitsluitend gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd die voor aanvullend of definitief archeologisch onderzoek (opgraven) noodzakelijk zijn, mits de bepalingen van artikel 22 lid 3 vooraf in acht zijn genomen.
  2. Tevens mogen op deze gronden gebouwen/bouwwerken geen gebouwen zijnde worden opgericht voor de primaire bestemming(en) als bedoeld in het betreffende bestemmingsplan, mits de bepalingen van artikel 22 lid 3 vooraf in acht zijn genomen.

22.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden     

22.3.1 Verbod zonder vergunning     
  1. Het is verboden op of in de gronden met de dubbelbestemming Waarde-Archeologie 3 zonder of in afwijking van een schriftelijke omgevingsvergunning van bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, dieper dan 50 cm en over een (totale) oppervlakte groter dan 250 m².
    1. grondwerkzaamheden, waartoe wordt gerekend het ophogen, afgraven, verwijderen van oude funderingen, woelen en mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
    2. het planten of rooien van bomen en diepwortelende struiken waarbij stobben worden verwijderd;
    3. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
    4. het verlagen van het waterpeil;
    5. het werken met opsporingsapparatuur (waaronder vallen metaaldetectoren, grondradar en ander detectieapparatuur), gevolgd door het opgraven van archeologische vondsten en relicten;
    6. het heien van palen en slaan van damwanden;
  2. De aanvrager van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, dient bij het indienen van de aanvraag een archeologisch rapport over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van bevoegd gezag, in voldoende mate is vastgesteld.
  3. De werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden als bedoeld onder lid a 1 t/m 6 zijn slechts toelaatbaar, indien en voor zover deze door die werken of werkzaamheden geen afbreuk doen aan het behoud en de bescherming van de archeologische waarden in de desbetreffende gronden.
22.3.2 Uitzonderingen op het verbod     

Het verbod zoals bedoeld in artikel 22 lid 3 is niet van toepassing indien:

  1. het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplanting en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  2. de werken of werkzaamheden:
    1. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
    2. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of ontgrondingenvergunning;
22.3.3 Voorwaarden     

Aan de omgevingsvergunning kunnen de volgende voorwaarden worden verbonden:

  1. de verplichting tot het doen van archeologisch bureauonderzoek;
  2. de verplichting tot het doen van inventariserend en/of waarderend archeologisch onderzoek zoals boringen, proefsleuven en non-destructief onderzoek (zoals bijvoorbeeld grondradar- en weerstandsonderzoek);
  3. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden kunnen worden behouden (behoud in situ);
  4. de verplichting tot definitief archeologisch onderzoek (opgraven) en het conserveren van de archeologische resten en het opstellen van een eindrapportage;
  5. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door bevoegd gezag te stellen kwalificaties (archeologische begeleiding);

22.4 Wijzigingsbevoegdheid     

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen door:

  1. de dubbelbestemming Waarde-Archeologie 3 geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van inventariserend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;
  2. aan gronden alsnog de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 1 of de dubbelbestemming Waarde-Archeologie 2 toe te kennen indien uit inventariserend en/of definitief archeologisch onderzoek blijkt dat de begrenzing van de gronden met deze medebestemming, gelet op ter plaatse aanwezige archeologische waarden, aanpassing behoeft.

Artikel 23 Waterstaat - Waterkering     

23.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor Waterstaat - Waterkering aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:

  1. de instandhouding van waterkeringen met de daarbij behorende waterstaatswerken zoals taluds, dijken en onderhoudswegen;
  2. bij deze bestemming behorende bouwwerken, geen gebouw zijnde en voorzieningen van waterbouwkundige aard zoals duikers, keerwanden en beschoeiingen.

23.2 Bouwregels     

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

  1. in afwijking van het bepaalde bij de andere daar voorkomende bestemmingen mag alleen ten dienste van deze bestemming worden gebouwd;
  2. gebouwen mogen niet worden gebouwd;
  3. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m;

23.3 Afwijken van de bouwregels     

23.3.1 Afwijken voor bouwen ten behoeve van andere bestemmingen     

Het bevoegd gezag kan afwijking verlenen van het bepaalde in artikel 23 lid 2 sub a voor de bouw van bouwwerken ten behoeve van de andere daar voorkomende bestemming(en).

23.3.2 Uitzondering     

Afwijking is niet vereist indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruikt wordt gemaakt van de bestaande fundering.

23.3.3 Voorwaarden voor afwijken     

Afwijking wordt verleend indien de bij de betrokken bestemming behorende (bouw)regels in acht worden genomen en het belang van de waterkering(en) niet onevenredig worden geschaad. Alvorens omtrent het verlenen van afwijking te beslissen, wint het bevoegd gezag advies in bij de waterbeheerder.

23.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden     

23.4.1 Verbod zonder vergunning     

Het is verboden op of in de gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren:

  1. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe wordt gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage (verlagen van grondwaterpeil);
  2. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  3. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
  4. het aanleggen of aanbrengen van dijken of andere taluds, kaden of aanlegplaatsen;
  5. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen, het bebossen en aanplanten van gronden en het verwijderen, kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting alsmede het verwijderen van oevervegetaties;
  6. het aanbrengen van boven- of ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
23.4.2 Uitzondering op aanlegverbod     

Het verbod van artikel 23 lid 4.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  1. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor afwijking is verleend als in artikel 23 lid 3;
  2. normaal onderhoud, beheer en gebruik ten dienste van de bestemming betreffen;
  3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit plan;
  4. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning.
23.4.3 Voorwaarden voor omgevingsvergunning     

Omgevingsvergunning wordt verleend indien het belang van de waterkering(en) door de werken en werkzaamheden zoals in artikel 23 lid 4.1 bedoeld niet onevenredig worden geschaad en ter zake vooraf advies van de beheerder(s) van de waterkering(en) is ingewonnen.

Hoofdstuk 3 Algemene regels     

Artikel 24 Anti-dubbeltelregel     

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

25 Algemene bouwregels     

25.1 Algemene regels     

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

  1. voor zover legaal gebouwde (delen van) bouwwerken op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan niet voldoen aan de in het plan genoemde afstands-, hoogte-, inhouds-, en oppervlaktematen alsmede bebouwingspercentages gelden de dan aanwezige maten en percentages, uitsluitend ter plaatse van de afwijking, als vervangende regel;
  2. in geval van herbouw is het bepaalde in dit lid onder a. uitsluitend van toepassing indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt;
  3. ondergrondse bebouwing is ter plaatse van bovengrondse bebouwing toegestaan, tenzij in de bouwregels van de betreffende bestemming anderszins is bepaald, met inachtneming van de volgende regels:
    1. ondergrondse ruimten vormen een functionele eenheid met en zijn dienstbaar aan de ter plaatse toegestane functies zoals berg- en parkeerruimten en fietsenstallingen;
    2. op het bouwen van ondergrondse ruimten zijn de aanduidingen op de verbeelding en de bouwregels van het plan op overeenkomstige wijze van toepassing, met dien verstande dat de verticale diepte van ondergrondse bouwwerken niet meer bedraagt dan 3,5 m beneden peil;
    3. in afwijking van het bepaalde in de onderdelen 1. en 2. is ondergronds bouwen ten behoeve van kelders bij (dienst)woningen toegestaan overeenkomstig de bouwregels van de betreffende bestemming;
  4. bouwgrenzen – niet zijnde bestemmingsgrenzen – mogen worden overschreden door:
    1. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, entreeportalen veranda's en afdaken, mits de overschrijding niet meer dan 2,5 m bedraagt:
    2. andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen – niet zijnde erkers – mits de overschrijding niet meer dan 1,5 m bedraagt;
  5. bij het bouwen van gebouwen dient te worden voldaan aan de in de bijlagen bij de regels bijlage 3 genoemde parkeernormen, met dien verstande dat de parkeerplaatsen op het eigen bouwperceel dienen te worden gerealiseerd.

Artikel 26 Algemene gebruiksregels     

26.1 Parkeren     

  1. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van wonen binnen de bestemming Wonen is uitsluitend toegestaan indien is voorzien in ten minste 1,8 parkeerplaatsen per woning, waarbij een garage bij een woning als 0,5 parkeerplaats wordt beschouwd.

26.2 Verboden gebruik     

Het is verboden de gronden, bouwwerken en onderkomens te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan die gronden gegeven bestemming, waaronder in ieder geval wordt gerekend:

  1. het gebruik van de gronden, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van een seksinrichting, escortbedrijf, raamprostitutie en straatprostitutie;
  2. de permanente bewoning van recreatiewoningen, kampeermiddelen en andere onderkomens en gebouwen die niet voor permanente bewoning bestemd zijn;
  3. het gebruik van niet-bebouwde grond als permanente staan- of ligplaats van demonteerbare of verplaatsbare inrichtingen voor de verkoop van etenswaren en/of dranken;
  4. het gebruik van niet-bebouwde grond als staan- of ligplaats voor kampeermiddelen buiten de daarvoor aangewezen gronden;
  5. het gebruik van niet-bebouwde grond als staan- of ligplaats voor, voor menselijk of dierlijk verblijf geschikte, al dan niet aan hun bestemming onttrokken, vaar- of voertuigen, arken of andere objecten, voor zover die niet als bouwwerk zijn aan te merken;
  6. het gebruik van niet-bebouwde grond voor het opslaan, storten of bergen van al dan niet afgedankte stoffen, voorwerpen en producten, tenzij dit gebruik noodzakelijk is voor of verband houdt met het op de bestemming gerichte gebruik van de gronden, dan wel indien in hoofdstuk 2 van deze regels anderszins is bepaald;

Artikel 27 Algemene aanduidingsregels     

27.1 Vrijwaringszone - Molenbiotoop     

27.1.1 Bouwregels     
  1. De maximale bouwhoogte van bouwwerken op gronden die vallen binnen de cirkel met een straal van 100 m en ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone-molenbiotoop' mag niet hoger zijn dan de onderste punt van de wiek in verticale stand;
  2. De maximale bouwhoogte van bouwwerken op gronden die vallen binnen de cirkel van 400 m en ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone-molenbiotoop' mag niet hoger zijn dan 1/30 van de afstand tussen de bebouwing en het middelpunt van de molen vermeerderd met de hoogte van de onderste punt van de wiek in verticale stand.
27.1.2 Afwijken van de bouwregels     

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 27 lid 1.1 teneinde hogere bebouwing toe te laten, mits daardoor de windvang, het functioneren en de zichtbaarheid van de molen niet in onevenredige mate worden geschaad. Bevoegd gezag geeft niet eerder de omgevingsvergunning af dan dat instemming is verkregen van de provincie Zuid-Holland.

27.1.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk     
  1. Het is verboden op de gronden ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
    1. het aanbrengen van bovengrondse constructies, installaties of apparatuur, voor zover het geen bouwwerken betreft;
    2. het ophogen van gronden;
    3. het beplanten met bomen, heesters en andere opgaande begroeiing.
  2. Het in artikel 27 lid 1.3 sub a vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
    1. het normale onderhoud betreffen overeenkomstig de bestemmingen van deze gronden, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn en/of voortvloeien uit het normale gebruik overeenkomstig de bestemming;
    2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
  3. De in artikel 27 lid 1.3 sub a genoemde vergunning kan slechts worden verleend, indien:
    1. er sprake is van een situatie waarin vrije windvang en het zicht op de molen al beperkt zijn door bebouwing, zolang de vrije windvang en het zicht op de molen niet verder worden beperkt, of
    2. zeker is gesteld dat de belemmering van de windvang en het zicht op de molen door maatregelen elders in de molenbeschermingszone worden gecompenseerd.
27.1.4 Advies     

Alvorens te beslissen over de aanvraag van een omgevingsvergunning wint bevoegd gezag advies in van de provincie Zuid-Holland.

Artikel 28 Algemene afwijkingsregels     

28.1 Maten en bouwgrenzen     

Burgemeester en wethouders kunnen – tenzij op grond van hoofdstuk 2 reeds afgeweken kan worden van de regels – afwijken van de regels in het plan, indien daardoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken, voor:

  1. afwijkingen van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 10%;
  2. overschrijding van bouwgrenzen, aanduidingsgrenzen en overige aanduidingen indien dit uit het oogpunt van een doelmatig gebruik van de gronden en/of bebouwing gewenst is, met inachtneming van de volgende regels:
    1. de overschrijdingen bedragen niet meer dan 3 m;
    2. het bouwvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot;
  3. het in geringe mate afwijken van bestemmingsgrenzen, bouwgrenzen, aanduidingsgrenzen en overige aanduidingen indien dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein;
  4. vergroting van de bouwhoogten van:
    1. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot maximaal 5 m;
    2. kunstobjecten tot maximaal 7 m;
  5. voor het bouwen van nutsvoorzieningen, indien in dit plan is bepaald dat de gronden tevens mogen worden gebruikt voor nutsvoorzieningen en in hoofdstuk 2 van deze regels niet anderszins is bepaald, met inachtneming van de volgende regels:
    1. indien het gebouwen betreft is de inhoud ten hoogste 120 m³ en de hoogte maximaal 3 m;
    2. indien het bouwwerken, geen gebouwen zijnde, betreft is de oppervlakte ten hoogste 25 m² en de hoogte niet groter dan 3 m.
  6. voor geringe veranderingen in de tracés van wegen en de aanpassing daaraan van de ligging en de vorm van de bestemmingsgrenzen, indien bij definitieve uitmeting blijkt dat een weg als gevolg van de werkelijke toestand van het terrein slechts kan worden uitgevoerd als op ondergeschikte punten van het plan wordt afgeweken.

28.2 Snippergroen     

Burgemeester en wethouders kunnen – tenzij op grond van hoofdstuk 2 reeds afgeweken kan worden van de regels – afwijken van de regels in het plan, indien daardoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken, voor:

  1. het gebruik van een perceel snippergroen ten behoeve van de naastgelegen woonbestemming onder voorwaarde dat:
    1. eenmalig maximaal 100 m² snippergroen per perceel kan worden toegevoegd;
    2. het perceel gelegen is aan de perceelsgrens behorende bij de woning.

Artikel 29 Algemene wijzigingsregels     

29.1 Wijziging overschrijding bestemmingsgrenzen     

Burgemeester en wethouders kunnen de in het plan opgenomen bestemmingen wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein, met inachtneming van de volgende regels:

  1. de overschrijdingen bedragen niet meer dan 3 m en het bestemmingsvlak wordt met niet meer dan 10% vergroot;
  2. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden worden niet onevenredig geschaad;
  3. het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheid worden niet onevenredig geschaad.

29.2 Wijziging seksinrichting     

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen om een seksinrichting toe te staan, met inachtneming van de volgende regels:

  1. ten hoogste één seksinrichting op het grondgebied van de gemeente Oegstgeest is toegestaan;
  2. het geen raamprostitutie betreft;
  3. de bedrijfsvloeroppervlakte ten hoogste 500 m² bedraagt;
  4. de afstand tot de dichtstbijzijnde kerk, school, peuterspeelzaal, kinderdagverblijf, verblijf voor naschoolse opvang of soortgelijke voorzieningen minimaal 500 m bedraagt;
  5. de afstand van de seksinrichting tot de dichtstbijzijnde woning van een derde minimaal 50 m bedraagt;
  6. voor bezoekers is voldoende parkeergelegenheid aanwezig op het terrein/erf behorende tot de seksinrichting aanwezig is, uitgaand van de parkeernorm voor café/bar/discotheek/cafetaria uit het Handboek Aanbevelingen voor stedelijke verkeersvoorzieningen (ASSV) uit 2004, met als gevolg dat door het bezoek aan de seksinrichting in de directe omgeving geen onaanvaardbare parkeerdruk op de openbare parkeerplaatsen ontstaat;
  7. wat het bouwen betreft, moet worden aangesloten bij de regels van de onderliggende bestemming, met dien verstande dat bevoegd gezag voorwaarden kunnen stellen aan de maximum vloeroppervlakte van de activiteit;
  8. de activiteit, gelet op de aard en invloed ervan, niet leidt tot een onevenredige aantasting van het karakter van de omgeving van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken, en van de verkeers-, sociale en brandveiligheid.

Artikel 30 Overige regels     

30.1 Voldoende parkeergelegenheid     

  1. Een bouwwerk, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, kan niet worden gebouwd wanneer op het bouwperceel of in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden;
  2. Bij een omgevingsvergunning wordt aan de hand van op dat moment van toepassing zijnde beleidsregels bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid;
  3. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a en worden toegestaan dat in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, mits dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie;
  4. bepaalde in sub a is niet van toepassing ten behoeve van wonen binnen de bestemming Wonen.

30.2 Werking wettelijke regelingen     

De wettelijke regelingen waarnaar in de regels van dit plan wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels     

31 Overgangsrecht     

31.1 Overgangsrecht bouwwerken     

  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  2. Bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a met maximaal 10%.
  3. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

31.2 Overgangsrecht gebruik     

  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 32 Slotregel     

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan 1e partiële herziening Oudenhof en Klinkenbergerplas

Bijlagen bij regels     

Bijlage 1: Staat van horeca-activiteiten

Bijlage 2: Staat van bedrijfsactiviteiten

Bijlage 3: Parkeernormen (parkeernota)