direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Parapluplan Standplaatsen
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0537.bpKRVstandplaatsen-on01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Voor het innemen van een standplaats is op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening Katwijk 2014 een vergunning van het college van burgemeester en wethouders vereist.

Het standplaatsenbeleid heeft als doel duidelijke en goed gemotiveerde criteria te geven over hoe het college om gaat met deze bevoegdheid tot vergunningverlening. Het vastgestelde standplaatsenbeleid zorgt er voor dat de rechtszekerheid is vergroot en vergunningverlening daarmee (her-) kenbaar, voorspelbaar en controleerbaar is voor inwoners en ondernemers.

In de Algemene Plaatselijke Verordening Katwijk 2014 is opgenomen dat een aanvraag voor een standplaats moet worden geweigerd als deze in strijd is met het geldende bestemmingsplan. In de verschillende Katwijkse bestemmingsplannen is geen eenduidige regeling voor standplaatsen opgenomen. In sommige gevallen is een adequaat juridisch-planologisch regime opgenomen maar soms ontbreekt dit onderwerp (deels) in een bestemmingsplan.

Doel van dit bestemmingsplan is dan ook de standplaatsen, zoals beschreven in het standplaatsenbeleid, ruimtelijk mogelijk te maken en eenduidige regels hiervoor vast te stellen. Hierdoor wordt voorkomen dat vergunningaanvragen voor het innemen van een standplaats in de toekomst moeten worden geweigerd.

Dit bestemmingsplan is een zogenaamd 'parapluplan-bestemmingsplan'. Dit betekent dat naast het paraplubestemmingsplan nog een ander bestemmingsplan geldt. Alle regels hiervan blijven gelden tenzij in het paraplubestemmingsplan anders is vermeld.

1.2 Situering en begrenzing plangebied

Het plangebied van het bestemmingsplan "Parapluplan Standplaatsen" heeft betrekking op het gehele grondgebied van de gemeente Katwijk. Zie hieronder het plangebied in figuur 1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0537.bpKRVstandplaatsen-on01_0001.png"

Figuur 1: begrenzing plangebied

1.3 Vigerende bestemmingsplannen

Het bestemmingsplan "Parapluplan Standplaatsen" heeft betrekking op diverse bestemmingsplannen.

Hoofdstuk 2 Beleidskader

2.1 Provinciale verordening Ruimte

Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland hebben op 14 december 2016 de actualisering 2016 van de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) vastgesteld. Op 12 januari 2017 is deze in werking getreden. Nadien is visie regelmatig op onderdelen herzien.

In de visie signaleert de provincie de structurele veranderingen in samenleving, economie en milieu. De voorspelbaarheid van nieuwe ontwikkelingen vermindert, demografische ontwikkelingen verschillen en de regionale economie internationaliseert en is kwetsbaar voor externe schokken. Tegelijkertijd gaan technologische innovaties snel en kunnen oplossingen in beeld brengen die nu nog onhaalbaar lijken. Deze tijd vraagt om maatwerk, flexibiliteit en aanpassingsvermogen. De economische, technologische en demografische ontwikkelingen werken door in de wijze waarop mensen en bedrijven de ruimte en het mobiliteitsnetwerk gebruiken. De provincie wil aansluiten op de bestaande en toekomstige dynamiek door waar mogelijk flexibiliteit in regelgeving te bieden. De Visie Ruimte en Mobiliteit is opgesteld vanuit de gedachte dat regels en kaders van de overheid nodig blijven, maar niet nodeloos mogen knellen.

De Visie Ruimte en Mobiliteit biedt geen vastomlijnd ruimtelijk eindbeeld, maar wel een perspectief voor de gewenste ontwikkeling van Zuid-Holland als geheel. De gewenste ontwikkeling is verwoord in vier rode draden:

  • beter benutten en opwaarderen van wat er is;
  • vergroten van de agglomeratiekracht;
  • verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit;
  • bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving.

Vanuit het besef dat stad en land één leefomgeving vormen met elkaar aanvullende kwaliteiten, kent deze Visie Ruimte en Mobiliteit een indeling in functionele hoofdstukken. Het hoofdstuk 'Mobiliteit en bebouwde ruimte' geeft uitwerking aan de eerste en tweede rode draad. Het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit (derde rode draad) komt hoofdzakelijk tot uiting in het hoofdstuk 'Kwaliteit van landschap, groen en erfgoed' en het bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving hoofdzakelijk bij 'Water, bodem en energie'.

Om de doelen zoals beschreven in de visie te behalen hebben Provinciale Staten de verordening Ruimte vastgesteld. Het plan past binnen deze kaders.

2.2 Omgevingsvisie

De omgevingsvisie Katwijk is een inspiratiedocument voor de ontwikkeling van Katwijk in de periode tot 2030. Het zal ook dienen als integraal afwegingskader voor diverse projecten en initiatieven van burgers, bedrijven en gemeente. Het is een compact, leesbaar en wervend beeld door alle partijen gedeeld: een visie waarin het verhaal van de toekomst gevat wordt. De uitwerking wordt vertaald in programma, projecten en plannen.

De visie valt uiteen in vier ontwikkelstrategieën:

  • Sterke kust;
  • Florerende onderneming;
  • Katwijkse kernen;
  • Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.

Het geeft de veelkleurigheid van de gemeente aan alsmede de kracht die in de verschillen tussen de verschillende kernen zit. Voor opgaven die de gemeentegrens overstijgen wil Katwijk de regionale samenwerking intensiveren. Dit is bijvoorbeeld op het gebied van mobilieit.

Het plan past binnen de ontwikkelkaders zoals gesteld in de gemeentelijke omgevingsvisie.

2.3 Standplaatsenbeleid 2017

Op grond van de APV is het verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. Ook als men op particuliere grond een standplaats wil innemen dan heeft men een vergunning van het college nodig. Het standplaatsenbeleid heeft als doel duidelijke en goed gemotiveerde criteria aan te geven op basis waarvan standplaatsen worden toegestaan. Het beleid beoogt de rechtszekerheid te vergroten en is daarmee (her-) kenbaar, voorspelbaar en controleerbaar voor burgers. Een APV-vergunning wordt geweigerd indien er strijd is met het bestemmingsplan. Bij het bepalen van het beleid voor standplaatsen zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:

Toegevoegde waarde van standplaatsen is het tijdelijke karakter

Het onderscheidend vermogen van een standplaats en daarmee de toegevoegde waarde voor de detailhandelsstructuur, is het tijdelijke en ambulante karakter ervan (een dag of dagdeel in de week). Met een standplaats kan gedurende een dag of dagdeel voorzien worden in assortimenten waarvoor te weinig draagvlak is om gedurende een hele week een winkel te exploiteren. Standplaatsen kunnen daarmee een aanvulling zijn op het voorzieningenniveau van de consument. Doordat de ondernemer ambulant is en zijn onderneming gedurende de week op wisselende standplaatsen exploiteert en zijn kosten vaak lager zijn dan die van een winkelier, kan hij toch voorzien in een gezonde bedrijfsvoering.

Standplaatsenbeleid onderdeel van detailhandelsbeleid

Standplaatsen maken, evenals warenmarkten en winkels, deel uit van de detailhandelsstructuur van Katwijk. Trends en ontwikkelingen in de detailhandel, wijzigen het consumentengedrag (vraagzijde) en de vestigingsvoorkeuren randvoorwaarden voor aanbieders (aanbod). In het algemeen staat de sector onder druk. De vraag naar winkelruimte, markt- en standplaatsen neemt af. Hiermee staat een voor de consument aantrekkelijke voorzieningenstructuur en voor de ondernemer gunstig vestigingsklimaat onder druk.

In 2016 hebben de gemeenten uit de Leidse regio (waaronder Katwijk) de Retailvisie Leidse regio vastgesteld die de detailhandelsvisie vervangt. Ambitie van de Retailvisie is een duurzame detailhandelsstructuur in de Leidse regio met een compleet winkelaanbod voor consumenten en een voor ondernemers goed ondernemersklimaat. In het licht van de trends en ontwikkelingen zijn winkelgebieden ingedeeld op basis van consumentenvoorkeuren; recreatieve (funshoppen), boodschappen en doelgerichte winkelgebieden. Ook zijn er keuzes gemaakt in winkelgebieden die tot de hoofdstructuur behoren. Voor Katwijk behoren de volgende winkelgebieden tot de hoofdstructuur: Katwijk aan Zee, Bosplein, Visserijkade, Hoornespassage, Melkweg, Koopcentrum Oegstgeesterweg, de Hoftuin, Hoofdstraat Valkenburg en 't Heen.

Het standplaatsenbeleid wordt geformuleerd in het verlengde van de Retailvisie. Daarbij wordt zoveel als mogelijk ingezet op de complementariteit tussen standplaatsen, markten en winkels, zodat deze elkaar optimaal versterken.

Standplaatsen zijn aanvulling op winkels en markt en geen vervanging

De beperkte tijdsduur per week is een cruciaal onderdeel van het standplaatsenbeleid binnen het totale detailhandelsbeleid. Het is immers niet de bedoeling dat standplaatsen de rol van winkels gaan overnemen door meerdere dagen per week aanwezig te zijn, te groot van omvang zijn of zelfs de verschijningsvorm van een winkel (kiosk) aan te nemen. Mede gelet op de reeds grote en verder toenemende leegstand in winkelgebieden, is het beleidsmatig gewenst vormen van detailhandel die redelijkerwijs in winkelgebieden en in winkelruimtes plaats kunnen vinden, niet buiten winkelgebieden en in de openbare ruimte te laten plaatsvinden. Hetzelfde geldt voor standplaatsen in relatie tot de warenmarkt.

De locaties voor standplaatsen in dit plan sluiten aan op de locaties uit het Standplaatsenbeleid 2017.

2.4 Milieu hygienische aspecten

2.4.1 Bedrijvigheid

Om de woonfuncties te beschermen tegen onevenredige milieubelasting dient aandacht te worden geschonken aan mogelijk conflicterende bestemmingen. Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieu-hygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Hieronder wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woongebieden.

Om het begrip milieuzonering hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) van de VNG. Bedrijven zijn opgenomen in een tabel die is ingedeeld in milieucategorieën, waarbij per bedrijf/branche is aangegeven wat de afstand tot een rustige woonwijk dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd maar zijn indicatief. Door middel van deze zonering tussen bedrijvigheid en woonbebouwing wordt de overlast ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden.

Bedrijven die voorkomen in de categorieën 1 en 2 hebben een relatief geringe milieubelasting en zullen in het algemeen niet conflicteren met de woonbestemming. Het gebruik wat op de standplaatsen is toegestaan valt onder milieucategorie 1 en is daardoor verenigbaar binnen een woonomgeving. Op een aantal locaties zijn branche 1 en 2 niet toegestaan, om op die manier de mogelijke geuroverlast naar de omgeving te voorkomen.

Hiernaast is de Wet milieubeheer van toepassing wanneer een standplaats kan worden gekwalificeerd als een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Een inrichting is elke door de mens bedrijfsmatig of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht. Indien de standplaatshouder gebruik maakt van installaties waarin gekookt, gebakken, of gebraden en / of gefrituurd kan worden dan dienen deze installaties te voldoen aan de in het activiteitenbesluit gestelde eisen.

Conclusie

Met het onderhavig paraplubestemmingsplan worden veelal bestaande standplaatsen planologisch vastgelegd. Hierbij is geen sprake van een verslechtering van de bestaande situatie en zal de invloed op het woon- en leefklimaat ter plaatsen van de omliggende woningen beperkt zijn. Dit wordt tevens bereikt door uitsluitend standplaatsen mogelijk te maken die qua aard en schaal passen binnen de woonomgeving. Het aspect milieuzonering staat de vaststelling van het parapluplan dan ook niet in de weg.

2.4.2 Geluid

In het bestemmingsplan worden geen nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk gemaakt. Hiernaast is de Wet geluidhinder niet van toepassing op standplaatsen, wel zal de inrichting moeten voldoen aan het Activiteitenbesluit.

Conclusie

Het aspect geluid staat de vaststelling van het bestemminsplan standplaatsen niet in de weg.

2.4.3 Bodem

Het Besluit ruimtelijke ordening stelt eisen aan de uitvoerbaarheid van plannen. Daarom is kennis van de bodem van belang voor het leggen van de bestemmingen. De Wet bodembescherming bevat kaders voor (het saneren van) ernstige verontreinigingen. De Woningwet en de Wet milieubeheer bevatten kaders omtrent het gebruik. Of een verontreiniging moet worden gesaneerd hangt af van de ernst en omvang. Uiteraard speelt het toekomstig gebruik ook een belangrijke rol.

Met het voorliggend parapluplan worden voornamelijk bestaande standplaatsen planologisch mogelijk gemaakt. In het kader van de planologische legalisatie van de standplaatsen zijn geen bodemingrepen benodigd, hiernaast wordt op een standplaats niet structureel langdurig verbleven. Tevens is een standplaats geen risicovolle activiteit voor de bodem. In het kader van het bestemmingsplan is dan ook geen nader onderzoek nodig.

Conclusie

Het aspect bodem geeft geen belemmering voor het vaststellen van het parapluplan standplaatsen.

2.4.4 Luchtkwaliteit

Het bestemmingsplan moet voldoen aan de Wet milieubeheer, Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen. De kern van dit hoofdstuk is het Nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL), een bundeling van maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Uit het NSL volgt het onderscheid tussen grote en kleine projecten:

grote projecten, die de luchtkwaliteit in betekenende mate verslechteren;

kleine projecten, die geen wezenlijke invloed op de luchtkwaliteit.

Het begrip 'in betekenende mate' (Wm, art. 5.16 lid 1c), is verder uitgewerkt in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (Nibm). Een plan draagt niet in betekenende mate bij als aannemelijk wordt gemaakt dat de toename van de jaargemiddelde concentratie aan fijnstof of stikstofdioxide minder is dan 3 % van de grenswaarde van 40 ug/m3. Dan hoeft niet verder te worden getoetst aan de grenswaarden uit de wet. Naast de 3 %-grens uit het Besluit Nibm is er de Nibm-regeling, waarin categorieën van gevallen zijn benoemd welke in elk geval niet bijdragen. Onder die categorieën vallen woningbouwlocaties (tot 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg) en kantorenlocaties (tot 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij één ontsluitingsweg). Met de toepassing van de regeling wordt op cijfermatige wijze gekwantificeerd of een project in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging.

Uit oogpunt van goede ruimtelijke ordening moet ook worden vastgesteld of er sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde.

De actuele luchtkwaliteit voldoet aan de nationale normen. Ook is er geen sprake van een dreigende overschrijding. Dit valt af te lezen uit de Monitoringstool, waarin het Rijk jaarlijks verslag doet van de resultaten van het NSL.

Conclusie

Ter plaatse van het plangebied is geen sprake van een (dreigende) overschrijding van een grenswaarde. Ook voldoet dit plan aan de Nibm-criteria en daarom hoeft geen verdere beoordeling van de luchtkwaliteit te worden uitgevoerd.

2.4.5 Natuurbescherming

Gebiedsbescherming

Op basis van de Wet natuurbescherming zijn gebieden aangewezen waarop deze wet van toepassing is. In het aanwijzingsbesluit van elk gebied zijn de beschermingsdoelstellingen benoemd. In Katwijk zijn Berkheide en Coepelduynen aangewezen als natuurbeschermingsgebied.

In de provinciale milieuverordening (PMV) is een groot gedeelte van Berkheide aangewezen als milieubeschermingsgebied voor stilte en voor grondwater.

Soortenbescherming

De Wet natuurbescherming verbiedt om dieren te doden of hun rust- of verblijfplaats te verstoren. Voor alle werkzaamheden in het kader van het bouwen en inrichten van de buitenruimte moet worden voorkomen dat beschermde dieren- en plantensoorten schade ondervinden. Ten behoeve van de omgevingsvergunning moet worden aangetoond, middels ecologisch onderzoek, dat hetzij geen schade wordt toegebracht, hetzij hiervoor ontheffing van de Wet natuurbescherming is verkregen.

Conclusie

Met het voorliggend bestemmingsplan worden enkele planologisch nieuwe standplaatsen mogelijk gemaakt in de reeds bestaande openbare ruimte. Deze locaties bevinden zich buiten de aangewezen Natura2000 gebieden, hiernaast zijn deze openbare ruimten verhard waardoor geen flora- en fauna aanwezig zijn. Het aspect natuurbescherming levert gezien voorgaande dan ook geen beperkingen op voor de beoogde ontwikkeling.

2.4.6 Externe veiligheid

Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals bij de productie, de opslag en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij de herinrichting van een gebied bepalen deze risico's mede de ruimtelijke mogelijkheden.

In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden onderzocht in hoeverre er sprake is van aanwezigheid van risicovolle activiteiten in de nabijheid van het plangebied. Dat kan zowel inrichtingen als transporten betreffen. Van die activiteit dient het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) te worden bepaald en eventueel de toename hiervan.

Met het parapluplan worden planologisch een aantal standplaatsen mogelijk gemaakt. Een paar standplaatsen liggen in de buurt van een aardgas transportleiding, namelijk de locatie aan de Visserijkade, de Zeeweg en de Willem de Zwijgerlaan. De PR 10-6 contour bevindt zich boven de leiding, de locaties van de standplaatsen blijven hier buiten.
Omdat bij de standplaatslocaties over het algemeen een relatief beperkt aantal mensen aanwezig zijn speelt het groepsrisico bij deze locaties geen rol.

De aardgastransportleidingen vormen geen belemmeringen bij het planologisch vastleggen van de beoogde standplaatslocaties.

De medische en sociaal maatschappelijke standplaatsen zijn niet locatie gebonden. Bij het zoeken naar de locatie voor deze standplaatsen dient buiten de PR 10-6 contour gebleven te worden.

Conclusie

De objecten die in het kader van externe veiligheid extra aandacht behoeven geven geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan.

2.5 Parkeernormenbeleid Katwijk 2010

Vanuit verkeer zijn de volgende aspecten van belang: verkeersveilige locatie, parkeren en fietsparkeren. Laden en lossen is voor een standplaats niet relevant, omdat het laden en lossen niet op de standplaats zelf gebeurd. De gemeente Katwijk heeft parkeernormen vastgelegd. Op het moment van vaststelling van dit bestemmingsplan is dat het Parkeernormenbeleid Katwijk 2010. In het parkeernormenbeleid en de CROW richtlijnen zijn geen parkeernormen voor standplaatsen opgenomen. Standplaatsen zijn kleine voorzieningen met een zeer beperkte parkeervraag, vaak aanvullend bij winkelcentra of bij recreatiegebieden. Voor het parkeren van auto's kan dan gebruik worden gemaakt van de bestaande voorzieningen in de omgeving. Bij de locaties wordt hier (zo veel als mogelijk) rekening mee gehouden.

2.6 Stedenbouwkundige aspecten

Een kenmerk van een standplaats, waarmee het zich onderscheid van een bouwwerk, is de mobiliteit. Aan het einde van de dag verdwijnen de opstallen van de standplaats en is deze weer vrij. Hierdoor is de ruimtelijke impact van een standplaats beperkter dan dat van een bouwwerk.

Er zijn een aantal nieuwe standplaatslocaties in het beleid toegevoegd. Deze zijn allemaal stedenbouwkundig voorstelbaar op de voorgestelde locaties:

Melkweg ter hoogte van nr. 159

De standplaats is gesitueerd op een breed trottoir direct grenzend aan de parkeerplaats bij de woningen, winkels, school en kerk. De standplaats ligt in lijn met de winkels en op het breedste deel van het trottoir. Er is hier een brede openbare ruimte waarbij voldoende ruimte over blijft als de standplaats in gebruik is. Gelet op de nabij gelegen functies is een standplaats hier stedenbouwkundig voorstelbaar.

Hoek Bosplein - Willem de Zwijgerlaan ter hoogte van nr. 57

De standplaats is gesitueerd op een breed trottoir direct grenzend aan de parkeerplaats bij de woningen, winkels en park. De standplaats ligt tussen de winkels en op het breedste deel van het trottoir. Er is hier een brede openbare ruimte waarbij voldoende ruimte over blijft als de standplaats in gebruik is. Gelet op de nabij gelegen functies is een standplaats hier stedenbouwkundig voorstelbaar.

Oegstgeesterweg ter hoogte van Hoogvliet

De standplaats is gesitueerd op een breed trottoir voor de winkels en woningen. De standplaats ligt voor de winkels en op het breedste deel van het trottoir. De locatie is direct tegen de gesloten gevel van de winkel en hierdoor ruimtelijk gezien niet hinderlijk. Er is hier een brede openbare ruimte waarbij voldoende ruimte over blijft als de standplaats in gebruik is. Gelet op de nabij gelegen functies is een standplaats hier stedenbouwkundig voorstelbaar.

Hoofdstraat 102

De standplaats is gesitueerd achter de woning naast de parkeerplaatsen ten dienste aan de winkel. Deze locatie biedt voldoende ruimte voor een standplaats. Gelet op de nabij gelegen functies is een standplaats hier stedenbouwkundig voorstelbaar.

Hoofdstuk 3 Juridische planbeschrijving

3.1 Algemeen

De herziening van het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels zijn juridisch bindend. De toelichting moet hierbij gezien worden als een uitleg wat met de verbeelding en de regels wordt beoogd. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van de functies en vorm in het bestemmingsplangebied. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar zijn en op vergelijkbare wijze moeten worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale plannen moeten voldoen. Zo bevatten de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

3.2 Verbeelding

De verbeelding geeft de omvang van het plangebied aan. Omdat het plangebied de gehele gemeente beslaat en standplaatsen slechts op bepaalde locaties zijn toegestaan is geen verbeelding opgesteld. Wel zijn er specifieke kaarten opgenomen als bijlage bij de regels waarop wordt weergeven waar standplaatsen exact zijn toegelaten.

3.3 Opbouw regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1

Begrippen die in de regels worden gebruikt en die uitleg behoeven, worden in dit artikel uitgelegd.

Artikel 2

Dit artikel bepaalt het toepassingsbereik van dit bestemmingsplan. Enkel de regels voor standplaatsen worden herzien. De regels voor kiosken uit het bestemmingsplan Kustwerk Katwijk worden met dit plan niet herzien.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

In het hoofdstuk bestemmingsregels zijn in de planregels alle bestemmingen opgenomen met de daarbij behorende bestemmingsomschrijving. De artikelen zijn op alfabetische volgorde opgenomen. In het bestemmingsplan komen de volgende bestemmingen voor:

Artikel 3 :Incidentele standplaatsen

De definitie van een standplaats voor incidentele standplaatsen wordt in de begripsbepaling gegeven. Dit artikel maakt standplaatsen voor incidenteel gebruik mogelijk. Hierbij kan worden gedacht aan de verkoop van oliebollen en Koek en Zopie. Koek-en-Zopie is, van oudsher, een term die gebruikt wordt voor het voedsel en de drank die tijdens schaatsperiodes bij het ijs verkocht wordt.Tegenwoordig worden er voornamelijk warme chocolademelk, snert, gluwhwein en gevulde koek verkocht in een koek-en-zopie tent. Onder de specifieke gebruiksregels worden regels gesteld voor het maximum aantal standplaatsen, de duur, de locatie, oppervlakte en bouwhoogte.

Artikel 4:standplaats voor medische doeleinden

De definitie van een standplaats voor medische doeleinden wordt in de begripsbepaling gegeven. Dit artikel maakt standplaatsen voor medische doeleinden mogelijk. Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld een mobiel onderzoekscentrum van het bevolkingsonderzoek borstkanker. Onder de specifieke gebruiksregels worden regels gesteld voor het maximum aantal standplaatsen, de duur, de locatie, oppervlakte en bouwhoogte.

Artikel 5:standplaats voor sociaal maatschappelijke activiteiten

De definitie van een standplaats voor sociaal maatschappelijke activiteiten wordt in de begripsbepaling gegeven. Dit artikel maakt deze standplaatsen mogelijk. Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld een viskraam waarbij sprake is van begeleid werk. Onder de specifieke gebruiksregels worden regels gesteld voor het maximum aantal standplaatsen, de duur, de locatie, oppervlakte en bouwhoogte.

Artikel 6: permanente standplaatsen

Dit artikel zorgt voor een uniforme regeling voor permanente standplaatsen. Er zijn specifieke gebruiksregels gesteld voor het aantal standplaatsen per locatie. Per locatie mag maar 1 standplaats worden ingenomen. Het gelijktijdig innemen van 2 of meer standplaatsen is niet toegestaan. Als elke dag door een andere standplaatshouder een standplaats wordt ingenomen is er geen probleem. Wie de standplaatshouder betreft is namelijk ruimtelijk niet relevant, enkel het aantal op hetzelfde moment. In de regels wordt een maximale bouwhoogte voorgeschreven. Voor de exacte locatie van de standplaatsen wordt naar de kaarten verwezen die zijn opgenomen als bijlage bij de regels. De maximale oppervlakte van een standplaats is gelijk aan de standplaatsvakken die op deze kaarten worden weergegeven. De definitie van een standplaats en branchering van goederen en diensten wordt in de begripsbepaling geregeld. Branchering is noodzakelijk vanwege het aspect geurhinder. Qua terminologie is aansluiting gezocht bij het Standplaatsenbeleid.

Artikel 7:semipermanente standplaatsen

Dit artikel ziet op semipermanente standplaatsen. Er zijn specifieke gebruiksregels gesteld voor het aantal standplaatsen en de maximale bouwhoogte. Voor de exacte locatie van de standplaatsen wordt naar de kaarten verwezen die zijn opgenomen als bijlage bij de regels. De maximale oppervlakte van een standplaats is gelijk aan de standplaatsvakken die op deze kaarten worden weergegeven.

Hoofdstuk 3 Overgangs- en slotregels

Artikel 8

Bouwwerken welke op het moment van tervisielegging van het plan bestaan of waarvoor een bouw- dan wel omgevingsvergunning is aangevraagd, mogen blijven bestaan, ook wanneer dit strijdig is met de bebouwingsregels. Dit overgangsrecht geldt niet voor gebouwen die ook reeds in strijd waren met het voorgaande bestemmingsplan en waarvoor geen omgevingsvergunning is verleend.
Voor het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment waarop het plan rechtskracht verkrijgt, mag worden voortgezet, tenzij het gebruik ook reeds in strijd was met het voorgaande plan.

Artikel 9

In de slotregel wordt aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald. Deze regels kunnen worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan Parapluplan Standplaatsen.

Hoofdstuk 4 Uitvoerbaarheid & handhaving

4.1 Vooroverleg

Het plan is in het kader van het vooroverleg voorgelegd aan de provincie Zuid-Holland.

4.2 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan “Parapluplan Standplaatsen” heeft van gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld om schriftelijk en mondeling op het plan te reageren. In totaal zijn er zienswijzen op het plan ingediend.

Ingediende zienswijzen

De eventueel ingediende zienswijzen worden verwerkt in het vast te stellen bestemmingsplan.

4.3 Economische uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan Parapluplan Standplaatsen wordt opgesteld onder regime van de nieuwe Wro. Onderdeel van de nieuwe Wro is de GREX – wet. De wetgever heeft met de nieuwe regeling inzake de grondexploitatie, ook wel Grondexploitatiewet (GREX – wet) genoemd, een oplossing willen bieden voor het probleem dat gemeenten bij de ontwikkeling van nieuwe gebieden geen of slechts beperkte mogelijkheden van kostenverhaal hebben, indien zij niet de eigenaar zijn van de te ontwikkelen gronden (afdeling 6.4 Wro). Dit als stok achter de deur als het niet lukt om een exploitatieovereenkomst af te sluiten met de private grondeigenaren. Er zijn twee mogelijkheden om (privaatrechtelijk) de kosten te verhalen:

  • 1. anterieure exploitatieovereenkomst, exploitatieovereenkomst voordat een exploitatieplan aan de orde is.
  • 2. posterieure exploitatieovereenkomst, exploitatieovereenkomst die gesloten wordt na de inwerkingtreding van een exploitatieplan.

Het exploitatieplan is verplicht als het niet lukt om een anterieure exploitatieovereenkomst af te sluiten met de eigenaren binnen het exploitatiegebied. Het exploitatieplan biedt dan een grondslag om de kosten van openbare voorzieningen via de omgevingsvergunning te innen.

Consequenties bestemmingsplan Parapluplan Standplaatsen
In het bestemmingsplan Parapluplan Standplaatsen worden geen ontwikkellocaties opgenomen. Voor het bestemmingsplan Parapluplan Standplaatsen zal er geen verplichting zijn tot het opstellen van een exploitatieplan.

4.4 Handhaving

De gemeente Katwijk heeft in het plan 'Organisatie van het Vergunning- en Handhavingsbeleid 2012-2016' voor de komende jaren het integrale toezichts- en handhavingsbeleid vastgelegd. Dit beleid richt zich op de bebouwde omgeving met als doel een bijdrage te leveren aan de naleving van gestelde normen en regels. Het streefbeeld voor de gemeentelijke toezichts- en handhavingstaak is om deze op een structurele en integrale manier vorm te geven. Eventuele toepassing van bestuurs- of strafrechtelijke sancties maakt de toezichts- en handhavingsketen compleet.

Toezicht wordt gehouden op de uitvoering van verleende omgevingsvergunningen. Er vindt controle plaats of wordt gebouwd conform bij de vergunning horende bouwtekeningen en of voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden worden nageleefd. Doel is het waarborgen van een basiskwaliteit ten aanzien van de bouwkundige staat, veiligheid, en de milieukundige, ruimtelijke en cultuurhistorische kwaliteit van de bebouwde omgeving. Verder wordt toezicht gehouden op precariorechten, de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en leegstand. Voor handhavingstaken voortvloeiend uit de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) is sprake van signaaltoezicht en wordt samengewerkt bij evenemententoezicht. Thema's als duurzaam bouwen en veiligheid vormen steeds vaker een onderdeel van de toezichtstaak.

Tijdens het gebruik wordt toezicht gehouden op bestaande objecten. Deze gebruiksfase begint nadat een object (bijvoorbeeld een gebouw) is opgericht, ingericht en daardoor gebruiksklaar is. Toezicht vindt plaats op grond van een verleende omgevingsvergunning of algemeen geldende voorschriften. Objecten worden volgens een vastgestelde controlefrequentie periodiek gecontroleerd. Hoofdzakelijk betreft het toezicht periodieke controles op basis van het Bouwbesluit 2012, de Wet milieubeheer, de APV (evenementen) en hieraan gerelateerde wetgeving.

Ten slotte wordt toezicht gehouden op gebiedsniveau; (strijdig) gebruik en het illegaal oprichten van bouwwerken en ruimten. Op deze manier worden de ruimtelijke, esthetische en landschappelijke kwaliteiten versterkt en de veiligheid en leefbaarheid van de (openbare) ruimte verbeterd. Dit type toezicht is veelal naar aanleiding van een klacht of melding of op basis van vrije veldtoezicht.

De planregels in dit plan zijn voldoende duidelijk, concreet en toepasbaar voor toezicht en handhaving.

Hoofdstuk 5 Procedure bestemmingsplan

Het bestemmingsplan Parapluplan Standplaatsen doorloopt, net als ieder bestemmingsplan, een uitgebreide procedure.

Burgemeester en wethouders hebben het ontwerpbestemmingsplan vrij gegeven voor ter visie legging conform art 3.8 Wro. Na publicatie, wordt het ontwerp dan gedurende 6 weken ter inzage gelegd. In die tijd kunnen door een ieder zowel mondelinge als schriftelijke zienswijzen worden ingediend bij de gemeenteraad.

Na verwerking van de zienswijzen en mogelijke ambtelijke aanpassingen zal de gemeenteraad - binnen 12 weken na afloop van de zienswijzentermijn - besluiten over de vaststelling van het bestemmingsplan.

Na aanpassing van het bestemmingsplan met inachtneming van de door de raad aangebrachte wijzigingen wordt het vastgestelde bestemmingsplan wederom 6 weken ter inzage gelegd (aanvang beroepstermijn).

Belanghebbenden die tijdig een zienswijze bij de gemeenteraad hebben ingediend kunnen beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Daarnaast kunnen belanghebbenden beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen wijzigingen die de gemeenteraad bij de vaststelling van het bestemmingsplan heeft aangebracht.