direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Linnaeusweg 2, Boskoop
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0484.BKLinnaeusweg2-ON01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

De locatie Linnaeusweg 2 te Boskoop is bestemd voor bedrijven. In het plangebied vinden geen bedrijfsactiviteiten meer plaats, de bestaande opstallen staan inmiddels leeg. Het plangebied, circa 4.712 m2 groot, fungeert als bedrijfslocatie aan de rand van het stedelijk gebied van Boskoop. Voortzetting van de bedrijfsfunctie is niet langer gewenst, omdat de omgeving in de toekomst overwegend een woonfunctie krijgt. Met de vaststelling van het bestemmingsplan 'Voorofsche Zoom 2014' is het tegenoverliggende voormalige bedrijventerrein reeds herbestemd tot woongebied.

Niborgh B.V. (hierna: initiatiefnemer) is voornemens om de bestaande opstallen op het perceel Linnaeusweg 2 in Boskoop volledig te slopen en daarvoor in de plaats 9 vrijstaande woningen te realiseren. De bestaande opstallen bestaan uit bedrijf – en opslaggebouwen van een (voormalig) glasbedrijf.

Het plangebied ligt binnen het vigerende bestemmingsplan 'Boskoop-Dorp' vastgesteld op 2 februari 2011. Op de planlocatie vigeren de enkelbestemming 'Bedrijf'. Het planvoornemen past niet binnen het huidige bestemmingsplan. Deze herziening van het bestemmingplan maakt de voorgestelde ontwikkeling juridisch planologisch mogelijk.

1.2 Plangebied

Het plangebied betreft de percelen aan de Linnaeusweg 2 in Boskoop, kadastraal bekend als Gemeente Boskoop, sectie D, perceelnummers 1817 en 3726. Het gebied heeft een oppervlakte van ca. 4700 m2.

Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door woningbouw aan de Linnaeusweg. Aan de zuidzijde van het plangebied bevindt zich een watergang met landbouw. Aan de oostzijde van het plangebied bevindt zich nog een waterkade aan de Zuidkade. Aan de westzijde van het plangebied ligt tevens een bedrijf aan de Linnaeusweg.

De Linnaeusweg is één van de bebouwingslinten van de dorpskern Boskoop waar zich voornamelijk bedrijvigheid heeft gevestigd. Met de vaststelling van het bestemmingsplan 'Voorofsche Zoom' is de transformatie van de lint naar een woonfunctie begonnen, voorliggend bestemmingsplan sluit aan bij deze transformatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0484.BKLinnaeusweg2-ON01_0001.png"

Afbeelding 1 Ligging plangebied (plangebied in rood weergegeven)

1.3 Vigerende bestemmingsplannen

Binnen het plangebied vigeren de volgenden plannen: bestemmingsplan “Boskoop – Dorp”, “Parapluplan Archeologie” en “Parapluplan Parkeren”. Aanvullend heeft de gemeente Alphen aan den Rijn een bestemmingsplan cultuurhistorie in voorbereiding. Het plangebied heeft geen cultuurhistorische waarde en/of waardevolle bebouwing, het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan cultuurhistorie heeft derhalve geen invloed op voorliggend bestemmingsplan.

1.3.1 Boskoop Dorp

Het bestemmingsplan “Boskoop – Dorp” is door de (voormalige) gemeente Boskoop vastgesteld op 2 februari 2011, op 15 december 2011 is een actualisatie van het plan vastgesteld. Afbeelding 2 geeft een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan weer. In het vigerende bestemmingsplan kent het plangebied de volgende bestemmingen en aanduidingen:

  • Enkelbestemming: Bedrijf;
  • Dubbelbestemmingen: 'Waterstaat – Waterkering' en 'Leiding – Riool;
  • Bouwvlak met een oppervlak van circa 2.500 m2 dat 100% bebouwd mag worden;
  • Functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – glasverwerkingsbedrijf'

Het bouwvlak kent een maatvoeringsaanduiding waarmee de maximale bouw – en goothoogte is begrensd op 7 meter. Onderstaande afbeelding geeft de planologische situatie binnen het plangebied visueel weer.

De dubbelbestemmingen 'Leiding – Gas' ligt niet binnen het plangebied, maar loopt direct ten noorden van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0484.BKLinnaeusweg2-ON01_0002.jpg"

Afbeelding 2 uitsnede bestemmingsplan 'Boskoop - Dorp' (plangebied in rood weergegeven)

De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden bestemd voor bedrijven in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten en met daarbij behorende: wegen en paden, groenvoorzieningen; parkeer- en nutsvoorzieningen; tuinen, erven en terreinen en bouwwerken, geen gebouw zijnde. Specifiek voor het plangebied is de vestiging van een glasverwerkingsbedrijf toegestaan.

In de regels wordt gesproken over de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – glasfabriek', op de verbeelding wordt de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – glasverwerkingsbedrijf' benoemd. Deze afwijkende benaming is naar alle waarschijnlijkheid een omissie.

1.3.2 Parapluplan Archeologie”

Het 'Parapluplan Archeologie” is door de gemeente Alphen aan de Rijn vastgesteld op 28 maart 2019. Afbeelding 3 geeft een uitsnede van het plangebied binnen het parapluplan weer. Het plangebied heeft binnen het parapluplan de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 4” gekregen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0484.BKLinnaeusweg2-ON01_0003.png" A fbeelding 3 uitsnede 'Parapluplan Archeologie' (plangebied in rood weergegeven)

De gronden die zijn aangewezen met 'Waarde - Archeologie 4' zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden. Het is verboden op of in de gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • grondwerkzaamheden;
  • het aanleggen of rooien van bomen en diepwortelende struiken;
  • het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen;
  • het verlagen van het waterpeil;

Het verbod is niet van toepassing indien de werken of werkzaamheden niet dieper dan 0,3 meter onder het maaiveld en over een totale oppervlakte kleiner dan 1.000 m2 worden uitgevoerd. In paragraaf 5.7 zullen de gevolgen van de dubbelbestemming nader toegelicht worden.

1.3.3 Parapluplan Parkeren

Het bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren' is door de gemeente Alphen aan den Rijn vastgesteld op 21 september 2017. Het parapluplan bevat een uniforme bepalingen met een verwijzen naar de actuele beleidsregels voor parkeernormen. Hiermee kan de gemeente bij nieuwbouwplannen of wijzigingen van het gebruik eisen blijven stellen aan het aantal parkeerplaatsen en plannen toetsen aan de 'Nota parkeernormen en parkeervoorzieningen 2020', zoals door de raad op 6 oktober 2020 is vastgesteld.

De regels van het parapluplan zullen worden overgenomen in voorliggend bestemmingsplan, daarmee zal aan het actuele parkeerbeleid getoetst worden bij de omgevingsvergunning aanvraag.

1.4 Opzet van het plan

In hoofdstuk 2 wordt het beleidskader op Rijks, provinciaal, regionaal en gemeentelijke niveau uiteengezet. Hierin worden de voor onderhavig bestemmingsplanwijziging relevante beleidsstukken besproken. In hoofdstuk 3 komt aan de orde wat de huidige situatie is met betrekking tot de ruimtelijke structuur en de functionele structuur. Hoofdstuk 4 beargumenteert hoe deze ruimtelijk ontwikkeling binnen de bestaande stedenbouwkundige structuur past. Hoofdstuk 5 omvat de milieuaspecten en in hoofdstuk 6 worden de gevolgen voor de waterhuishouding in het plangebied besproken. In hoofdstuk 7 wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de planregels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem en op alle afzonderlijke bestemmingen. Hoofdstuk 8 wordt de economische uitvoerbaarheid toegelicht. Hoofdstuk 9 omvat de resultaten van het vooroverleg en de inspraak.

Hoofdstuk 2 Bestaande situatie plangebied

2.1 Ruimtelijke structuur

2.1.1 Landschappelijke structuur

In Boskoop zijn meerdere landschappelijke eenheden te onderscheiden die samen voor een kenmerkende structuur zorgen. De rivier 'Gouwe' vormt een natuurlijke scheiding tussen oost en west Boskoop. Het oostelijke gebied naast de Gouwe wordt van oudsher gekenmerkt door boomteelt in verschillende vormen en maten, dit is terug te zien in de landschappelijke invulling. De omgeving bestaat uit een raster van verdichte linten waarbij de percelen ten noorden van de Reijerskoop en Zijde, noord/zuid georiënteerd zijn en de gebieden ten zuiden van de Reijerskoop oost/west georiënteerd zijn.

Het plangebied ligt ten westen van de Gouwe op een lint dat vanaf de Gouwe richting Snijdelwijk loopt. De Linnaeusweg is het meest zuidelijke bebouwingslint van Boskoop ten westen van de Gouwe, daarna volgt een open landelijk gebied richting de zuidelijk gelegen kern Groenswaard.

De wegenstructuur

De Linnaeusweg volgt de wegenstructuur die zo typerend is voor Boskoop. Ten zuiden van de Reijerskoop en Zijde lopen de kavels met name van oost naar west, de wegenstructuur is hierop aangepast. Op afbeelding 4 is deze typerende structuur weergegeven. De meeste grote en kleine straten lopen ook van oost naar west, in het verlengde van de kavels. Enkele grote wegen lopen van noord naar zuid om de bereikbaarheid en ontsluiting van Boskoop als geheel te garanderen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0484.BKLinnaeusweg2-ON01_0004.png"

Afbeelding 4 Typerende ruimtelijke structuur Boskoop (ten zuiden van de Reijerskoop/Zijde)

Groen en water

Boskoop kenmerkt zich door een landschappelijk karakter. Het plangebied ligt op de meest zuidelijke bouwgrens van Boskoop ten westen van de Gouwe. Direct aangrenzend ligt een groen, open landschap. Direct ten zuiden van het plangebied loopt een aftakking van de ten oosten gesitueerde Gouwe. De afwisseling tussen groen en water vormt de basis van de ruimtelijke structuur van Boskoop. Zoals op afbeelding 4 te zien hebben de watergangen tussen de kavels dezelfde structuur als de verkaveling.

Bebouwingsstructuren

De omgeving van het plangebied kenmerkte zich door de aanwezigheid van bedrijfsbebouwing, dat is aan het veranderen. Direct ten noorden van het plangebied ligt de woonwijk Voorofsche Zoom, die rond 2015 is ontwikkeld. De Voorofsche Zoom bestaat uit een mix van woningtypologieën met een moderne en luxe uitstraling. Met voorliggend bestemmingsplan wordt ook de bestaande bedrijfsbebouwing aan de Linnaeusweg 2 vervangen voor woningbouw.

Direct ten westen van het plangebied is nog een installatiebedrijf aanwezig met bijbehorende bedrijfsopstallen.

2.2 Functionele structuur

Wonen

Boskoop kent een aantal verschillende woongebieden, die ieder hun eigen opbouw en karakteristieken kennen. De woningen in de nabije omgeving, behorende bij de wijk Voorofsche Zoom, zijn moderne woningen. In het bestemmingsplan 'Voorofsche Zoom 2014' is voor het woongebied getracht aan te sluiten bij de Boskoopse kwaliteit ('gewoon charmante gebouwen'). Dit zijn zorgvuldig vormgegeven gebouwen bestaande uit metselwerk met mogelijk een afwisseling van wit gepleisterde, wit gekeimde of houten gebouwdelen. De locatie Voorofsche Zoom moet samen met ontwikkeling van voorliggend plangebied de vernieuwde dorpsrand van Boskoop vormen, op de grens met Waddinxveen.

Werken

Direct ten westen van het plangebied vindt zich het installatiebedrijf Bontekoe, dat na vaststelling van voorliggend bestemmingsplan het laatst overgebleven bedrijf is op deze voormalige bedrijfslocatie. Aanvullend zijn de gronden direct ten noorden van de Voorofsche Zoom in gebruik voor de sierteelt. Ten zuidwesten van het plangebied bevindt zich een gemaal van het Hoogheemraadschap Rijnland.

Voorzieningen

Er bevinden zich diverse voorzieningen in de buurt van het plangebied zoals basisschool Eben Haezer en supermarkt Hoogvliet. De dichtstbijzijnde openbaar vervoer voorziening is een bushalte Wilgenlaantje op circa 80 m loopafstand vanaf het plangebied. Het treinstation van Boskoop - Snijdelwijk bevindt zich op een loopafstand van 800 meter.

Plangebied

Het plangebied werd gebruikt door voormalige glasfabriek ZHG. Het deels glazengebouw valt op in de omgeving en is zowel vanaf de Linnaeusweg als de omliggende wegen goed waarneembaar. Vanaf de weg gezien is ten oosten van het plangebied het bedrijfsgebouw van het installatiebedrijf gesitueerd. De bebouwing binnen het plangebied ziet er vervallen uit, dat draagt niet bij aan de ruimtelijke kwaliteit. De bebouwing zet op een deel van het plangebied de zichtlijnen richtingen het open achterland dicht.

afbeelding "i_NL.IMRO.0484.BKLinnaeusweg2-ON01_0005.png"

Afbeelding 5 bestaande situatie plangebied (bron: Google Streetview)

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving

3.1 Uitgangspunten en randvoorwaarden

De woningbouw ontwikkeling aan de Linnaeusweg bestaat uit de ontwikkeling van een vervallen bedrijventerrein. De volgende uitgangspunten en randvoorwaarden zijn hiervoor vastgesteld:

  • De ruimtelijke kwaliteit binnen het plangebied dient duurzaam te worden ingevuld;
  • De ruimtelijke kwaliteit vanaf de weg wordt versterkt met het realiseren van groene scheggen tussen de woonkavels;
  • De bestaande bedrijfsbebouwing wordt gesloopt en de (op zichzelf staande) bedrijfsfunctie komt te vervallen;
  • De woningen vormen een zachte overgang tussen het landelijk gebied en de zuidelijke bebouwingsrand van Boskoop;
  • Toevoegen nieuwe woonmilieus voor doelgroepen waaraan behoefte is en bijdragen aan een gezonde doorstroom op de Boskoopse (en Alphense) woningmarkt.

3.2 Stedenbouwkundige uitgangspunten

Met de sloop en sanering van de bestaande bedrijfsbebouwing inclusief verharding ontstaat ruimte voor de ontwikkeling van een duurzaam woonmilieu. Het plangebied ligt op de zuidelijke bebouwingsrand van Boskoop, direct grenzend aan het landelijk gebied. De locatie is geschikt voor de ontwikkeling van een duurzaam en kwalitatief hoogwaardig woonmilieu.

De ontwikkeling zal bestaan uit 9 vrijstaande woningen inclusief garages, waarbij er een lichte verspringing waarneembaar is per clustering van twee woningen. Aan de oostzijde van het plangebied wordt één woning gerealiseerd die qua positionering is gerecht op het omliggende groen en water.

De kappen van de toekomstige woningen staan haaks op de doorgaande Linnaeusweg waarmee diversiteit in de relatie tussen de woningen en de omgeving wordt gecreëerd. De verdiepingshoogte van de woningen ligt op de plint, die geïntegreerd wordt in de licht vooruitgeschoven garage.

Tussen en voor de woningen zullen groene scheggen gerealiseerd worden. De groene scheggen fungeren als verbinding tussen het plangebied en de achterliggende Dijk en het Gouwe bos. De scheggen dragen bij aan het creëren van doorzichten en geren en verwijden. De scheggen zullen circa 0,50 cm lager dan het vloerpeil van de woningen liggen om de hoogteligging van de woningen te accentueren.

De stedenbouwkundige planopzet voorziet in een genuanceerde overgang tussen de zuidelijke dorpsrand van Boskoop en het achterliggende open landschap. Het voorkomen van een harde bebouwingswand versterkt de unieke kwaliteiten van de locatie en de relatie met de landschappelijke omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.0484.BKLinnaeusweg2-ON01_0006.png"
afbeelding "i_NL.IMRO.0484.BKLinnaeusweg2-ON01_0007.png"

Afbeelding 6 globale stedenbouwkundige opzet toekomstige situatie (bron: initiatiefnemer)

3.2.1 Landschappelijke structuur

De bestaande bedrijfsbebouwing steekt af tegen de groene omgeving, van een ruimtelijke samenhang is geen sprake. Het plangebied is vrijwel geheel verhard, van een landschappelijke structuur is in de bestaande situatie geen sprake.

De locatie leent zich voor een geleidelijke overgang tussen dorp en open landschap. In de nieuwe situatie wordt groen en water toegevoegd aan het plangebied, daarmee wordt de relatie tussen het plangebied en de omgeving versterkt.

3.2.2 Woningbouwprogramma

Het woningbouwprogramma bestaat uit de realisatie van 9 vrijstaande woningen in de dure koopsector, passend op deze locatie. De initiatiefnemer zal de woningen zelf realiseren, waarbij de toekomstige bewoners nog verschillende bouwkeuzes kunnen maken. Binnen de gemeente en specifiek binnen Boskoop bestaat er voldoende behoefte voor zelfbouwkavels en vrijstaande (koop)woningen.

Met voorliggend bestemmingsplan wordt niet voorzien in de realisatie van sociale (huur)woningen. De sociale woningbouwopgave wordt door de gemeente in andere woningbouwplannen gerealiseerd. De gemeenteraad is hiervan in de raadsvergadering van 23 april 2020 (zaak 294123) in kennis gesteld.

3.2.2.1 Verordening doelgroepen woningbouw Alphen aan den Rijn 2018

De gemeenteraad van Alphen aan den Rijn heeft op 18 juli 2019 een doelgroepenverordening vastgesteld om meer invloed te hebben op woningen die worden gebouwd in panden en op gronden die niet van de gemeente zijn. Middels de verordening is het voor de gemeente mogelijk om huurwoningen in het middensegment verplicht in een bouwplan op te laten nemen.

Het plan Linnaeusweg 2 wijkt af van de doelgroepenverordening en bevat geen sociale woningbouw. De locatie en de omvang van het plangebied vraagt om een uniek en hoogwaardig woonmilieu. Mede vanwege de geringe omvang van het aantal woningen binnen de ontwikkeling is het voorzien in sociale (huur)woningen binnen de ontwikkeling niet mogelijk.

3.2.3 Beeldkwaliteit

Het ontwerp van de 9 vrijstaande woningen is besproken met de welstandscommissie van de gemeente Alphen aan den Rijn en is akkoord bevonden. Op afbeelding 7 en 8 zijn impressies te zien van de voor- en achterzijdes van de nieuwe woningen. Met het akkoord van de welstandscommissie behoeft dit bestemmingsplan geen separaat beeldkwaliteitsplan meer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0484.BKLinnaeusweg2-ON01_0008.png"

Afbeelding 7 Impressie voorzijde nieuwe woningen

afbeelding "i_NL.IMRO.0484.BKLinnaeusweg2-ON01_0009.jpg"

Afbeelding 8 Impressie achterzijde nieuwe woningen

 

3.2.4 Verkeer en parkeren

Verkeer

De woningen worden per cluster van twee ontsloten op de doorgaande Linnaeusweg. De meest oostelijke woning heeft een eigen uitrit op de Linnaeusweg, daarmee komt het totaal op 5 uitritten in de toekomstige situatie geschikt voor personenauto's. Dat is vergelijkbaar met de bestaande situatie, waar sprake is van 3 uitritten geschikt voor zwaarder verkeer zoals vrachtwagens en bestelbussen.

Parkeren

Voor de nieuwe woningen wordt op eigen perceel voorzien in de noodzakelijke parkeerbehoefte. Voor de 9 vrijstaande woningen geldt een maximale parkeernorm van 2,1 per woning (inclusief 0,3 bezoekers). Er zijn totaal 2,1 x 9 = 18,9 pp nodig, waarvan minimaal 2,7 toegankelijk moeten zijn voor bezoekers. Deze parkeernorm is gebaseerd op de parkeernota "Beleid Parkeernormen en parkeervoorzieningen 2020, gemeente Alphen aan den Rijn", waar het plangebied binnen de categorie "overige gebieden in Boskoop en overige plaatsen binnen de bebouwde kom" valt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0484.BKLinnaeusweg2-ON01_0010.png"

Afbeelding 9 globale weergave toekomstige parkeersituatie binnen het plangebied

Er worden minimaal twee parkeerplaatsen per woning gerealiseerd, daarmee kan in alle gevallen voorzien worden in de parkeerbehoefte van 1,8 voor de bewoners. De realisatie van 2 parkeerplaatsen op eigen terrein is een harde eis die in de regels van de bestemming 'Wonen' is vastgelegd. Aanvullend worden er 9 openbare parkeerplaatsen gerealiseerd, daarmee is er ook voor bezoekers voldoende parkeergelegenheid. In onderstaande tabel is de parkeerbalans weergegeven, op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat er een overschot aan parkeerplaatsen gerealiseerd worden.

Parkeerbehoefte   aantal   parkeernorm (incl. bezoekers)   totaal  
Parkeernorm (> 140 GBO)   9   2,1   18,9  
 
Parkeervoorzieningen   aantal   weging   totaal  
Tuinparkeerplaats   18   0,8   14,4  
Openbare ruimte   9   1   9  
Totaal       23,3  
 
Resultaat   (+) 4,4  

Tabel 3.1. Parkeerbalans bestemmingsplan Linnaeusweg 2

Hoofdstuk 4 Beleidskaders

4.1 Rijksbeleid

4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. De NOVI moet Nederland voorbereiden op de grote uitdagingen die de komende jaren opgepakt moeten worden. Internationale tot lokale ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering zijn voorbeelden en deze opgaven. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed.

Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. De verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid ligt voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen, inhoudelijke keuzes kunnen in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. De NOVI moet Nederland houvast bieden om keuzes voor de leefomgeving sneller en beter kunnen maken.

De NOVI wordt opgesteld als voorbereiding op de Omgevingswet, die naar verwachting in 2022 in werking treedt. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. In de NOVI zijn vier landelijke prioriteiten vastgesteld, aan de hand van deze prioriteiten is een toekomstperspectief voor 2050 vastgesteld en brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. De vier prioriteiten zijn:

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's;
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

Doorwerking planinitiatief

Het rijksbeleid is in veel gevallen te abstract om voor kleine ontwikkelingen daadwerkelijk kaderstellend te zijn. De ontwikkeling van 9 vrijstaande woningen in Boskoop draagt niet direct bij aan de rijksdoelstelling, maar vormt ook geen belemmering. De kleinschaligheid van de ontwikkeling leidt er toe dat de NOVI geen invloed heeft op de ontwikkeling en vice versa.

4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden. Het Barro stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen die genoemd zijn in de conceptversie van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De 14 nationale belangen in het Barro zijn:

  • a. Rijksvaarwegen
  • b. Mainportontwikkeling Rotterdam
  • c. Kustfundament
  • d. Grote rivieren
  • e. Waddenzee en waddengebied
  • f. Defensie
  • g. Hoofdwegen en hoofdspoorwegen
  • h. Elektriciteitsvoorziening
  • i. Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen
  • j. Natuurnetwerk Nederland
  • k. Primaire waterkeringen buiten het kustfundament
  • l. IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte)
  • m. Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde
  • n. Ruimtereservering parallelle Kaagbaan

Het Barro omvat alle ruimtelijke Rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmings- en inpassingsplannen. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen, inpassingsplannen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen, voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. Het merendeel van de regels in het Barro legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling.

Doorwerking planinitiatief

De in het Barro juridisch verankerde nationale belangen hebben geen van allen betrekking op het plangebied of de ontwikkelingen die daar zijn gepland. Het Barro vormt ook geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.1.3 Besluit ruimtelijke ordening

Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft regels waar concrete ruimtelijke projecten aan moeten voldoen. Zo is in het Bro de Ladder voor duurzame verstedelijking, zoals deze geldt vanaf 1 juli 2017, in artikel 3.1.6 het volgende opgenomen dat:

'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.'

Doorwerking planinitiatief

De beoogde ontwikkeling bestaat uit 9 woningen binnen bestaand stedelijke gebied. Uit vaste jurisprudentie volgt dat er pas bij een ontwikkeling vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Dit betekent dat indien 12 of meer woningen gerealiseerd worden buiten stedelijke gebied, het plan getoetst moet worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking, waarmee de behoefte van de ontwikkeling wordt onderbouwd.

De beoogde ontwikkeling kan niet aangemerkt worden als stedelijke ontwikkeling, toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking in derhalve niet noodzakelijk.

4.2 Provinciaal beleid

4.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland

Provinciale Staten van Zuid-Holland hebben op 20 februari 2019 de Omgevingsvisie Zuid-Holland vastgesteld. De Omgevingsvisie is op 1 april 2019 in werking getreden. Het beleid is gericht op het realiseren van maatschappelijke belangen en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. De provincie stelt in het document 'inleiding' dat onderdeel is van de Omgevingsvisie, de visie, ambities en opgaven voor de provincie. Het omvat 6 richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving:

  • Naar een klimaatbestendige delta;
  • Naar een nieuwe economie: the next level;
  • Naar een levendige meerkernige metropool;'
  • Energievernieuwing;
  • Best bereikbare provincie;
  • Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.

Naast de 6 ambities benoemt de provincie 12 provinciale 'Opgaven Omgevingskwaliteit' in de Omgevingsvisie die vanuit provinciaal belang zijn ontwikkeld. De provincie werkt bij deze opgaven samen met andere overheden en maatschappelijke partners. De 12 provinciale 'Opgaven Omgevingskwaliteit' zijn als volgt:

  • Landschap en cultuurhistorie;
  • Gezondheid en veiligheid;
  • Natuur en recreatie;
  • Ruimte en verstedelijking;
  • Wonen;
  • Bodem en ondergrond;
  • Cultuurparticipatie en bibliotheken;
  • Klimaatadaptie;
  • Zoetwater en drinkwater;
  • Bereikbaarheid;
  • Regionale economie;
  • Energievoorziening.

Naast de inleiding zijn het 'Programma Ruimte' en de 'Kwaliteitskaart' onderdeel van de Omgevingsvisie. Het 'Programma Ruimte' bevat een nadere invulling en operationalisering van ruimtelijk relevante onderdelen van de Omgevingsvisie. Daarbij gaat het dan om locatie specifieke of programmatische invulling van beleidsbeslissingen uit de Omgevingsvisie.

De kwaliteitskaart is weergeven in de 'bijlage ruimtelijke kwaliteit' waarin vier kaartlagen afzonderlijk zijn opgenomen en toegelicht. De kwaliteitskaart bevat de volgende lagen:

  • Laag van de ondergrond. Dit gaat over de eerste laag van de provincie en de natuurlijke (landschapsvormende) processen;
  • Laag van de cultuur-en natuurlandschappen. Dit gaat over de laag van het zichtbare landschap en (grondgebonden) nut;
  • Laag van de stedelijke occupatie. Deze gaat over de steden en dorpen en hun onderlinge netwerken;
  • Laag van de beleving. Dit gaat over identiteit en (recreatieve) beleving.

Deze lagen hebben een relatie met elkaar. De lagen bevatten richtpunten die de bestaande kenmerken en waarden beschrijven. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moeten deze kenmerken en waarden een rol spelen bij de overweging, de plaatsing en de vormgeving van het initiatief.

Doorwerking planinitiatief

De beoogde ontwikkeling betreft de transformatie van een vervallen bedrijfsterrein tot woningbouwlocatie binnen de dorpskern Boskoop en past binnen de opgave 'Ruimte en Verstedelijking en Wonen' van de 'Opgaven Omgevingskwaliteit' van de provincie.

Het plan zorgt voor een verbetering van de milieukwaliteit (lucht, geluid, externe veiligheid) ter plaatse. Voldoende groen en water binnen Boskoop (en de gemeente Alphen aan den Rijn) is belangrijk om de leefomgevingskwaliteit en het vestigingsklimaat op orde te houden. Het plan voorziet in het inpassen van woningbouw in een bestaand stedelijk gebied.

Kwaliteitskaart provincie Zuid-Holland

De provincie Zuid-Holland hecht veel waarde aan een goede ruimtelijke afweging, derhalve is het noodzakelijk om de kwaliteitskaart te doorlopen. Het plangebied ligt niet binnen de Laag van de beleving deze zal in onderstaande onderbouwing dan ook buiten beschouwing worden gelaten.

  • Laag van de ondergrond - Veencomplex - Veen

Een groot deel van Zuid-Holland bestaat uit veengronden met een hoge waterstand. Het veen kent een geringe draagkracht. Daarnaast vinden we hier een groot aantal bestaande en voormalige plassen. De voormalige plassen zijn drooggemalen en staan bekend als droogmakerijen. De ondergrond in deze droogmakerijen varieert van venig tot (oude zee)klei.

Binnen het veengebied is een aantal plekken waar in de ondergrond nog grote veenpakketten aanwezig zijn. Niet alleen zijn deze veenpakketten van bijzondere waarde, ook zijn deze gebieden zeer gevoelig voor bodemdaling.

Doorwerking plangebied

De ontwikkeling binnen het plangebied zal geen negatieve invloed hebben op het behoud van waardevolle veen pakketten. Het plangebied is in de bestaande situatie deels bebouwd en voorzien van een verhard terrein. Het plangebied wordt momenteel gebruikt voor bedrijven. De nieuwe woningen en de realisatie van deze woningen zal geen aanvullende negatieve invloed hebben.

  • Laag van cultuur- en natuurlandschappen - Veen(weide)landschap

De structuur in de veengebieden is sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Loodrecht daarop staan de (regelmatige) verkavelingspatronen. Het landschap is tussen deze structuren weids met lange zichtlijnen. Andere kenmerken zijn de smalle kavels, vele sloten met hoog waterpeil en overwegend grasland als bodemgebruik

Richtpunten zijn het bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden. Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen, nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/ linten en niet in de veenweidepolders.

Doorwerking plangebied

De ontwikkeling binnen het plangebied houdt rekening met kwaliteiten van het veenweide landschap. De belangrijke waterstructuur ten zuiden van het plangebied blijft behouden, bovendien wordt de ruimtelijke kwaliteit van het lint Linnaeusweg versterkt. Ten slotte wordt er niet gebouwd op open veenweidepolders, het plangebied is reeds bebouwd en als stedelijk gebied in gebruik.

  • Laag van stedelijke occupatie - Steden en dorpen & Stads- en dorpsrand

Elk dorp ontwikkelt zijn eigen identiteit en bouwt voort op haar karakteristieke structuur en ligging aan en in het landschap. Het dorp is deel van het omringende landschap, doordat onderliggende patronen herkenbaar zijn in de structuur van het dorp.

Richtpunten zijn dat ontwikkelingen bijdragen aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van het dorp. Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur.

De stads- en dorpsrand is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap. Het is het deel van stad of dorp met potentie voor een hoogwaardig en geliefd woonmilieu, doordat hier de genoegens van stedelijk en buiten wonen bij elkaar komen.

Richtpunten zijn dat bebouwd gebied en landschap verbonden worden door zichtbare en begaanbare doorlopende structuren, zoals wegen, paden, dijken, lanen, linten of waterlopen. Het doorlopende kavelpatroon is in dit specifieke geval van belang. Stad en ommeland blijven beide herkenbaar en onderscheidend, maar worden in staat gesteld in elkaar door te dringen. Deze soort overgang is typisch voor dorpen of buitenwijken, waarbij de stedenbouwkundige opzet bijvoorbeeld geënt is op het oorspronkelijke landschappelijke (kavel)patroon.

Doorwerking plangebied

Het plangebied ligt binnen het bestaand stedelijk gebied van Boskoop, de ontwikkeling van een woonmilieu passend bij het dorp is daar gewenst. De gemeente Alphen aan den Rijn wenst de Linnaeusweg te herbestemmen tot woonlint, dat is met de vaststelling van het bestemmingsplan 'Voorofsche Zoom' gestart. Door middel van de toepassing van de juiste bouwmaterialen en de realisatie van groen en water wordt een geleidelijke overgang tussen dorp en land gecreëerd, één van de richtpunten voor een dorpsrand.

Conclusie

De ontwikkeling betreft de transformatie van bedrijfsgronden naar een woningbouwlocatie binnen de dorpskern Boskoop en past daarmee binnen de opgave Ruimte en Verstedelijking en Wonen van de 'Opgaven Omgevingskwaliteit' van de provincie. In bovenstaande motivatie is tevens aangetoond dat het plan passend is binnen de kwaliteitskaart van de provincie.

4.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland

De Omgevingsverordening Zuid-Holland is op 20 februari 2019 vastgesteld door de Provinciale Staten van Zuid-Holland en op 1 april 2019 in werking getreden. De omgevingsverordening vormt het juridische fundament van de Omgevingsvisie. De inhoud van de Omgevingsvisie is daarbij voor een groot deel leidend voor de inhoud van de Omgevingsverordening.

Doorwerking planinitiatief

Voor onderhavige ontwikkeling zijn de bepalingen rondom 'ruimtelijke kwaliteit' in de omgevingsverordening relevant. Deze bepalingen zijn vastgelegd in artikelen 6.9 (Ruimtelijke Kwaliteit) en 6.10 (Stedelijke ontwikkelingen). Onderstaand worden de relevante onderdelen van deze artikelen nader toegelicht.

artikel 6.9 (Ruimtelijke Kwaliteit)

  • Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit:
    • a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen);
    • b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door:
      • zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en
      • het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid;
    • c. als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door:
      • een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en
      • het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid;
  • Aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn:
    • a. de aanvullende ruimtelijke maatregelen kunnen bestaan uit (een combinatie van):
      • duurzame sanering van leegstaande bebouwing, kassen en/of boom- en sierteelt;
      • wegnemen van verharding
      • toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen;
      • andere maatregelen waardoor de ruimtelijke kwaliteit verbetert.

artikel 6.10 (stedelijke ontwikkelingen)

  • 1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen:
    • a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening;
    • b. indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruikt gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte
  • 2. Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening.

Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van woningbouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied. De ontwikkeling is niet in strijd met de omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland, bovendien is de locatie op de kwaliteitskaart specifiek aangewezen voor een hoogwaardig en geliefd woonmilieu. Daarmee kan worden voldaan aan de eisen en richtpunten van de kwaliteitskaart. In paragraaf 4.2.1 zijn de richtpunten van de kwaliteitskaart reeds onderbouwd worden.

In paragraaf 4.1.3 is bovendien reeds toegelicht dat een toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking voor de beoogde ontwikkeling niet noodzakelijk is.

4.2.3 Gebiedsprofiel Greenport Boskoop

De Gebiedsprofiel Greenport Boskoop is op juni 2014 gepubliceerde door de Provinciale Staten van Zuid-Holland. De provincie Zuid-Holland maakt werk van kwaliteit in de ruimtelijke ordening. Zij wil de karakteristieken van de Zuid-Hollandse landschappen herkenbaar en beleefbaar houden en tegelijk ook ruimte bieden voor nieuwe ontwikkelingen.

Uit de koppeling van de karakteristieken en kwaliteiten met de ontwikkelingen volgt de ambitie die sturend is voor de uitwerking van de themakaarten van dit gebiedsprofiel. Het gaat bij dit ambitiebeeld niet om een nieuwe visie op de Greenportregio Boskoop. Als geheel komt uit de karakterisering en de schets van de ontwikkelingen het volgende ruimtelijke ambitiebeeld naar voren:

  • Greenport op veenlandschap
  • Bereikbaar en leefbaar Boskoop, Waddinxveen en Greenport
  • Linten als structuurdragers
  • Een duurzame en beleefbare water- en groenstructuur

afbeelding "i_NL.IMRO.0484.BKLinnaeusweg2-ON01_0011.png"

Afbeelding 10 Ambitiebeeld van Gebiedsprofiel Boskoop van de provincie Zuid-Holland (plangebied met een rode lijn aangeduid)

Doorwerking planinitiatief

Het gebiedsprofiel Greenport Boskoop is voor voorliggend bestemmingsplan een relevant beleidsdocument. De beoogde ontwikkeling sluit aan op de ambities 'bereikbaar en leefbaar Boskoop' en 'een duurzame en beleefbare water en groenstructuur'. De sloop van de bestaande bedrijfsopstallen is op zichzelf al een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit, dit levert een bijdrage aan de leefbaarheid van de Linnaeusweg. De herontwikkeling binnen het plangebied die voorziet in de realisatie van 9 vrijstaande woningen met bijzondere aandacht voor het groen en water versterkt de ruimtelijke kwaliteit. De ontwikkeling is daarmee passend binnen het gebiedsprofiel Boskoop.

4.3 Regionaal beleid

4.3.1 Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport Regio Boskoop

De intergemeentelijke structuurvisie Greenport regio Boskoop is op 18 februari 2021 vastgesteld. De Greenport regio Boskoop - het netwerk van bedrijven in de boomsierteelt - heeft een echte centrumpositie. Om die positie te kunnen vasthouden en uit te bouwen, hebben de betrokken gemeenten met overtuiging gekozen voor de ontwikkeling van de Greenport.

De Intergemeentelijke Structuurvisie is gemaakt om de ruimtelijke keuzes in samenhang te kunnen bepalen. Kernbegrippen zijn: compactheid, bereikbaarheid en duurzaamheid. De ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Greenport Boskoop worden al langer beperkt door het ruimtelijk beleid in het Groene Hart. Mede daardoor is een achterstand ontstaan. Nieuwe ontwikkelingen moeten in balans met de omgeving plaatsvinden. Daarnaast zijn aanzienlijke investeringen in de infrastructuur nodig. Als gevolg van de aanwijzing als Greenport zal er ook schaalvergroting plaatsvinden. De ruimtelijke keuzes zijn vertaald in de Visiekaart 2020 die in afbeelding 11 is afgebeeld.

De ambitie van de structuurvisie ligt in een sterke, duurzame en beleefbare Greenport in een leefbare omgeving. Een sterke Greenport wordt bereikt door de centrumfunctie te versterken, de eigen identiteit te versterken en door een betrouwbare bereikbaarheid te waarborgen. Duurzaamheid ontstaat allereerst door efficiënt ruimtegebruik: bundelen, concentreren en herstructureren. Ook moet de wateropgave structureel geregeld worden met duurzaam waterbeheer en voldoende zoetwatervoorziening. De Greenport moet beleefbaar zijn, een uitstraling krijgen die aantrekkelijk is voor inwoners en bezoekers van het Groene Hart. Op die manier vormt de Greenport een schakel tussen de stedelijke gebieden en het open veenweidegebied. De leefbaarheid van de omgeving wordt vergroot door verkeersoverlast te voorkomen, mede dankzij de voorgenomen infrastructurele verbeteringen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0484.BKLinnaeusweg2-ON01_0012.png"

Afbeelding 11 - Visiekaart 2020

Doorwerking planinitiatief

Het plangebied is in de Visiekaart rood omcirkeld en is aangemerkt als onderdeel van het kerngebied van Boskoop. In dit gebied heeft de gemeente de visie 'Wonen in kernen versterken, met bijzondere woonlocaties'. Bijzondere woonlocaties binnen Boskoop bevinden zich in het boomsierteeltconcentratiegebied. De beoogde ontwikkeling van 9 vrijstaande woningen past binnen de visie om het wonen binnen de kernen te versterken en zo de leefkwaliteit te verbeteren.

De woningbouwontwikkeling die tot 2020 binnen de stad Alphen aan den Rijn wordt gerealiseerd is bekend. De grotere locaties voor woningbouw in de kern Alphen aan de Rijn zijn volledig benut. De dorpse kernen van de gemeente hebben naar verwachting ook na 2020 nog voor langere tijd locaties om te kunnen voorzien in de woningbehoefte. Het accent ligt daar voor de zeer lange termijn meer op kleinschalige toevoegingen en transformaties die het dorpse karakter en de vitaliteit van de dorpen waarborgen en versterken.

Het plangebied ligt binnen bestaand stedelijk gebied. Zoals opgenomen in de gemeentelijke structuurvisie is er de wens om meer bijzondere kleinschalige woonlocaties te ontwikkelen. Transformatie van een bedrijventerrein tot woningbouw waarbij het dorpse karakter behouden blijft is daarbij één van de mogelijkheden.

4.3.2 Regionale Woonagenda

Het aantal inwoners en huishoudens in Holland Rijnland neemt nog steeds toe. Daarnaast verandert de leeftijd en samenstelling van de bevolking door vergrijzing en steeds kleinere gezinnen. Om goed in te kunnen spelen op deze ontwikkelingen, stelden de gemeenten in Holland Rijnland de Regionale Woonagenda 2017 op. Dit document vervangt de vorige woonagenda uit 2014. De Regionale Woonagenda is op 14 maart 2018 vastgesteld.

Wat betreft de woningbouwopgave geldt dat het noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat de woningproductie aansluit bij de behoefte. Tussen 2017 en 2030 ligt er een regionale nieuwbouwopgave van tussen 23.500 en 30.000 woningen. Om tempo te kunnen maken is het belangrijk plannen uit te werken die aansluiten bij de marktopnamecapaciteit. Daarnaast komt het klimaat en de benodigde energietransitie steeds dominanter op de agenda te staan.


Doorwerking planinitiatief

De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van 9 woningen in aan de zuidzijde van de kern Boskoop. Het plangebied betreft een inmiddels vervallen bedrijfspand inclusief terrein verharding. Deze huidige ongebruikte grond binnen bestaand stedelijk gebied is een prima locatie voor woningbouw. De kern Boskoop kent een woningbehoefte van maximaal 70-75 woningen per jaar. Het is van belang dat de woningbehoefte wordt afgezet tegen de huidige plancapaciteit. Dit geeft onderstaand beeld:

Woningbehoefte en geplande productie Boskoop

Periode   Gewenste plancapaciteit   Huidige plancapaciteit   Overschot/tekort (-)  
2019 - 2023   500   550   50  
2024 - 2028   270   180   -90  

Tabel: Woningbehoefte versus plancapaciteit Boskoop

Concluderend kunnen we stellen dat de plancapaciteit, waar het plangebied onderdeel van is, tot 2023 aansluit bij de behoefte met zelfs een overschot. Voor de planperiode 2024 - 2028 is er nog een tekort zichtbaar van 90 die met voorliggend bestemmingsplan deels wordt ingevuld. Plannen met een uitstekende prijs-kwaliteitverhouding zullen afzetbaar zijn, de ontwikkeling die met voorliggend bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt sluit aan deze uitgangspositie. Deze unieke locatie, aangrenzend aan het open landschap, is geschikt voor woningen in het duurdere segment. De locatie is geschikt om een hoge leefkwaliteit na te streven.

4.4 Gemeentelijk beleid

4.4.1 Structuurplan Boskoop 2015

Het structuurplan is al opgesteld in september 2005 door de toenmalige gemeenteraad van Boskoop. In het structuurplan wordt voor het totale grondgebied aangegeven welke functies (toen) en nu in de toekomst worden gewenst. Daarbij is niet alleen gekeken naar ruimtelijke ordening maar ook naar verkeer en vervoer, economische zaken, natuur en landschap, water en recreatie.


Toekomstvisie 2015

Voorafgaand aan de ontwikkeling van het structuurplan heeft de gemeente Alphen aan den Rijn door middel van een uitgebreid interactief proces in 2001 een toekomstvisie opgesteld. Aan de basis van deze visie staan tien wensen van de Boskoopse burgers, bedrijven en instellingen, die ook voor het structuurplan als basis gelden.

Deze tien wensen voor de toekomst van Boskoop zijn:

  • 1. Behoud van de sterke positie van de boomteeltsector;
  • 2. Verbeter de infrastructuur;
  • 3. Ontwikkel kleinschalige groene recreatie en toerisme;
  • 4. Breng de groene identiteit ook in de openbare ruimte tot uitdrukking;
  • 5. Bewaar het historische karakter van landschap en bebouwing;
  • 6. Kom tegemoet aan de vraag naar woningen voor ouderen en jongeren;
  • 7. Geef het centrum meer uitstraling;
  • 8. Speel in op de vergrijzing met integraal beleid op wonen, zorg en welzijn;
  • 9. Koester de samenhang binnen de gemeenschap;
  • 10. Bundel de krachten in regionale samenwerking.


Op basis van de uitkomsten van het traject van de toekomstvisie is in december 2003 de ‘Beslisnota Boskoop 2015’ vastgesteld. Deze nota vormde de gemeentelijke basis voor het uitvoeringsprogramma van het structuurplan. Onderdeel van dit structuurplan was de zoektocht naar inbreidingslocaties voor woningbouw. In onderstaande afbeelding is de structuurkaart behorende bij het uitvoeringsprogramma weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0484.BKLinnaeusweg2-ON01_0013.png"

Afbeelding 12: Uitvoeringskaart structuurplan Boskoop 2015

Doorwerking planinitiatief

Het plangebied behorende bij voorliggend bestemmingsplan is aangewezen als herstructurering woningbouwlocatie binnen Boskoop. Voorliggend bestemmingsplan past binnen het structuurplan van de gemeente. Er kan geconcludeerd worden dat de ontwikkeling in lijn is met het gemeentelijk beleid.

4.4.2 Boskoop - een ruimtelijk inspiratiekader (2017)

Op 15 juni 2017 is de document: 'Boskoop een ruimtelijk inspiratiekader' vastgesteld door de gemeenteraad. Dit kader vormt een geactualiseerde, nadere uitwerking van het Structuurplan Boskoop 2015 (uit 2005) en is één van de bouwstenen van een nieuw op te stellen omgevingsplan. Het uitgangspunt voor deze visie is de ruimtelijke kwaliteit van de kern Boskoop. Het ziet vooral toe op woningbouwontwikkeling (inclusief de woonomgeving) en centrumontwikkeling binnen de bebouwde kom. Daarmee heeft het kwaliteitskader raakvlakken met, maar is niet gelijk aan een dorpsvisie, die een veel breder taakveld beslaat. Met dit kader kunnen op korte termijn keuzes gemaakt worden voor een hoge kwaliteit bij ontwikkelingen. Niet alleen op het gebied van woningbouwontwikkeling, maar alle ontwikkelingen die de woonkwaliteit in Boskoop ten goede komen.

De gemeente kiest ervoor om de identiteit van Boskoop te versterken, dit betekent een duidelijke keuze voor maatwerk en kwaliteit. Boskoop is meer dan alleen de Greenport. Deze ruimtelijke inspiratie laat "het andere Boskoop" zien. Een Boskoop met een eigen identiteit, gekenmerkt door:

  • een duidelijke dorpskern met een compact centrum met commerciële voorzieningen aan weerszijden van de Zijde;
  • lintbebouwing met groene karakteristiek: kwekerijen, incl. de vele gegraven kavelsloten, karakteristieke ophaalbruggen over het water en de aangelegde houtsingels ter bescherming van de kwekerijen;
  • woningbouwontwikkeling op uitleglocaties (zoals Snijdelwijk en Waterrijk) of vrijkomende kwekerijen (zoals Torenpad-Oost).

Boskoop heeft negen ruimtelijke kwadranten, waar zich op dit moment woningbouwontwikkellocaties bevinden. Het plangebied behoort tot het kwadrant V (ten oosten van de Gouwe en ten westen van de Valkenburgerlaan - afbeelding 13). Dit gebied wordt gekarakteriseerd door lintstructuren met vooroorlogse woningbouw. De aanwezigheid van maatschappelijke voorzieningen versterkt het prettig wonen en leven in dit gebied. Het gebied vormt een duidelijke dorpsrand. De kansen voor het gebied liggen voornamelijk in het verbeteren van de woonkwaliteit door hergebruik van bestaand vastgoed voor meerdere functies. Daarnaast geeft het terugdringen van bedrijvigheid kansen voor kleinschalige, gebiedsspecifieke woningbouwontwikkeling. Grootschalige woningbouwontwikkeling, die geen relatie heeft met identiteit van de plek, dient voorkomen te worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0484.BKLinnaeusweg2-ON01_0014.png"

Afbeelding 13 - De negen karakteristieke ruimtelijke kwadranten

Doorwerking planinitiatief

De planontwikkeling ligt binnen kwadrant VIII (ten zuiden van de Wilhelminalaan en Emmakade; tussen spoor en Gouwe). Binnen dit kwadrant staat het realiseren van een groene leefkwaliteit voorop. De beoogde ontwikkeling past kwalitatief en kwantitatief binnen het ruimtelijk afwegingskader voor Boskoop kwadrant VII. De planontwikkeling is in overeenstemming met de uitgangspunten van het ruimtelijk kwaliteitskader, omdat:

  • Voor de kern Boskoop een woningbehoefte is vastgesteld van circa 70 - 75 woningen per jaar. De realisatie van 9 woningen past binnen deze regionale woningbehoefte voor de lange termijn;
  • Er sprake is van een kwalitatief hoogwaardige ontwikkeling met veel aandacht voor groen en de ruimtelijk kwaliteit;
  • Er sprake is van transformatie van bedrijvigheid naar kleinschalige woningbouwontwikkeling.

4.4.3 Gebiedsvisie Boskoop

De raad van de gemeente Alphen aan den Rijn heeft op 28 maart 2019 voor alle 7 dorpen van de gemeente een visie vastgesteld. In deze visies is per dorp een beschrijving gemaakt van de huidige stand van zaken op sociaal en fysiek gebied en hoe de gemeente denkt dat het dorp er over 10 jaar uitziet. De gebiedsvisies worden gebruikt om een nieuw ruimtelijk kader voor de dorpen op te stellen. Daarnaast worden ze gebruikt als onderdeel voor de nog op te stellen omgevingsvisie en is concrete informatie hiervan opgenomen in de wijkplannen voor de dorpen.

Het motto en de visie voor Boskoop is: Boskoop is een dorp in transitie, waarbij zorg voor kwetsbare groepen en een veilige leefomgeving centraal staan om de eigen dorpssfeer voor de toekomst te behouden. Het is een toonaangevend dorp als het gaat om boom- en sierteelt.

De speerpunten voor het dorp zijn:

  • Zorg voor kwetsbare inwoners: Bevorderen van integratie, verbeteren van de economisch positie, verbeteren van de gezondheid (lichamelijk en geestelijk) en versterken van de sociale netwerken.
  • Veilige, leefbare omgeving: Terugdringen van (jeugd)overlast in woongebieden en in het centrum en tegengaan van ondermijning.
  • Vitaal centrum: Concentreren van detailhandel, verbeteren van de verkeerssituatie, betrekken van de Gouweoever en het opwaarderen van de openbare ruimte zullen leiden tot een compleet en levendig centrumgebied.
  • Verbeteren van de leefbaarheid en toekomstbestendigheid van de wijken: Door het toevoegen van groene openbare ruimtes.
  • Verbeteren van de bereikbaarheid: Door onder meer het uitbreiden van de hoofdwegenstructuur en een nieuwe verbinding over/onder de Gouwe.
  • Wonen op maat: Er worden voldoende, betaalbare en duurzame woningen voor de lage en middeninkomens gebouwd.
  • Duurzaamheid: inzetten op energiebesparing, opwekking van duurzame energie en vervanging van aardgas.

Doorwerking planinitiatief

Kwaliteit

Er is een groot aandeel grondgebonden woningen een substantieel aantal appartementen in Boskoop. Er is behoefte aan een gevarieerd woningbouwprogramma. Bij deze beoogde ontwikkeling ligt het accent op ruime vrijstaande woningen. De beoogde woningen vallen in het duurdere segment, hierdoor ontstaat de mogelijkheid voor inwoners van Boskoop om door te stromen naar een ruimere woning. Voorliggende ontwikkeling draagt bij aan enerzijds het realiseren van extra woningen en anderzijds het realiseren van de gewenste vrijstaande woningen.

Bij de situering van de woning op de kavel dient rekening gehouden te worden met de water en groen mogelijkheden die het gebied kenmerkt. Om waardevolle zichtlijnen op het achterland te behouden/versterken wordt het verkavelingsplan afgestemd op de inmiddels gerealiseerde woningbouwontwikkeling 'Voorofsche Zoom'. Het realiseren van de vrijstaande woning in Linnaeusweg naar de nieuwe woonwijk sluit aan bij het gemeentelijk beleid.

4.4.4 Alphense Woonagenda (2016)

De gemeenteraad van Alphen aan den Rijn heeft op 31 maart 2016 de Alphense Woonagenda vastgesteld. De Alphense Woonagenda is een notitie over wonen in Alphen-stad en in de kernen. In deze agenda wordt de visie op het wonen voor de periode tot en met 2025 vastgelegd. Vijf thema's vormen de speerpunten van de woonagenda. Binnen de thema's zijn enkele doelen gesteld met daaraan gekoppeld acties voor de gemeente. Deze zijn navolgend kort omschreven:

  • 1. Wijken en kernen met identiteit; Het versterken van de specifieke identiteit van de wijken en kernen van Alphen; het creëren van een woonmilieu dat past bij het profiel van intense stad voor Alphen; het ontwikkelen van nieuwe woningbouwinitiatieven die bijdragen aan de gewenste woonkwaliteit van wijken en kernen; creëren van onderscheidende attractieve plekken die bijdragen aan de aantrekkingskracht en woonbeleving van de gemeente.
  • 2. Keuzemogelijkheden door variatie; Behoud van slaagkansen voor de laagste inkomensgroepen; ruimte geven aan ontwikkeling van niches in de woningmarkt; woningzoekenden vinden de woning die past bij hun woningbehoefte.
  • 3. Een veilige en gezonde leefomgeving; Aantrekkelijke groen- en waterstructuren zorgen voor een prettige veilige woonomgeving en nodigen uit tot gezond gedrag; vergroten van het aanbod levensloopgeschikte woningen; voldoende (al dan niet tijdelijke) huisvestingsmogelijkheden voor urgent woningzoekenden (o.a. statushouders).
  • 4. Zelfredzame bewoners investeren in zichzelf en hun omgeving; Bewoners investeren met elkaar in hun omgeving; bewoners kennen de weg naar professionals die hen kunnen ondersteunen bij het vergroten van organisatiekracht en vergroten zelfredzaamheid; huurders investeren met elkaar in hun woning en woonomgeving.
  • 5. Woningvoorraad met toekomstwaarde; Energiezuiniger maken van de huurwoningvoorraad; bewoners verduurzamen zelf hun woning / woonomgeving; stimuleren investeren in duurzame energieopwekking bij de woningvoorraad.

Doorwerking planinitiatief

De realisatie van 9 vrijstaande woningen aan de zuidelijke rand van het stedelijk gebied van Boskoop, met aantrekkelijke groen- en waterstructuren en eigenschappen past binnen Woonagenda van de gemeente Alphen aan den Rijn. De locatie is uitstekend geschikt voor een kleinschalige woningontwikkeling en de realisatie van vrijstaande woningen.

4.4.5 Afwegingskader woningbouwontwikkeling

De gemeente Alphen aan den Rijn hanteert het afwegingskader voor woningbouwontwikkeling. Dit afwegingskader wordt toegepast bij de beoordeling van (nieuwe) woningbouwinitiatieven en om prioriteiten te stellen tussen verschillende woningbouwprojecten. Op deze manier stemt de gemeente woningbouwplannen af op beleidsambities op de lange termijn en op de woningbehoefte.

De beoordeling van woningbouwinitiatieven is nodig om te toetsen of een initiatief wenselijk is en voldoet aan de behoefte. Dit laatste is een vereiste voor een bestemmingsplanwijziging, via de Ladder voor Duurzame verstedelijking. In regionaal verband worden daartoe woningbouwplannen afgestemd, waarbij aan kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen moet worden voldaan. Deze zijn in het afwegingskader verwerkt. Het afwegingskader heeft bovendien een functie om initiatiefnemers vanaf het begin mee te geven aan welke voorwaarden woningbouwplannen moeten voldoen.

Het afwegingskader kent drie stappen:

  • 1. toets aan kwalitatief afwegingskader;
  • 2. regionale woningbouwafspraken / kwantitatief kader;
  • 3. toets op juridische status van plannen.

Doorwerking planinitiatief

Bij stap 2 van de plantoetsing hanteert de gemeente een kwalitatief afwegingskader. De kwalitatieve beoordeling vindt plaats langs twee assen: enerzijds een as waarop de beleidsambities van de gemeente gewogen worden, anderzijds een as waarop de korte termijn afzetbaarheid vanuit de markt een rol krijgt. De basis voor deze assen ligt in de analyses en de hiervoor genoemde uitgangspunten.

De volgende criteria zijn van belang:

  • Creëren van een evenwichtige opbouw van de woningvoorraad (Uitgangspunt voor ieder project: 25% sociale huur + 10% middenhuur (€ 720- 900 (prijspeil 2019)) dan wel goedkope koop (tot € 200.000).)
  • Oplossen ruimtelijke knelpunten of hergebruik bestaand vastgoed
  • Versterken geambieerde woonmilieus
  • Bijdrage aan het creëren van centrum­gebieden met uitste­kende verblijfskwaliteit. Voor de kernen geldt dat nieuwbouw bijdraagt aan het versterken van de vitaliteit
  • Voorkeur voor nieuwbouw binnen bestaand stedelijk gebied
  • Ruimte voor wonen met zorg en begeleiding voor senioren en bijzondere groepen, zowel zelfstandig als complexmatig. (gezien ligging niet geschikt voor mensen met een zorgvraag)
  • Duurzame inzetbaarheid van woningen


De ontwikkeling past binnen het afwegingskader woningbouwontwikkeling van de gemeente Alphen aan den Rijn. De bestaande bedrijfsopstallen worden verwijderd waarmee een bestaand ruimtelijk knelpunt met een negatieve invloed op de ruimtelijke kwaliteit wordt verwijderd. De locatie leent zich voor de realisatie van kwalitatief hoogwaardige woningbouw met een geringe omvang van 9 woningen. De locatie bevindt zich tevens in bestaand stedelijk gebied, verdere aantasting van het landelijk gebied wordt daarmee voorkomen.

Het creëren van een evenwichtige opbouw van de woningvoorraad is een doelstelling die gemeentebreed moet worden opgelost. De locatie aan de Linnaeusweg is gezien de unieke ligging en de geringe omvang niet geschikt voor de realisatie van goedkopere woningen.

De toekomstige bewoners kunnen bij gedurende het aankooptraject keuzes maken over de inrichting van de woning. De bewoners krijgen de mogelijkheid om te kiezen voor een volledig levensloopbestendige woning. Indien de eerste bewoners hier niet voor kiezen dan biedt het bouwperceel en de woning tevens de mogelijkheid om met bijvoorbeeld een aanbouw de woning later alsnog levensloopbestendig te maken.

4.4.6 Actieprogramma Duurzaamheid 2017-2020

Het Actieprogramma Duurzaamheid 2017-2020 is op 23 november 2017 door de gemeenteraad vastgesteld. Hierin staat de ambitie centraal 'Alphen aan den Rijn, Duurzaamheidshoofdstad van het Groene Hart!'. De volgende twee speerpunten zijn van belang:

  • Op korte termijn wordt er ingezet op versnelling van concrete projecten om verandering zichtbaar te maken en meer partijen te inspireren om deel uit te maken van het transitieproces;
  • Voor de langere termijn ontwikkelt de gemeente in samenwerking met een aantal koplopers uit de Alphense samenleving een maatschappelijke transitieagenda.

Het actieprogramma bestaat inhoudelijk uit zeven thema's: Energie, Duurzaam wonen, Duurzame mobiliteit, Duurzaam ondernemen, Klimaatadaptatie & Green City, Duurzame scholen & verenigingen en Duurzame gemeentelijke organisatie.

Doorwerking planinitiatief

Het thema "duurzaam wonen" is van belang voor voorliggende ontwikkeling. Vanaf 2018 zijn alle nieuwe ontwikkelingen aardgasvrij, daar zal de beoogde ontwikkeling ook aan voldoen. Gedurende de planontwikkeling zullen de duurzaamheidsambities nader vormgegeven worden, te denken valt aan wko – systemen en zonnepanelen. Rekening houden met duurzaamheiddoelstellingen zal naar verwachting geen probleem moeten zijn voor de beoogde ontwikkeling.

Hoofdstuk 5 Omgevingsaspecten

5.1 Milieueffectrapportage

5.1.1 Wettelijk kader

Bij de beoordeling van een project dient te worden gekeken naar het Besluit milieueffectenrapportage (Besluit m.e.r.). In dit besluit zijn activiteiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Op 16 mei 2017 is de Implementatiewet 'herziening m.e.r.-richtlijn' in werking getreden. Het gewijzigde Besluit m.e.r. is 7 juli 2017 in werking getreden. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud (dat wil zeggen: op basis van dezelfde criteria) aansluit bij m.e.r.-beoordeling, de diepgang kan echter anders zijn en er zijn geen vormvereisten. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is moet door de m.e.r.-beoordelingsbesluit.

5.1.2 Beoordeling milieueffect

Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen die voorkomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar onder de drempelwaarden blijven moet een vormvrije m.e.r.-beoordeling in de vorm van een aanmeldnotitie worden opgesteld. De ontwikkeling van 9 woningen valt onder de activiteit "De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen" zoals opgenomen in bijlage D onder D11.2 in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage. Geen van de genoemde drempelwaarden uit kolom 2 wordt overschreden. In eerste instantie is dan ook slechts een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk.

Conclusie

Het bevoegd gezag dient voorafgaand aan de ter inzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan een m.e.r. besluit te nemen aan de hand van een m.e.r. aanmeldnotitie. De m.e.r. aanmeldnotitie zal door initiatiefnemer ter toetsing worden voorgelegd aan het bevoegd gezag voorafgaand aan de ter inzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. Het m.e.r. besluit zal vervolgens worden toegevoegd aan voorliggend bestemmingsplan.

5.2 Geluid

5.2.1 Wettelijk kader

In de Wet geluidhinder (Wgh) zijn geluidsnormen opgenomen voor wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Deze normen geven de hoogst acceptabele geluidsbelasting bij geluidgevoelige functies, zoals woningen. Bij het bepalen van de maximaal toegestane geluidsbelasting maakt de Wgh onderscheid tussen bestaande situaties en nieuwe situaties.

In de Wgh staan de geluidgevoelige bestemmingen binnen de geluidszones langs een geluidsbron centraal. Daarbinnen moet aan de eisen van de Wgh worden voldaan. Geluidszones zijn voor verschillende geluidsbronnen voorgeschreven, waaronder industrie, wegverkeer en railverkeer. Met het stelsel van zonering is een koppeling gelegd tussen beperking van geluidhinder en ruimtelijke ordening.

Verkeerslawaai

Ter bepaling van de geluidsbelasting dient op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) iedere weg in beschouwing te worden genomen, tenzij de weg binnen een woonerf is gelegen of dat voor een weg een maximum snelheid geldt van 30 km/uur. De overige wegen kennen een geluidszone, een aandachtsgebied waarbinnen een akoestisch onderzoek dient plaats te vinden. De omvang van een zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de typering van het gebied (binnenstedelijk of buitenstedelijk). Op grond van artikel 82 van de Wgh bedraagt de voorkeursgrenswaarde 48 dB op de gevel van een geluidsgevoelige bestemming. Artikel 83 geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om een hogere waarde vast te stellen. Voor nieuw te bouwen geluidsgevoelige bestemming binnen de bebouwde kom is deze waarde wettelijk maximaal 63 dB.

Railverkeerslawaai

Als een plangebied geheel of gedeeltelijk binnen de geluidszone van een spoorweg valt, moet bij de voorbereiding van een bestemmingsplan akoestisch onderzoek worden verricht naar de geluidsbelasting op nieuwe woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen die geluidszone (Wgh artikel 77). Een bestemmingsplan kan pas worden vastgesteld indien de geluidbelasting op nieuwe geluidgevoelige functies voldoet aan de voorkeursgrenswaarde genoemd in de Wgh, of indien het bevoegd gezagt een besluit heeft genomen om hogere waarden vast te stellen. Voor dit laatste geeft de Wgh een maximale ontheffingswaarde. Voordat een hogere waarde kan worden vastgesteld, dienen eerst maatregelen onderzocht te worden om de geluidbelasting terug te dringen.

Industrielawaai

Op basis van artikel 40 van de Wet geluidhinder kunnen (delen van) industrieterreinen worden aangewezen als gezoneerd industrieterrein met een zonegrens. Dit betreft industrieterreinen waarop zich gronden bevinden die zijn aangewezen voor mogelijke vestiging van zogenaamde "grote lawaaimakers" als genoemd in artikel 41 lid 3 van de Wet geluidhinder en artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht. Buiten de zonegrens mag de geluidbelasting vanwege het industrieterrein de waarde van 50 dB niet te boven gaan.

5.2.2 Beoordeling plangebied

In het plangebied worden 9 woningen gerealiseerd. Woningen zijn volgens de Wet geluidhinder nieuwe geluidgevoelige functies waarvoor akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden.

De nieuwe woonbestemmingen ondervinden een (relevante) geluidbelasting van het wegverkeer op de Linnaeusweg, de Zuidkade, de Noorkade en Den Ham. Bovendien is ter plaatse van de geprojecteerde woonbestemmingen mogelijk een relevante geluidbelasting van een bedrijfsfunctie gelegen aan de Linnaeusweg 6. Het plangebied ligt niet binnen de invloedssfeer van een spoorweg. Het uitgevoerde akoestische onderzoek is toegevoegd als bijlage 2, in onderstaande paragraaf wordt een korte samenvatting van het onderzoek gegeven.

Wegverkeerslawaai

Uit de berekeningsresultaten blijkt dat op de gevels van de nieuwe woonbestemmingen wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai. Echter is het geluid van de Linneausweg dusdanig hoog dat een hogere gevelwering dan de minimumeis uit het Bouwbesluit nodig is. Nader onderzoek en/of het nemen van akoestische maatregelen is niet noodzakelijk.

Industrielawaai

Het onderzoek naar industrielawaai dient uitgesplitst te worden in twee onderdelen:

  • Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau industrielawaai;
  • Maximale geluidsniveau industrielawaai en het woon- en leefklimaat

Uit de rekenresultaten blijkt dat kan worden voldaan aan de toetsingswaarde voor de optredende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus. Wel ontstaat er een overschrijding voor de maximale geluidsniveaus. Hiervoor dient een maatwerkvoorschrift op te worden gesteld voor het installatiebedrijf. Dit is volgens de Hanreiking industrielawaai en vergunningverlening mogelijl.

Toetsing woon-en leefklimaat

Uit de rekenresultaten blijkt dat het maximale geluidsniveau op één moment op de dag, het wegrijden van één vrachtwagen tussen 06:00 en 07:00, met maximaal 2 dB wordt overschreden. Er is geen cumulatie met andere (maximale) geluidbronnen. Het treffen van maatregelen aan de geluidbronnen bij het installatiebedrijf is in dit onderzoek niet aan de orde omdat dat een beperking van de bedrijfsvoering tot gevolg heeft.

De geringe overschrijding is acceptabel gezien de zeer geringe frequentie van de overschrijding (ten hoogste eenmaal per etmaal). De Wet geluidshinder schrijft voor dat de gecumuleerde geluidbelasting niet hoger mag zijn dan 53 dB om aan de richtwaarde van het binnengeluidniveau van 33 dB te voldoen. Dit volgt uit de eis van het bouwbesluit dat de geluidswering van een woning minimaal 20 dB moet bedragen.

Met de berekende geluidbelastingen tot ten hoogste 55 dB is formeel het woon- en leefklimaat in de woning zonder nadere maatregelen niet gewaarborgd. Voor een nieuwe mechanisch geventileerde woning kan echter worden uitgegaan dat een geluidwering van minimaal 23 dB, daarmee kan worden voldaan aan de eisen uit de Wet geluidshinder en is een acceptabel woon- en leefklimaat gewaarborgd.

5.3 Luchtkwaliteit en Geur

5.3.1 Wettelijk kader

Artikel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en (zeer) fijnstof (PM10, PM2,5).

De Wet luchtkwaliteit en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen dat ruimtelijke plannen doorgang kunnen vinden indien:

  • de luchtkwaliteit ten gevolge van de plannen per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft;
  • de plannen niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de concentratie van NO2 en PM10 in de buitenlucht. Vanaf het in werking treden van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit op 1 augustus 2009 wordt onder een NIBM bijdrage een bijdrage van minder dan 3% verstaan;
  • de plannen niet leiden tot het overschrijden van een grenswaarde;
  • gevoelige bestemmingen (waaronder scholen en zorginstellingen) niet binnen 300 meter van een rijksweg en 50 meter van een provinciale weg worden gerealiseerd (of indien binnen deze zones geen sprake is van een (dreigende) overschrijding).

Het Besluit NIBM heeft een aantal NIBM-grenzen vastgesteld, waarvan met zekerheid kan worden gesteld dat de 3%-grens niet zal worden overschreden, te weten:

  • Woningbouw: <= 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
  • Kantoorlocaties: <= 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

In alle overige gevallen of combinaties van bovenstaande grenzen zal middels een berekening moeten worden aangetoond of de bijdrage niet in betekenende mate is of dat de grenswaarden niet worden overschreden.

5.3.2 Beoordeling plangebied

Luchtkwaliteit

Gelet op de omvang van de ontwikkeling, 9 woningen, valt het plan binnen één van de aangewezen categorieën uit het Besluit nibm. Omdat het Besluit nibm van toepassing is kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. Luchtkwaliteitsonderzoek kan daarom achterwege blijven. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de monitoringstool 2018 (www.nsl-monitoring.nl) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort.

afbeelding "i_NL.IMRO.0484.BKLinnaeusweg2-ON01_0015.png"

Afbeelding 14 NO2 concentratie ter plaatse van Boskoop/Snijdelwijk (bron: NSL - monitor)

Hieruit blijkt dat in 2018 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof direct langs de Noordkade en Den Ham (maatgevende doorgaande weg nabij het plangebied) onder de grenswaarden uit de wetgeving liggen. Omdat direct langs deze weg aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. De concentraties luchtvervuilende stoffen nemen immers af naarmate de afstand tot de weg groter wordt.

De woningbouwontwikkeling zelf draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Ter plaatse van het plangebied wordt voldaan aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit staat hierdoor de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

Geur

Voor geurgevoelige objecten, zijnde woningen moet het geuraspect worden meegewogen. De geurcontouren van omliggende (agrarische) bedrijven vormen geen belemmering. De geurcontouren hebben geen negatieve invloed op een goed woon- en verblijfklimaat ter plaatse van de planlocatie. Daarnaast zorgen de beoogde woningen niet voor een beperking van de agrarische bedrijfsactiviteiten in de omgeving.

Conclusie

De grenswaarden voor luchtkwaliteit en geur worden niet overschreden, derhalve kan er worden geconcludeerd dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De aspecten luchtkwaliteit en geur vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.4 Bedrijvigheid en milieuzonering

5.4.1 Wettelijk kader

Bij het opstellen van een ruimtelijk plan dient de invloed van bestaande (of nieuw te vestigen) bedrijvigheid op de leefomgeving afgewogen te worden. Door middel van milieuzonering dient een ruimtelijke scheiding te worden aangebracht tussen milieubelastende functies (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals wonen). Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

De VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering (2009) geeft richtlijnen voor de in acht te nemen afstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. Deze afstanden worden gemeten tussen de grens van de bestemming die bedrijven/milieubelastende activiteiten toestaat en dichtstbijzijnde bouwvlakken van de woningen die volgens het ruimtelijk plan mogelijk is.

5.4.2 Beoordeling plangebied

Het plangebied en de omgeving kunnen gezamenlijk gekenmerkt worden als "Gemengd gebied", omdat zich binnen en rondom het plangebied niet alleen woningen bevinden, maar ook bedrijven en wegen. Dit betekent dat de richtafstanden met één trap verlaagd kunnen worden. Het ontwerp van de nieuwe woningen moeten rekening houden met een afstand van 10 meter van de grens van de bedrijfsbestemming.

Installatiebedrijf A. Bontekoe BV (hierna Bontekoe) valt binnen categorie 2. Aangezien het bedrijf direct grenst aan het plangebied wordt niet direct voldaan aan de richtafstanden van de VNG, voor het overige bevinden zich geen bedrijven binnen 10 meter afstand tot het plangebied. Voor installatiebedrijf Bontekoe is het aspect geluid de maatgevende factor binnen de VNG - brochure. Het geluidsaspect is daarom akoestisch getoetst zoals reeds toegelicht in paragraaf 5.2. Bij dit onderzoek is ook de invloed van Bontekoe op het plangebied en vice versa betrokken.

Bontekoe

Er wordt in het kader van het akoestische onderzoek een representatieve bedrijfssituatie beschouwd. (RBS). Dit is de situatie waarbij de voor de geluidproductie relevante omstandigheden kenmerkend zijn voor een bedrijfsvoering bij volledige capaciteit in de te beschouwen etmaalperiode. De etmaalperiode is verdeeld in een dag- (07.00 tot 19.00 uur), een avond- (19.00-2300 uur) en een nachtperiode (23.00-07.00 uur). De akoestisch relevante activiteiten van het installatiebedrijf binnen de RBS zijn ontleend aan de Melding activiteitenbesluit van juni 2012 aangevuld met door het bedrijf op 1 september 2020 verstrekte gegevens.

Bij een maximale bedrijfsinvulling blijkt dat kan worden voldaan aan de toetsingswaarde voor de optredende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus. Uit de rekenresultaten blijkt dat het maximale geluidsniveau op één moment op de dag, het wegrijden van één vrachtwagen tussen 06:00 en 07:00, met maximaal 2 dB wordt overschreden. De nieuwe woningen zullen voldoende geluidswerend zijn om deze lichte overschrijding op te vangen. Uit het onderzoek blijkt dat de nieuwe woonbestemmingen geen beperkingen voor de geluidruimte van de nabij gelegen bedrijfsfunctie tot gevolg heeft en dat het woon- en leefklimaat van de nieuwe woonfuncties is gewaarborgd.

Conclusie

Het woon- en leefklimaat in de nieuwe woningen is gewaarborgd, ook ontstaan er geen belemmeringen voor de bedrijfsvoering van de omliggende bedrijven. Hieruit volgt dat het aspect bedrijvigheid en milieuzonering geen belemmering vormt voor het initiatief.

5.5 Bodem

5.5.1 Wettelijk kader

De Wet bodembescherming onderscheidt drie kwaliteiten grond:

  • sterk verontreinigde grond (boven interventiewaarden);
  • licht verontreinigde grond (boven achtergrondwaarden);
  • schone bodems (beneden achtergrondwaarden).

Indien gesaneerd moet worden, bestaan specifieke regels voor het bepalen van de terugsaneerwaarde (te behalen kwaliteit) en de milieuhygiënische kwaliteit van een aan te brengen leeflaag.

Voor het toepassen van grond en bagger (beneden de interventiewaarden) speelt het Besluit bodemkwaliteit (Bkk) een rol. Hierin worden vier kwaliteiten gehanteerd, namelijk Achtergrondwaarde, Wonen, Industrie en Niet toepasbaar. Het besluit hanteert een toets op de ontvangende bodem en aan de gebruiksfunctie. In de Nota Bodembeheer Gemeente Alphen aan den Rijn zijn voor sommige gebieden Lokale Maximale Waarden vastgesteld.

Voor alle typen grond speelt de Wet Bodembescherming, het Bouwstoffenbesluit (BsB) en de Vrijstellingsregeling grondverzet een rol. Indien gesaneerd moet worden, bestaan specifieke regels voor het bepalen van de terugsaneerwaarde en de milieuhygiënische kwaliteit van een aan te brengen leeflaag (zogenaamde bodemgebruikswaarden (BGW's). Bodemgebruikswaarden zijn een product van het functiegericht saneringsbeleid "Van Trechter naar Zeef". Sinds 2008 is het Besluit bodemkwaliteit van kracht. Dit besluit hanteert voor het toepassen van grond en bagger, een toets op de ontvangende bodem en aan de gebruiksfunctie. Tevens biedt het besluit meer mogelijkheden voor grondverzet.

5.5.2 Beoordeling plangebied

Grond

Voor het bestemmingsplan Boskoop-dorp is met behulp van het Bodem Informatie Systeem (BIS) informatie verzameld over de bodemkwaliteit. Met het onderzoek is alleen in kaart gebracht welke bodeminformatie binnen de grenzen van de deelgebieden bij de Milieudienst bekend is.

Vooronderzoek 2014

Uit een vooronderzoek naar de bodemkwaliteit in het plangebied is geconcludeerd dat de grond ter plaatse van de gedempte sloot (inpandig) sterk is verontreinigd met cadmium, koper, lood en zink. Deze sterke verontreinigingen zijn aangetoond in mengmonsters. Nader onderzoek moet uitwijzen of de individuele monsters ook een sterke verontreiniging betreffen, waarna een uitspraak kan worden gedaan over de omvang. Hierbij moet er rekening worden gehouden dat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreinigingen. Nader onderzoek naar de omvang van de verontreiniging met zware metalen ter plaatse van de gedempte sloot is noodzakelijk. Dit nader onderzoek zal moeten plaatsvinden voordat de omgevingsvergunning voor bouwen kan worden aangevraagd.

Verkennend en aanvullend bodemonderzoek 2019

In en rondom het plangebied zijn al meerdere bodemonderzoeken uitgevoerd. In 2019 is er een verkennend en nader bodemonderzoek uitgevoerd, toegevoegd als bijlage 3 & 4. Ook is er gecontroleerd op de aanwezigheid van asbest. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd dat er ten aanzien van asbest geen sprake is van een verontreiniging. Ook ter plaatse van het verharde buitenterrein zijn geen belemmeringen gevonden.

Onder het bestaande pand

Op basis van de onderzoeksresultaten wordt het navolgende geconcludeerd met betrekking tot de situatie onder het pand:

  • 1. De grond is niet verontreinigd met minerale olie.
  • 2. Het grondwater is niet verontreinigd met minerale olie, vluchtige aromaten en naftaleen.
  • 3. In de grond blijkt aantoonbaar een gehalte PFAS(28) aanwezig te zijn. Ten aanzien van PFAS(28) is de grond te classificeren als zijnde klasse wonen/industrie.

In verband met de beoogde herontwikkeling van de locatie tot woningbouw wordt het volgende geadviseerd op basis van het uitgevoerde onderzoek

  • 1. Om de grond en het grondwater onder de bebouwing met de rode kleurstof te verwijderen / af te voeren.
  • 2. Om de achtergebleven lichte olieverontreinigingen zoals een kleine restverontreiniging met benzine ten noorden van het pand te verwijderen.
  • 3. De toplaag van de grond onder de fundering / bebouwing is matig tot sterk verontreinigd met zware metalen. Ter plaatse van de gedempte sloot is een sterke verontreiniging met zware metalen aanwezig. Dit betreft een geval van ernstige bodemverontreiniging en deze dient gesaneerd te worden met bijbehorende BUS-melding. De sanering van de sloot is al reeds meegenomen in het totale saneringsplan.

Aanvullend bodemonderzoek grondaankoop

In aanvulling op de reeds uitgevoerde bodemonderzoek zal de initiatiefnemer nog een aanvullend bodemonderzoek laten uitvoeren op een aan te kopen stuk grond van circa 115 m2. Op basis van vooronderzoek en kennis van de locatie wordt deze locatie als verdacht beschouwd. Op onderstaande afbeelding is de nog nader te onderzoeken locatie weergegeven middels een oranje arcering.

Op basis van het uitgevoerde flora en fauna onderzoek kan het bestaande gebouw nog niet gesloopt worden omdat het mogelijk een belangrijke verblijfplaats vormt vleermuizen. Uit nader onderzoek naar de omvang van de bodemverontreiniging of sanering onder het pand is gebleken dat de aangetroffen vloeistof hier niet saneringsplichtig is. In de regels wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat de toekomstige woonbestemming pas in gebruik genomen kan worden na goedkeuring door het bevoegd gezag. Dit geldt ook voor het extra aangekochte stuk grond waarvan wordt verwacht dat dezelfde verontreiniging zich daar bevindt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0484.BKLinnaeusweg2-ON01_0016.png"

Afbeelding 15: Plangebied inclusief locatie nader te onderzoeken bodem

5.6 Externe veiligheid

5.6.1 Wettelijk kader

Rijksbeleid

Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen voor derden. Het gaat daarbij zowel om het vervoer van gevaarlijke stoffen (weg, water, spoor en buisleidingen) als om inrichtingen met opslag, productie en/of gebruik van gevaarlijke stoffen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) zijn risicomaten met bijbehorende risiconormen opgenomen voor respectievelijk inrichtingen en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Plaatsgebonden risico en groepsrisico

Het externe veiligheidsbeleid kent twee risicomaten, het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risico is de overlijdenskans per jaar als gevolg van het vrijkomen van gevaarlijke stoffen bij een ongeval. Dit kan op een kaart worden weergegeven met behulp van contouren. Het groepsrisico betreft de kans per jaar dat in één keer een groep mensen komt te overlijden bij een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt met behulp van een diagram weergegeven. Bovendien geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht, waarbij het bevoegd gezag verplicht wordt gesteld om advies in te winnen bij hulpverleningsdiensten omtrent aspecten als hulpverlening en zelfredzaamheid.

Provinciaal beleid

De provincie Zuid Holland ambieert een veilig Zuid-Holland. In de provinciale omgevingsvisie staat als provinciale opgave genoemd het 'zorgen voor een gezonde en veilige leefomgeving en het beperken van hinder'. De provincie wil voorkomen dat risicovolle activiteiten gevestigd worden in de omgeving van grote groepen mensen of dat een nieuwe ontwikkeling gepland wordt binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit.

Het is niet altijd te voorkomen dat dit soort functies gecombineerd worden en het groepsrisico toeneemt. In dat geval vraagt de provincie van de verantwoordelijke bestuurders dat zij een verantwoording groepsrisico schrijven: een heldere en transparante toelichting waarin zij uitleggen waarom deze ontwikkeling op deze locatie noodzakelijk is. Op basis van een verantwoording groepsrisico moet aannemelijk worden gemaakt dat op termijn in de eindsituatie wordt voldaan aan de oriëntatiewaarde.

Beleidsvisie externe veiligheid Gemeente Alphen aan den Rijn

In de raadsvergadering van 21 april 2016 is de "Beleidsvisie externe veiligheid Alphen aan den Rijn 2016-2020" vastgesteld. In deze beleidsvisie zijn concrete kaders opgenomen hoe om te gaan met externe veiligheid bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen bepaalde zones van risicobronnen. Voor plannen die buiten deze specifieke zones zijn gelegen geldt een standaard verantwoordingsparagraaf welke opgenomen is in paragraaf 4.3.3. van de Beleidsvisie Externe veiligheid.

In deze paragraaf is aangegeven dat buiten de aangegeven zones alleen zogenaamde 'toxische scenario's' relevant zijn. Het gaat dan om toxische (rook)gassen die zich over een groot gebied kunnen verspreiden. In dat geval is het belangrijk om te schuilen en niet direct aan de toxische (rook)gassen te worden blootgesteld. Zoals ook in de algemene crisiscommunicatie wordt vermeld moet men in dat geval naar binnen, ramen en deuren sluiten en de mechanische ventilatie uitschakelen. Om dit laatste mogelijk te maken wordt voor nieuwe gebouwen waar mensen kunnen verblijven in de voorschriften van de bouwvergunning opgenomen dat de mechanische ventilatie met één druk op de knop kan worden uitgeschakeld (dit kan ook worden bereikt door de stekker van de ventilatie op een makkelijk bereikbare plek te situeren).

5.6.2 Beoordeling plangebied

De functiewijziging van de bedrijfsbestemming (ongeveer 5.000 m2) naar een woonbestemming voor 9 grondgebonden woningen leidt tot een wijziging in het aantal aanwezigen binnen de locatie. Aan de hand van kentallen uit de ‘Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico’ de populatie in het plangebied inzichtelijk gemaakt. In onderstaande paragraaf zijn de conclusies van het onderzoek opgenomen, voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 5

afbeelding "i_NL.IMRO.0484.BKLinnaeusweg2-ON01_0017.png"

Afbeelding 16 - Uitsnede Risicokaart (plangebied in groen weergegeven)

Op de risicokaart zijn de risicobronnen opgenomen die in de invloedssfeer van het plangebied liggen. Uit deze kaart blijkt dat langs de Linnaeusweg de hogedruk aardgasleiding W-517-04 aanwezig is. Tevens blijk dat er over de N207 (Den Ham) gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Afbeelding 16 geeft een uitsnede weer van de risicokaart, waarbij de globale ligging van het plangebied in het groen is aangeduid.

Voor de beide risicobronnen is door de Omgevingsdienst Midden-Holland voor de toegestane ontwikkeling binnen het bestemmingsplan ‘Voorofsche Zoom 2014’ (langs de Linnaeusweg ten noorden van het plangebied) een groepsrisicoberekening uitgevoerd. Uit die berekeningen blijkt dat het groepsrisico langs zowel de gasleiding als de transportroute ruim lager is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde.

Aangezien door de realisatie van 9 grondgebonden woningen in het plangebied de populatie beperkt toeneemt ten opzichte van de huidige situatie, wordt geen significante toename van het groepsrisico verwacht waardoor het groepsrisico hoger wordt dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde.

Wel is een motivering omtrent de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid opgesteld vanwege een fakkelbrand van de gasleiding en het brandbare en toxische scenario vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de N207. In de bijlage is een nadere toelichting gegeven op welke wijze deze aspecten worden geborgd.

Voorliggend bestemmingsplan wordt, inclusief deze memo, voor advies voorgelegd aan de Veiligheidsregio Midden-Holland. Het advies van de veiligheidregio wordt uiterlijk voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan toegevoegd.

5.7 Archeologie en cultuurhistorie

5.7.1 Wettelijk kader

De bodem wordt wel de schatkamer van onze geschiedenis genoemd. Resten van eerdere samenlevingen liggen in de grond verborgen. Archeologie bestudeert dat verleden aan de hand van voorwerpen. Die voorwerpen zijn sporen die met elkaar het 'bodemarchief' vormen; de ongeschreven geschiedenis van een dorp, stad, of regio.

Sinds 2016 bundelt de Erfgoedwet wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. De Monumentenwet (1988, geactualiseerd in 2007) is hiermee (grotendeels) vervallen. De Erfgoedwet legt de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het archeologische erfgoed bij de gemeente. De taken in het kader van de Erfgoedwet behelzen onder andere het meewegen van archeologie in de besluiten op het gebied van ruimtelijke ordening en de koppeling tussen bestemmingsplannen en archeologische waarden en verwachtingen. De Erfgoedwet verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met de in de bodem aanwezige of te verwachten archeologische waarden. De feitelijke bescherming daarvan krijgt gestalte door het opnemen van voorschriften in het bestemmingsplan ten aanzien van de afgifte van een omgevingsvergunning voor bodemverstorende activiteiten in die gebieden die als archeologisch waardevol zijn aangemerkt. Deze voorschriften kunnen betrekking hebben op archeologisch vooronderzoek dat de aanvrager van de vergunning moet laten uitvoeren. Aan de vergunning zelf kunnen aanvullende voorwaarden worden verbonden, met als uiterste de verplichting tot planaanpassing of het laten verrichten van een opgraving.

5.7.1.1 Gemeentelijke beleid

De gemeente Alphen aan den Rijn heeft in 2014 de Archeologische Verwachtingen- en beleidskaart laten opstellen. Aan de hand van de Verwachting- en Beleidskaart is per gebied bepaald of en wanneer archeologisch (voor)onderzoek verplicht is. Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Alphen aan den Rijn ligt het plangebied in een zone met een middelhoge verwachting, dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4’. Het beleid voor de zone 4 schrijft voor dat er bij bodemingrepen groter dan 1000 m2 en dieper dan 30 cm - Mv. een archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. Deze voorschriften zijn verankerd in het bestemmingsplan 'Parapluplan Archeologie', zoals door de gemeenteraad op 28 maart 2019 vastgesteld.

5.7.1.2 Aanvullend onderzoek ODMH

Op basis van topografische kaarten (topotijdreis.nl) is te zien dat de oostelijke helft van het plangebied
tussen circa 1860 en 1940 bestond uit een waterplas. In de westelijke helft is een watergang te zien
die vanaf circa 1860 deel uit maakte van de waterplas en rond 1940 weer in de oude vorm werd
teruggebracht (luchtfoto RAF).
Voor het plangebied geldt uitsluitend een algemene verwachting op archeologische resten vanaf de
Middeleeuwen. Aangezien het plangebied geen deel uitmaakt van een middeleeuwse ontginningsas,
geldt er een algemene middelhoge verwachting. Eventueel aanwezige resten worden direct onder het
maaiveld verwacht. Historische kaarten vanaf circa 1600 geven geen historische bebouwing weer.
Bij de bouw van het huidige pand (BAG: 1975) zal de bodem tot tenminste 1 m onder het maaiveld
verstoord zijn. Ter hoogte van de gedempte watergang en de waterplas worden geen archeologische
resten meer verwacht. Daarom kan de algemene middelhoge verwachting naar laag bijgesteld
worden.

5.7.1.3 Beoordeling plangebied

In het kader van het bestemmingsplan 'Voorofsche Zoom 2014' is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is voor de volledigheid toegevoegd als bijlage 6

De geschiedenis van beide plangebieden zijn vrijwel identiek, ook de geologie en geomorfologie komt grotendeels overeen. Het gehele plangebied behorende bij voorliggend bestemmingsplan ligt op de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) binnen de categorie 'lage trefkans'. Het oostelijke deel van het bestemmingsplan 'Voorofsche Zoom' is aangeduid als 'hoge trefkans'.

Het uitgevoerde onderzoek voor het bestemmingsplan 'Voorofsche Zoom 2014' concludeerde dat er aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische resten in de diepere ondergrond (9-10 m –Mv) voor alleen het oostelijke gedeelte. In het overige gedeelte van het plangebied behorend bij de Voorofsche Zoom, dat overeenkomt met voorliggend plangebied, zijn geen archeologische verwachtingen.

In ieder geval kan geconcludeerd worden dat de voorgenomen bodemingrepen gezien de diepte (tot ca. 5 m) archeologische resten hoe dan ook niet verstoren. Nader onderzoek naar archeologie is dan ook niet noodzakelijk.

5.8 Flora en fauna

5.8.1 Wettelijk kader

Wet natuurbescherming
Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. De Wet natuurbescherming vervangt drie actuele wetten, te weten de Flora- en faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. Daarmee zijn gebiedsbescherming en soortbescherming bij elkaar gebracht in één Nederlandse wet. Deze wet beschermt de van nature in Nederland in het wild voorkomende planten en dieren en hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen.

De Wet Natuurwetbescherming wijkt in een aantal opzichten af van de Flora- en faunawet; de strekking is echter hetzelfde. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden (algemene verbodsbepalingen). Net als in de Flora- en faunawet is in de Wet natuurbescherming een zorgplicht opgenomen, een algemeen geldende fatsoensnorm voor de omgang met flora en fauna. Deze zorgplicht houdt in dat menselijk handelen zo weinig mogelijk nadelige gevolgen voor flora en fauna mag hebben.

De soortbeschermingsbepalingen uit de Europese richtlijnen Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR) zijn in de Wet natuurbescherming geïmplementeerd: soorten en vegetatietypen waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, worden beschermd onder de nieuwe Wet natuurbescherming. Ongeveer 200 soorten verliezen hun bescherming in vergelijking met de eerder vigerende Flora- en faunawet, voornamelijk soorten vaatplanten (muurplanten, orchideeën) en (zee)vissen.

De bij de Flora- en faunawet gehanteerde gedragscodes blijven bestaan, zij het dat de lijsten met beschermde soorten wijzigen en aangepast moeten worden.

Voor soortbescherming in relatie tot ruimtelijke ingrepen is een aantal artikelen in de nieuwe Wet natuurbescherming van belang:

  • Zorgbeginsel artikel 1.10 en 1.11: net als bij artikel 2 Ffwet is de intrinsieke waarde van soorten vastgesteld in een doelbepaling en geldt voor alle soorten, los van een beschermingsregime, een zorgplicht. Dit zorgbeginsel is vergelijkbaar met de zorgplicht in de Ffwet.
  • Actieve soortbescherming, artikel 1.12. Provincies moeten verplicht beleid opstellen voor de bescherming van soorten, specifiek in hun eigen provincie. Dit beleid is nog in ontwikkeling en de inhoud is nog niet bekend.

Er worden in de Wet natuurbescherming drie beschermingsregimes onderscheiden:

  • 1. Soorten van Vogelrichtlijn:

Bescherming van alle in het wild levende vogels in de EU, beschreven in artikel 3.1-3.4.
Dit beleid verandert deels t.o.v. de. Ffwet. Het begrip "opzettelijk" is bij doden, vangen en verstoring van nesten etc. opgenomen. Hieronder valt ook het begrip "voorwaardelijk opzet". De grote verandering is dat verstoring onder de nieuwe wet is toegestaan, mits de staat van instandhouding van de soort maar niet in het geding komt. Degene die de verstoring begaat, moet dan aantonen dat er geen verstoring van wezenlijke invloed is. Verstoren van broedende vogels (op nest) en eieren blijft verboden. De provincie kan hiervoor vrijstelling en ontheffingen verlenen.

  • 2. Soorten van Habitatrichtlijn:
  • A. Bescherming van dier- en plantensoorten in artikel 3.5-3.9: die strikt beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage IV, Verdrag van Bern bijlage I en II, Verdrag van Bonn bijlage I.
    In geval van ontheffing of vrijstelling moet aan drie voorwaarden voldaan worden: dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat, de handeling noodzakelijk is (diverse redenen mogelijk, waaronder die van groot openbaar belang met redenen van sociale en economische aard) en tot slot alleen wanneer er geen afbreuk gedaan wordt aan de gunstige staat van instandhouding van de soort in haar natuurlijke verspreidingsgebied.
  • B. die streng beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage V, Verdrag van Bern bijlage III, Verdrag van Bonn bijlage II.
    Hiervoor moeten maatregelen worden getroffen indien de gunstige staat van instandhouding in het geding is. In geval van ontheffing of vrijstelling moet alleen voldaan worden aan de eis dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt. Hiervoor zijn maatregelen verplicht. Ook hier is het opzetvereiste van toepassing, maar in tegenstelling tot vogels is er geen uitzondering dat 'verstoring toegestaan is zolang het niet van wezenlijke invloed is'. Via een AMvB kunnen nog nadere regels gesteld worden. De provincie kan vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen, met in achtneming van de belangen.

  • 3. Andere soorten:

Dit zijn de in de bijlage van bij artikel 3.10 van Wet natuurbescherming genoemde soorten. Op deze bijlage staan zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Onderdeel A bevat de fauna, onderdeel B de flora. Deze lijst is een nationale toevoeging en betreft soorten die in principe een landelijke achteruitgang kennen. In praktijk is deze bescherming lichter en verwacht wordt dat ontheffingen vrij gemakkelijk verkregen kunnen worden, aangezien er niet de zwaardere belangen gelden voor de soorten van de Europese richtlijnen. Ruimtelijke ontwikkeling is een geldig belang voor een ontheffing (art 3.10.2 onderdeel a). Opzettelijk verstoren in algemene zin, wordt voor deze groep niet genoemd als verbod. De provincies kunnen voor deze lijst vrijstellingsbesluiten maken. Op dit moment staan ook zeer algemene soorten op deze lijst; mogelijk zal er een vrijstellingsbesluit of AMvB opgesteld worden hoe hier mee om te gaan.

Verordening uitvoering Wet natuurbescherming
Provincies zijn bevoegd om bij provinciale omgevingsverordening vrijstelling te verlenen voor de groep "Andere soorten", waardoor bij overtreding van de verbodsbepalingen de noodzaak tot ontheffing vervalt. Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland hebben de omgevingsverordening op 20 februari 2019 vastgesteld.

Waar de verantwoordelijkheid voor de uitvoering voorheen grotendeels bij het Rijk lag, gaan de meeste verantwoordelijkheden vanaf 2017 naar provinciaal niveau. Vrijwel alle ontheffingsverlening, uitvoering van de wet en handhaving zal uitgevoerd gaan worden door de provincies. Belangrijke procedurele wijziging hierbij is, dat wanneer er sprake is van een omgevingsvergunning, ontheffingen voor de beschermde soorten vanaf de inwerkingtreding van de wet daarbij mogen aanhaken. Dat wil zeggen dat de indiener mag kiezen of hij zijn ontheffing direct bij de provincie aanvraagt, of dat hij dat doet door aan te haken bij de omgevingsvergunning. In het laatste geval moet de gemeente dan een volledigheidstoets uitvoeren. Met de aanvraag van een omgevingsvergunning geldt de uitgebreide procedure, en is er een wettelijke beslistermijn van maximaal 26 weken. Wanneer een ontheffing bij de provincie aangevraagd wordt waarbij geen omgevingsvergunning nodig is, is deze termijn 13 weken met maximaal 7 weken verlenging.

5.8.2 Beoordeling plangebied

Op 7 augustus 2020 is er door Taharo B.V. een quickscan Flora en Fauna uitgevoerd. Het rapport is als bijlage 7 toegevoegd aan de toelichting.

Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde n de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht te worden genomen:

  • Bij uitvoering van de (sloop)plannen zijn negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizensoorten niet uitgesloten. Protocollair veldonderzoek naar de functionaliteit van de bebouwing voor vleermuizen wordt noodzakelijk geacht. Indien van toepassing kunnen middels het tijdig treffen van de juiste maatregelen en het aanvragen van een ontheffing de (sloop)werkzaamheden alsnog doorgang vinden.
  • Met betrekking tot de rugstreeppad dient, om kolonisatie tijdens de werkzaamheden te voorkomen, de opslag van zand voor langere tijd, en het ontstaan van ondiepe plassen (met name in het voorjaar) te worden voorkomen.
  • Ten aanzien van broedvogels zonder jaarrond beschermde nesten dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten.
  • Ten behoeve van (incidenteel) aanwezige algemene soorten dient de zorgplicht in acht te worden genomen.

5.8.2.1 Aanvullend vleermuizenonderzoek

Het noodzakelijk aanvullende vleermuizenonderzoek is in augustus/september 2020 meteen opgestart. Om in het kader van de bestemmingsplan procedure geen vertraging op te lopen is in de regels een Voorwaardelijke verplichting opgenomen ten aanzien van het vleermuizenonderzoek. Op deze wijze is het aspect flora en fauna planologisch correct geborgd.

5.9 Stikstof

5.9.1 Wettelijk kader

Als gevolg van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 mag het PAS niet meer gebruikt worden als toestemmingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen die leiden tot een toename van stikstofdepositie op (stikstofgevoelige habitattypen in) Natura 2000-gebieden. De drempel- en grenswaarden uit het PAS zijn daarmee ook niet meer van toepassing. Hierdoor kan een project met een geringe depositietoename van 0,01 mol/ha/jaar al vergunningplichtig zijn (artikel 2.7 en 2.8 Wnb). Oftewel, ook relatief kleinschalige projecten dienen zorgvuldig op hun stikstofdepositie getoetst te worden om aan Europese regelgeving te kunnen.

Sinds de vernieuwing van AERIUS Calculator op 16 september 2019 kan correct berekend worden of er überhaupt sprake is van stikstofdepositie op relevant Natura 2000-gebied. Daarbij dient zowel de realisatiefase als de gebruiksfase doorgerekend te worden.

5.9.2 Beoordeling plangebied

in augustus 2020 is er voor de ontwikkeling een Aerius-berekening uitgevoerd door NIPA milieutechniek. De Aerius - berekening is toegevoegd als bijlage 8. In dit onderzoek zijn voor de aanleg en het gebruik van 9 vrijstaande woningen, de te verwachten stikstofdepositie op Natura 2000- gebieden berekend.

Uit de rekenresultaten blijkt dat er zowel in de realisatiefase als in de gebruiksfase geen stikstofdepositie op het Natura2000 gebieden zal optreden > 0,00 mol/ha/jr. Op basis van de uitkomsten van de Aerius-berekening kan er worden gesteld dat het aspect stikstof geen belemmering vormt voor voorliggend initiatief.

5.10 Conventionele explosieven

Uit ervaring blijkt dat circa 10 tot 15% van de gebruikte Conventionele Explosieven (CE) uit WOll tijd niet functioneerde en als blindganger in de bodem is achtergebleven. Een blindganger vormt een wezenlijk risico tijdens grondroerende werkzaamheden. In 2016 is een historisch vooronderzoek uitgevoerd om te bepalen voor welke gebieden in de gemeente Alphen aan den Rijn een verhoogd risico geldt op achtergebleven CE (rapport Vooronderzoek Conventionele Explosieven gemeente Alphen aan den Rijn, Saricon bv, 16S140-VO-02, 12 juli 2016). De verdachte gebieden zijn ingetekend op de Risicokaart CE.

5.10.1 Beoordeling plangebied

Vanuit de risicokaart CE blijkt dat het plangebied onverdacht is voor wat betreft het voorkomen van CE. Verder onderzoek naar CE is niet noodzakelijk. Hoewel er geen indicaties zijn voor de aanwezigheid van CE, kan niet met zekerheid worden gesteld dat die er niet zijn. Indien men bij graafwerk stuit op een verdacht object, zijn passende maatregelen nodig.

5.11 Water

5.11.1 Wettelijk kader

Kaderrichtlijn water

De Europese Kaderrichtlijn Water is in oktober 2000 vastgesteld door het Europese Parlement en de Europese raad. Artikel 1a geeft de betekenis van de richtlijn aan:

"Doel van deze richtlijn is de vaststelling van een kader voor de bescherming van land oppervlaktewater, overgangswater, kustwateren en grondwater in de Gemeenschap, waarmee aquatische ecosystemen en, en wat de waterbehoeften ervan betreft, terristische ecosystemen en wetlands die rechtstreeks afhankelijk zijn van aquatische ecosystemen, voor verdere achteruitgang worden behoed, en beschermd en verbeterd worden."

De richtlijn biedt dus een kader voor het beschermen van de waterkwaliteit. Daarbij wordt van de lidstaten vereist dat zij het waterkwaliteitsniveau organiseren per stroomgebied. Voor Nederland houdt dit een indeling in naar de stroomgebieden van de Rijn, de Maas, de Schelde en de Eems. Voor de Alphense situatie betekent dit een indeling bij het stroomgebied van de Rijn.

Nationaal Waterplan 2016-2021 (2015)

Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Het kabinet sluit daarmee aan bij de resultaten van het Deltaprogramma. Met deze handelwijze is Nederland koploper en toonaangevend voorbeeld in de wereld. Met dit Nationaal Waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Het omvat een integrale benadering, door natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie, cultureel erfgoed en economie (inclusief verdienvermogen) zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. De ambitie is dat overheden, bedrijven en burgers zich in 2021 meer bewust zijn van de kansen en bedreigingen van het water in hun omgeving. Iedereen neemt zijn eigen verantwoordelijkheid om samen te komen tot een waterrobuuste ruimtelijke inrichting, het beperken van overlast en rampen en verstandig handelen in extreme situaties.

Waterwet

De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Ook is via de Invoeringswet Waterwet de saneringsregeling voor waterbodems van de Wet bodembescherming overgebracht naar de Waterwet. Naast de Waterwet blijft de Waterschapswet als organieke wet voor de waterschappen bestaan. Met de Waterwet zijn Rijk, waterschappen, gemeenten en provincies beter uitgerust om wateroverlast, waterschaarste en waterverontreiniging tegen te gaan. Ook voorziet de wet in het toekennen van functies voor het gebruik van water zoals scheepvaart, drinkwatervoorziening, landbouw, industrie en recreatie. Afhankelijk van de functie worden eisen gesteld aan de kwaliteit en de inrichting van het watersysteem.

5.11.2 Hoogheemraadschap van Rijnland

Waterbeheerplan 5 2016-2021

Het algemeen bestuur van Rijnland heeft op 9 maart 2016 het nieuwe Waterbeheerplan (WBP5) "Waardevol Water" vastgesteld. In het 'Waterbeheerplan 5 2016-2021' staat samen werken aan water staat centraal, zodat nu en in de toekomst in dit unieke deel van Nederland onder zeeniveau gewoond, gewerkt en gerecreëerd kan worden. Water is een maatschappelijke opgave en Rijnland wil, samen met zijn omgeving, werken aan duurzaam en efficiënt waterbeheer tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten. Die toekomst wordt mede bepaald door trends in klimaat en maatschappij en de noodzaak om op duurzame wijze met onze omgeving om te gaan. De verwachte toename van neerslag en droogte, bodemdaling, verzilting zeespiegelrijzing en de verdergaande verstedelijking, leggen een steeds grotere druk op het watersysteem.

De hoofdambitie is schoon en voldoende water en droge voeten. Dit wordt bereikt door:

  • Beschermen tegen overstromingen vanuit zee, de rivieren en het regionale watersysteem door een aanpak in drie lagen (meerlaagsveiligheid): preventie, adviseren over het beperken van de gevolgen van overstromingen (gevolgbeperking), en voorbereiden op een calamiteit;
  • Zorgen voor schoon en gezond water dat past bij de verschillende functies in een gebied.
  • Optimaliseren van de verwerking van het afvalwater en hergebruiken van de grondstoffen uit afvalwater.
  • Zorgen voor voldoende water: niet te veel en niet te weinig, passend bij het gebruik.

Keur Rijnland 2020 en Uitvoeringsregels

De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels voor waterkeringen, watergangen en andere waterstaatwerken (onder andere bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen) en voor kwelgevoelige gebieden. Maar ook voor het onttrekken en lozen van grondwater en het aanbrengen van verhard oppervlak. Het uitgangspunt van deze Keur is 'ja, tenzij': in beginsel zijn handelingen en/of werken in het watersysteem toegestaan, tenzij expliciet in deze Keur anders is bepaald.

Bij de Keur horen de Uitvoeringsregels. Hierin staan voorwaarden voor allerlei werkzaamheden bij water en dijken. De Uitvoeringsregels kunnen een Zorgplicht, een Algemene regel en een Beleidsregel bevatten.

  • De Zorgplicht geldt voor eenvoudige werkzaamheden met weinig risico.
  • In de Algemene regel staan voorwaarden voor activiteiten met een beperkt risico.
  • In de Beleidsregel staan voorwaarden voor activiteiten met een groter risico, waarvoor een watervergunning nodig is.

Legger Rijnland

In de Legger van Rijnland is voor alle wateren aangegeven hoe breed en diep ze moeten zijn en voor alle waterkeringen hoe hoog en hoe breed. Ook geeft de Legger weer wie waar voor welk onderhoud verantwoordelijk is. Een legger is een register waar van alle waterkeringen in het Rijnlandse beheergebied het volgende is weergegeven:

  • de ligging en de vereiste afmetingen,
  • wie verantwoordelijk is voor het onderhoud en wat dit onderhoud inhoudt.

De legger is eind 2018 vastgesteld door het college van Dijkgraaf en Hoogheemraden. Aan de hand van de Legger kan getoetst worden of een ontwikkeling invloed heeft op de bestaande wateren, waterkeringen en/of waterwerken.

Riolering en afkoppelen

Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met Rijnland afstemming heeft plaatsgevonden over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat Rijnland uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto's wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen.

5.11.3 Beoordeling plan

Het Hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. De drie hoofddoelen van dit beheer zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water.

Riolering en waterafvoer

In het plangebied wordt gescheiden rioolstelsel aangelegd om het riool- en hemelwater af te voeren. Het hemelwater van de daken wordt zoveel mogelijk afgekoppeld naar de achter de woningen gelegen tuinen en watergangen. Verder wordt bij de bouw van de woningen gebruik gemaakt van duurzame, niet-uitlogende bouwmaterialen (geen zink, lood en PAK's-houdende materialen). Hiermee wordt voorkomen dat hemelwater en daarmee ook indirect grondwater verontreinigd kunnen raken.

Legger

Het plangebied kent binnen het vigerende bestemmingsplan reeds de dubbelbestemming 'Waterstaat – Waterkering', overleg met het hoogheemraadschap is derhalve noodzakelijk. Het plangebied ligt binnen of in de directe nabijheid van regionale keringen, 148 geeft de Legger van Rijnland weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0484.BKLinnaeusweg2-ON01_0018.png"

Afbeelding 17: Legger Rijnland – Regionale keringen, plangebied met groen kader weergegeven (bron: Rijnland)

Ten aanzien van het verharde oppervlak kan geconcludeerd worden dat het plangebied, zowel het gebouw als het buitenterrein, in de bestaande situatie volledig verhard is. Met de realisatie van vrijstaande woningen met tuinen, groenstructuren en water zal de waterhuishoudkundige situatie binnen het plangebied sterk verbeteren. Aangezien het verharde oppervlak afneemt is er ook geen noodzaak tot watercompensatie.

In onderstaande afbeelding wordt globaal de bestaande en toekomstige situatie weergegeven, er is duidelijk sprake van een afname van het verharde oppervlak. Inclusief de verharding in het oosten van het plangebied is er sprake van 100% verharding in de bestaande situatie. In de toekomstige situatie zal er door middel van tuinen en groene scheggen sprake zijn van een duidelijke afname.

afbeelding "i_NL.IMRO.0484.BKLinnaeusweg2-ON01_0019.png"

Afbeelding 18: Afname verhard oppervlak toekomstige situatie

Hoofdstuk 6 Juridische en bestuurlijke aspecten

In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de planregels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem en op alle afzonderlijke bestemmingen.

6.1 Algemeen

De regels en de verbeelding vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. De toelichting is niet juridisch bindend, maar kan wel gebruikt worden als nadere uitleg bij de regels.

Op de verbeelding zijn aan de binnen het plan aanwezige gronden bestemmingen toegekend. Daarbinnen komen functie-en bouwaanduidingen en gegevens over maatvoering voor. Door middel van over de bestemmingen heen liggende gebiedsaanduidingen zijn daarnaast extra regels van toepassing.

De bestemmingen zijn de belangrijkste elementen. Deze zijn in overeenstemming met de Standaard vergelijkbare bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP bepaalt kleur en codering van de bestemmingen. De bestemmingen zijn op het renvooi weergegeven in alfabetische volgorde (per soort bestemming). Elke op de verbeelding weergegeven bestemming is gekoppeld aan een artikel in de regels. De regels omschrijven in samenhang met aanduidingen op de kaart op welke wijze de gronden binnen de desbetreffende bestemming gebruikt mogen worden en wat, en of, er gebouwd mag worden. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken;

  • inleidende bepalingen: een begrippenlijst en regels met betrekking tot de wijze van meten;
  • bestemmingsregels: artikelen over de bestemmingen, een voorlopige bestemming en dubbelbestemmingen;
  • algemene regels: bepalingen die betrekking (kunnen) hebben op alle bestemmingen;
  • overgangs- en slotregels: het (in de Bro voorgeschreven) overgangsrecht (voor bestaande bouwwerken en bestaand gebruik dat van het bestemmingsplan afwijkt) en de naam waaronder het plan moet worden aangehaald.

6.2 Inleidende regels

Het eerste hoofdstuk bevat inleidende regels. In artikel 1 is een aantal in de regels gehanteerde begrippen gedefinieerd. In artikel 2 is de wijze van meten vastgelegd met betrekking tot de verschillende hoogte en oppervlakte van gebouwen.

6.3 Bestemmingsregels

In de regels zijn regelingen opgenomen voor de bestemmingen 'Groen' en 'Wonen'. De vigerende dubbelbestemmingen 'Leiding - Riool' en 'Waterstaat - Waterkering zijn overgenomen uit het voorgaande bestemmingsplan.

Artikel 3 'Groen'

De bestemming 'Groen' is hoofdzakelijk opgenomen voor de groene scheggen tussen de woningen. De bestemming groen staat de bouw van bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde niet toe. Er is een uitzondering gemaakt voor de realisatie van een erfafscheiding tot maximaal 1 meter hoogte.

Artikel 4 'Wonen'

De woningen binnen het plangebied hebben de bestemming 'Wonen'. Binnen deze bestemming zijn naast wonen ook aan huis verbonden beroepen toegestaan. Binnen de bestemming wonen zijn regels opgenomen voor het bouwen van hoofdgebouwen en bebouwen van bijbehorende gronden. Hoofdgebouwen zijn toegestaan binnen de op de verbeelding opgenomen bouwvlakken.

Bijbehorende bouwwerken

Bijbehorende bouwwerken zoals aan- uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mogen binnen en buiten het bouwvlak worden gebouwd, gelijk aan de voorgevel van het hoofdgebouw.

De gronden, gelegen buiten het bouwvlak mogen voor maximaal 50% bebouwd worden met een maximum van 50 m². Voor bouwpercelen met een oppervlakte van meer dan 500 m² mag het oppervlakte van 50 m² vermeerderd worden met 10% van het oppervlakte dat het bouwperceel groter is dan 500 m², tot een maximum van 120 m².

De maximale goothoogte en bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen bedraagt respectievelijk 3 en 5 meter.

Artikel 5 'Leiding - Riool'

Deze dubbelbestemming regelt de in het plangebied aanwezige hoofd riolen. De bepalingen ten aanzien van gebruik en bouwmogelijkheden in de strook aan weerszijden van de leiding zijn opgenomen ten behoeve van de bescherming van het betreffende riool.

Artikel 6 'Waterkering - Waterstaat

Deze bestemming is opgenomen voor de kernzone van de regionale waterkering.

6.4 Algemene regels

Artikel 7 'Anti-dubbeltelregel'

De anti-dubbeltelregel moet op grond van het Besluit ruimtelijke ordening worden opgenomen om bijvoorbeeld te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Artikel 8 'Algemene bouwregels'

In dit artikel zijn algemene regels opgenomen. Daarbij is tevens sprake met betrekking tot bestaande afmetingen, afstanden en percentages voor bouwen.

Artikel 9 'Algemene gebruiksregels'

In dit artikel is opgenomen welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig gebruik worden beschouwd.

Artikel 10 'Algemene afwijkingsregels'

Dit artikel geeft het bevoegd gezag de bevoegdheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels van dit bestemmingsplan ten behoeve van kleine afwijkingen.

Artikel 11 'Overige regels'

In dit artikel zijn parkeerregels opgenomen. In deze regel wordt dynamisch verwezen naar het geldende parkeerbeleid van de gemeente Alphen aan den Rijn. Dit heeft tot gevolg dat, indien in het kader van het bestemmingsplan gebouwd kan worden, op basis van het bestemmingsplan altijd het op dat moment actuele geldende parkeerbeleid van de gemeente Alphen aan den Rijn gehanteerd moet worden bij het verlenen van de benodigde omgevingsvergunning.

6.5 Overgangs- en slotregels

Artikel 12 'Overgangsrecht'

Het overgangsrecht heeft tot doel de rechtszekerheid te verzekeren ten aanzien van bouwwerken die op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp plan gebouwd zijn of op grond van een reeds verleende of een nog te moeten afgeven omgevingsvergunning, gebouwd mogen worden en afwijken van de bebouwingsregels in dit plan. Zij mogen blijven staan of, als een vergunning is verleend, worden gebouwd zolang de afwijking maar niet wordt vergroot en het bouwwerk niet (grotendeels) wordt vernieuwd of veranderd.

Ook het gebruik van gronden en de daarop staande opstellen dat -op het tijdstip dat het bestemmingsplan rechtsgeldig wordt -afwijkt van de gegeven bestemming, is in het overgangsrecht geregeld. Het afwijkende gebruik mag worden voorgezet of gewijzigd in een ander gebruik, zolang de afwijking van het bestemmingsplan niet vergroot wordt.

Artikel 13 'Slotregel'

In de slotregel wordt aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

6.6 Verbeelding

Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken enzovoorts. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaarten en/of kadastrale kaart).

Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid

Met het bestemmingsplan wordt de realisatie van 9 woningen mogelijk gemaakt. Hiermee is sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6:12 van de Wet ruimtelijke ordening artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betekent dat de raad een exploitatieplan dient vast te stellen, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd.

Bij de voorliggende ontwikkeling is het kostenverhaal verzekerd middels een tussen de gemeente en initiatiefnemer anterieure overeenkomst. Er is daarnaast rekening gehouden met de kosten noodzakelijk voor de bodemsanering ter plaatse van de ontwikkeling. Deze kosten liggen bij de aanvrager, waardoor het plan (nog steeds) financieel uitvoerbaar is.

De initiatiefnemer en de gemeente zijn nog in overleg over de verkoop van een strook grond aan de noordoost zijde van het plangebied.

Hoofdstuk 8 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het gemeentebestuur streeft naar draagvlak bij belanghebbenden en maatschappelijke organisaties voor de uitvoering van dit bestemmingsplan. Daarom hecht het gemeentebestuur veel belang aan de dialoog over dit bestemmingsplan. Dit hoofdstuk over de 'maatschappelijke uitvoerbaarheid' gaat nader in op de maatschappelijke dialoog die in het kader van het bestemmingsplan heeft plaatsvinden.

8.1 Vooroverleg

Het concept ontwerp bestemmingsplan is in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro op 9 september 2020 naar een aantal vooroverlegpartners van de gemeente verstuurd, namelijk de Provincie Zuid-Holland en het Hoogheemraadschap Rijnland. Naar aanleiding hiervan is er alleen een reactie van het Hoogheemraadschap Rijnland gekomen, welke is verwerkt in het bestemmingsplan.

8.2 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan ligt vanaf 25 maart 2021 gedurende zes weken ter inzage. Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen er zienswijzen worden ingediend. De gemeente Alphen aan den Rijn zal de ontvangen zienswijzen verwerken in het bestemmingsplan.