direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Duinschooten 23 Noordwijk
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0575.BPLGDuinschoot23-VO01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Op het perceel Duinschooten 23 in Noordwijk is de agrarische bedrijfslocatie van initiatiefnemer gelegen (zie figuur 1). Op het bedrijfsperceel zijn diverse gebouwen aanwezig waaronder bedrijfs- en opslagloodsen, rolkassen en een bedrijfswoning.

Initiatiefnemer wil de bedrijfsactiviteiten staken en heeft de wens om het erf van een woonbestemming te voorzien en een deel van de bestaande bebouwing te slopen. De gewenste situatie past niet binnen de regels van het vigerende bestemmingsplan. Om de gewenste situatie mogelijk te maken zal de huidige agrarische bedrijfsbestemming gewijzigd moeten worden in een woonbestemming. Dit bestemmingsplan biedt een actueel juridisch en planologisch kader voor realisatie van dit initiatief.

1.2 Het plangebied

Het plangebied ligt in Noordwijk, ten noorden van het Oosterduinse Meer en op korte afstand van de duinen binnen de grenzen van de gemeente Noordwijk. Het plangebied is op de onderstaande afbeelding globaal weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0575.BPLGDuinschoot23-VO01_0001.jpg"

Figuur 1: Luchtfoto plangebied (bron: Googlemaps)

1.3 Vigerende bestemmingsplan

Het vigerende bestemmingsplan op de planlocatie is 'Landelijk gebied'. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 13 april 2017. Op de locatie is de enkelbestemming 'Agrarisch - bollenteelt - bollenzone 1' van kracht. Daarnaast is de dubbelbestemming waarde - archeologie - 3 van toepassing.

afbeelding "i_NL.IMRO.0575.BPLGDuinschoot23-VO01_0002.jpg"

Figuur 2: uitsnede verbeelding van het vigerende bestemmingsplan er plaatse van Duinschooten 23.

1.4 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de huidige en de gewenste situatie. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 een beschrijving gegeven van het Rijks-, provinciale en gemeentelijk beleid, dat een relatie heeft met het plangebied en/of de ontwikkeling. In hoofdstuk 4 worden de milieu- en omgevingsaspecten in de omgeving behandeld. De wijze van bestemmen wordt uiteen gezet in hoofdstuk 5. In dit hoofdstuk worden de eisen van de Wet ruimtelijke ordening en de manier waarop bestemmingsplannen zijn opgebouwd weergeven. In hoofdstuk 6 wordt ten slotte ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

De bedrijfslocatie aan Duinschooten 23 in Noordwijk is bestemd als bollenteeltbedrijf. Een deel van de bedrijfsbebouwing en de bijbehorende gronden worden ook als zodanig gebruikt.

In onderstaande figuur is het gebruik van de bedrijfslocatie met de bijbehorende gronden weergegeven. Op deze afbeelding is goed te zien dat de rolkassen telkens worden verplaatst over de gronden om daar specifieke teelt mogelijk te maken.

afbeelding "i_NL.IMRO.0575.BPLGDuinschoot23-VO01_0003.jpg"

Figuur 3: huidige situatie

2.2 Toekomstige situatie

Initiatiefnemer is voornemens de bestaande rolkassen te slopen en een groot deel van de bestaande bedrijfsgebouwen. Met de GOM (Greenport Ontwikkelings Maatschappij) is afgesproken dat er een oppervlakte 1000 m2 wordt bestemd voor het wonen en de rest van de gronden worden omgezet naar bollengrond. De bedrijfswoning en aangebouwd bijgebouw (ca. 17 x 10,5 meter) blijven in tact. Op onderstaande afbeelding is dit weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0575.BPLGDuinschoot23-VO01_0004.jpg"

Figuur 3: toekomstige situatie

Hoofdstuk 3 Beleidskader

Dit hoofdstuk behandelt het beleid dat betrekking heeft op dit bestemmingsplan. Achtereenvolgens wordt ingegaan op het landelijk, provinciaal en gemeentelijk beleid, die een relatie hebben met de genoemde ontwikkeling en/of plangebied.

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld door de Tweede Kamer. De SVIR bevat een concrete, bondige actualisatie van het mobiliteits- en ruimtelijke ordeningsbeleid. Dit nieuwe beleid vervangt onder andere de Nota Mobiliteit en de Nota Ruimte. In de SVIR schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid wordt meer aan provincies en gemeenten overgelaten. Hieronder valt bijvoorbeeld het landschapsbeleid. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid.

De SVIR heeft betrekking op:

  • rijksverantwoordelijkheden voor basisnormen op het gebied van milieu, leefomgeving, (water)veiligheid en het beschermen van unieke ruimtelijke waarden;
  • rijksbelangen met betrekking tot (inter)nationale hoofdnetten voor mobiliteit en energie;
  • rijksbeleid voor ruimtelijke voorwaarden die bijdragen aan versterking van de economische structuur.

Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid. Zo laat het Rijk de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Daarmee wordt bijvoorbeeld het aantal regimes in het landschaps- en natuurdomein fors ingeperkt.

Toets

De beoogde ontwikkeling valt niet onder één van de nationale belangen.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) biedt de basis voor het stellen van algemene regels, op te nemen in een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB). Die regels richten zich primair op gemeenten, die het eerstverantwoordelijke overheidsniveau zijn voor de inhoud van ruimtelijke plannen. In het ‘Besluit algemene regels ruimtelijke ordening’ (Barro, 7 december 2011), ook wel bekend onder de naam AMvB Ruimte, zijn de nationale belangen uit de SVIR voorzien van juridische kaders, waarmee de doorwerking van de nationalebelangen op ruimtelijk gebied is geborgd

Op 1 oktober 2012 is aan het Barro een aantal onderwerpen toegevoegd. Het gaat onder andere om de Ecologische hoofdstructuur, elektriciteitsvoorziening, toekomstige uitbreiding hoofd(spoor)wegennet, veiligheid rond rijksvaarwegen.

Toets

Het Barro bevat geen relevante regels die invloed uitoefenen op het onderhavige plan.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

In de SVIR wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij dient de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling te worden aangetoond.

Toets

Bij toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking wordt getoetst of sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Het omzetten van een agrarische bedrijfsbestemming naar een woonbestemming is niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling. Op basis hiervan is een verdere toetsing aan de ladder niet noodzakelijk.

3.1.4 Conclusie

De beoogde ontwikkeling is in overeenstemming met het relevante Rijksbeleid.

3.2 Provinciaal beleid

De provincie geeft in haar 'Visie Ruimte en Mobiliteit' en de bijbehorende 'Verordening Ruimte' aan dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen de ruimtelijke kwaliteit van een omgeving moeten verbeteren. Daarbij draait het om belevingswaarde, gebruikswaarde én toekomstwaarde. Populair gezegd moet het er dus goed uit zien, goed gebruikt kunnen worden en duurzaam zijn in beheer en onderhoud.

3.2.1 Omgevingsvisie

In de omgevingsvisie wordt geen ruimtelijk eindbeeld geschetst, maar geeft een perspectief voor de gewenste ontwikkeling van Zuid-Holland als geheel. Hierbij zijn vier richtinggevende rode draden bepaald: beter benutten en opwaarderen wat er is, het vergroten van de agglomeratiekracht, het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit en het bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving.

Ruimtelijk kwaliteitsbeleid

Voor de ontwikkeling aan Duinschooten 23 is met name de rode draad omtrent ruimtelijke kwaliteit relevant. Het kwaliteitsbeleid van Zuid-Holland is ingestoken als 'ja, mits-beleid': ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten met richtpunten en de gebiedsprofielen. De gebiedsprofielen zijn in samenhang met de decentrale overheden opgesteld.

Richtpunten van de kwaliteitskaart

De navolgende richtpunten van de kwaliteitskaart zijn van toepassing voor het plangebied. De gevolgen van het plan worden per relevant richtpunt 'besproken'.

Laag van de ondergrond: Kustcomplex

  • Ontwikkelingen versterken en gebruiken waar mogelijk de natuurlijke dynamiek en omstandigheden van de kust (duinen, strand en voordelta/vooroever).
  • Ontwikkelingen houden het verschil herkenbaar tussen “hoog en droog” en “laag en nat” en bouwen voort op de parallelle kuststructuur.
  • Veiligheidsmaatregelen zijn mede gericht op het versterken van het natuurlijk kustkarakter.

Toets

Onderdeel van het plan is de sloop van bestaande bedrijfsgebouwen en rolkassen. Het opruimen van deze elementen komt de herkenbaarheid van het landschap ten goede.

Het plan heeft verder geen negatieve invloed op de patronen en het reliëf in het landschap.

Laag van de cultuur- en natuurlandschappen: Bollenlandschap

Richtpunten:

  • Ontwikkelingen dragen bij aan het contrast tussen de open en nog gave strandvlakten en de voor de bollenteelt in cultuur genomen (afgezande) oude duinen en strandwallen.
  • Verdichting vindt plaats in reeds bestaande verdichte zones.
  • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud en versterking van het zicht op de bollenvelden en de aantrekkelijkheid van het bollenlandschap.

Toets

Onderdeel van het totaalplan is dat grond die in gebruik ten behoeve van de rolkassen en bedrijfsgebouwen voor de paarden omgezet wordt in eerste klas bollengrond. Dit draagt bij aan een versterking van het bollenlandschap.

Door het slopen van de rolkassen en bedrijfsgebouwen wordt de openheid in het gebied vergroot en tevens het zicht op de bollenvelden verbeterd.

Laag van de stedelijke occupatie

Niet van toepassing

Laag van Beleving

Niet van toepassing

Gebiedsprofiel Duin- en Bollenstreek

De Duin- en Bollenstreek is onderdeel van het binnenduinlandschap, dat zich achter de Hollandse kustboog uitstrekt van Hoek van Holland naar Den Helder. De bodemkundige ondergrond van de binnenduinrand bestaat uit een patroon van strandwallen en strandvlakten parallel aan de jonge duinen. De Zuid-Hollandse Bollenstreek is een bijzonder onderdeel van de kuststrook, omdat het reliëfrijke patroon van strandwallen en strandvlakten hier sinds het einde van de 18de eeuw is geëgaliseerd. Delen van de strandwallen zijn afgegraven ten behoeve van wegenaanleg en stadsuitbreidingen. Daardoor kwam de afgevlakte zandige bodem dichter boven het grondwater te liggen en ontstonden er uitstekende condities voor de bollenteelt. Vervolgens zijn ook delen van de natte en venige strandvlakten omgespoten om ze als bollengrond te kunnen gebruiken. Het verschil tussen de strandwallen en -vlakten is in dit gebied niet meer goed herkenbaar in het reliëf. Op enkele plekken is nog de oorspronkelijke parallelle ligging van strandvlakten en strandwallen zichtbaar; vooral in het zuidelijke deel van de Bollenstreek waar in de natte strandvlaktes nog delen als grasland in gebruik zijn.

Vanuit het gebiedsprofiel zijn de volgende ambities van belang:

De volgende ambities die voor de Duin- en Bollenstreek geformuleerd:

  • De specifieke kwaliteiten van het landschap als bollentuin versterken door zones open te houden en groene randen langs de kamers op de strandwallen te maken;
  • Behoud van de karakteristieken van het zanderijlandschap: het raster van brede waterlopen en de hoger gelegen, met hagen beplante wegen;
  • Aan bollenteelt gekoppelde bedrijfsgebouwen goed vormgeven verspreid door het landelijk gebied;
  • Behouden en versterken diversiteit van het woonlandschap.

Toets

Het plan van initiatiefnemer behelst het verwijderen van bestaande bebouwing en de gronden omzetten naar bollengrond. Dit versterkt het landschap als bollentuin en hiermee wordt bovendien bewerkstelligd dat het zanderijlandschap behouden blijft. Het plan van initiatiefnemer sluit aan / draagt bij aan de ambities van gebiedsprofiel Duin- en Bollenstreek.

Ruimtelijke impact

Om te bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is met name de ruimtelijke impact op de gebiedsidentiteit en de bestaande structuur, zoals uiteengezet in het gebiedsprofiel, van belang. Daarvoor wordt in de VRM onderscheid gemaakt in drie types ontwikkelingen: inpassen, aanpassen en transformeren.

Toets

De voorgenomen ontwikkeling betreft een 'inpassing'. De aard en schaal van de ontwikkelingen zijn zodanig dat van aantasting van de gebiedsidentiteit geen sprake is. Het betreft een het omzetten van een agrarische bedrijfsfunctie naar een woonfunctie. Daarbij worden enkele bedrijfsgebouwen verwijderd.

Het plangebied ligt buiten de aangewezen natuur- en recreatiegebieden. Ook rust er geen beschermingscategorie op het plangebied.

3.2.2 Omgevingsverordening

In de provinciale verordening staan de algemeen verbindende regels waaraan een gemeentelijk bestemmingsplan of besluit moet voldoen.

Toepassing

De Verordening bevat enkele regels die relevant zijn voor dit bestemmingsplan. Deze zijn hierna samengevat. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling aan Duinschooten 23 past binnen de randvoorwaarden die in de Verordening Ruimte worden gesteld.

Tabel 1. Relevante bepalingen en toetsing daaraan uit de verordening Ruimte

Bepaling   Toetsing  
Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen
Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet voldoen aan de eisen die de ladder stelt.  
Het omzetten van de agrarische bedrijfsbestemming naar een woonbestemming is volgens
de Verordening geen stedelijke ontwikkeling. Bovendien valt de oppervlakte die met deze ontwikkeling gemoeid is buiten de reikwijdte van de Verordening  
Artikel 6.17 , lid 1 Bollenteeltgebied
Een bestemmingsplan voor gronden binnen het bollenteeltgebied laat primair bollenteeltbedrijven, bestaande gemengde bollenteelt- en glastuinbouwbedrijven en bestaande stekbedrijven toe, alsmede de daarbij behorende voorzieningen.

Het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan ook voorzien in greenportwoningen en ‘ruimte voor ruimte’ woningen als bedoeld in de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport Duin- en Bollenstreek.  
De locatie aan de Duinschooten houdt voor een groot deel de bestemming 'agrarisch bollenteelt - bollenzone 1'.
Een deel van het bouwvlak van het agrarisch bedrijf krijgt een reguliere woonbestemming. Dit initiatief is vergelijkbaar met een 'ruimte voor ruimte' initiatief waarbij een agrarische naar een woonbestemming wordt omgezet. Het plan voldoet aan hiermee aan de Verordening  
3.2.3 Conclusie

Het plan van initiatiefnemer is in overeenstemming met zowel de Visie ruimte en mobiliteit als met de Verordening ruimte van de provincie.

3.3 Regionaal beleid

Intergemeentelijke structuurvisie Greenport 2016

In december 2009 is de intergemeentelijke structuurvisie Greenport 2016, hierna ISG2016 door zes gemeenten vastgesteld. Aanleiding voor het opstellen van het ISG2016 is de omvangrijke economische en landschappelijke vitaliseringsopgave voor de Duin- en Bollenstreek. In het ISG2016 wordt het planologische kader opgesteld voor de Greenport ontwikkelingsmaatschappij (GOM). De gezamenlijke opgave is: 'om het buitengebied aan een hoge landschappelijke kwaliteit te helpen,met ruimte voor de beeldbepalende 'veelzijdige tuinbouw'.' Dit is een middel om serieus aan de slag te gaan met de herstructurering van de sector (bollenteelt) en landschapsverbetering. In de ISG2016 worden zes ambities weergegeven:

  • 1. de economische herstructurering van de Greenport centraal staat;
  • 2. de gemeenten de herstructureringsopgave zullen combineren met landschapsverbetering;
  • 3. de gemeenten verdergaande verrommeling van het landschap tegengaan;
  • 4. met het uitvoeren van de woningbouwopgave, zoals in de Gebiedsuitwerking Haarlemmermeer-Bollenstreek overeen is gekomen, de maximale woningbouwbijdrage van de Duin- en Bollenstreek bereikt is;
  • 5. de gemeenten het areaal aan 1e klas bollengrond van 2.625 hectare duurzaam moeten handhaven, hoewel zij met het herstructureringsproces tijdelijke krimp onder nader te bepalen voorwaarden (waaronder harde tijdgebonden compensatiegaranties) toestaan ;
  • 6. primaire greenportfuncties, zoals bollencluster, vaste planten, bloemencluster en toerisme (inclusief greenportgerelateerde handel en dienstverlening), krijgen bij conflicterende ruimteclaims prioriteit boven niet primaire greenportfuncties, zoals overige landbouw en veeteelt.

Toets

De herstructurering van de locatie aan de Duinschoten 23 in Noordwijk is in overeenstemming met de ISG. Onderdeel van het plan is namelijk terugbrengen van het agrarisch bouwvlak en wordt afgestemd op de woonbestemming. Dit komt ten goede aan het behoud en vergroting van het bollenteeltareaal.

Conclusie

De ontwikkelingen op de planlocatie zijn in lijn met het regionaal beleid.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Omgevingsvisie Noordwijk 2030 herziening

In 2018 is de actualisatie van de Omgevingsvisie Noordwijk 2030 vastgesteld.

In de hoofdlijnen van de beleidsinzet wordt onder andere de voortzetting van de herstructurering, innovatie en verduurzaming van de agrarische sector in combinatie met landschapsverbetering genoemd.

Ten aanzien van woningbouw in het buitengebied is in de visie opgenomen dat deze in het Greenportgebied niet is toegestaan met uitzondering van Bronsgeest, ‘Greenportwoningen’ (in het bijzonder op de locatie Vinkeveld Zuid) en zogenaamde ‘Ruimte voor Ruimte-woningen’.

Toets

Het plan van initiatiefnemer voorziet in het verwijderen van bestaande bebouwing en het omzetten van (potentiële) bouwgrond naar bollengrond. Het plan draagt hiermee bij een de gewenste herstructurering.

3.4.2 Milieuvisie Noordwijk 2020

De Milieuvisie Noordwijk 2020 brengt een relatie aan tussen het milieubeleid en andere beleidsterreinen (zoals ruimtelijke ordening, natuur, mobiliteit en economie) en maakt de samenhang tussen de diverse beleidsthema's duidelijk. Met het Noordwijkse milieubeleid wordt aangesloten bij de ambitie uit het nationale milieubeleid om 'via duurzame ontwikkeling bij te dragen aan een gezond en veilig leven, in een aantrekkelijke leefomgeving te midden van een vitale natuur, zonder de mondiale biodiversiteit aan te tasten of natuurlijke hulpbronnen uit te putten'. Met duurzaamheid als uitgangspunt wordt de toekomstwaarde van Noordwijk versterkt. Duurzame ontwikkeling zorgt voor een verbetering van de leefkwaliteit, waar iedereen baat bij heeft.

De relevante onderdelen uit de Milieuvisie zijn:

  • Duurzaamheid vormt een integraal onderdeel van alle ruimtelijke ontwikkelingen in Noordwijk;
  • Nieuwbouw en bestaande gebouwen in Noordwijk zijn duurzaam.

Toets

Het slopen van de verouderde gebouwen zorgt voor een afname van de energiebehoefte ter plaatse. Alleen de woning en bijgebouw blijven staan. Deze kunnen door initiatiefnemers worden verduurzaamd. De daken van de gebouwen bieden kansen voor het plaatsen van zonnepanelen.

3.4.3 Bestemmingsplan Landelijk gebied

In 2017 is het bestemmingsplan Landelijk gebied vastgesteld.

In het landelijk gebied komt een aantal van de zones, zoals opgenomen in de ISG, voor. Het grootste gedeelte van landelijk gebied, inclusief het plangebied, ligt in Bollenzone 1. Dit betreft de cultuurgronden Langeveld, Noordzijderpolder, het gebied rond de Achterweg en de Vinkeveldpolder.

In de studie Open Geest worden deze gebieden aangeduid als zeer gave en kenmerkende open gebieden. Het beleid is hier gericht op het actief open maken van het gebied. Hier geldt in het ruimtelijk spoor een 'nee, tenzij-beleid' gericht op het wegnemen van verrommeling door het saneren van glasopstanden en onrendabele bedrijven. Schaalvergroting van bouwblokken en bouwvolumes is hier in beginsel niet toegestaan, tenzij dit op een ruimtelijk verantwoorde wijze samengaat met sanering en een forse kwaliteitsverbetering van het landschap.

De nieuwbouw van burgerwoningen in het buitengebied is al lange tijd aan strenge regels gebonden. Ook nu wordt de nieuwbouw van woningen niet toegestaan, uitgezonderd de Greenportwoningen en de Ruimte voor Ruimte-woningen.

In de regels van het bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het omzetten van een agrarische bedrijfsbestemming in een woonbestemming. Hierbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. de wijzigingsbevoegdheid wordt uitsluitend toegepast indien het agrarisch gebruik beëindigd is en door de initiatiefnemer is aangetoond dat op het betreffende perceel het uitoefenen van een agrarisch bedrijf niet meer mogelijk is;
  • b. het aantal woningen mag niet toenemen;
  • c. ten hoogste 1.000 m² van het te wijzigen bouwvlak wordt gewijzigd in de bestemming Wonen en afgestemd op de bestaande inrichting;
  • d. de overige niet tot de woning behorende gronden worden voorzien van een bij de agrarische zone passende agrarische bestemming zonder bouwvlak;
  • e. met uitzondering van de bedrijfswoning en de daarbij behorende erfbebouwing met een maximum van 50 m2, worden alle gebouwen en kassen gesloopt;
  • f. het wonen dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn;
  • g. de bestaande bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven mogen niet onevenredig worden beperkt;
  • h. er dient voorzien te worden in een adequate landschappelijke inpassing waarbij de bestaande natuur-, landschappelijke en cultuurhistorische waarden zoals genoemd in lid 3.1 onder b niet onevenredig worden aangetast;
  • i. wijziging wordt niet toegepast alvorens een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing en de bollencompensatie.

Toets

Met het plan van initiatiefnemer wordt bestaande bebouwing opgeruimd en (potentiële) bouwgrond omgezet naar eerste klas bollengrond. Hiermee is het plan in overeenstemming met de uitgangspunten van het geldende bestemmingsplan.

Voor het omzetten van de agrarische bedrijfsfunctie naar een woonfunctie is in het bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Aan de voorwaarden (onder e) wordt in dit geval niet voldaan. Er blijft in dit geval een bijgebouw van c.a. 175 m2 aanwezig.

in dit geval is de ruimtelijke afweging gemaakt tussen het inleveren van het agrarisch bouwvlak en omzetten naar kwalitatieve bollengrond, i.c.m de te slopen bestaande bebouwing en het toestaan van c.a. 125 m2 extra aan bijgebouwen bij een regulieren woonbestemming. De gewenste situatie levert een dusdaning ruimtelijke kwaliteitsverbetering op dat hier een extra oppervlakte aan bijgebouwen gerechtvaardigd is. Dit wordt vastgelegd in de regels van dit bestemmingsplan, tezamen met het wegbestemmen van de agrarische bedijfsbestemming met bijbehorende bouwmogelijkheden.

3.4.4 Conclusie

De gemeente heeft het plan van initiatiefnemer getoetst en geconstateerd dat wordt voldaan aan het geldend gemeentelijk beleid.

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten

4.1 Inleiding

In dit hoofdstuk worden de van toepassing zijnde milieu- en omgevingsaspecten beoordeeld.

4.2 Bedrijven en milieuzonering

Ten behoeve van een passende afstand rond bedrijven, opslagen en installaties, ten opzichte van gevoelige functies is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) het systeem ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2012) ontwikkeld. In de vorm van een bedrijvenlijst, zijn de bedrijven en instellingen zijn gecategoriseerd op hun milieueffecten.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van de functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor; langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Vergelijkbaar met de rustige woonwijk zijn rustig buitengebied, stiltegebied en natuurgebied. Daarvoor gelden dan ook dezelfde richtafstanden.

Een ander omgevingstype is het gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied. Het gemengd gebied kent door de aanwezige variatie aan functies en situering al een hogere milieubelasting. Dit kan aanleiding zijn om gemotiveerd voor één of meer milieuaspecten een kleinere afstand aan te houden dan wordt geadviseerd voor een rustige woonwijk. Een geadviseerde afstand van 30 meter kan dan bijvoorbeeld worden gecorrigeerd tot 10 meter en een geadviseerde afstand van 100 meter tot 50 meter. Uitzondering op het verlagen van de richtafstanden vormt het aspect gevaar: de richtafstand voor dat milieuaspect wordt niet verlaagd.

De tabel geeft de relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0575.BPLGDuinschoot23-VO01_0005.png"

Onderzoek

In het gebied zijn afwisselend agrarische bedrijven en woningen aanwezig. Het omzetten van de bedrijfsbestemming naar een woonbestemming versterkt het gemengde karakter van het gebied.

De dichtstbijzijnde gelegen agrarisch bedrijfslocatie bevindt zich op het adres De Boender 14. De afstand tussen de bouwvlakken is circa 190 meter. Op grotere afstand aan de Boender 12 en Duinschooten 31 zijn ook agrarische bedrijfslocaties gevestigd. Deze liggen op respectievelijk 350 en 400 meter afstand.

Direct tegenover het plangebied, op het adres aan Duinschooten 14, is een camping aanwezig. De afstand tussen het bouwvlak van de woonbestemming en het bouwvlak van deze woning is circa 32 meter.

Bloembollenteelt heeft in een gemengd gebied een maatgevende richtafstand van 10 meter tot milieugevoelige objecten vanwege mogelijke geur- en geluidsoverlast (categorie 2). Een camping is niet opgenomen in de richtafstandenlijst.

In de omgeving van de woningen liggen bollenteeltgronden. Op de bollenteeltgronden worden mogelijk gewasbeschermingsmiddelen gebruikt die zich in de omgeving kunnen verspreiden. Voor dit onderwerp bestaat nog geen wettelijk toetsingskader. De gewasbeschermingsmiddelen worden in de bollenteelt relatief laag bij de grond toegepast, waardoor drift van gewasbeschermingsmiddelen over het algemeen beperkt blijft.

Geconstateerd wordt dat de woning niet direct grenst aan bollenteeltgronden. Aan de noordzijde blijft een schuur gehandhaafd als bijgebouw bij de woning. Ten oosten van de woning is de (sier) tuin aanwezig en ten westen bevindt zich een brede oprit. Tussen de woning en de gronden waarop gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast bevindt zich dus enige fysieke afstand dan wel bebouwing.

Op grond hiervan en het gegeven dat de drift van gewasbeschermingsmiddelen over het algemeen beperkt is, is het aannemelijk dat ter plaatse van de woning sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

Verder is van belang dat de bollengronden onderdeel zijn van de identiteit van deze regio. In de hele bollenstreek zijn woningen en bollengronden op korte afstand van elkaar aanwezig, zonder dat daarbij in de praktijk vaak sprake is van klachten door omwonenden die zijn gerelateerd aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bovendien is in het voorliggend plan geen sprake van nieuwbouw van een woning, maar van een functieverandering. De huidige woning wordt al jaren initiatiefnemer bewoond. Dit gebruikt wordt onveranderd voortgezet.

Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering staat het omzetten van de bestaande bedrijfsbestemming in een woonbestemming niet in de weg.

4.3 Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt in eerste instantie het wettelijk kader bij de beoordeling van een aanvraag om een milieuvergunning voor dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft hiervoor geurbelasting- en afstandsnormen in relatie met geurgevoelige objecten in de nabijheid van de (geprojecteerde) veehouderij. De Wgv heeft betrekking op twee aspecten. Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging ten behoeve van een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een in de omgeving gelegen veehouderij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad.

Onderzoek

De planlocatie betreft een woonlocatie. Dit is voor het aspect geur aan te merken als een gevoelige locatie. Mogelijk geur veroorzakende activiteiten in de omgeving liggen op geruime afstand van het plangebied. De dichtstbijzijnde agrarische bedrijfslocatie is gelegen op c.a. 190 meter. Geurhinder vanaf dit perceel zal niet optreden omdat hier geen dierverblijven of opslag van bedrijsfstoffen zoals mest, kuil, voer plaatsvindt. De woonbestemming zal gelet op de afstand eveneens geen beperking opleveren voor omliggende agrarische bedrijven.

Conclusie

Het aspect geur staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

4.4 Bodem

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat, indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren).

Toets

In het plangebied vindt een wijziging van de agrarische bedrijfsbestemming naar een woonbestemming plaats. De bouwmogelijkheden van de woonbestemming zullen beperkt worden tot de bestaande woning en een bijgebouw. Het gebruik van de bedrijfswoning en het bijgebouw wordt door de functiewijzging niet gevoeliger.

Het totale perceel waarop de woonbestemming wordt gelegd heeft een omvang van 1.000 m2. De gronden die bij de woning horen (buitenruimte) zijn in de huidige situatie voor het overgrote deel al in gebruik als (sier) tuin. Ook hier wordt het gebruik door de fuinctiewijziging niet gevoeliger.

Op basis hiervan kan worden gesteld dat een bodemonderzoek achterwege blijven.

Conclusie

Voor wat betreft het aspect bodem is het plan uitvoerbaar.

4.5 Geluid 

In de Wet geluidhinder (Wgh) zijn regels opgenomen voor de geluidsbelasting van geluidsgevoelige bestemmingen (zoals bijvoorbeeld woningen) door wegverkeer. Het gaat daarbij om de geluidsbelasting in het maatgevende toekomstige jaar. In het algemeen is dit 10 jaar na realisatie of na het akoestisch onderzoek.

Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. Voor wegen met 1 of twee rijstroken binnen de bebouwde kom is de geluidzone 200 meter breed. Voor dergelijke wegen buiten de bebouwde kom is de breedte van de geluidszone 250 meter.

De geluidsbelasting op de gevel van een woning vanuit het wegverkeer mag op grond van de Wet geluidhinder maximaal 48 dB bedragen.

Toets

In de bestaande situatie is er sprake van een bedrijfswoning. Voor de Wet geluidhinder maakt het niet uit of een woning een bedrijfswoning of een burgerwoning is.

Omdat er sprake is van een al bestaande geluidsgevoelige bestemming binnen de geluidzone van de weg en geen nieuwe geluidgevoelige bestemming wordt toegevoegd, is in het kader van wegverkeerslawaai geen nader onderzoek noodzakelijk. Verder is geconstateerd dat het plangebied buiten de 20Ke-contour van Schiphol ligt.

Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het plan.

4.6 Luchtkwaliteit  

De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vastgelegd in Titel 5.2
Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer, ook wel de Wet luchtkwaliteit genoemd. Deze wijziging van de Wet milieubeheer is op 15 november 2007 in werking getreden en vervangt het Besluit luchtkwaliteit 2005.

De wijziging houdt in dat de in Nederland toegepaste koppeling tussen ruimtelijke ordening en luchtkwaliteit voor een deel wordt ontkoppeld. Dit maakt het mogelijk om niet voor elk ruimtelijk plan te hoeven toetsen aan de normen. Hierbij is met name het begrip “in betekenende mate” van belang.

Net als in het Besluit luchtkwaliteit 2005 zijn ook in de nieuwe wet- en regelgeving grenswaarden opgenomen voor luchtverontreinigende stoffen, te weten in bijlage 2 van de Wet milieubeheer.

Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is de kern van de Wet luchtkwaliteit. Het NSL is een bundeling van alle gebiedsgerichte programma's en alle Rijksmaatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Het NSL bevat alle maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren en alle ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit in betekenende mate verslechteren. Het Rijk coördineert het nationale programma. Het Rijk maakt met provincies en gemeenten afspraken over toetsbare resultaten; in de gebieden moeten de normen voor luchtkwaliteit stap voor stap dichterbij komen. De overheden kunnen op die resultaten worden afgerekend. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden.

De uitvoeringsregels behorende bij de wet zijn vastgelegd in Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB) en Ministeriële Regelingen (mr) die gelijktijdig met de Wet luchtkwaliteit in werking zijn getreden waaronder de AMvB en Ministeriële Regeling niet in betekenende mate (afgekort NIBM).

AMvB en Regeling niet in betekende mate (NIBM)

De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate (ofwel niet in betekenende mate) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Grotere projecten daarentegen kunnen worden opgenomen in het NSL-programma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door de maatregelen van het NSL.

De AMvB en Regeling “niet in betekenende mate” bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als “in betekenende mate” moet worden beschouwd. Deze AMvB is gelijktijdig met het NSL in werking getreden. NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven.

Uit de toelichting bij het “Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)” blijkt dat woninglocaties tot 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit.

Toets

Op de planlocatie wordt de agrarische bedrijfsbestemming omgezet naar een woonbestemming. Ten aanzien van het beleid heeft de ontwikkeling daarmee geen consequenties voor de luchtkwaliteit.

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

4.7 Externe veiligheid

Externe veiligheid beschrijft risico's met een externe werking, die ontstaan door het transport van, de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transport (weg, spoor, water en buisleiding) in relatie tot de (bebouwde) omgeving.

Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

  • Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans om te overlijden op een bepaalde plaats ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Het PR is op de kaart van het gebied weer te geven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6/jaar PR-contour (die als wettelijk grenswaarde fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten komen.

  • Groepsrisico

Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR is weer te gegeven in de fN-curve: een grafiek waar de kans (f) is afgezet tegen het aantal slachtoffers (N). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. De 1% letaliteitgrens vormt doorgaans de grens van het invloedsgebied (tenzij anders bepaald). Dit is de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen.

Hoe moet worden omgegaan met risico's voor mensen in de omgeving van risicobronnen is in verschillende wet- en regelgeving opgenomen.

  • Besluit en Regeling externe veiligheid inrichtingen
  • Besluit en Regeling externe veiligheid buisleidingen
  • Besluit en Regeling externe veiligheid Transportroutes
  • Besluit risico's zware ongevallen
  • Vuurwerkbesluit
  • Circulaire ontplofbare stoffen voor civiel gebruik
  • Besluit ruimte
  • Activiteitenbesluit
  • Beleidsvisie externe veiligheid (gemeente Berkelland)

Toets

Met behulp van de signaleringskaart externe veiligheid is gekeken naar de risico's in de omgeving van het planinitiatief. De risicokaart is hulpmiddel om risico bronnen in de omgeving te kunnen bepalen. Onderstaand is de planlocatie ingetekend op de risicokaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.0575.BPLGDuinschoot23-VO01_0006.jpg"

Figuur 6: risico's in de omgeving (bron: risicokaart)

Inrichtingen

Ten oosten van de planlocatie, aan de Van den Endelaan 15 in Hillegom, op circa 4,7 kilometer afstand is bedrijf aanwezig waar TDI ligt opgeslagen. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 is 0 meter.

Aan de Westelijke Randweg 6 in Lisse, op een afstand van circa 3,8 kilometer ten zuidoosten van de planlocatie, ligt een tankstation met een LPG-vulpunt. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van de inrichting is 25 meter.

In de omgeving van het plangebied zijn geen inrichtingen aanwezig waarvan de risicocontour het plangebied raken.

Buisleidingen

In de omgeving van het plangebied liggen twee buisleidingen. Een ligt ten westen de planlocatie op een afstand van 2,5 kilometer. De andere buisleiding ligt ten oosten van de planlocatie op een afstand 5 kilometer. Beide buisleidingen zijn van de Gasunie. De planlocatie ligt ruim buiten de risococontouren van deze leidingen.

Besluit en Regeling externe veiligheid transportrisico’s

Aan de hand van de landelijke risicoatlas en de provinciale risicokaart kan worden geconcludeerd dat er geen route gevaarlijke stoffen via de weg en het spoor in de directe omgeving van het plangebied aanwezig is.

Conclusie

De risicocontouren van opslag, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen vormen geen belemmering voor het planvoornemen.

4.8 Verkeer

Aan de hand van de kengetallen van het CROW model dient voor een vrijstaande woning met garage in het gebiedstype landelijk wonen rekening gehouden worden met 9 motorvoertuigbewegingen per etmaal (gemiddelde weekdag).

Onderzoek

Door het wijzigen van de agrarische bedrijfsbestemming naar een woonbestemming zal naar het aantal motorvoertuigbewegingen van en naar de locatie afnemen. Op het perceel behorende bij de woning is voldoende ruimte voor het parkeren met twee auto's.

Conclusie

Parkeren kan en zal volledig op eigen terrein plaatsvinden. Het plan heeft geen gevolgen voor de verkeersintensiteit in de directe omgeving.

4.9 Water

Vanaf 1 november 2003 is de watertoets van toepassing, een procedure
waarbij de initiatiefnemer in een vroeg stadium overleg voert met de waterbeheerder over het ruimtelijke planvoornemen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer.

Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland. In dit waterschap is in het gebied verantwoordelijk voor de waterhuishouding: het waterkwaliteitsbeheer, het waterkwantiteitsbeheer en de zorg voor de waterkeringen. Voor elk bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de effecten van de bouwmogelijkheden op het waterbeheer. De waterbeheerder voert de watertoets uit. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. De opmerkingen van de waterbeheerder worden verwerkt in deze waterparagraaf.

Toets

Belangrijkste uitgangspunt bij de watertoets is of het verharde oppervlak toeneemt. In dit geval is er sprake van een afname van het verhard oppervlak en vindt alleen een functiewijziging plaats. Er zijn geen waterschapsbelangen in het geding.

Conclusie

Het aspect waterkwaliteit- en kwantiteit staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

4.10 Ecologie

Bij ruimtelijke planvorming is een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van toepassing. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. Er is een verschuiving opgetreden in de tabellen voor soortenbescherming. Sommige soorten worden beter beschermd, sommige soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft daarbij bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur).

Toets

4.10.1 Soortenbescherming

De soortenbescherming is bedoeld om in het wild levende planten- en diersoorten te beschermen als er werkzaamheden plaatsvinden in en rond het leefgebied van een soort. In de Wet Natuurbescherming worden drie beschermingsregimes onderscheiden; Europeesbeschermde soorten vallen onder beschermingsregimes soorten “Vogelrichtlijn (wnb-vrl) en beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn” (wnb-hrl) en nationaal beschermde soorten vallen onder beschermingsregime “andere soorten” (wnb- andere soorten).

Door Natuurbank Overijssel is een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Het rapport 'Quickscan natuurwaardenonderzoek Duinschooten 23 te Noordwijk' (Projectnummer 2418 versie 1.0, d.d. 23 maart 2002) is als Bijlage 1 aan deze toelichting toegevoegd.

Het plangebied is op 18 februari 2020 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroute. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura2000 en het Natuurnetwerk Nederland.

Vastgesteld is dat het plangebied buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland en Natura2000 ligt. Omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura2000-gebied, is het niet aannemelijk dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten een negatief effect zal hebben op instandhoudingsdoelen van het Natura2000-gebied. Zie hiervoor ook paragraaf subsubparagraaf 4.10.2.1.

De inrichting en het gevoerde beheer, maken het plangebied tot een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten en een weinig geschikt functioneel leefgebied voor beschermde diersoorten. Vogels bezetten geen nestlocatie en vleermuizen bezetten geen verblijfplaats in het plangebied. Ook zoogdieren en amfibieën bezetten geen (winter)rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied. Het slopen van de bebouwing leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. De geringe functie van het plangebied als foerageergebied wordt niet aangetast. Het plangebied betreft geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen.

Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Zuid-Holland een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden en het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen doden of om opzettelijk rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten.

4.10.2 Gebiedsbescherming

In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen vanuit natuurwetgeving voor beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen.

4.10.2.1 Natura 2000

De onderzoekslocatie is gelegen in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het betreft het Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid (88), dat zich 930 meter ten noorden van de planlocatie bevindt (figuur 7).

afbeelding "i_NL.IMRO.0575.BPLGDuinschoot23-VO01_0007.jpg"

Figuur 7: ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000

De planlocatie ligt niet binnen de invloedssfeer van het Natura-2000 gebied. Indien er een effect te verwachten valt dan zal dit een extern effect zijn door de het slopen van de huidige opstallen. Vastgesteld zal moeten worden of er op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat het plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen, significante gevolgen kan hebben voor de aangewezen gebieden. Significante gevolgen bij Natura 2000-gebieden zijn gevolgen die in strijd zijn met de instandhoudingsdoelen van het gebied.

Er is een AERIUS berekening gemaakt waarin de sloopactiviteiten zijn meegenomen. In Bijlage 2 zijn de uitgangspunten, die bij de Aeriusberekening zijn gehanteerd, uitgewerkt en is de uitvoer van de AERIUS berekening toegevoegd. Uit deze berekening blijkt dat de sloopactiviteiten geen depositieresultaten opleveren boven de 0,00 mol/ha/jr. Verder zal de beëindiging van de bedrijfsactiviteiten ter plaatse voor een afname van het aantal aan- en afvoerbewegingen van en naar de locatie zorgen. Dit heeft een positief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied.

Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Wet natuurbeschermingvergunning aangevraagd te worden.

4.10.2.2 Natuurnetwerk Nederland

De projectlocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. De projectlocatie ligt echter wel in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich ten noordoosten van de projectlocatie. In figuur 8 is de ligging van de projectlocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0575.BPLGDuinschoot23-VO01_0008.jpg"

Figuur 8: ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.

Alleen voor plannen, projecten of handelingen binnen een NNN geldt een plicht voor het uitvoeren van vervolgonderzoek.

Door de voorgenomen plannen op de projectlocatie in combinatie met de afstand, zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland derhalve niet aantasten. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland is niet noodzakelijk.

4.10.2.3 Overig

Het plangebied is niet gelegen in de strategische reservering natuur, provinciaal beschermd weidevogelgebied en bovendien bevinden zich geen karakteristieke landschapselementen in het plangebied.

Conclusie

Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. Ook blijkt uit de stikstofberekening dat de voorgenomen activiteiten niet leiden tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Het aspect Ecologie staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

4.11 Cultuurhistorie en archeologie

Vanaf 1 januari 2012 dient met de wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening te worden ingegaan op de relatie van het ruimtelijk voornemen en de aanwezige cultuurhistorische waarden. Naast de cultuurhistorische waarde dient er rekening te worden gehouden met de archeologische (verwachtings)waarde van een gebied. In 2007 is de Wet archeologische monumentenzorg in werking getreden. De wet zorgt er voor dat het archeologisch erfgoed in de bodem wordt beschermd in het ruimtelijke ordeningsbeleid.

4.11.1 Cultuurhistorie

De planlocatie ligt een gebied dat kenmerkend is voor de bollenstreek. In de definitie van de bestemming Agrarisch - Bollenteelt - Bollenzone 1 is dan ook opgenomen dat deze gronden bestemd zijn voor het behoud en versterking en herstel van de voorkomende natuur-, landschaps- en cultuurhistorische waarden.

Cultuurhistorie heeft betrekking op de aanwezigheid, de aard, de betekenis en de waarde van:

  • historische (ensembles van) gebouwen, tuinen, parken en stedenbouwkundige structuren;
  • (ensembles van) landschappelijke elementen, gebieden en ruimtelijke patronen waarin de historische wisselwerking tussen mens en maatschappij enerzijds en de fysieke omgeving anderzijds tot uitdrukking komt;
  • in de bodem bewaarde sporen en resten van menselijke bewoning vanaf het eerste begin van de menselijke bewoning (ca 300.000 jaar geleden);

Op de locatie aan Duinschooten 23 zijn geen monumentale of karakteristieke gebouwen aanwezig.

Het ruimtelijke en historische karakteristieken ter plaatse van het plangebied bestaat uit de binnenduinrand. De binnenduinrand is ooit ontstaan door het afgraven van de duinen voor bollengrond.

Door de ligging net achter de duinen, ontstaat een luw gebied, met een hoge lichtintensiteit. Dit maakt de binnenduinrand uitermate geschikt voor zowel bollenteelt als natuurontwikkeling. Op dit moment overheerst de bollenfunctie, hoewel het gebied ook veel gebruikt wordt voor lokale recreatie.

Conclusie

De ontwikkeling op de planlocatie zorgt voor een versterking van het landschap. Door het opruimen van verrommeling en het omzetten van bedrijfsgronden in eerste klas bollengrond wordt een positieve bijdrage geleverd aan het versterken van de kenmerkende landschappelijke kwaliteiten van het gebied.

Het plan heeft geen negatief effect op deze beschreven cultuurhistorische waarden. In paragraaf 4.11.2 komt het onderdeel archeologie aan de orde.

4.11.2 Archeologie

Met ingang van juli 2016 (Erfgoedwet) is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed worden geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld. De Erfgoedwet legt de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het archeologische erfgoed bij de gemeente. De taken in het kader van de Erfgoedwet behelzen o.a. het meewegen van archeologie in de besluiten op het gebied van de Ruimtelijke Ordening (zoals omgevingsvergunning) en de koppeling tussen bestemmingsplannen en archeologische waarden en verwachtingen.

In 2011 heeft de gemeente Noordwijk de 'erfgoedverordening 2011 gemeente Noordwijk' vastgesteld. In deze verordening staan regels met betrekking tot monumenten en archeologie. Op de Archeologische waarden- en verwachtingenkaart en een beleidskaart staan de waarden ten aanzien van het aspect archeologie. Hiermee kan elke aanvrager van een bouw-, sloop- of omgevingsvergunning vooraf inzicht verkrijgen in de op een perceel rustende archeologische onderzoeksplicht. De Archeologische waarden- en verwachtingenkaart biedt bovendien een goede kapstok om de kennis over de rijke geschiedenis van deze regio bij een breed publiek onder de aandacht te brengen.

Op de beleidskaart worden de volgende eenheden/beleidscategorieën onderscheiden:

  • Archeologisch beleidsadviesgebied 1 (Archeologische terreinen en dorpskernen). Op deze terreinen geldt altijd een onderzoeksplicht vanaf de kleinst mogelijke verstoring met een diepte van 50 cm;
  • Archeologisch beleidsadviesgebied 2 (Gebieden met een hoge archeologische verwachting). Archeologisch onderzoek is voor deze categorie verplicht voor bodemverstoringen vanaf een oppervlakte van 100 m² en een diepte van 50 cm;
  • Archeologisch beleidsadviesgebied 3 (Gebieden een middelhoge archeologische verwachting). Archeologisch onderzoek is voor deze categorie verplicht voor bodemverstoringen vanaf een oppervlakte van 500 m² en een diepte van 50 cm;
  • Archeologisch beleidsadviesgebied 4 (Gebieden met een lage archeologische verwachting). Archeologisch onderzoek is voor deze categorie verplicht voor bodemverstoringen vanaf een oppervlakte van 50.000 m² en een diepte van 50 cm.

In het plangebied is sprake van een middelhoge verwachtingswaarde (Waarde - Archeologie - 3).

Toets

Voor bouwwerken met een oppervlakte kleiner dan 500 m2 en een verstoringsdiepte van minder dan 50 cm geldt een vrijstelling van de verplichting tot het uitvoeren van archeologisch onderzoek. Worden de vrijstellingsgrenzen wél overschreden, dan dient archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden.

In het geval van de voorliggende bestemmingswijziging zal de vrijstellingsgrens niet worden overschreden. Met het opnemen / handhaven van de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie - 3' worden mogelijke archeologische waarden in de bodem veiliggesteld.

Conclusie

Voor het aspect cultuurhistorie en archeologie is het plan uitvoerbaar.

4.12 Vormvrije MER-beoordeling

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:

  • de kenmerken van de projecten;
  • de plaats van de projecten;
  • de kenmerken van de potentiële effecten.


Toets

In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject mer-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2).

Met het voorliggende plan wordt de voormalige bedrijfswoning herbestemd als burgerwoning (bestemming 'Wonen'). Gezien de geringe omvang van het plan is er geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsplan in de zin van het besluit m.e.r.. Voor dit bestemmingsplan is dan ook geen m.e.r.-beoordeling of m.e.r.-beoordelingsbesluit noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.

Conclusie

Er is geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsplan in de zin van het besluit m.e.r.. Een m.e.r.-beoordeling of een m.e.r.-beoordelingsbesluit is dan ook niet noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.

Hoofdstuk 5 Wijze van bestemmen

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze van bestemmen. In de eerste 2 paragrafen wordt daarbij een toelichting gegeven op het instrument 'bestemmingsplan' in het algemeen voor die personen die niet een dagelijks te maken hebben met bestemmingsplannen.

5.1 Toelichting op het juridisch systeem

Bij de opzet van de regels is aangesloten op de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening. De Wet ruimtelijke ordening bevat een algemeen verbod om de gronden en bebouwing in strijd met het bestemmingsplan te gebruiken. Dit hoeft dus niet in de regels te worden opgenomen. Hetzelfde geldt voor de strafregel. Tevens sluiten de regels aan bij de nieuwe eisen conform de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2008 (SVBP 2008).

Met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), per 1 oktober 2010, zijn de aanlegvergunning, de sloopvergunning en de binnenplanse ontheffing als instrumenten van het bestemmingsplan onderdeel van de omgevingsvergunning (Wabo) geworden. In het bestemmingsplan onder de Wabo wordt bijvoorbeeld niet meer gesproken van een ontheffing, maar van een afwijking. Een bouwvergunning is omgevormd naar een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, en een aanlegvergunning is verworden tot een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. In het voorliggende bestemmingsplan zijn de begrippen uit de Wabo gehanteerd.

5.2 Toelichting op de bestemmingen

Agrarisch - Bollenteelt - Bollenzone 1

Gronden die zijn aangewezen voor Agrarisch - Bollenteelt - Bollenzone 1 zijn bestemd voor bollenteelt:

  • 1. de teelt van bloembollen, bolbloemen en knolgewassen;
  • 2. de teelt van snijbloemen en van vergelijkbare laag blijvende eenjarige en vastbloeiende tuinplanten;
  • 3. de teelt van vollegronds tuinbouwproducten als eenjarige wisselteelt, niet zijnde sierteelt, boomkwekerij/-teelt, fruitteelt en bosbouw;
  • 4. broeierijen als onderdeel van een grondgebonden bollenteeltbedrijf;

Wonen

De bestemming Wonen is opgenomen voor de woning en bijgebouw in het plangebied. Het bestemmingsvlak heeft een oppervlakte van 1000 m2.

Binnen de bestemming is de maatvoeringsaanduiding 'maximum oppervlakte bijgebouwen' aangegeven. Ter plaatse van deze aanduiding mag de oppervlakte aan bijgebouwen 175 m2 bedragen.

Naast het gebruik als burgerbewoning mag 25% van de vloeroppervlakte van de betreffende woning inclusief bijgebouwen - met een maximum van 40 m² - worden aangewend voor aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten.

Waarde - Archeologie - 3

De voor 'Waarde - Archeologie - 3' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een wijzigingsplan. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt in de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Bij nieuwe ontwikkelingen moet onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) tegelijk met het bestemmingsplan een exploitatieplan worden vastgesteld, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door middel van gemeentelijke gronduitgifte of een anterieure overeenkomst. De gemeente heeft hierbij de onderzoeksverplichting om de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan te toetsen.

De gemeente zal een anterieure overeenkomst sluiten met initiatiefnemer waarin het kostenverhaal wordt geregeld. Hierdoor is een exploitatieplan niet noodzakelijk. De kosten voor de uitvoering van het initiatief liggen volledig bij de ontwikkelende partij. Geconcludeerd wordt dat er voldoende middelen zijn om de ontwikkeling tot uitvoering te brengen. Het plan is daarmee financieel uitvoerbaar.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

In het kader van het wettelijke vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro wordt het voorontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de overlegpartners. Zij hebben zes weken de tijd om in het kader van het vooroverleg te reageren op het voorontwerpbestemmingsplan.

Zienswijzen

Overeenkomstig de wettelijke vereisten zal het ontwerpbestemmingsplan met de daarbij behorende stukken voor 6 weken ter inzage worden gelegd. Gedurende deze termijn krijgt eenieder de mogelijkheid om zienswijzen over het ontwerpbestemmingsplan in te dienen bij de gemeenteraad.