direct naar inhoud van 2.4 Geschiedenis
Plan: Dorp Sloten en Ringvaartdijk Oost
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0363.F1002BPSTD-OW01

2.4 Geschiedenis

In deze paragraaf wordt de historisch-ruimtelijke ontwikkeling van Sloten aan de orde gesteld. Deze beschrijving is gebaseerd op de Cultuurhistorische Verkenning 2007 die is opgesteld voor Sloten in opdracht van het voormalige stadsdeel Osdorp.

2.4.1 Ontstaan en ontwikkeling Sloten in de Middeleeuwen

Over de vroegste geschiedenis van Sloten is nog lang niet alles bekend, maar duidelijk is wel dat de ontstaansgeschiedenis van Sloten samenhangt met die van de andere nederzettingen in de regio Amsterdam. Het gebied werd, zoals het grootste deel van het Utrechts-Hollandse veengebied, ontgonnen in de Middeleeuwen (periode ca. 950 - ca. 1300). Ter vergelijking: de oudste nederzetting ter plaatse van de huidige Amsterdamse binnenstad ontstond tegen het eind van de 12e eeuw, en in Diemen waren de ontginningen rond 1100 begonnen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.F1002BPSTD-OW01_0008.jpg"

De middeleeuwse ontginning van het veengebied rond Amsterdam (naar: Dijkstra, e.a., p. 26). In de cirkel het gebied rond Sloten.

De kerk van Sloten - en daarmee het dorp - wordt voor het eerst vermeld in een oorkonde uit 1063, die teruggaat op de situatie van 993. Hoogstwaarschijnlijk is het dan vermelde Sloten echter niet het huidige dorp. Archeologisch onderzoek in 1991 midden op de dorpsterp (Dorpsplein) leverde geen materiaal op ouder dan de periode 1175 - 1200. In deze periode zal de bewoning van het oudste - elders gelegen - Sloten zich hebben verplaatst naar de huidige Sloterweg. Ook de kerk, die gewijd was aan Sint Pancras, is uiteindelijk verplaatst naar de huidige plek (Baart, 1991, p. 88). Er werd een terp opgeworpen, bedoeld om wat hoger, en daardoor droger, in het veen te kunnen bouwen en wonen. In de huidige situatie is de hogere ligging van het dorpscentrum duidelijk waarneembaar.

Waarschijnlijk lag het oudste Sloten aan de zuidkant van de Sloterplas. Ter plaatse, op het 'Out Kerkhoff' zijn aardewerk vondsten gedaan uit de periode 1000-1200 (Reijnierse, 1951, p. 219). Het dorp ontleende zijn naam aan het veenstroompje Sloot of Sloter (Heinemeijer e.a.,1987, p. 16). De verplaatsing was onder meer het gevolg van wateroverlast: de veenbodem was sterk gaan inklinken. Ook tal van andere nederzettingen in veengebieden zijn hierom verplaatst, o.a. Staphorst en Eemnes. Een tweede reden lag in de opkomst van de markteconomie. Men ging zich richten op het vervoeren en verhandelen van producten als boter en kaas op de opkomende Amsterdamse markt. Vestiging aan of bij doorgaande wegen werd belangrijk.

Met de dorpsverplaatsing werd de al bestaande Osdorperweg verlegd naar het nieuwe dorp. De knik in de weg ten noorden van de Ookmeerweg wijst hierop. Het tracé ten noorden van de Ookmeerweg is georiënteerd op de locatie van het eerste dorp Sloten; ter plekke van de knik heeft men een nieuw tracé aangelegd naar het tweede, huidige dorp Sloten (De Cock, 1965, p. 240). Niet duidelijk is of Osdorp bij de verlegging van de weg al bestond.

De Sloterweg werd in de 13e eeuw aangelegd mede ter ontginning van het aanliggende veen. Aan de noordzijde komen huisterpen voor. Onderzoek in zo'n huisterp wees uit dat de eerste bewoning uit ca. 1300 dateert (Baart, 1991, p. 87).

Ontginningen als aan de Sloterweg verliepen georganiseerd. Vanaf de ontginningsbasis werden de percelen uitgezet. De sloten werden zoveel mogelijk evenwijdig en ongeveer loodrecht of onder een schuine hoek op de ontginningsbasis gegraven om een zo effectief mogelijke afwatering te verkrijgen. Zij- en achterkaden werden opgeworpen om het water van aangrenzende ontginningen of nog niet ontgonnen veen te weren. De gebieden binnen de kaden gingen later de polders vormen. De boerderijen verrezen op de kop van de kavels, zodat een langgerekt boerderijlint ontstond. Vaak werden de boerderijen verhoogd aangelegd: op huisterpen.

Ter hoogte van de dorpskom van Sloten draaide de verkavelingsrichting mee met de bocht van de Sloterweg in noordwestelijke richting. Daardoor ontstonden 'gerende' (in een punt toelopende) percelen. Deze vormden met elkaar de Geer(ban). Binnen de Geer lag weer een stuk land de Snepel, waarvan in 1486 sprake is. Snepel betekent: stuk land dat in een scherpe punt uitloopt (Bijdr. Bisdom Haarlem 1908, p. 439).

Opvallend is dat de noordpunt van de percelen, die met elkaar de Geer vormden, precies uitkomt op de plek van het kerkhof van het eerste dorp Sloten. De oorspronkelijke kerk moet dus als raaipunt (oriëntatiepunt) gebruikt zijn bij de ontginningen langs de Sloterweg! De lijn van waaraf men ter hoogte van Sloten is begonnen te ontginnen, is niet geheel duidelijk maar lag ten zuiden van de Sloterweg. Wellicht heeft de - later zo genoemde - Molenwatering als zodanig gefunctioneerd. Van deze waterloop is alleen nog een fragment in de uiterste zuidpunt van het volkstuincomplex over, en wat oostelijker een stukje ten zuiden van de Oude Haagseweg.

De Sloterweg boog, bij de Schinkel, op de grens van de polder Sloten naar het noorden (bij het Huis te Vraag, nu begraafplaats) en liep daar als polderkade naar de Overtoom. Deze weg voerde direct naar de stad Amsterdam. Ten westen van Sloten gaf de Sloterweg aansluiting op de verbinding met Haarlem. De verbinding over water verliep via de Slotervaart, in het westen aansluitend op de Kostverlorenvaart. Een van de gerende kavelsloten, de Kerksloot, werd als verbinding benut tussen de dorpskom en de Slotervaart. De sloot is aangegeven op de kaart van Lourens Pietersz uit 1564 (Heinemeijer e.a. 1987, p. 30-31). De Slotervaart is in het kader van de AUP verlegd.

In westelijke richting leidde de Sloterweg naar de dorpen Rijck (Rietwijk) en Nieuwerkerk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.F1002BPSTD-OW01_0009.jpg"

De structuur van het dorp Sloten kwam met de verlegging van de Osdorperweg en de aanleg van Sloterweg uit twee hoofdelementen te bestaan. Aan beide wegen kwam bebouwing tot stand, die waarschijnlijk vooral agrarisch van karakter was. Rond de kerk vestigden zich wellicht ook wagenvoerders en ambachtslieden. Een exact beeld van de dorpsontwikkeling is niet te geven.

Sloten lag binnen het bestuursgebied Geerban of Vrije Geer, dat zijn naam ontleende aan de bovengenoemde 'geer' en aan de vrijstelling van belasting aan de graaf van Holland ('vrij'). Het gebied lag ook buiten de jurisdictie van Amsterdam (1100 roeden). Een stukje ten oosten van de oostgrens van de Geer aan de Sloterweg stond daarom een banpaal. Tot daar strekte zich vanuit Amsterdam het gebied uit waarin verbannen personen zich niet mochten ophouden. De banpaal is later in westelijke richting verplaatst. De huidige paal dateert uit 1794.

Aan het eind van de Middeleeuwen, in 1494, telde het gebied rond Sloten en Osdorp 120 'haardsteden' (woningen). Rond 1477 toen het economisch beter ging, waren dat er nog 130. De middelen van bestaan waren in 1494 'visschen, vogelen ende met een weynich koeyen te houden, te varen met wagen ende paerden tusschen Amsterdamme ende Haerlem'. Uit het laatste blijkt het belang van de Sloterweg die een belangrijke schakel vormde in de verbinding met beide steden.

De bescherming tegen het buitenwater kostte veel, er moest 'anderhalve mijle' aan dijklengte onderhouden worden (Fruin, 1876, p. 88). Kortom, Sloten was een typisch dorp in een laag en nat veengebied, bedreigd door het buitenwater van het IJ en daarmee in verbinding staande meren. Naast de veehouderij beoefende men ook de visserij en het vangen van eetbare vogels (wellicht eenden e.d.). De nabijheid van Amsterdam en de ligging aan een doorgaande weg blijkt uit de aanwezigheid van wagenvoerders. De Sloterweg fungeerde tevens, met de Overtoom, als bedevaartsroute naar de Nieuwezijdskapel aan de Kalverstraat te Amsterdam. Het laatste deel van de route is de huidige Heiligeweg. De banpaal in Sloten was het begin van de bedevaartroute.

2.4.2 Ontwikkeling van Sloten tot in de 19e eeuw

Sloten

Ook over de ontwikkeling van Sloten na de Middeleeuwen is niet veel bekend. Tijdens de Opstand (1559 - 1609) werd in 1572 de kerk verwoest. Deze bleef in ruïneuze toestand nog geruime tijd staan, alvorens te worden herbouwd. De uitbreiding van het Haarlemmermeer begin 16e eeuw doorbrak de verbinding tussen Haarlem en Amsterdam over Sloten; de Spaarndammerzeedijk nam deze functie grotendeels over. Deze situatie is afgebeeld op de genoemde kaart van Lourens Pietersz. uit 1564. Vermoedelijk is het wegvallen van het doorgaande verkeer een remmende factor op de ontwikkeling van Sloten geweest.

Toch werd het dorp in de 17e eeuw enigszins verdicht en uitgebreid. De reden lag in de sterke groei van de Amsterdamse economie en de daarmee samenhangende toenemende vraag naar agrarische producten. De uitbreiding bleef binnen het stramien van de bestaande, opstrekkende veenverkaveling. Percelen werden gesplitst ten behoeve van nieuwbouw en er vond uitbreiding van de lintbebouwing aan de dorpsranden plaats. Mogelijk werden ook al enkele korte steegjes bebouwd aan de zuidkant van de Sloterweg, haaks op de straat. Sloten bleef echter een klein dorp.

Een globale indruk van de situatie in het derde kwart van de 18e eeuw is te krijgen uit de kaart van de 'Binnen Polder van Slooten en het Middelvelt' van Cornelis Koel uit 1675 (Heinemeijer e.a., 1987 p. 18-19). De kaart geeft duidelijk de opstrekkende verkaveling vanaf de Sloterweg aan, met de boerderijen aan de noordzijde op de koppen van de genummerd aangegeven kavels. De Kerksloot - in de huidige situatie een vrij brede watergang -onderscheidt zich niet van de omringende sloten. Wellicht heeft pas later verbreding plaatsgevonden.

Ook het in de ontginningsgeschiedenis secundaire karakter van de Osdorperweg blijkt uit de kaart: de weg doorsnijdt de (eerdere) verkaveling.

Sloten zelf is niet topografisch nauwkeurig op de kaart getekend, maar beeldend weergegeven als een handvol huizen op de kruising van de Sloterweg met de Osdorperweg.

De nabije omgeving van Sloten

Door turfwinning ontstonden plassen in het veengebied die door de wind steeds verder werden vergroot. Ook de Haarlemmermeer werd door de oeverafslag groter en slokte hierdoor een aantal andere meren en plassen op. Sloten kwam aan de rand van het meer te liggen. In de 18e eeuw kwam aan de Sloterweg tussen Sloten en de Overtoom een aantal buitenplaatsen tot stand, binnen het stamien van de opstrekkende verkaveling. Het Slotermeer werd in 1642 drooggelegd; het Haarlemmermeer breidde zich nog enkele eeuwen gestaag uit. Rond 1850 lag Sloten vlak aan de rand van dit meer. De drooglegging was destijds al in gang gezet.

Sloten was midden 19e eeuw een klein dorp op de kruising van de Sloterweg met de Osdorperweg. De bebouwing was geconcentreerd aan beide wegen. Aan de noord- en zuidkant van de Sloterweg waren destijds al, ten oosten van de Osdorperweg, enkele korte, haaks op de weg staande steegjes aanwezig. Aan de oostzijde lag het boerderijlint van de Sloterweg. De meeste boerderijen waren gesitueerd aan de noordzijde van de weg. Melkveehouderij was de belangrijkste bestaansbron. Daarnaast was er 'warmoezerij': groenteteelt.

Aan de oostzijde lag het boerderijlint van de Sloterweg. De meeste boerderijen waren gesitueerd aan de noordzijde van de weg. Melkveehouderij was de belangrijkste bestaansbron; de melk werd dagelijks naar Amsterdam gebracht. Daarnaast was er 'warmoezerij': groenteteelt. Het Aardrijkskundig Woordenboek van Van der Aa uit 1847 beschrijft Sloten als een dorp 'midden in het geboomte'. Zo heeft Rembrandt Sloten twee eeuwen eerder ook afgebeeld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.F1002BPSTD-OW01_0010.jpg"

Rembrandt van Rijn, Gezicht op het dorp Sloten, midden 17e eeuw

De Sloterweg, bestraat in 1818, is in 1847 volgens Van der Aa aan beide zijden met bomen beplant. Hoe klein Sloten was blijkt eveneens: de dorpskom telde slechts 35 huizen met circa 490 inwoners.

De N.H-kerk wordt omschreven als een 'zeer net en zindelijk gebouw, waarin echter niets bijzonders is te zien, zelfs geen orgel.' De bijbehorende pastorie is in 1846 opgeknapt. Ook het Diaconiehuis is een 'zeer net en zindelijk gebouw;' dat door de gemeente is ingericht als Algemeen Wees- en Armhuis, waarin zo'n 60 mensen leven (idem, p. 444). Vermoedelijk behoorde toen ook de tuin aan de overzijde van het gebouw al bij het weeshuis. (later dependance van het ouden-van-dagenhuis aan de Roetersstraat).

2.4.3 De periode 1850 - 1940

Verdere verdichting vond plaats in de periode 1850 - 1940, zowel door nieuwbouw als door uitbreiding aan en vergroting van bestaande panden. Het winkelbestand nam toe en een aantal bijzondere functies en voorzieningen vestigden zich in het dorp. Voor zowel bestaande als nieuwe functies werd nieuwbouw gerealiseerd. De huidige NH kerk werd in 1861 naar ontwerp van P.J. Hamer gebouwd (Osdorperweg 28). In 1900 volgde de rooms-katholieke St. Pancratiuskerk aan de Sloterweg van de hand van J. Stuyt. Achter de kerk werd een verhoogd gelegen kerkhof ingericht met een eveneens hoger gelegen toegangspad. Bij het Dorpsplein werd een politiepost (nr. 1026) geplaatst. Ook het Wees- en Armhuis werd vernieuwd (1901). Aan het oostelijk einde van het dorp verrees een (nieuw) tolhuis (nr. 1191-1193).

Rond 1900 waren er in het dorp Sloten tientallen winkels en werkplaatsen en diverse cafés. De aanwezigheid van vooral de cafés hangt vermoedelijk samen met de drooglegging van het Haarlemmermeer, waarbij een groot aantal polderwerkers betrokken was.

In structureel opzicht veranderde er weinig; er werden geen nieuwe straten aangelegd buiten de korte Akerpolderstraat tussen de Sloterweg en de Osdorperweg en de nog kortere Nieuwe Akerweg ten oosten van de Osdorperweg. Het bebouwingslint aan de Osdorperweg breidde zich uit door de bouw van arbeiderswoningen. Door de bouw van blokjes (rug-aan-rug)woningen haaks op de weg (nr. 40 e.v.). ontstonden hier, net als aan de Sloterweg, enkele ondiepe stegen. In 1913 telde het dorp 1902 inwoners, ten aanzien van 1846 met 490 inwoners een behoorlijke groei. De ligging wordt dan omschreven als anderhalf uur 'gaans' van Amsterdam en Sloterdijk.

2.4.4 Ontwikkeling na 1945

Het dorp Sloten viel binnen het Algemeen Uitbreidingsplan (AUP) van 1935: het gebied ten zuiden van de dorpskern was bedoeld voor industrie. Bij de gedeeltelijke herziening van het AUP in 1950, betreffende het gebied tussen de Nieuwe Meer en de tuinstad Slotermeer, werden de voor industrie bedoelde terreinen echter herbestemd als sportterreinen en openbaar groen. Ten noorden van de dorpskern werd woningbouw geprojecteerd, later echter tuinbouw. In 1953 werd aan de noordkant van de Sloterweg 80 ha. weidegebied ingericht voor tuinders die elders voor de stadsuitbreiding het veld moesten ruimen. Hiermee in verband werden de wegen Ditlaar en Vrije Geer en wat meer oostelijk de Louwesweg aangelegd.

In 1955 vond verdere wijziging plaats in het plan 'Omgeving dorp Sloten'. Een rioolwaterzuivering, sportterreinen, volks- en schoolwerktuinen werden als functies toegevoegd. Dit plan werd, op de rioolzuivering na, gerealiseerd. Het agrarische gebied tussen het dorp en de Ringvaart veranderde hierdoor in stedelijke groen- en sportvoorzieningen, met name volkstuinen en sportvelden. Binnen het volkstuincomplex (Verenigde Amateur Tuinders, Eigen Hof) bleef een deel van het oude slotenpatroon bewaard.

afbeelding "i_NL.IMRO.0363.F1002BPSTD-OW01_0011.jpg"

Toegekende functies voor het gebied rond Sloten ca. 1950 (Tuinstad Slotermeer, p. 6).

In 1957 vond een laatste planherziening plaats, waarin de tracés van de (nieuwe) Slotervaart en de Plesmanlaan werden geprojecteerd en langs de Plesmanlaan bedrijvigheid werd voorzien. De Slotervaart is volgens plan aangelegd, met sluizen iets ten noorden van de dorpskern (Akersluis, in het belendende huis is een gevelsteen opgenomen van het vroegere raadhuis in Sloterdijk), de Plesmanlaan gedeeltelijk. De oude Slotervaart verdween met de aanleg van de Plesmanlaan en de bouw van Slotervaart. Om het bedrijfsterrein bereikbaar te maken werd, vooruitlopend op de doortrekking van de Plesmanlaan, de parallelweg Langsom aangelegd. Het bedrijfsterrein is vervolgens tussen de Osdorperweg in het noorden en de Sloterweg in het zuiden tot ontwikkeling gekomen. De aanleg van de Slotervaart en de Plesmanlaan/Langsom betekenden een doorsnijding van de Osdorperweg.

Rond 1995 werd aan de Osdorperweg tussen Vrije Geer en Langsom een woonwijkje gebouwd. Wat eerder was in het dorp ten zuiden van de Sloterweg, achter de bestaande bebouwing ter hoogte van nr. 1225, een aantal nieuwbouwwoningen verrezen. In 1989 is aan de Ringvaartdijk op een deel van het parkeerterrein voor de hockeyclub een terrein ingericht voor 10 woonwagens. In de jaren '90 werden 14 woningen aan de Gerrit van der Puijstraat gebouwd tussen Sloterweg en Ringvaartdijk. Het was aanvankelijk de bedoeling hier 60 woningen te bouwen.

De oostkant van de Sloterweg, richting Schinkel, verdween bij de aanleg van de ringweg (A10) en sportpark Riekerhaven. De weg loopt nu aan de oostkant tegen de Johan Huizingalaan aan.

Tot ver in de 20ste eeuw bleef de landelijke context van Sloten min of meer intact. Aan de zuidkant van de Sloterweg lagen al geruime tijd sportvelden en volkstuinen, aan de noordkant lag behalve het wijkje uit de jaren '80 aan de Osdorperweg tussen Vrije Geer en Langsom het genoemde glastuinbouwgebied. Dit maakte in de jaren '90 plaats voor de wijk Nieuw Sloten met ruim 4800 woningen (stadsdeel Slotervaart-Overtoomseveld). Daarna volgden de Middelveldsche Akerpolder ten noordwesten van het dorp met zo'n 3200 woningen (De Aker). De omgeving van het dorp, buiten de Vrije Geer/Ditlaar, is daardoor nu grotendeels ingenomen door stedelijke functies.

Binnen de eigenlijke oude kern vond enige kleinschalige dynamiek plaats. Rond 1950 ontstond het Dorpsplein door de sloop van twee 17e-eeuwse woningen, waaronder het Rechthuis annex herberg (nr. 1030). Begin 20e eeuw deed het gebouw dienst als café met speeltuin. Kort na 1991 is het plein heringericht. De dorpspomp, voorheen naast het politieposthuisje, werd op het plein geplaatst. Betrekkelijk grootschalig in verhouding tot de overige bebouwing was de uitbreiding van het scholencomplex achter en ten westen van de R.K-kerk. Een recente toevoeging aan het westelijk einde van Sloten is de Molen van Sloten (Akersluis 10). De poldermolen, gedeeltelijk nieuwbouw en gedeeltelijk herbouw van een oudere molen uit de Watergraafsmeer, is in bedrijf. De molen en het naastgelegen restaurant trekken steeds meer bezoekers.

2.4.5 Waterstaatkundige geschiedenis

In 1840 werd een begin gemaakt met de aanleg van de 1,5 tot 2 meter hoge ringdijk en de 40 tot 45 meter brede ringvaart. Zowel de ringdijk als de Ringvaart zijn nog steeds in het landschap zichtbaar.
Later (in de 20e eeuw) is de dijk verbreed met het oog op verdere kanalisering van de Ringvaart ('Kanaal om de West)'.

Aanvankelijk was het de bedoeling dat er molens ingezet zouden worden voor de bemaling van de Haarlemmermeerpolder. Dit plan vond geen doorgang en er werden hoofdzakelijk gemalen gebouwd die de droogmaking in stand hielden. Tegenwoordig maakt men bij de Ringvaartdijk wel gebruik van een molen: de Molen van Sloten. Deze molen is gebouwd in 1991 met gebruikmaking van een uit 1847 daterende molenromp afkomstig uit de Watergraafsmeer, die werd geplaatst op een nieuwe bakstenen onderbouw. Ook de kap en de wieken werden nieuw gemaakt (zie figuur 4.4). Deze molen zorgt samen met het Akergemaal voor de bemaling van de Westelijke Tuinsteden.