Plan:                     Hoornes

Status:                 Ontwerp

Plantype:            Bestemmingsplan

IMRO-idn:          NL.IMRO.0537.bpKAThoornes-on01

 

Inhoud van de regels

 

Hoofdstuk 1         Inleidende regels  3

Artikel 1                    Begrippen  3

Artikel 2                    Wijze van meten  13

Hoofdstuk 2         Bestemmingsregels  15

Artikel 3                    Detailhandel (DH) 15

Artikel 4                    Gemengd – 1 (GD -1) 17

Artikel 5                    Gemengd - 2 (GD-2) 18

Artikel 6                    Gemengd – 3 (GD -3) 19

Artikel 7                    Gemengd – 4 (GD -4) 20

Artikel 8                    Groen (G) 21

Artikel 9                    Horeca (H) 22

Artikel 10                  Maatschappelijk (M) 23

Artikel 11                  Tuin (T) 24

Artikel 12                  Verkeer (V) 25

Artikel 13                  Verkeer - Verblijfsgebied (V-VB) 26

Artikel 14                  Water (WA) 27

Artikel 15                  Wonen (W) 28

Artikel 16                  Wonen - Garage (W-GA) 32

Artikel 17                  Leiding - Water (L-W) 33

Artikel 18                  Waarde - Archeologisch  Verwachtingsgebied (WR-AV) 35

Artikel 19                  Waterstaat - Waterstaatkundige functie (WS-WS) 37

Hoofdstuk 3         Algemene regels  38

Artikel 20                  Antidubbeltelbepaling  38

Artikel 21                  Algemene bouwregels  39

Artikel 22                  Algemene aanduidingsregels  41

Artikel 23                  Algemene wijzigingsregels  42

Artikel 24                  Uitsluiting aanvullende werking bouwverordening  43

Artikel 25                  Overige regels  44

Hoofdstuk 4         Overgangs- en slotregel 45

Artikel 26                  Overgangsrecht 45

Artikel 27                  Slotregel 46

 

 

 


Hoofdstuk 1  Inleidende regels

                      

 

Artikel 1         Begrippen

 

1.1.                   plan

het bestemmingsplan 'NL.IMRO.0537.bpKAThoornes-on01' van de gemeente Katwijk.

 

1.2.                  bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0537.bpKAThoornes-vo01 met de bijbehorende regels.

 

1.3.                  verbeelding

voorheen plankaart; de digitale kaart met bijbehorende verklaring (nr R-A0-0329) waarop de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden zijn aangegeven.

 

1.4.                  aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar inge­volge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

 

1.5.                  aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

 

1.6.                  aaneengesloten woningen

blokken van meer dan twee-aaneengebouwde woningen.

 

1.7.                  aanbouw

een aan een hoofdgebouw gebouwd gebouw dat in bouwkundig opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw.

 

1.8.                  aan-huis-gebonden beroep

een dienstverlenend beroep op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat in een woning door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.

 

1.9.                  achtererf

de gronden die behoren bij een hoofdgebouw en gelegen zijn achter de achtergevel(rooi)lijn van het hoofdgebouw.

 

1.10.               achtergevel

de van de weg afgekeerde gevel van een gebouw of, indien een perceel met meer dan één zijde grenst aan een weg, de als zodanig door burgemeester en wethouders aan te wijzen gevel.

 

1.11.                achtergevelrooilijn

de lijn die samenvalt met de achtergevel van een hoofdgebouw en met het denkbeeldige verlengde daarvan.

 

1.12.               ambachtelijk bedrijf

een bedrijf, dat is gericht op het geheel of overwegend door middel van handwerk vervaardigen, bewerken of herstellen van goederen.

 

1.13.               antennedrager

een antennemast of andere constructie bedoeld voor de bevestiging van een antenne.

 

1.14.               antenne-installatie

een installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingscon­structie.

 

1.15.               archeologisch onderzoek

onderzoek verricht door of namens een dienst of instelling die over een opgravingsvergun­ning beschikt.

 

1.16.               archeologisch  verwachtingsgebied

terrein dat op basis van de Archeologische Verwachtings- en Beleidskaart van de gemeente Katwijk op de plankaart is aangeduid als gebied met middelhoge tot hoge archeologische verwachting.

 

1.17.               archeologisch waardevol gebied

terrein dat op de Archeologische Verwachtings- en Beleidskaart van de gemeente Katwijk is aangeduid als gebied met hoge archeologische waarde.

 

1.18.               archeologische waarde

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende over­blijfselen uit oude tijden.

 

1.19.               balkon

een al dan niet inpandige, geheel of gedeeltelijk overdekte bij een woning behorende bui­tenruimte vanaf de eerste bouwlaag.

 

1.20.              bebouwing

een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

 

1.21.               bebouwingspercentage

een op de verbeelding of in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van een bestemmingsvlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd.

 

1.22.              bedrijfswoning

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die slechts is bestemd voor bewoning door (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar noodzakelijk is, gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein.

 

 

1.23.              bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak.

 

1.24.              bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

 

1.25.              bijgebouw

een al dan niet vrijstaand, niet voor bewoning bestemd gebouw, zoals een garage en een schuur, dat een functionele eenheid vormt met een hoofdgebouw, en daaraan in bouwkundig opzicht ondergeschikt is.

 

1.26.              bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergro­ten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veran­deren van een standplaats.

 

1.27.              bouwgrens

de grens van een bouwvlak.

 

1.28.              bouwlaag

een deel van een gebouw, dat bestaat uit één of meer ruimten, waarbij de bovenkanten van de afgewerkte vloeren van twee aan elkaar grenzende ruimten niet meer dan 1,5 m in hoogte verschillen; bij de bepaling van het aantal bouwlagen wordt de bouwlaag die groten­deels in de kap is gelegen (zogenaamde zolderlaag) evenals de bouwlaag die grotendeels onder de begane grond is gelegen (zogenaamde kelder/souterrain) niet meegerekend.

 

1.29.              bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar be­horende bebouwing is toegelaten.

 

1.30.              bouwperceelgrens

een grens van een bouwperceel.

 

1.31.               bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.

 

1.32.              bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij di­rect hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

 

1.33.              café

een horecabedrijf, niet zijnde een discotheek of bar/dancing, uitsluitend of overwegend ge­richt op het verstrekken van dranken voor consumptie ter plaatse, met als nevenactiviteit het verstrekken van kleine etenswaren, al dan niet ter plaatse bereid.

 

1.34.              congrescentrum

een gebouwencomplex, bestemd en ingericht voor het houden van congressen, conferenties, symposia en andere grote bijeenkomsten.

 

1.35.              consumentverzorgende bedrijfsactiviteiten

het beroepsmatig uitoefenen van dienstverlenende bedrijvigheid gericht op de consument­verzorging doch niet zijnde een aan-huis-gebonden beroep, dan wel ambachtelijke bedrij­vig­heid gericht op consumentenverzorging, geheel of overwegend door middel van hand­werk, waarbij de omvang van de activiteiten zodanig is dat, wanneer deze in een woning en daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, de woonfunctie in overwegende mate ge­hand­haafd blijft en de ruimtelijke uitwerking of uitstraling in overeenstemming is met die woon­functie, zoals: fotograaf, autorijschool (geen theorie), bloemschikker, decorateur, fietsenre­parateur, goud- en zilversmid, hoedenmaker, hondentrimmer, schoonheidsspecia­list/kapsalon, nagelstudio, prothesemaker en andere daarmee gelijk te stellen activiteiten.

 

1.36.              consumentenvuurwerk

vuurwerk dat is bestemd voor particulier gebruik.

 

1.37.              cultuur en ontspanning

voorzieningen gericht op cultuur en ontspanning, zoals atelier, bioscoop, bowlingbaan, casino, congrescentrum, creativiteitscentrum, dansschool, museum, muziekschool, muziektheater, theater.

 

1.38.              cultuurhistorische waarde

de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde in verband met ouderdom en/of histori­sche gaafheid.

 

1.39.              dakkapel

een op een schuin dakvlak uitgebouwde uitstulping met  een eigen dak, met dien verstande dat de onderzijde van de dakkapel ten minste 0.5 meter boven de dakvoet is gelegen.

 

1.40.              dakopbouw

de ophoging van de goothoogte en/of nokhoogte en/of de dakhelling.

 

1.41.               dansschool

een inrichting waarin voorzieningen aanwezig zijn voor het in besloten ruimten dansen en het geven van onderricht daarin, zonder dat zalen worden verhuurd en zonder dat gelegenheid wordt geboden voor het houden van feesten en niet bij het dansonderricht behorende muziek- of dansevenementen.

 

1.42.              deskundige

een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commis­sie van deskundigen.

 

1.43.              detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen, die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

 

1.44.              detailhandel in volumineuze goederen

detailhandel in de volgende categorieën:

a.       detailhandel in brand- en explosiegevaarlijke goederen;

 

 

b.      detailhandel in volumineuze goederen, zoals auto's, keukens, badkamers, boten, moto­ren, caravans, landbouwwerktuigen en grove bouwmaterialen en daarmee rechtstreeks samenhangende artikelen, zoals accessoires, onderhoudsmiddelen, onderdelen en ma­terialen;

c.       tuincentra;

d.      grootschalige meubelbedrijven, al dan niet - in ondergeschikte mate - in combinatie met woninginrichting en stoffering;

e.      bouwmarkten.

 

1.45.              detailhandelsbedrijf

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen, die deze goederen kopen voor gebruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

 

1.46.              dienstverlening

het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, zoals bijvoorbeeld reis- en uitzendbureaus, kap­salons, pedicures, stomerijen, sleutel- en hakkenbars, wasserettes, makelaarskantoren, in­ternetwinkels en bankfilialen.

 

1.47.              dwarskap

een kap loodrecht op de voorgevel (naar de straat gekeerde gevel).

 

1.48.              erf

al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan van toepassing is, de bestemming deze inrichting niet verbiedt.

 

1.49.              erker

een uitgebouwd gedeelte van een woning aan een gevel.

 

1.50.              evenementen

gebeurtenissen, gericht op een groot publiek, met betrekking tot kunst, sport, ontspanning en cultuur.

 

1.51.               extensieve dagrecreatie

niet gemotoriseerde, recreatieve activiteiten, zoals wandelen, fietsen, skaten, paardrijden, vissen, zwemmen en natuurobservatie.

 

1.52.              gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

 

1.53.              geschakelde woningen

woningen, waarvan de hoofdgebouwen door middel van uitbouwen c.q. aangebouwde bijge­bouwen met elkaar zijn verbonden en waarbij één zijgevel van het hoofdgebouw in de zijde­lingse perceelsgrens is gebouwd.

 

1.54.              gestapelde woningen

een gebouw dat twee of meer geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen bevat.

 

1.55.               geluidzone -  industrie

een zone rond een industrieterrein zoals bedoeld in artikel 40 van de Wet geluidhinder, waarbuiten de geluidsbelasting vanwege dat terrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan.

 

1.56.              grootschalige detailhandel

detailhandel waarbij het brutovloeroppervlak minimaal 1.500 m² bedraagt.

 

1.57.               halfvrijstaande woningen

blokken van twee-aaneengebouwde woningen.

 

1.58.              hoofdgebouw

een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmetingen of functie als het be­langrijkste bouwwerk valt aan te merken.

 

1.59.              horeca

een bedrijf dat in zijn algemeenheid gericht is op het verstrekken van nachtverblijf en/of ter plaatse nuttigen van voedsel en/of dranken en/of het exploiteren van zaalaccommodatie. De volgende specifieke vormen worden onder horeca begrepen. Bij deze begrippen is een on­derscheid gemaakt tussen licht, middel en zware horeca, welke in de regels wordt gebezigd. Tot de in de a t/m g genoemde begrippen worden mede begrepen de niet genoemde, maar naar aard,  omvang en uitstraling op het woon- en leefmilieu vergelijkbare horecasoorten:

-        lichte horeca (categorie 1):

a.   winkelondersteunende/winkelgebonden horeca: horeca, waarbij de bedrijfsactiviteit is gericht op het al dan niet voor gebruik ter plaatse verstrekken van al dan niet in dezelfde onderneming bereide of bewerkte etenswaren en dranken, zoals een cafe­taria/snackbar, shoarmazaak, automatiek, tearoom, conditorei, koffiehuis, coffee­shop, brasserie, ijssalon en waarbij de aard en omvang van de bedrijfsactiviteit past binnen een overwegend winkelgebied en geheel of overwegend is gebonden aan c.q. ondersteunend is voor de (winkel)functie van dat gebied, daarbij lettend op de aard en de ligging van de andere gebruiksvormen in en het karakter van het gebied;

b.   restaurant/cafetaria/snackbar/shoarmazaak/automatiek: een bedrijf, dat in hoofd­zaak bestaat uit het verstrekken van maaltijden voor gebruik ter plaatse en waarbij het verstrekken van dranken (daaraan) ondergeschikt is;

c.   zaalaccommodatie: een bedrijf, dat in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van ge­legenheid tot het houden van bruiloften en partijen, alsmede tot het houden van congressen, conferenties en andere vergaderingen en waarbij het verstrekken van voedsel en dranken (daaraan) ondergeschikt is;

d.   daghoreca: een bedrijf (zoals een koffiehuis, brasserie, ijssalon) dat ondersteunend is aan en qua openingstijden in het algemeen vergelijkbaar is met detailhandelsves­tigingen en in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken c.q. snel serveren van kleinere maaltijden, broodjes, hapjes, ijs, gebak, koffie, thee en frisdranken met uitzondering van alcoholische dranken;

e.   hotel: een bedrijf, dat in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van nachtverblijf en/of het exploiteren van zaalaccommodatie en waarbij het verstrekken van voedsel en dranken (daaraan) ondergeschikt is;

f.    pension: een gebouw, waarin op kleine schaal tegen vergoeding nachtverblijf wordt verstrekt, zonder exploitatie van zaalaccommodatie;

 

-        middelzware horeca (categorie 2):

g.   bar/café/pub/grand-café/eetcafé of taverne: een zelfstandige, niet geheel of gedeel­telijk deel uitmakend van een hotel, restaurant of zaalaccommodatie voorkomende bedrijvigheid, die in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van dranken voor gebruik ter plaatse en waar het verstrekken van maaltijden daaraan ondergeschikt is;

-        zware horeca (categorie 3):

h.   discotheek of dancing: een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van dranken voor consumptie ter plaatse, in combinatie met het doen beluisteren van overwegend mechanische muziek en het gelegenheid geven tot dansen, feesten en andere daarmee vergelijkbare evenementen.

 

1.60.              huishouden

persoon of groep personen die een huishouding voert, waarbij sprake is van onderlinge ver­bondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan; bedrijfsmatige kamerverhuur wordt daaronder niet begrepen.

 

1.61.               industrieel bedrijf

een bedrijf, dat is gericht op het geheel of overwegend machinaal verwerken van grondstoffen en / of het vervaardigen van producten (nijverheids- en productief-technische bedrijven).

 

1.62.              kamerverhuurbedrijf

a.       een samenstel van verblijfsruimten, uitsluitend of mede bestemd of gebruikt om daarin anderen dan aan de rechthebbende en de personen behorende tot diens huishouden, woonverblijf, niet in de zin van zelfstandige woongelegenheid, te verschaffen, al dan niet met gehele of gedeeltelijke verzorging;

b.      een en ander kan onder meer blijken uit het feit dat voor de kamers afzonderlijk huur wordt berekend en/of betaald en elke kamer zelfstandig wordt bewoond, waarbij al dan niet sprake is van enkele gemeenschappelijke voorzieningen.

Onder de definitie van kamerverhuurbedrijf valt niet:

-        de verhuur van één of twee kamers door de bewoner of eigenaar/bewoner van een­ woning aan niet meer dan in totaal vier personen, dit mits de gezamenlijke woonvloerop­pervlakte niet meer bedraagt dan 30% van totale woonvloeroppervlakte van de woning, zulks met een maximum van 40 m²;

-        de verhuur van (een gedeelte van) de woning ten behoeve van verblijfsrecreatie.

 

1.63.              kantoor

voorzieningen gericht op het verlenen van diensten op administratief, financieel, architecto­nisch, juridisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied, waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen.

 

1.64.              kap

een constructie van één of meer dakvlakken met een helling van meer dan 30° en minder dan 65°.

 

1.65.              kleinschalige dagrecreatieve voorziening

voorziening, zoals aanlegsteigers, picknickplaatsen, observatiepunten, informatieborden en banken, ten behoeve van activiteiten, zoals wandelen, fietsen, vissen, zwemmen, kanoën en natuurobservatie.

 

1.66.              langskap

een kap evenwijdig aan de voorgevel (naar de straat gekeerde kap).

 

1.67.              lessenaarskap

een asymmetrische dakvorm met één hellend dakvlak over (nagenoeg) de volledige breedte of diepte van een gebouw.

 

1.68.              maaiveld/peil

a.       voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang;

b.      in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein ter plaatse van de voorgevel.

 

1.69.               maatschappelijke voorziening

educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke, sport- en recreatieve voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de openbare dienstverlening.

 

1.70.              mansardekap

een kap waarbij de dakvlakken niet van goot tot nok één plat vlak, maar twee platte vlakken vormen die elkaar onder een stompe hoek ontmoeten.

 

1.71.               NEN

door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven norm, zoals deze luidde op het moment van vaststelling van het plan.

 

1.72.              nutsvoorzieningen

voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceer­stations, schakelhuisjes, duikers, bemalinginstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor tele­communicatie.

 

1.73.              ondergeschikt bouwdeel

een buiten de gevel of de dakvlakken uitstekend ondergeschikt deel van een gebouw, zoals een liftopbouw, reclame-uitingen, technische installaties zoals een koelmotor of antenne, een dakvenster, een balkon, een luifel, een galerij, schoorsteen en een bloemenvenster, met uit­zondering van een erker c.q. een uitgebouwd gedeelte van een gebouw (ter uitbreiding van het grondoppervlak op de begane grond).

 

1.74.              ondergrondse ruimte

een (gedeelte van een) bouwwerk, waarvan de vloer dan wel het laagst gelegen gedeelte van het bouwwerk is gelegen op ten minste 1,75 m beneden maaiveld.

 

1.75.               onderkomen

een voor verblijf geschikte – al dan niet aan de bestemming onttrokken ‑ voer- en vaartuig, woonboot, ark, caravan en stacaravan, voor zover deze niet als bouwwerken zijn aan te merken, alsook een tent.

 

1.76.              overkapping

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak.

 

1.77.               parkeergarage

een ruimte geheel of gedeeltelijk onder woningen voor de stalling van voertuigen alsmede voor bergingen.

 

1.78.              parkeervoorziening

elke al dan niet overdekte stallinggelegenheid ten behoeve van gemotoriseerd verkeer.

 

1.79.              platte afdekking

een horizontaal vlak, ter afdekking van een gebouw, dat meer dan tweederde van de grond­oppervlakte van het gebouw beslaat.

 

1.80.              praktijkruimte

een gebouw of een gedeelte daarvan, dat dient voor het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, architectonisch, kunstzinnig, juridisch, medisch, paramedisch, therapeutisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied.

 

1.81.               prostitutie

seksueel-erotische dienstverlening die, al dan niet zichtbaar vanaf de (openbare) weg, wordt aangeboden.

 

1.82.              restaurant

een horecabedrijf, uitsluitend of overwegend gericht op het verstrekken van maaltijden voor consumptie ter plaatse, met als nevenactiviteit het verstrekken van dranken.

 

1.83.              schildkap

een dak dat bestaat uit ten minste drie schuine vlakken, waarvan er één evenwijdig aan de straat en de andere haaks op de straat moeten zijn gesitueerd.

 

1.84.              twee-aaneengebouwde woning

een woning die deel uitmaakt van een blok van maximaal twee aaneengebouwde woningen.

 

1.85.              uitbouw

een uit de gevel springend ondergeschikt deel van een woning bestaande uit één bouwlaag, zoals erkers, toegangsportalen, (bij)keukens en woon- en slaapgedeelten van een woning en dat rechtstreeks vanuit het hoofdgebouw toegankelijk is.

 

1.86.              verblijfsrecreatie

een overnachtingaccommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een recreatief en veelal kortdurend verblijf van steeds wisselende (groepen) personen die elders hun hoofdverblijf hebben, waarbij het recreatief gebruik overwegend tijdens het zomerseizoen en schoolvakantieperiodes plaatsvindt, al dan niet met het verstrekken van consumpties, waarbij dit laatste van ondergeschikte betekenis is.

 

1.87.              verdieping

een boven de begane grondlaag gelegen bouwlaag.

 

1.88.              verkoopvloeroppervlak

de vloeroppervlakte van voor het publiek toegankelijke winkelruimten.

 

1.89.              voorerf

de gronden die behoren bij een hoofdgebouw en gelegen zijn voor de voorgevel(rooi)lijn van het hoofdgebouw.

 

1.90.              voorgevel

de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw en als een gebouw met meer dan één zijde gekeerd is naar een weg dan worden de betreffende gevels aangemerkt als voorgevels.

 

1.91.               voorgevelrooilijn

de lijn die samenvalt met de voorgevel(s) van een hoofdgebouw en met het denkbeeldige verlengde daarvan.

 

1.92.              vrijstaande woning

een woning die geheel vrij staat ten opzichte van andere bebouwing.

 

1.93.              winkelpassage

een volledig overdekte straat met aan weerszijden winkels, die alleen toegankelijk is voor voetgangers.

 

1.94.              woning

een complex van ruimten, dat blijkens zijn indeling en inrichting uitsluitend bedoeld is voor de huisvesting van niet meer dan één afzonderlijk huishouden; onder woning wordt mede een zorgwoning begrepen.

 

1.95.              zorgwoning

woning bestemd voor groepen, zoals ouderen en personen met fysieke en psychische beperkingen, waar intensieve zorgverlening/begeleiding mogelijk is (zoals voor rolstoelgebruik) en/of zorg op afroep of 24 uurszorg beschikbaar is vanuit een verpleeg- of verzorgingshuis, woon-zorgcentrum of bijvoorbeeld een dienstencentrum.

 

1.96.              zomerseizoen

de periode van 1 mei tot 1 oktober.

 

1.97.              zijerf

de gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn aan de zijkant(en) van dat hoofdgebouw tussen de denkbeeldige lijnen in het verlengde van de voor- en achtergevel.

 

1.98.              zijgevel

een van de weg afgekeerde gevel van een hoofdgebouw, niet zijnde de  achtergevel of voorgevel.

 

1.99.              zijgevelrooilijn

denkbeeldige lijn die strak langs de zijgevel van een gebouw kan worden getrokken tot aan de perceelsgrenzen.

 

 


Artikel 2          Wijze van meten

 

Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

 

2.1.                  afstand

de afstand tussen bouwwerken onderling alsmede de afstand van bouwwerken tot perceels­grenzen worden daar gemeten waar deze afstand het kleinst is.

 

2.2.                 afstand tot de zijdelingse perceelsgrens

de kortst gemeten afstand van enig punt van een bouwwerk tot de zijdelingse perceelsgrens, ondergeschikte bouwdelen niet meegerekend.

 

2.3.                 bouwhoogte van een antenne-installatie

a.       ingeval van een vrijstaande (schotel)antenne-installatie: tussen het maaiveld en het hoogste punt van de (schotel)antenne-installatie;

b.      ingeval van een op of aan een bouwwerk gebouwde (schotel)antenne-installatie: tussen de voet van de (schotel)antenne-installatie en het hoogste punt van de (schotel)anten­ne-installatie.

 

2.4.                 bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil/maaiveld tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwdelen.

 

2.5.                 lengte, breedte en diepte van een bouwwerk

tussen (de lijnen, getrokken door) de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van gemeen­schappelijke scheidsmuren).

 

2.6.                 dakhelling

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

 

2.7.                 dakhelling van een mansardekap

de maximale dakhelling van het eerste dakvlak van een mansardekap - die zowel bij een dwarskap of langskap voorkomen - wordt gemeten vanuit de goot.

 

2.8.                 goothoogte van een bouwwerk

vanaf het maaiveld tot aan de bovenkant van de goot/de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

 

2.9.                 hoogte van een windturbine

vanaf het maaiveld tot aan de (wieken)as van de windturbine.

 

2.10.              hoogte van een woonschip

vanaf het waterpeil tot aan het hoogste punt van het woonschip, met uitzondering van on­dergeschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, antenne-installaties en naar de aard daarmee gelijk te stellen onderdelen.

 

2.11.               inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

 

2.12.              oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

 

2.13.              oppervlakte van een woonschip

tussen de buitenzijde van de zijwanden, neerwaarts geprojecteerd op het niveau van het waterpeil.

 

2.14.              vloeroppervlakte

de gebruiksvloeroppervlakte volgens NEN 2580.

 

 

 


 

Hoofdstuk 2  Bestemmingsregels

            

 

Artikel 3           Detailhandel (DH)

 

3.1.                  Bestemmingsomschrijving

De voor 'Detailhandel' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.          detailhandel en dienstverlening;

b.         het vestigen van horeca-activiteiten als ondergeschikte nevenactiviteit;

c.          ter plaatse van de aanduiding “horeca ≤ 2”: een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1, lid 56 met dien verstande dat uitsluitend horecabedrijven uit ten hoogste categorie 2 zijn toegestaan;

d.         ter plaatse van de aanduiding “winkelpassage”: een winkelpassage;

e.          ter plaatse van de aanduiding “wonen”: woningen, uitsluitend op de verdiepingen, al dan niet in combinatie met een aan-huis-gebonden beroep;

f.           bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen-, parkeer- en nutsvoorzie­ningen en water.

 

3.2.                 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

 

3.2.1.             Gebouwen

a.       gebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd;

b.      de goothoogte en bouwhoogte van de gebouwen bedraagt ten hoogste de met de maat­voeringaanduiding aangegeven hoogte.

 

3.2.2.            Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

a.       de bouwhoogte van erfafscheidingen voor of ten hoogste 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 1 m;

b.      de bouwhoogte van erfafscheidingen elders bedraagt ten hoogste 2 m;

c.       de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m;

d.      de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt ten hoogste 7 m, waarbij geldt dat per bouwperceel ten hoogste 3 vlaggenmasten mogen worden geplaatst.

 

3.3.                 Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels:

a.       verkooppunten voor motorbrandstoffen zijn niet toegestaan;

b.      detailhandel in volumineuze goederen en/of grootschalige detailhandel is niet toege­staan;

c.       horeca, als nevenactiviteit, is slechts toegestaan voor zover de detailhandelsfunctie de hoofdfunctie blijft uitmaken en de horeca ten hoogste 1/3 van het verkoopvloeropper­vlak van het detailhandelsbedrijf beslaat;

d.      op de in lid 3.1.d. bedoelde gronden is detailhandel niet toegestaan;

e.      maximaal 12 % van de totale winkelvloeroppervlakte mag worden gebruikt voor horeca, zoals genoemd in artikel 3.1.c.

 

 


Artikel 4          Gemengd – 1 (GD -1)

 

4.1.                  Bestemmingsomschrijving

De voor 'Gemengd – 1’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.        cultuur en ontspanning;

b.       het exploiteren van zaalaccommodatie;

c.        het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken ten dienste van toegestaan gebruik;

d.       bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen-, parkeer-, nutsvoorzienin­gen en water.

 

4.2.                 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

 

4.2.1.             Gebouwen

a.       gebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd;

b.      de goothoogte en bouwhoogte van de gebouwen bedraagt ten hoogste de met de maat­voeringaanduiding op de verbeelding aangegeven hoogte.

 

4.2.2.     Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

a.       de bouwhoogte van erfafscheidingen voor of ten hoogste 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 1 m;

b.      de bouwhoogte van erfafscheidingen elders bedraagt ten hoogste 2 m;

c.       de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m;

d.      de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt ten hoogste 7 m, waarbij geldt dat per bouwperceel ten hoogste 3 vlaggenmasten mogen worden geplaatst.

 

 


Artikel 5          Gemengd - 2 (GD-2)

 

5.1.                  Bestemmingsomschrijving

De voor 'Gemengd - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.       detailhandel en dienstverlening;

b.      kantoren, uitsluitend op de verdieping;

c.       bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen-, parkeer-, nutsvoorzienin­gen en water.

 

5.2.                 Bouwregels

Op de gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

 

5.2.1.        Gebouwen

a.       gebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd;

b.      de goothoogte en bouwhoogte van de gebouwen bedraagt ten hoogste de met de maat­voeringaanduiding aangegeven hoogte.

 

5.2.2.            Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

a.       de bouwhoogte van erfafscheidingen voor of ten hoogste 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 1 m;

b.      de bouwhoogte van erfafscheidingen elders bedraagt ten hoogste 2 m;

c.       de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m;

d.      de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt ten hoogste 5 m, waarbij geldt dat per bouwperceel ten hoogste 3 vlaggenmasten mogen worden geplaatst.

 

5.3.    Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels:

a.       verkooppunten voor motorbrandstoffen zijn niet toegestaan;

b.      detailhandel in volumineuze goederen en/of grootschalige detailhandel is niet toege­staan;

c.       horeca, als nevenactiviteit, is slechts toegestaan voor zover de detailhandelsfunctie de

          hoofdfunctie blijft uitmaken en de horeca ten hoogste 1/3 van het verkoopvloeropper­vlak

          van het detailhandelsbedrijf beslaat;

d.      maximaal 12 % van de totale bestemmingsoppervlakte mag worden gebruikt voor lichte     

          horeca, zoals genoemd in artikel 1.59.a.

 

 

 

Artikel 6         Gemengd – 3 (GD -3)

 

6.1.                  Bestemmingsomschrijving

De voor 'Gemengd – 3’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.     detailhandel en dienstverlening;

b.     kantoren;

c.     bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen-, parkeer-, nutsvoorzienin­gen en water.

 

6.2.                 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

 

6.2.1.        Gebouwen

a.     gebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd;

b.     de goothoogte en bouwhoogte van de gebouwen bedraagt ten hoogste de met de maat­voeringaanduiding op de verbeelding aangegeven hoogte.

 

6.2.2.     Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

a.     de bouwhoogte van erfafscheidingen voor of ten hoogste 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 1 m;

b.    de bouwhoogte van erfafscheidingen elders bedraagt ten hoogste 2 m;

c.     de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m;

d.    de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt ten hoogste 7 m, waarbij geldt dat per bouwperceel ten hoogste 3 vlaggenmasten mogen worden geplaatst.

 

6.3.                 Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels:

a.      verkooppunten voor motorbrandstoffen zijn niet toegestaan;

b.      detailhandel in volumineuze goederen en/of grootschalige detailhandel is niet toege­staan;

c.      horeca, als nevenactiviteit, is slechts toegestaan voor zover de detailhandelsfunctie de

         hoofdfunctie blijft uitmaken en de horeca ten hoogste 1/3 van het verkoopvloeropper­vlak

         van het detailhandelsbedrijf beslaat;

d.      maximaal 12 % van de totale bestemmingsoppervlakte mag worden gebruikt voor horeca,  

          zoals genoemd in artikel 1.59.a.

 

 

 

Artikel 7         Gemengd – 4 (GD -4)

 

7.1.                  Bestemmingsomschrijving

De voor 'Gemengd – 4’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.     detailhandel en dienstverlening;

b.    kantoren;

c.     cultuur en ontspanning;

d.    theaterscholen;

e.    bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen-, parkeer-, nutsvoorzienin­gen en water.

 

7.2.                 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

 

7.2.1.         Gebouwen

a.     gebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd;

b.    de goothoogte en bouwhoogte van de gebouwen bedraagt ten hoogste de met de maat­voeringaanduiding op de verbeelding aangegeven hoogte.

 

7.2.2.     Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

a.     de bouwhoogte van erfafscheidingen voor of ten hoogste 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 1 m;

b.    de bouwhoogte van erfafscheidingen elders bedraagt ten hoogste 2 m;

c.     de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m;

d.    de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt ten hoogste 7 m, waarbij geldt dat per bouwperceel ten hoogste 3 vlaggenmasten mogen worden geplaatst.

 

7.3.                 Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels:

a.     verkooppunten voor motorbrandstoffen zijn niet toegestaan;

b.     detailhandel in volumineuze goederen en/of grootschalige detailhandel is niet toege­staan;

c.     lichte horeca, als nevenactiviteit, is slechts toegestaan voor zover de detailhandelsfunctie de

         hoofdfunctie blijft uitmaken en de horeca ten hoogste 1/3 van het verkoopvloeropper­vlak

         van het detailhandelsbedrijf beslaat;

d.     maximaal 12 % van de totale bestemmingsoppervlakte mag worden gebruikt voor horeca,  

         zoals genoemd in artikel 1.59.a.

 

 


Artikel 8         Groen (G)

 

8.1.                  Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.       groen, water, speelvoorzieningen en voet- en fietspaden, dagrecreatie, kunstwerken en straatmeubilair;

b.      ter plaatse van de aanduiding “speciale vorm van verkeer – langzaam verkeer”: in ieder geval, bij verbreding van het Uitwateringskanaal, langzaam verkeersverbinding langs het Uitwateringskanaal;

c.       ter plaatse van de aanduiding “cultuurhistorische waarde”: een bestaande kalkoven;

d.      ter plaatse van de aanduiding “antennemast”: een antennemast;

e.      nutsvoorzieningen;

 

8.2.                 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

 
8.2.1.            Gebouwen

a.       op of in deze gronden worden uitsluitend gebouwen ten behoeve van algemeen nut gebouwd;

b.      de bouwhoogte bedraagt ten hoogste 3 m;

c.       de oppervlakte van voorzieningen van algemeen nut bedraagt ten hoogste 15 m² per voorziening.

 

8.2.2.            Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde gelden de volgende regels:

a.       de bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt ten hoogste 1 m;

b.      overkappingen zijn niet toegestaan;

c.       de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m.

 

8.3         Afwijken van gebruiksregels

Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in lid 8.1. voor het aanleggen van parkeerplaatsen, mits:

a.      er een aantoonbaar tekort is;

b.      het stedenbouwkundig goed is ingepast;

c.       is voorzien in een nieuw ontwerp (inrichtingsplan) voor de openbare ruimte ter plaatse.

 

 


Artikel 9         Horeca (H)

 

9.1.                  Bestemmingsomschrijving

De voor 'Horeca' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.       ter plaatse van de aanduiding “h≤2”: horeca als bedoeld in artikel 1 lid 59 uit ten hoogste categorie 2;

b.      bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen-, parkeer-, nutsvoorzienin­gen en water.

 

9.2.                 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

 

9.2.1.             Gebouwen

a.       de gebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd;

b.      de goothoogte en bouwhoogte van de gebouwen bedraagt ten hoogste de met de maat­voeringaanduiding aangegeven hoogte.

 

9.2.2.            Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

a.       de bouwhoogte van erfafscheidingen voor of ten hoogste 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 1 m;

b.      de bouwhoogte van erfafscheidingen elders bedraagt ten hoogste 2 m;

c.       de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m;

d.      de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt ten hoogste 7 m, waarbij geldt dat per bouwperceel ten hoogste 3 vlaggenmasten mogen worden geplaatst.

 

 


 

Artikel 10      Maatschappelijk (M)

 

10.1.               Bestemmingsomschrijving

De voor “Maatschappelijk”aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.            maatschappelijke voorzieningen als bedoeld in artikel 1 lid 69, zoals bibliotheken,         gezondheidszorg, jeugd-/kinder-/naschoolse opvang, onderwijs, openbare          dienstverlening, religie, verenigingsleven, zorg en welzijnsinstelling;

b.            ter plaatse van de aanduiding “bedrijfswoning”: een bedrijfswoning;

c.            bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen-, parkeer- en nuts-

                voorzienin­gen en water.

 

10.2.              Bouwregels

Op de gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

 

10.2.1.         Gebouwen

a.      gebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd;

b.      de goothoogte en bouwhoogte van de gebouwen, met uitzondering van kerktorens, be­draagt ten hoogste de met de maatvoeringaanduiding aangegeven hoogte;

c.      de totale oppervlakte van gebouwen en overkappingen bedraagt ten hoogste het met de maatvoeringaanduiding aangegeven bebouwingsoppervlakte van het bouwperceel; in­dien geen bebouwingspercentage is aangegeven, geldt een bebouwingspercentage van 100 % voor het bouwperceel;

d.      voor het bouwen van een bedrijfswoning geldt dat de inhoud niet meer dan 450 m3 mag bedragen;

e.      het gezamenlijk oppervlak van de bijgebouwen maximaal 50 m2 mag bedragen, en de goot- en bouwhoogte van de bijgebouwen respectievelijk maximaal 3,25 en 4,5 m mag bedragen.

 

10.2.2.         Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

a.     de bouwhoogte van erfafscheidingen voor of ten hoogste 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 1 m;

b.     de bouwhoogte van erfafscheidingen elders bedraagt ten hoogste 2 m;

c.      de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m;

d.     de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt ten hoogste 7 m, waarbij geldt dat per bouwperceel ten hoogste 3 vlaggenmasten worden geplaatst.

 

 

 

 


Artikel 11       Tuin (T)

 

11.1.                Bestemmingsomschrijving

De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen en bijbehorende parkeervoorzieningen bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen.

 

11.2.               Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

 

11.2.1.           Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

a.      op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden ge­bouwd;

b.      de bouwhoogte van erfafscheidingen voor of ten hoogste 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 1 m;

c.      de bouwhoogte van erfafscheidingen elders bedraagt ten hoogste 2 m;

d.      de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 1 m.

 

11.2.2.          Erkers

Voor het bouwen van een erker aan het hoofdgebouw gelden de volgende regels:

a.      de breedte van een erker bedraagt ten hoogste 60% van de breedte van de voorgevel;

b.      de erkers aan de zijgevel van woningen mogen worden gebouwd met een breedte van ten hoogste 30% van de zijgevel van het hoofdgebouw tot een maximum van 3 m;

c.      de goothoogte bedraagt ten hoogste 3 m;

d.      de diepte bedraagt ten hoogste 1,5 m;

e.      de afstand tot de openbare weg en de zijdelingse perceelsgrens bedraagt ten minste 2 m.

 

11.3.               Afwijken van bouwregels

In afwijking van het bepaalde in artikel 11.1. mag op de gronden, voor zover gelegen voor de voorgevelrooilijn en grenzend aan de openbare ruimte, de hoogte van de erfafscheidingen met een open constructie voor het geleiden van planten maximaal 2 m bedragen.

 

 

 

 


Artikel 12      Verkeer (V)

 

12.1.               Bestemmingsomschrijving

12.1.1.          Algemeen

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.     wegen met een (boven) lokale functie ontsluiting, ontsluitingswegen, opstelstroken, busstroken,  fiets- en voetpaden;

b.     bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals geluidwerende voorzieningen, reclame-uitingen,  groen-, speel-, nutsvoor­zieningen, kunstwerken en water.

 

12.2.              Bouwregels

Op de gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

 

12.2.1.   Gebouwen

a.   Gebouwen ten dienste van de aanduiding “brug” worden binnen het aangegeven bouwvlak    

       gebouwd met dien verstande dat de hoogte niet meer mag bedragen dan 4 m, gemeten   

       vanaf de bovenkant van het wegdek.

 

12.2.2.     Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

a.      de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan ten behoeve van de verkeersregeling, de verkeers- of wegaanduiding of de verlichting, bedraagt ten hoogste 3 m.

 

12.3.              Specifieke gebruiksregels

12.3.1.

Tot een strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend, het gebruik van de gronden voor:

a.     het opslaan van gerede of ongerede goederen, zoals vaten, kisten, bouwmaterialen, werktuigen, machines of onderdelen hiervan;

b.    het opslaan van gebruiksklare of onklare voer- of vaartuigen of onderdelen hiervan;

c.     het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van puin, vuil of andere vaste of vloei­bare afvalstoffen;

d.    het plaatsen of geplaatst houden van onderkomens.

 

 


Artikel 13      Verkeer - Verblijfsgebied (V-VB)

 

13.1.               Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.     wegen en paden met een functie voor verblijf, alsmede ter ontsluiting van de nabijgele­gen gronden;

b.    standplaatsen voor verkoop;

c.     bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen-, speel-, parkeer-, nutsvoor­zieningen, kunstwerken en water.

               

13.2.              Bouwregels

Op de gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

a.     op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden ge­bouwd;

b.    ter plaatse van de aanduiding “specifieke bouwaanduiding – overkapping”: een overkapping;

c.     de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan ten behoeve van de verkeersregeling, de verkeers- of wegaanduiding of de verlichting, bedraagt ten hoogste 3 m. 

 

13.3.              Specifieke gebruiksregels

Tot een strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend, het gebruik van de gronden voor:

a.     het opslaan van gerede of ongerede goederen, zoals vaten, kisten, bouwmaterialen, werktuigen, machines of onderdelen hiervan;

b.    het opslaan van gebruiksklare of onklare voer- of vaartuigen of onderdelen hiervan;

c.     het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van puin, vuil of andere vaste of vloei­bare afvalstoffen;

d.    het plaatsen of geplaatst houden van onderkomens.

 


 

Artikel 14       Water (WA)

 

14.1.               Bestemmingsomschrijving

De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.      de waterhuishouding en de waterberging;

b.      waterbouwkundige kunstwerken en voorzieningen;

c.      verkeer te water;

d.      infiltratievoorzieningen;

e.      kruisingen en overbruggingen ten behoeve van verkeersdoeleinden;

f.       ter plaatse van de aanduiding “recreatie”: een voorziening voor de jachthaven tijdens het zomerseizoen.

 

14.2.              Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

 

14.2.1. Gebouwen

a.      op deze gronden mag uitsluitend een voorziening voor de jachthaven worden ge­bouwd;

b.      de oppervlakte van de jachthavenvoorziening bedraagt ten hoogste 50 m2;

c.      de bouwhoogte van de jachthavenvoorziening bedraagt ten hoogste 3 m.

 

14.2.2. Bouwwerken, geen gebouw zijnde

a.      de hoogte van waterbouwkundige kunstwerken bedraagt ten hoogste 3 m boven NAP;

b.      de breedte van kruisingen en bruggen bedraagt ten hoogste 7 m;

c.      de hoogte van een brug bedraagt ten hoogste 15 meter boven NAP;

d.     de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m boven     

          NAP.

 

14.3.              Specifieke gebruiksregels

Tot strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van gronden als ligplaats voor woonboten en onderkomens buiten de daartoe aangewezen gronden.

 

14.4.              Afwijken van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd af te wijken van het bepaalde in artikel

14. 3 waarbij ligplaatsen voor onderkomen kunnen worden aangewezen voor het aanleggen, afmeren of afgemeerd houden van (plezier)vaartuigen, mede ten behoeve van beperkte overnachtingsmogelijkheden voor passerende waterrecreanten, mits daardoor de in artikel 14.1 genoemde functies niet onevenredig worden aangetast.

 

 


Artikel 15       Wonen (W)

 

15.1.               Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.         wonen, al dan niet in combinatie met een aan-huis-gebonden beroep;

b.        ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage': een parkeergarage;

c.         bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen-, nutsvoorzieningen, erven,   

           

15.2.              Bouwregels

Op de gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

a.         ter plaatse van de aanduiding “aaneengebouwd”: aaneengebouwde woningen;

b.         ter plaatse van de aanduiding “gestapeld”: gestapelde woningen;

c.         ter plaatse van de aanduiding “twee-aaneen”: twee-aaneengebouwde woningen;

d.       ter plaatse van de aanduiding “vrijstaand”: vrijstaande woningen.             

 

 

15.2.1.          Hoofdgebouwen

a.      hoofdgebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd;

b.      binnen het bouwvlak geldt de volgende bouwwijze:

-        ter plaatse van de aanduiding “aaneengebouwd”: aaneengebouwde woningen;

-        ter plaatse van de aanduiding “gestapeld”: gestapelde woningen;

-        ter plaatse van de aanduiding “twee-aaneen”: twee-aaneengebouwde woningen;

c.      de goothoogte en bouwhoogte van de gebouwen, bedraagt ten hoogste de met de maatvoeringaanduiding aangegeven hoogte;

d.      in afwijking van lid 13.2.1.c mag voor het vergroten van een dakhelling:

-        het voordakvlak tot maximaal 1 m naar achter worden verlengd als de woning maximaal twee bouwlagen  heeft en de dakhelling niet meer dan 40° is;

-        een dakhelling worden vergroot tot maximaal 52° voor een vrijstaande woning die ten minste 2 m van de aangrenzende woningen of gebouwen staat, voor een twee-aaneen gebouwde woning waarbij de andere woning reeds een grotere hellingshoek heeft, voor een woning in een bouwblok waarvan reeds een woning een dakhelling heeft die groter is dan 45° en voor een woning die is voorzien van een dwarskap met dien verstande dat de goothoogte van de voor- of zijgevel van de woningen niet meer bedraagt dan 5 m en er niet uit een bouwaanduiding op de verbeelding valt af te leiden dat alleen een plat dak is toegestaan;

-        een dakhelling van een mansardekap worden vergroot tot maximaal 70°, voor zover dit het eerste deel van het dakvlak betreft. Dit is alleen toegestaan als de helling van het tweede dakvlak naar de nok minimaal 20° en maximaal 45° bedraagt;

e.      bij de hoofdgebouwen mag de oppervlakte van een hellend voor- dan wel zijdakvlak maximaal 15% worden doorbroken;

f.       bij de hoofdgebouwen mag de oppervlakte van een hellend achterdakvlak maximaal 25% worden doorbroken met dakkapellen en dakvensters, met dien verstande dat daar waar het dakvlak doorloopt over meerdere verdiepingen, slechts een dakkapel is toege­staan op het dakvlak van de eerste verdieping;

 

15.2.2.         Aan- en uitbouwen en bijgebouwen

a.      bij percelen kleiner dan 300 m² bedraagt het gezamenlijk grondoppervlak van de aan- en uitbouwen en bijgebouwen bij aaneengebouwde, twee-aaneengebouwde en vrij­staande woningen ten hoogste 25% van het gehele bijbehorende erf, de bebouwde oppervlakte daarvan inbegrepen, tot ten hoogste 50 m² met dien verstande dat ten minste 50% van het achtererf onbebouwd blijft;

b.      bij percelen gelijk aan of groter dan 300 m² bedraagt het gezamenlijk grondoppervlak van de aan- en uitbouwen en bijgebouwen bij aaneengesloten, halfvrijstaande, geschakelde en vrijstaande woningen ten hoogste 25% van het gehele bijbehorende erf, de bebouwde oppervlakte daarvan inbegrepen, tot ten hoogste 65 m² met dien verstande dat de bebouwde oppervlakte van een uitbouw of een bijgebouw als onderdeel van de maximaal mogelijke achter- en voorerfbebouwing ten hoogste 50 m² bedraagt en ten minste 50% van het achtererf onbebouwd blijft;

c.      waar  voorerfbebouwing is toegestaan, beslaat de breedte van aanbouwen ten hoogste 60% van de voorgevel van het hoofdgebouw of blijft in ieder geval 40% van de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw vrij;

d.      de goothoogte van aan- en uitbouwen bedraagt ten hoogste de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw vermeerderd met 0,25 m;

e.      de bouwhoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen bedraagt ten hoogste 4,5 m;

f.       in afwijking van het bepaalde in sub 13.2.2.e bedraagt de bouwhoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen aan de zijgevel van een woning maximaal 6 m;

g.      op uitbouwen en bijgebouwen voorzien van een kap zijn geen dakkapellen toegestaan;

h.      op aan- en uitbouwen en bijgebouwen voorzien van een plat dak zijn dakterrassen dan wel balkons toegestaan en zijn borstweringen toegestaan met een maximale hoogte van 1 m;

i.       bij de berekening van de in sub a en b genoemde percentages en/of maximale oppervlaktes, worden de onder het overgangsrecht vallende dan wel op grond daarvan te bouwen bijgebouwen en uitbouwen meegerekend.

 

15.2.3.         Erkers

Voor het bouwen van een erker aan het hoofdgebouw gelden, in afwijking van lid  15.2.1 , de volgende regels:

a.     de breedte van een erker aan de voorgevel bedraagt ten hoogste 60% van de breedte van de    

         voorgevel;

b.     de erkers aan de zijgevel van woningen mogen worden gebouwd met een breedte van ten

         hoogste 30% van de zijgevel van het hoofdgebouw tot een maximum van 3 m;

c.     de goothoogte van een erker bedraagt ten hoogste 3 m;

d.     de diepte van een erker bedraagt ten hoogste 1,5 m;

e.     de afstand tot de openbare weg en de zijdelingse perceelsgrens bedraagt ten minste 2 m.

 

15.2.4.         Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

a.      de bouwhoogte van erfafscheidingen voor of ten hoogste 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 1 m;

b.      de bouwhoogte van erfafscheiding elders bedraagt ten hoogste 2 m;

c.      de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m;

d.      de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt ten hoogste 7 m.

 

15.3.              Afwijken van de bouwregels

15.3.1.

Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in lid 15.2.1. sub c voor het doorbreken van het hellend voor- en zijdakvlak tot maximaal 25%.

 
15.3.2. Afwijken ten behoeve van mindervaliden

Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in lid 15.2.2. voor het vergroten van de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen- en bijgebouwen bij een hoofdgebouw met maximaal 50 m² ten behoeve van mindervaliden, met inachtneming van de volgende regels:

a.      voorafgaande aan verlening van de ontheffing winnen burgemeester en wethouders ad­vies in omtrent de (medische) noodzaak bij en onafhankelijke deskundige;

b.      er vindt geen onevenredige aantasting plaats van het straat- en bebouwingsbeeld waar­bij rekening wordt gehouden met een verantwoorde, samenhangende en evenwichtige stedenbouwkundige inpassing ter waarborging van de stedenbouwkundige (beeld)kwa­liteit, mede gelet op:

1.     een goede verhouding tussen bouwmassa en gevelbeeld;

2.    de samenhang tussen bebouwing.

 

15.4.              Specifieke gebruiksregels

15.4.1.     Algemeen

Ten aanzien van het gebruik gelden de volgende regels:

a.     op deze gronden is het gebruik van aan-huis-gebonden beroepen in of bij de woning en/of in de bijgebouwen toegestaan, met dien verstande dat:

1.       het oppervlak ten dienste van de activiteiten ten hoogste 40% van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw en de daarbij behorende bijgebouwen bedraagt, met een maximum van 50 m2;

2.       er geparkeerd wordt op eigen terrein;

3.       het gebruik niet gepaard gaat met horeca en/of detailhandel, uitgezonderd beperkte verkoop die ondergeschikt is aan de uitoefening van de betrokken kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten;

4.       prostitutie niet is toegestaan;

5.       voor de activiteiten geen melding- of vergunningplicht op grond van het Inrichtingen– en vergunningenbesluit milieubeheer geldt (of: de activiteit voorkomt in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten of naar aard en de invloed op de omgeving te vergelijken is met een bedrijf in een van die categorieën).

b.      permanente of tijdelijke bewoning van vrijstaande bijgebouwen is niet toegestaan;

c.      het in gebruik nemen, gebruiken en laten gebruiken van de woning of delen van de woning, anders dan door één huishouden of als zorgwoning, als een kamerverhuurbe­drijf is niet toegestaan.

 

15.5.               Afwijken van de gebruiksregels    

15.5.1.     Afwijken  ten behoeve van consumentverzorgende bedrijfsactiviteit

Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van de gebruiksregels voor het uitoefenen van een consumentverzorgende bedrijfsactiviteit met inachtneming van de volgende regels:

a.      de woonfunctie blijft in overwegende mate behouden;

b.      ten hoogste 40% van het aanwezige vloeroppervlak van het hoofdgebouw en de daarbij behorende bijgebouwen mag ten behoeve van deze activiteiten in gebruik zijn;

c.      bedoeld gebruik mag geen onevenredige hinder voor het woonmilieu opleveren en geen onevenredige afbreuk doen aan het woonkarakter van de wijk of buurt;

dit betekent onder meer dat:

·       alleen bedrijven zijn toegestaan die voorkomen in de categorieën 1 en 2 van de staat van bedrijfsactiviteiten alsmede naar de aard en de invloed op de omge­ving daarmee gelijk te stellen bedrijven;

·       het gebruik naar aard met het woonkarakter van de omgeving in overeenstemming moet zijn;

d.      het gebruik de woonfunctie dient te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de ac­tiviteiten in de woning of bijgebouw uitvoert, tevens de gebruiker van de woning is;

e.      het betreft niet zodanig verkeersaantrekkende activiteiten die verkeersoverlast veroor­zaken of die verkeersmaatregelen, waaronder extra parkeervoorzieningen, noodzakelijk maken in de openbare ruimte;

f.       het betreft een eenmansbedrijf;

g.      eventuele detailhandelsactiviteiten zijn van ondergeschikte aard.

 




Artikel 16      Wonen - Garage (W-GA)

 

16.1.               Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen - Garage' aangewezen gronden zijn bestemd voor de stalling van (personen)auto's, motorrijwielen en (brom)fietsen en voor opslag en bergingsdoeleinden van huishoudelijke aard.

 

16.2.              Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

a.      gebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd;

b.      de goothoogte en bouwhoogte van de gebouwen bedraagt ten hoogste de met de maat­voeringaanduiding aangegeven hoogte;

c.      de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m.

 

 

 


Artikel 17      Leiding - Water (L-W)

 

17.1.                 Bestemmingsomschrijving

17.1.1.

De voor 'Leiding - Water' aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor:

a.       een watertransportleiding met een diameter van ten hoogste 600 mm, met daarbij behorende veiligheidszones;

b.      bouwwerken, geen gebouw zijnde.

 

17.2.                Bouwregels

17.2.1.

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels;

a.            op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 17.1 genoemde bestemming                uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte            van ten hoogste 3 m;

b.            ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.

 

17.3.                Aanlegvergunning

17.3.1.      Aanlegverbod zonder aanlegvergunning              

Het is verboden op of in deze gronden zonder of in afwijking van een aanlegvergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

a.       het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;

b.      het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen;

c.       het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;

d.      het indrijven van voorwerpen in de bodem;

e.       het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;

f.        het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;

g.       het permanent opslaan van goederen.

17.3.2.     Uitzonderingen op het aanlegverbod     

Het verbod van het in dit artikel betreffende lid 17.3.1 is niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden die:

a.       reeds in uitvoering zijn op het van kracht worden van het plan;

b.      het normale onderhoud ten aanzien van de leiding en belemmeringenstrook of ten aanzien van de functies van de andere voorkomende bestemming(en) betreffen;

c.       welke graafwerkzaamheden als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten vormen.

 

17.3.3.     Voorwaarden voor een aanlegvergunning           

Een aanlegvergunning, zoals in lid 17.3.1 bedoeld, kan slecht worden verleend indien het leidingbelang daardoor niet onevenredig wordt geschaad. Burgemeester en wethouders winnen ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag om vergunning advies in bij de leidingenbeheerder.

 
17.3.4.      Strafbaar feit
Overtreding van het verbod van lid 17.3.1. is een strafbaar feit, zoals bedoeld in artikel 1a van de Wet op de economische delicten.             

 

 

 


Artikel 18            Waarde - Archeologisch  Verwachtingsgebied (WR-AV)

 

18.1.               Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde – archeologisch verwachtingsgebied' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorko­mende bestemmingen, mede bestemd voor doeleinden ter bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen.

 

18.2.              Bouwregels

Op de gronden met de Waarde – Archeologisch Verwachtingsgebied mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd die voor archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn. Ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag uitsluitend worden gebouwd indien de bij de betrokken bestemming behorende bouwvoorschriften in acht worden genomen en:

a.     de aanvrager van de bouwvergunning een rapport heeft overlegd van archeologisch onderzoek, zoals gesteld in de kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie; waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van Burgemeester en wethouder in voldoende mate is vastgesteld;

b.    de betrokken archeologische waarden, gelet op het rapport zoals onder a bedoeld, door de bouwactiviteit niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de bouwvergunning voorschriften te verbinden, gericht op:

  1. het treffen van maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem behouden kunnen worden, zoals alternatieve funderingsmethoden of beschermende bodemlagen;
  2. het doen van archeologische opgravingen;
  3. begeleiding van het bouwrijp maken en van de bouwactiviteiten door een archeologisch deskundige.

c.     het bepaalde in lid 2 onder sub a en b is niet van toepassing indien:

  1. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en/of alleen de bestaande fundering wordt benut;
  2. er geen grondwerk wordt verricht dieper dan 30 cm onder maaiveld(peil) en er geen hei- en schroefwerkzaamheden zullen worden verricht;
  3. het te bouwen oppervlak een omvang heeft dat kleiner is dan 100 m2.

 

18.3.              Aanlegvergunning 

18.3.1.      Aanlegverbod zonder aanlegvergunning
Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning
(aanlegvergunning) van het college van burgemeester en wethouders de volgende werkzaamheden uit te voeren

a.     het ophogen van de bodem met meer dan 0,50 m;

b.    grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diep­ploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, ver­ruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drai­nage;

c.     het verlagen van het waterpeil;

d.    het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;

e.    het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;

f.      het aanleggen van bos of boomgaard, of het rooien van bos of boomgaard waarbij stob­ben worden verwijderd;

g.    het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen;

h.    het aanleggen van nieuwe ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidin­gen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

 

18.3.2.      Uitzondering op het aanlegverbod
Het verbod als bedoeld in lid 18.3.1 is niet van toepassing indien:

a.     het werkzaamheden in de bodem betreffen tot een diepte van 30 cm onder het maaiveld;

b.    op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast;

c.     de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantin­gen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;

d.    de werken en werkzaamheden ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitge­voerd.

 

18.3.3.      Voorwaarde voor een aanlegvergunning
Een aanlegvergunning wordt verleend indien:

a.     de aanvrager van de aanlegvergunning een rapport heeft overgelegd van archeologisch onderzoek, zoals gesteld in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie, waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld;

b.    de betrokken archeologisch waarden, gelet op het rapport zoals onder a bedoeld, door de werken niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de aanlegvergunning voorschriften te verbinden, gericht op:

1.  het treffen van maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem behou­den kunnen worden;

2.  het doen van archeologische opgravingen;

3.  begeleiding van de werken door een archeologisch deskundige.

 

18.3.4.    Strafbaar feit

Overtreding van het verbod van lid 18.3.1. is een strafbaar feit, zoals bedoeld in artikel 1a van de Wet op de economische delicten.

 

18.4.              Wijzigingsbevoegdheid      

Het college van Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van artikel 3.6 1e lid onder a van de Wet ruimtelijke ordening, geheel of gedeeltelijk de verbeelding van het bestemmingsplan Archeologie te wijzigen door:

a.     op de verbeelding de aanduiding Archeologisch Verwachtingsgebied geheel of gedeeltelijk te doen vervallen of van omvang te veranderen indien op basis van aanvullend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel er niet langer archeologische bescherming of zorg nodig is;

b.    op gronden alsnog de aanduiding Archeologisch Waardevol gebied te leggen indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn.

 

 

 


Artikel 19            Waterstaat - Waterstaatkundige functie (WS-WS)

 

19.1.               Bestemmingsomschrijving

De voor 'Water - Waterstaatkundige functie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor:

-        waterberging;

-        waterhuishoudkundige en/of waterstaatkundige functie;

-        waterkering;

-        waterlopen met een waterhuishoudkundige en/of waterstaatkundige functie.

Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende be­stemmingen.

 

19.2.              Bouwregel

Op deze gronden mogen naast de bestaande gebouwen geen gebouwen worden gebouwd.

 

19.3.              Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in artikel 19.2 ten behoeve van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mits de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen en het waterstaatkundige be­lang door de bouwactiviteiten niet onevenredig wordt geschaad.

 

 


 


Hoofdstuk 3 Algemene regels

 

 

Artikel 20      Antidubbeltelbepaling

 

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

 

 

 


Artikel 21      Algemene bouwregels

 

21.1.               Overschrijding bouwgrenzen

Bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen in afwijking van aandui­dingsgrenzen, aanduidingen en bestemmingsregels worden overschreden door:

a.      tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingba­nen, funderingen, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits de overschrijding ten hoogste 2,5 m bedraagt;

b.      andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding ten hoogste 1,5 m bedraagt.

 

21.2.              Goothoogte

Van een gebouw waarvoor de maximale goothoogte is bepaald, mag voor zover niet anders is bepaald, geen deel uitsteken buiten de denkbeeldige vlakken, die de betreffende gevel snijden ter hoogte van de maximale hoogte en terugvallen onder hoeken van 45° met de horizon, met dien verstande dat tussen de toegestane denkbeeldige dakvlakken met een hel­ling van 45° en de daaruit voortvloeiende maximale hoogte, ook platte afdekkingen, dak­vlakken met een helling van meer of minder dan 45° en rechtopgaande gevelconstructies, waaronder begrepen topgevels, zijn toegestaan. Deze regel is niet van toepassing op onder­geschikte bouwdelen, zoals schoorstenen en goten.

 

21.3.              Ondergronds bouwen

21.3.1.          Ondergrondse werken

Voor het uitvoeren van ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, geen beperkingen.

 

21.3.2.         Ondergrondse bouwwerken

Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken, gelden de volgende bepalingen, tenzij in de regels anders is opgenomen:

a.      ondergrondse bouwwerken zijn toegestaan binnen het bouwvlak;

b.      ondergrondse bouwwerken zijn toegestaan buiten het bouwvlak met een maximum van 30 m2;

c.      de ondergrondse bouwdiepte van de ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 4 m onder maaiveld;

d.      bij het berekenen van de bebouwingspercentages, of van het maximaal te bebouwen oppervlak, wordt de oppervlakte van ondergrondse gebouwen mede in aanmerking ge­nomen, voor zover deze is gelegen buiten het bouwvlak.

 

21.3.3.         Afwijking

Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in artikel 21.3.2 voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken met een ondergrondse bouw­diepte van maximaal 10 m onder maaiveld onder de voorwaarde dat de waterhuishouding niet wordt verstoord.

 

21.4.              Technische installaties 

Voor het bouwen van technische installaties, gelden de volgende bepalingen:

a.         deze bouwdelen zoveel mogelijk uit het zicht vanaf de openbare ruimte en van omwo­nenden plaatsen;

b.        de bouwgrens met niet meer dan 1,5 m laten overschrijden;

c.         het bedrijf op de aanbevolen afstand van woningen staat volgens de brochure ‘bedrijven en milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten of  de technische installatie noodzakelijk is door nieuwe wet- of  regelgeving.

 

 

 

 

Artikel 22      Algemene aanduidingsregels

 

22.1.               Geluidszone - industrie

Ter plaatse van de aanduiding 'geluidszone - industrie' ligt de rond het betrokken bedrijven­terrein gelegen zone waarbinnen geen geluidgevoelige bestemmingen mogen worden opgericht, tenzij daarvoor met toepassing van de Wgh een hogere grenswaarde voor geluid werd vastgesteld.

 

 

 

 

Artikel 23      Algemene wijzigingsregels

 

23.1.              Waarde – Archeologisch Verwachtingsgebied

23.1.1.          Wijzigingsbevoegdheid voor verwijdering van de bestemming

Burgemeester en wethouders kunnen een of meer bestemmingsvlakken van de bestemming 'Waarde – Archeologisch Verwachtingsgebied'  wijzigen door:

a.             deze dubbelbestemming geheel of gedeeltelijk verwijderen, indien:

1.       uit nader archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waar­den aanwezig zijn;

2.       het op grond van nader archeologisch onderzoek niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet.

b.            deze gronden alsnog de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ geven indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn.

 

23.1.2.         Wijzigingsbevoegdheid voor de verandering van een bouwvlak

Burgemeester en wethouders kunnen de vorm van de bouwvlakken veranderen, indien dit op grond van archeologisch onderzoek noodzakelijk is met het oog op de veiligstelling van de ter plaatse aanwezig archeologische waarden.

 

 


Artikel 24      Uitsluiting aanvullende werking bouwverordening

 

De voorschriften van de bouwverordening ten aanzien van onderwerpen van stedenbouwkundige aard blijven overeenkomstig het gestelde in artikel 9 lid 2 van de Woningwet buiten toepassing.

 

 

 

Artikel 25      Overige regels

 

25.1.              Werking wettelijke regelingen

De wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.

 


 

 

 

 

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregel

 

Artikel 26      Overgangsrecht

 

26.1.              Overgangsrecht bouwwerken

Voor bouwwerken luidt het overgangsrecht als volgt:

a.     een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aan­wezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning dan wel een omgevingsvergunning, geheel of gedeeltelijk bestaande uit het bouwen van een bouwwerk en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt ver­groot,

1.   gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

2.   na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of ver­an­derd, mits de aanvraag van de bouw- of omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan;

b.     burgemeester en wethouders kunnen eenmalig ontheffing verlenen van het bepaalde onder lid a voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eer­ste lid met maximaal 10%;

c.      het onder lid a bepaalde is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

 

26.2.             Overgangsrecht gebruik

Voor gebruik luidt het overgangsrecht als volgt:

a.     het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;

b.     het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in dit lid on­der a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;

c.      indien het gebruik, bedoeld in dit lid onder a, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;

d.     dit lid onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsregeling van dat plan.

 

26.3.             Hardheidsclausule

Indien toepassing van het overgangsrecht voor bouwwerken of gebruik leidt tot een onbillijk­heid van overwegende aard jegens een of meer natuurlijke personen kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van die persoon of personen dat overgangsrecht buiten toepas­sing laten.

 

 

 

Artikel 27      Slotregel

 

Deze regels worden aangehaald onder de naam 'Regels van het bestemmingsplan “Hoornes” en “NL.IMRO.0537.bpKAThoornes-on01”.

 

 

Behoort bij besluit van de raad van de gemeente Katwijk d.d.     tot vaststelling van het be­stemmingsplan 'Hoornes' en IMRO naam “NL.IMRO.0537.bpKAThoornes-on01”.

 

Mij bekend,

 

 

 

de griffier