direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied Epe
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0232.BG028Buitengebied-OBP1

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De gemeente Epe herziet het geldende bestemmingsplan voor het buitengebied inclusief herzieningen en wijzigingen tot één actueel en digitaal Bestemmingsplan Buitengebied voor de gemeente. De gemeente besloot daartoe omdat zij, op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), over een actueel, digitaal (IMRO2012/SVBP2012) en digitaal gepubliceerd (IMRO2012/STRI2012) bestemmingsplan dient te beschikken. Het geldende bestemmingsplan is in 2005 vastgesteld en dient medio 2015 geactualiseerd te zijn om te voldoen aan de eisen van de Wro.

Gezien de wettelijke eisen en de huidige stand van zaken omtrent actualisering en digitalisering in de gemeente Epe heeft de gemeente het voorliggende bestemmingsplan op laten stellen.

Doelstelling

Het doel van het project is te komen tot een 'actueel, digitaal en in hoofdzaak beherend bestemmingsplan voor het buitengebied':

  • om te beschikken over een degelijk toetsingskader ten behoeve van de ontwikkeling van al bestaande functies (bebouwing en gebruik) en waarden in het buitengebied van de gemeente Epe;
  • om ruimte te creëren voor ontwikkelingen die in de komende termijn te verwachten zijn of om ongewenste ontwikkelingen tegen te houden, mede gebaseerd op het ruimtelijk relevante beleid dat onder meer het Landschapsontwikkelingsplan en het beleid voor functieverandering omvat;
  • dat rekening houdt met al geplande projecten en initiatieven van de gemeente, andere instanties of particulieren;
  • dat rekening houdt met de relevante milieuhygiënische en planologische aspecten en de gemeentelijke mogelijkheden en middelen om de uitvoering van het plan te waarborgen.

Een beherend bestemmingsplan betekent dat het plan een actuele planologische regeling van de bestaande situatie bevat. Bestaande rechten en plichten uit de geldende regeling zijn zoveel mogelijk overgenomen en waar nodig aangepast aan de eisen en wensen van deze tijd. Dat wil overigens niet zeggen dat het bestemmingsplan uitsluitend de actuele situatie planologisch heeft geregeld. Het bestemmingsplan maakt een tweetal type ontwikkelingen mogelijk:

  • 1. ontwikkelingen via de gebruikelijke flexibiliteitsbepalingen, zoals afwijkingsregels en wijzigingsregels;
  • 2. ontwikkelingen naar aanleiding van een concrete wens of verzoek, mits deze ruimtelijk voldoende zijn onderbouwd en positief zijn beoordeeld door het gemeentebestuur.

Overige ontwikkelingen worden, gelet op de veelal omvangrijke ruimtelijke ingrepen in het plangebied, de gewenste afstemming op en inpassing in het omringende landschap en de financiële en juridische complicaties, alleen mogelijk gemaakt via een afzonderlijke planherziening.

1.2 De begrenzing van het plangebied

Het plangebied van het Bestemmingsplan Buitengebied Epe omvat nagenoeg het gehele gemeentelijke buitengebied. De kernen, bedrijventerreinen en het landbouwontwikkelingsgebied maken geen onderdeel uit van het plangebied.

Voor het landbouwontwikkelingsgebied is in juli 2012 een bestemmingsplan vastgesteld. Op 21 augustus heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan over dit tegen dit bestemmingsplan ingebrachte beroepsschriften. Daarbij zijn de ingediende beroepen gegrond verklaard en is het besluit van de raad van de gemeente Epe van 5 juli 2012, kenmerk 2012-10779 tot het vaststellen van het bestemmingsplan Landbouwontwikkelingsgebied Beemte-Vaassen, vernietigd (Raad van State, 201209306/1/R2, 21 augustus 2013). Inmiddels is voor dit gebied een nieuw bestemmingsplan De Bokkerij in voorbereiding. Dit gebied blijft daarmee buiten het plangebied van het bestemmingsplan buitengebied.

Daarnaast zijn de volgende gebieden buiten het bestemmingsplan buitengebied gelaten omdat daarvoor recent nieuwe bestemmingsplannen zijn vastgesteld of binnenkort worden vastgesteld, zoals:

  • Landgoed Tongeren;
  • Landgoed Wiltensacker;
  • Landgoed Dijkhuizerhof;
  • Landgoed Tongeren;
  • Recreatiegebied Kievitsveld Emst.

Deze bestemmingsplannen zijn terug te vinden op www.ruimtelijkeplannen.nl en op de gemeentelijke website.

Op de onderstaande afbeelding is de begrenzing van het Bestemmingsplan Buitengebied aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0232.BG028Buitengebied-OBP1_0001.png"

Afbeelding begrenzing plangebied

1.3 Wijze waarop het bestemmingsplan tot stand is gekomen

Een belangrijke stap tot het opstellen van een bestemmingsplan voor het buitengebied was het uitvoeren van een inventarisatie naar de bestaande situatie en het verrichten van onderzoek naar ontwikkelingen in het plangebied. Het is immers een plicht ten behoeve van de toekomstige ruimtelijke ordening van het gebied onderzoek te verrichten naar de bestaande toestand. Deze onderzoeksplicht vloeit voort uit artikel 3:2 Awb op grond waarvan een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis moet vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Tevens dient de gemeente onderzocht te hebben welke waarden er in het gebied in het geding zijn en wat de gevolgen van het plan voor deze waarden zijn, hoe deze gevolgen moeten worden onderzocht en getoetst.

Ten behoeve van het bestemmingsplan is een Nota van Uitgangspunten opgesteld. Deze Nota van Uitgangspunten is vastgesteld door de gemeenteraad op 24 januari 2013.

De Nota van Uitgangspunten is één van de stappen geweest om te komen tot een nieuw bestemmingsplan Buitengebied. Ten behoeve van de nota zijn de volgende onderzoeken verricht:

  • 1. Inventarisatie bestaande bebouwing en gebruik;
  • 2. Inventarisatie geldende bestemmingsplannen en vrijstellingen;
  • 3. Inventarisatie landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden;
  • 4. Inventarisatie van het beleid;
  • 5. Stedenbouwkundige analyse, dat wil zeggen een analyse van de inventarisatie en het onderzoek naar knelpunten, mogelijkheden en kansen voor het plangebied.

De voorliggende toelichting betreft voor het grootste gedeelte de tekst van de Nota van Uitgangspunten, waarbij op onderdelen aanvulling of actualisatie heeft plaatsgevonden.

Inventarisatie bestaande bebouwing en gebruik

In de periode juni/juli 2012 is de feitelijke situatie in het plangebied verkend. Met de inventarisatie is beoogd duidelijk in beeld te krijgen wat de huidige toestand en wat het huidige gebruik van de bebouwing en de waarden zijn. Hierbij is onder meer gebruik gemaakt van de milieuvergunningen en meldingen AMvB, geldende bestemmingsplannen, verleende vrijstellingen/ ontheffingen, BAG-gegevens (Basisregistratie Adressen en Gebouwen) en lopende handhavingszaken. De volgende gegevens zijn geïnventariseerd:

  • agrarische bedrijven;
  • niet-agrarische bedrijven (NAB);
  • woningen;
  • maatschappelijke voorzieningen;
  • dag- of verblijfsrecreatie;
  • nutsvoorzieningen;
  • sport.

De resultaten zijn opgenomen in een database, waarin per adres de bevindingen zijn opgenomen en verwerkt in een afzonderlijke rapportage met overzichtskaarten waarop (het gebruik van) de bebouwing is aangegeven.

Op basis van de inventarisatie is een zogenaamde 'retrospectieve toets' uitgevoerd. Een retrospectieve toets geeft inzicht in welke situaties aan percelen een nieuwe bestemming is gegeven ten opzichte van voorgaande bestemmingsregelingen. In veel gevallen is daarbij gebleken dat de huidige situatie gewoon gewijzigd is, bijvoorbeeld door het stoppen van de agrarische bedrijfsvoering. Voor andere gevallen is nader gemotiveerd waarom de gemeente van mening is dat een nieuwe bestemming ruimtelijk aanvaardbaar is.

De agrarische en verblijfsrecreatiebedrijven zijn ook benaderd in de vorm van een enquête. De agrarische bedrijven is daarbij gevraagd hun bouwvlak te controleren, alsmede de opgenomen aanduidingen (bijv. aantal bedrijfswoningen, wel of geen intensieve veehouderij e.d.). Ook aan de recreatiebedrijven is de voorgestelde bestemmingsregeling voorgelegd.

1.4 PlanMER

Gelet op de verplichtingen van de Wet milieubeheer (Wm) wordt ook een planMER (Milieueffectrapport) opgesteld als onderbouwing van het bestemmingsplan. Dit heeft vooral te maken met de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt voor bestaande (intensieve) veehouderijen. Daarbij is niet uitgesloten dat drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. worden overschreden. Daarom is het opstellen van een planMER verplicht. Tevens is niet op voorhand uit te sluiten dat de ontwikkelingsmogelijkheden in het bestemmingsplan leiden tot negatieve effecten in omliggende Natura 2000-gebieden. Ook dat is een reden voor het opstellen van een planMER.


In het planMER wordt vooral ingegaan op de milieueffecten van de ontwikkelingsmogelijkheden in het bestemmingsplan.


Het planMER heeft tot doel het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de vaststelling van het bestemmingsplan om de maatregelen die (uiteindelijk) kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu inzichtelijk te maken. De planMER-procedure is gekoppeld aan de procedure voor het bestemmingsplan.


Voorafgaand aan het opstellen van het planMER is de zogenoemde notitie Reikwijdte en detailniveau opgesteld. Deze notitie heeft van 19 september 2012 tot en met 30 oktober 2012 ter inzage gelegen. Tijdens deze periode van terinzagelegging was het voor iedereen mogelijk om een zienswijze in te dienen. Tevens heeft de gemeente een brief naar andere overheden en maatschappelijke organisaties gestuurd, maar ook anderen konden een zienswijze indienen over de inhoud van het op te stellen planMER. Raadpleging heeft plaatsgevonden bij brief van 13 september 2012.

De binnengekomen reacties zijn verwerkt in het planMER.

Het uitgewerkte planMER heeft samen met het voorontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegen.

Toetsingsadvies Commissie m.e.r.

Op 12 juni 2014 heeft de Commissie m.e.r. haar toetsingsadvies uitgebracht over het planMER behorende bij het Bestemmingsplan Buitengebied Epe (rapportnummer 2911-26). Het integrale toetsingsadvies is als Bijlage 3 bij deze toelichting opgenomen.

In de nota vooroverleg in Bijlage 6 is ingegaan op de wijze waarop de gemeente met het toetsingsadvies is omgegaan door eerst de opmerkingen van de Commissie te vermelden en vervolgens een gemeentelijke reactie weer te geven (zie hoofdstuk 11 van die nota).

In een aanvulling op het MER is nader inhoudelijk ingegaan op de opmerkingen van de commissie m.e.r. Deze aanvulling is als Bijlage 4 bij deze toelichting opgenomen.


Vertaling planMER naar bestemmingsplan

De uitkomsten van het planMER hebben op de volgende manier een rol gespeeld bij de inhoud van het bestemmingsplan:

Uitbreiding veehouderijen
De belangrijkste constatering uit de Passende Beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet 1998, die onderdeel uitmaakt van het planMER, is dat in het voorkeursalternatief (worst-case invulling) bij uitbreiding van veehouderijen in cumulatieve zin negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van de omliggende Natura 2000-gebieden Veluwe en Uiterwaarden IJssel en op het Beschermd natuurmonument Buitenplaats Vosbergen niet worden uitgesloten. Dit heeft vooral te maken met de stikstofbelasting. Een dergelijke ontwikkeling past niet binnen de randvoorwaarden van de Natuurbeschermingswet 1998.

Bij de individuele behandeling van de bouw en uitbreiding van veestallen hebben bedrijven een provinciale vergunning nodig op grond van de Natuurbeschermingswet 1998. Daarbij toetst de provincie of wordt voldaan aan de provinciale verordening stikstof en Natura 2000. De provincie zal pas een vergunning verlenen indien er geen sprake is van negatieve effecten.

Niettemin moet op grond van jurisprudentie ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan al gegarandeerd zijn dat er geen sprake zal zijn van negatieve effecten.

Om die reden zijn in het bestemmingsplan regels opgenomen die garanderen dat er geen sprake kan zijn van toename van de ammoniakdepositie in omliggende Natura 2000-gebieden (zie paragraaf 4.3 Ammoniak en paragraaf 3.4.3 Regeling uitbreiding veehouderijen in relatie tot Nbw1998). Door het opnemen van deze regels is gegarandeerd dat er geen negatieve effecten optreden. Op basis van jurisprudentie moet vervolgens nog wel worden aangetoond dat deze regeling ook uitvoerbaaar is. Dat is in paraaf 6.2 Uitvoerbaarheid regeling uitbreiding veehouderijen onderbouwd.

Ook op andere milieuthema's kan er sprake zijn van negatieve effecten bij uitbreiding van veehouderijen. Voor een belangrijk deel zullen deze negatieve effecten niet aan de orde zijn door de opgenomen regeling voor de uitbreiding van veehouderijen. Immers hierdoor zijn de ontwikkelingsmogelijkheden veel minder aanwezig dan in voorkeursalternatief (worst-case invulling) is bepaald. Bovendien zorgt de milieuregelgeving zoals de Wet geurhinder en veehouderij en de Flora- en faunawet er voor dat er geen sprake zal zijn van negatieve effecten.

Ontwikkelingsmogelijkheden recreatie
De Passende Beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 geeft tevens aan dat de ontwikkeling van kleinschalig kamperen of verblijfsrecreatieve nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven (boerderijkamers, pension, overnachtingsmogelijkheid etc.), die zijn gelegen in de Natura 2000-gebieden of in een zone van 300 m rondom Natura 2000-gebieden, kan leiden tot een toename van verstoring van de kwalificerende vogels van de Natura 2000-gebieden Veluwe en Uiterwaarden IJssel in het invloedsgebied van de betreffende bedrijven. Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van de kwalificerende vogels van deze Natura 2000-gebieden kunnen om die reden niet op voorhand worden uitgesloten.

Negatieve effecten kunnen worden voorkomen (mitigerende maatregelen):

  • door kleinschalige kampeerterreinen of nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven in de zin van recreatie in de Natura 2000-gebieden Veluwe en Uiterwaarden IJssel niet toe te staan. Deze mogelijkheid in binnen EHS-natuur uitgesloten (zie hierna). Daarmee zijn er ook geen mogelijkheden in de Natura 2000-gebieden;
  • door te zorgen voor een goede landschappelijke inpassing in de vorm van dichte hagen, houtsingels of houtwallen, waardoor verstoringseffecten van het terrein naar de omgeving tot een minimum worden beperkt.

Tevens bestaat de kans dat, indien kleinschalig kamperen of recreatieve nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven in de zin van recreatie worden ontwikkeld in het Gelders NatuurNetwerk of binnen een zone van 300 meter rondom het Gelders NatuurNetwerk (invloedsgebied van verstoring) aanwezige broedvogels in het Gelders NatuurNetwerk worden verstoord. Daarmee kunnen de kernkwaliteiten van het Gelders NatuurNetwerk worden aangetast. Negatieve effecten door verstoring op het Gelders NatuurNetwerk kunnen om die reden niet worden uitgesloten.

Negatieve effecten kunnen worden voorkomen (mitigerende maatregelen):

  • door kleinschalige kampeerterreinen of nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven in de zin van recreatie in het Gelders NatuurNetwerk niet toe te staan. Dit is in de regels uitgesloten;
  • door binnen een zone van 300 m rondom het Gelders NatuurNetwerk, en binnen de Groene Ontwikkelingszone te zorgen voor een goede landschappelijke inpassing in de vorm van dichte hagen, houtsingels of houtwallen, waardoor verstoringseffecten van het terrein naar de omgeving tot een minimum worden beperkt;
  • door te toetsen of de functionaliteit van de ecologische verbindingszone niet wordt aangetast.

Beide conclusies (t.a.v. Natura 2000-gebieden en t.a.v. Gelders NatuurNetwerk) zijn voor de gemeente aanleiding geweest om de ontwikkeling van kleinschalig kamperen of verblijfsrecreatieve nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven niet meer bij recht te regelen, maar in de vorm van een afwijkingsbevoegdheid voor B&W (zie artikel 3.6 Afwijken van de gebruiksregels). Daarbij is overwogen dat een groot deel van het buitengebied van Epe onderdeel uitmaakt van het Gelders NatuurNetwerk of de Groene Ontwikkelingszone. Zeker als ook nog rekening gehouden moet worden met een zone van 300 m daarom heen, dan blijven er slechts kleine gebieden over. Daarom is voor de helderheid voor één regeling via een afwijking gekozen.

Als één van de voorwaarden voor het toepassen van deze afwijkingsbevoegdheid geldt dat er sprake moet zijn van een goede landschappelijke inpassing in de vorm van dichte hagen, houtsingels of houtwallen. Ook het toetsen van de gevolgen voor de Groene Ontwikkelingszone is als voorwaarde opgenomen.

Het planMER is als Bijlage 2 bij het bestemmingsplan opgenomen.

Adviezen vanuit de Aanvulling planMER

In de Aanvulling planMER (Aanvulling MER en passende beoordeling bestemmingsplan Buitengebied Epe) worden enkele aanbevelingen gedaan voor aanpassing van met name de regels van het bestemmingsplan.

In hoofdstuk 2 (Stikstof en uitvoerbaar alternatief) van de Aanvulling planMER wordt geconcludeerd dat er niet genoeg ontwikkelingsruimte is om alle bouwvlakken van de grondgebonden veehouderijen met maximaal 10% uit te breiden ('afwijken van de bouwregels' in artikel 3.4.a). Daarbij wordt de aanbeveling gedaan om deze afwijkingsbevoegdheid te heroverwegen. De afwijkingsbevoegdheid is gehandhaafd, enerzijds omdat deze geen invloed heeft op de Natura 2000-gebieden en anderzijds omdat deze regeling ook met het ontbreken van genoeg ontwikkelingsruimte planologisch uitvoerbaar is.

De afwijkingsbevoegdheid heeft geen invloed op Natura 2000-gebieden, omdat ook bij het toepassen van deze afwijkingsbevoegdheid de emissieplafonds, zoals opgenomen in Bijlage 8 bij de regels (Maximale ammoniakemissie per agrarisch bedrijf), van toepassing blijven.

De uitvoerbaarheid is naar de mening van de gemeente niet ter discussie, omdat in de aanvulling MER de vraag is beantwoord of er door middel van interne saldering voldoende ontwikkelingsruimte kan ontstaan om de maximale planologische mogelijkheden te kunnen vullen. In de praktijk zal deze afwijkingsbevoegdheid bij lang niet alle agrarische bedrijven worden toegepast. Het onderzoek toont echter voldoende aan dat het in meerdere situaties mogelijk is om de afwijkingsbevoegdheid toe te passen. Daarmee is het plan op dat onderdeel uitvoerbaar.

In hoofdstuk 4 (Maximale mogelijkheden van het plan) van de Aanvulling planMER wordt onder de mitigerende maatregelen (hoofdstuk 4.7) geadviseerd om in de wijzigingsbevoegdheid die uitbreiding van de glastuinbouwbedrijven mogelijk maakt te vermelden dat de voorgeschreven landschappelijke inpassing mede tot doel heeft om overlast door lichtuitstraling te voorkomen. Deze aanbeveling is overgenomen en de regels zijn op dit punt aangevuld (artikel 3.8.2).

In hoofdstuk 4.7 wordt tevens de aanbeveling gedaan om artikel 47 (Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden) uit te breiden door voor te schrijven dat het bepaalde onder F in de tabel (omgevingsvergunning voor diepploegen, zijnde het extra diep - meer dan circa 0,4 m - omploegen, het (chemisch) scheuren van grasland, anders dan voor graslandverbetering) ook voor te schrijven voor de 'overige zone - Gelders natuurnetwerk' en de 'overige zone - groene ontwikkelingszone'.

Deze aanbeveling is niet overgenomen, omdat dit tot onnodige dubbele regelingen zou leiden. Het Gelders natuurnetwerk is opgenomen in bestemmingen waar grondwerkzaamheden reeds aan een vergunning gekoppeld zijn (zoals de bestemming 'Natuur' en 'Natuur - Bos'). Hetzelfde geldt voor de Groene ontwikkelingszone, waar door middel van de verschillende gebiedsaanduidingen (zoals 'overige zone - beekdalen' en 'overige zone - waardevol landschap') de waarden zijn beschermd. Daarbij zijn grondwerkzaamheden doorgaans aan een vergunning gebonden. En in enkele gevallen wordt diepploegen daarbij afzonderlijk aangegeven.

In hoofdstuk 5 van de Aanvulling planMER komen landschap en cultuurhistorie aan de orde. In verband met de kwaliteiten en waarden van landschap en cultuurhistorie is in het bestemmingsplan bij de relevante afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden een goede landschappelijke inpassing voorgeschreven. In de Aanvulling planMER wordt gesteld dat de toelichting bij het bestemmingsplan onvoldoende specifiek is om concrete inpassingsplannen op een goede manier te kunnen toetsen.

Bij het toepassen van de in het bestemmingsplan opgenomen afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden dient steeds getoetst te worden aan de waarden van de locatie en het omliggende gebied. Door middel van de verschillende bestemmingen en gebiedsaanduidingen zijn die waarden objectief en specifiek beschreven in met name artikel 43.4 (Cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden). Vanzelfsprekend zullen de op te stellen inrichtings- en beheersplannen hieraan getoetst worden. Daarbij zijn de eisen waaraan de inrichtings- en beheersplan moeten voldoen voldoende gespecificeerd.

In hoofdstuk 6.6 (Mitigerende maatregelen voor beschermde soorten) van de Aanvulling planMER worden twee aanbevelingen gedaan:

  • bij de toetsing van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden (artikel 47) dient in de regels voorgeschreven te worden dat ook een toetsing in het kader van de Flora- en Faunawet plaats dient te vinden;
  • bij de beoordelingscriteria bij het toetsen van dergelijke aanvragen dient in de regels opgenomen te worden dat geen sprake mag zijn van negatieve effecten op soorten die zijn beschermd in het kader van de Flora- en Faunawet.

Deze suggesties zijn niet overgenomen, omdat zowel de verplichting om te toetsen, als de manier waarop getoetst moet worden, uitputtend zijn geregeld in de Flora- en faunawet en bijbehorende uitvoeringsregelingen.

Er zijn ook verschillende praktische redenen om een dubbele regeling te voorkomen:

  • de gemeente is niet de instantie die de Flora- en faunawet uitvoert en belast is met vergunningverlening, toetsing en handhaving. Het zou tot veel onduidelijkheid leiden als de gemeente deze taak dubbel uit gaat voeren door de voorgestelde regeling in de Aanvulling planMER;
  • de regelingen op basis van de Flora- en faunawet zijn behoorlijk gedetailleerd en ingewikkeld en gaan heel wat verder dan "dat geen sprake mag zijn van negatieve effecten op soorten die zijn beschermd in het kader van de Flora- en Faunawet";
  • de Flora- en faunawet wordt vervangen door de nieuwe Natuurwet die onlangs door de Tweede Kamer is aangenomen.

1.5 Leeswijzer

De toelichting van het bestemmingsplan bestaat uit de volgende hoofdstukken:

  • in hoofdstuk 2 volgt kort het belangrijkste beleidskader voor het buitengebied;
  • in hoofdstuk 3 wordt een beschrijving gegeven van het plangebied. De historische ontwikkeling, de belangrijkste karakteristieken en de bestaande ruimtelijke situatie staan daarbij centraal;
  • de uitvoeringsaspecten die gerelateerd zijn aan de gewenste ontwikkelingen komen aan bod in hoofdstuk 4;
  • de juridische planopzet wordt behandeld in hoofdstuk 5. Hierin worden de gewenste ontwikkelingen vertaald in een juridisch-planologische regeling. Daarmee vormt dit hoofdstuk een toelichting op de planregels;
  • vervolgens komt in hoofdstuk 6 de uitvoerbaarheid van het plan aan bod. Hierbij wordt aandacht besteed aan zowel de economische als maatschappelijke uitvoerbaarheid. Onder het laatste vallen inspraak en overleg.

Hoofdstuk 2 Beleid en regelgeving

2.1 Nationaal beleid

2.1.1 Structuurvisie en Infrastructuur en Ruimte (2012)

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het de ruimtelijke doelen en uitspraken in het PKB Structuurschema Militaire Terreinen, de agenda landschap, de agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta.


De nationale belangen die juridische doorwerking behoeven, zijn uitgewerkt in de AMvB Ruimte. Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om oplossingen te creëren en verdienen het vertrouwen dat ze dat op een goede manier doen. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur, krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol.


De algemene hoofddoelen zijn regionaal uitgewerkt: Oost Nederland omvat veel natuurgebieden en levert daarmee een belangrijke bijdrage aan het (inter)nationale natuurnetwerk. Daarnaast kent de regio belangrijke cultuurhistorische waarden. Ook zijn er in Oost Nederland zogenaamde anticipeergebieden waar de effecten van de bevolkingsdaling op termijn voelbaar zullen worden.

2.1.2 AMvB Ruimte

De AMvB Ruimte heeft directe gevolgen voor de ruimtelijke besluitvorming van andere overheden. Het omvat alle ruimtelijke rijkskaders uit eerder uitgebrachte planologische kernbeslissingen (PKB's) die juridisch moeten doorwerken in provinciale verordeningen en bestemmingsplannen en geeft aan wat de ruimte is waarbinnen provincies en gemeenten hun eigen ruimtelijke kaders vorm kunnen geven. Het gaat om de kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de rijksbufferzones, de nationale landschappen, de ecologische hoofdstructuur, de kust, de grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee.


Bundeling van verstedelijking en landelijk gebied

De provincie moet op grond van de AMvB Ruimte in een verordening regels maken die ervoor zorgen dat nieuwe bebouwing binnen het bestaande bebouwde gebied komt, óf aansluitend daarop, óf in nieuwe clusters daarbuiten. Verspreide bebouwing kan worden toegestaan als die bebouwing qua functie gebonden is aan het buitengebied of als die bebouwing past binnen specifieke regels van de provincie gericht op verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied, zoals bijvoorbeeld een 'rood-voor-groen'-regeling, een 'ruimte-voor-ruimte'-regeling en functieveranderingsbeleid.


Nationale landschappen

De twintig nationale landschappen zijn gebieden met zeldzame en kenmerkende landschapskwaliteiten. De provincies moeten in een verordening het planologisch regime voor de nationale landschappen opnemen volgens het "ja, mits-principe": ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, zolang de kernkwaliteiten worden behouden of versterkt en nieuwe bebouwing wordt gebundeld. Met het vaststellen van het Voorontwerp Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vallen de Nationale landschappen onder de (financiële) verantwoordelijkheid van de provincies. In bestemmingsplannen dient rekening te worden gehouden met de uitgangspunten voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de nationale landschappen.


EHS

Om de biodiversiteit in Nederland te beschermen, in stand te houden en verder te ontwikkelen heeft het rijk de ecologische hoofdstructuur (EHS) aangewezen. De provincie is verantwoordelijk voor de aanwijzing en begrenzing in een verordening van de gebieden die de ecologische hoofdstructuur vormen, gemeenten dienen deze gebieden te borgen in bestemmingsplannen.


Voor de EHS geldt het 'nee, tenzij'-principe: alle nieuwe activiteiten die de wezenlijke kenmerken en waarden van de ecologische hoofdstructuur significant aantasten zijn verboden, tenzij sprake is van groot openbaar belang, er geen andere mogelijkheden voor realisatie zijn en de negatieve gevolgen worden beperkt en gecompenseerd.

2.1.3 Wet ruimtelijke ordening

Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. Nieuwe plannen waaronder begrepen deze actualisatieronde dienen te worden opgesteld conform deze nieuwe wet. Dit houdt onder andere in dat een reparatieplan digitaal moet worden voorbereid en nieuwe terminologie wordt gehanteerd.

2.1.4 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Deze wet heeft een nadrukkelijke doorwerking in onder andere de Woningwet en de Wro en in die zin ook direct betrekking op bestemmingsplannen. De Wabo heeft tot gevolg dat diverse onderwerpen die voorheen in bestemmingsplannen werden gereguleerd nu direct in deze wet zijn geregeld. Daarnaast zijn veel begrippen opnieuw benoemd en hebben deze een andere juridische betekenis gekregen. Voor de actualisatie is het toepassen van de Wabo een verplichting.

2.1.5 Ladder voor duurzame verstedelijking

De 'ladder voor duurzame verstedelijking' (Ministerie I en M) heeft als doel om zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren en overprogrammering op regionaal niveau te voorkomen. Met ingang van 1 oktober 2012 dient de toelichting van een bestemmingsplan inzicht te geven dat voldaan wordt aan:

  • behoefte: voorziet de voorgenomen stedelijke ontwikkeling in een actuele regionale behoefte waarin nog niet elders in de regio is voorzien? Het kan zowel om een kwantitatieve als een kwalitatieve behoefte gaan;
  • binnen- of buitenstedelijk: indien er sprake is van een actuele regionale behoefte, dan moet worden beoordeeld of deze in bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden gerealiseerd, eventueel door benutting van beschikbare gronden, herontwikkeling of transformatie van bestaande locaties;
  • bereikbaarheid met meerdere modaliteiten: indien gekozen moet worden voor een locatie buiten het stedelijke gebied, dan gaat de voorkeur uit naar een plek die (in de toekomst) bereikbaar is via verschillende vervoerswijzen.

De Rijksladder voor duurzame verstedelijking heeft de provincie Gelderland opgenomen in de Omgevingsvisie Gelderland. Voor een inhoudelijke beoordeling van dit bestemmingsplan op de ladder is dan ook nader gedaan in de paragraaf over het provinciale beleid.

2.1.6 Uitgangspunten voor het bestemmingsplan

Op basis van het rijksbeleid worden voor de planopzet van het bestemmingsplan de volgende aanbevelingen gedaan:

  • Vertaling van het 'nee, tenzij' principe in de flexibiliteitsbepalingen van het bestemmingsplan.
  • Vertaling van het rijks- en provinciaal natuurbeleid in de bestemmingsregels (zie paragraaf 3.3 Water).
  • Het bestemmingsplan dient in overeenstemming te zijn met het toekomstige regime en de doelstellingen van het Nationaal Landschap Veluwe (zie paragraaf 3.2 Natuur).
  • Ten behoeve van het hebben van een hanteerbaar en eenduidig bestemmingsplan voor burgers, ondernemers en overheid wordt het bestemmingsplan Buitengebied integraal en digitaal raadpleegbaar opgesteld, conform de Wro.
  • Het bestemmingsplan wordt Wabo-proof opgesteld.

2.2 Provinciaal en regionaal beleid

2.2.1 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Gelderland

Op 9 juli 2014 stelden Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsvisie vast. De bijbehorende Omgevingsverordening is vervolgens op 24 september 2014 vastgesteld. Op 18 oktober 2014 zijn de Omgevingsvisie en de -verordening Gelderland in werking getreden. De Omgevingsvisie en -verordening bevatten de belangrijkste maatschappelijke opgaven in Gelderland. In de Omgevingsvisie staan de hoofdlijnen van het beleid. Het Waterplan, het Provinciaal Verkeer en Vervoer Plan, het Streekplan, het Milieuplan en de Reconstructieplannen zijn herzien en samengebracht in de Omgevingsvisie. De Omgevingsverordening bevat de regels, waarmee het beleid uit de visie is vastgelegd.


De provincie kiest er in de Omgevingsvisie voor om vanuit twee hoofddoelen bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven. Deze opgaven zijn:

  • 1. een duurzame economische structuur;
  • 2. het borgen van de kwaliteit en veiligheid van de leefomgeving.

Via co-creatie en uitnodigingsplanologie streeft de provincie er naar sneller in te spelen op de maatschappelijke ontwikkelingen in Gelderland.


Gelderse ladder voor duurzame verstedelijking

In het kader van het borgen van de kwaliteit en een duurzame economische structuur hanteert de provincie de Gelderse ladder voor duurzame verstedelijking voor nieuwe ontwikkelingen. Als de nieuwe situatie qua omvang (aantallen woningen of oppervlaktes) of qua effecten (milieuhinder, verkeer aantrekkende werking e.d.) dusdanig is dat de aard van het betreffende buitengebied verandert, is sprake van een (grootschalige) ontwikkeling die afgewogen moet worden. Functieveranderingen op basis van de regionale regelingen, opgesteld naar aanleiding van het Streekplan 2005, zullen over het algemeen kleinschalig van aard zijn, zodat een expliciete afweging met de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik niet aan de orde is.

afbeelding "i_NL.IMRO.0232.BG028Buitengebied-OBP1_0002.png"
De ladder vervangt het beleid van de woningbouwcontour en de zoekzones


De ladder voor duurzame verstedelijking, op rijks- en op provinciaal niveau, heeft geen gevolgen voor het Bestemmingsplan Buitengebied Epe aangezien het bestemmingsplan geen nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden biedt, waarop de ladder toeziet. De kleinschalige ontwikkelingsmogelijkheden beperken zich tot uitbreidingsmogelijkheden op bestaande percelen, op basis van al bestaande rechten en op ontwikkelingen in het kader van het functieveranderingenbeleid.


Veehouderij

In de Omgevingsverordening maakt de provincie onderscheid tussen grondgebonden en niet-grondgebonden veehouderij. De provincie stelt hierover in de toelichting het volgende: "Grondgebonden veehouderijbedrijven zijn bedrijven waarvan de productie geheel of in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van de onbebouwde grond in de omgeving van het bedrijf. De grond moet liggen in omgeving van de bedrijfsgebouwen, gedacht kan worden aan cultuurgrond waarover het bedrijf kan beschikken op een afstand van maximaal 10 kilometer van de gebouwen. Voor veehouderijbedrijven gaan we bij de definities van grondgebonden en niet -grondgebonden niet langer uit van het soort vee. Een melkveebedrijf is niet per definitie grondgebonden. Alleen een veehouderijbedrijf dat in de omgeving van de bedrijfsgebouwen voldoende cultuurgrond in gebruik heeft om voor meer dan 50 procent te kunnen voorzien in de ruwvoerbehoefte, is grondgebonden."

Voor grondgebonden bedrijven geldt dat nieuwvestiging in algemene zin niet is toegestaan. Uitbreiding van de grondgebonden veehouderijtak is toegestaan indien de uitbreiding ruimtelijk aanvaardbaar is en voorziet in een goede landschappelijke inpassing. Zelf geteelde of geproduceerde agrarisch producten mogen verkocht worden bij het agrarische bedrijf onder de noemer van nevenactiviteiten.


In de Omgevingsvisie zijn specifieke randvoorwaarden vastgelegd voor niet-grondgebonden landbouw. De provincie streeft namelijk naar een duurzame niet-grondgebonden veehouderij in Gelderland. Daarbij gaat het om maatschappelijk verantwoord ondernemen. De ontwikkelingsmogelijkheden van een bedrijf hangen in de eerste plaats af van de bedrijfslocatie. In Gelderland behoort het grootste deel van de pluimvee- en varkensbedrijven tot de niet-grondgebonden landbouw. Het voer voor deze dieren komt van buiten het bedrijf en veelal zelfs van buiten Nederland. Specifiek voor deze bedrijven blijft de reconstructiezonering op hoofdlijnen gehandhaafd:

  • extensiveringszones;
  • landbouwontwikkelingsgebieden;
  • verwevingsgebieden.

De randen langs de Veluwe zijn aangewezen als extensiveringsgebied. Het landbouwontwikkelingsgebied valt buiten dit bestemmingsplan. Hiervoor wordt een afzonderlijk bestemmingsplan opgesteld. Het overgrote gedeelte van de agrarische gronden in het voorliggende bestemmingsplan betreft dus verwevingsgebied.


In paragraaf 3.4 Agrarisch is nader ingegaan op de gevolgen van het provinciale beleid voor het thema landbouw.

Water

Grondwaterbeschermingsgebied

In een bestemmingsplan dienen grondwaterbeschermingsgebieden een bestemming te krijgen die hetzelfde of een lager risico voor het grondwater met zich meebrengt.


Waterwingebied

De waterwingebieden mogen niet worden voorzien van een bestemming die negatieve effecten kunnen hebben op de kwaliteit van het grondwater.

afbeelding "i_NL.IMRO.0232.BG028Buitengebied-OBP1_0003.png"

Waterwingebied (lichtblauw) en Grondwaterbeschermingsgebied volgens de Omgevingsverordening.


Intrekgebied

In het intrekgebied is het verboden om werkzaamheden te verrichten ten behoeve van de winning van fossiele brandstoffen, zoals aardgas, aardolie en steenkoolgas.

In paragraaf 3.3 Water is nader ingegaan op de gevolgen van het provinciale beleid voor het thema water.

Natuur en landschap
Gelders natuurnetwerk (GNN)

Binnen het GNN zijn geen bestemmingen toegestaan waardoor de kernkwaliteiten van het gebied significant worden aangetast.


Groene ontwikkelingszone (GO)

De GO bestaat uit alle gebieden met een andere bestemming dan 'Natuur' binnen de voormalige Gelderse EHS. Binnen de GO is onder voorwaarden een uitbreiding en nieuwvestiging landelijke ontwikkeling toegestaan. Onder voorwaarden is een beperkte uitbreiding van een stedelijke ontwikkeling toegestaan. Bij het vellen van een houtopstand wordt voorzien in een extra compensatie ten opzichte van de Boswet.

afbeelding "i_NL.IMRO.0232.BG028Buitengebied-OBP1_0004.png"

Gelders Natuurnetwerk (donkergroen) en Groene Ontwikkelingszone (lichtgroen) volgens de Omgevingsverordening.

Nationaal landschap en Waardevol open gebied

Een groot gedeelte van het buitengebied is aangewezen als Nationaal landschap buiten GNN en GO. Een strook tussen Oene en de IJssel is aangeduid als Waardevol open gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0232.BG028Buitengebied-OBP1_0005.png"

Nationaal landschap buiten GNN en GO (donkergroen) en Waardevol open gebied (lichtgroen) volgens de Omgevingsverordening.

In het nationaal landschap zijn geen nieuwe bestemmingen toegestaan, die de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap aantasten. Voor Epe zijn voor wat betreft de kernkwaliteiten drie deelgebieden aangewezen: Veluwemassief, Gradiënt Oost Veluwe, Wiggen Oost-Veluwe, IJsseluiterwaarden en Noordelijke IJsselvallei. De kernkwaliteiten van deze waardevolle landschappen zijn verwerkt in het Landschapsontwikkelingsplan, zoals beschreven in 3.1.1 Landschap.

afbeelding "i_NL.IMRO.0232.BG028Buitengebied-OBP1_0006.png"

Binnen de aanduiding Waardevol open gebied zijn geen activiteiten toegestaan die de openheid van de waardevolle gebieden aantasten.

Waardevol open gebied volgens de Omgevingsverordening.

In paragraaf 3.1 Landschap, cultuurhistorie en archeologie en paragraaf 3.2 Natuur is nader ingegaan op de gevolgen van het provinciale beleid voor de thema's natuur en landschap.

Overig
Recreatiewoningen

  • Solitaire recreatiewoningen zijn slechts toegestaan op locaties waar ook reguliere woningen kunnen worden gebouwd.
  • In het bestemmingsplan dient permanente bewoning van recreatiewoningen uitgesloten te zijn.
  • Nieuwvestiging en uitbreiding van recreatiewoningen is alleen toegestaan indien daaraan de eis van bedrijfsmatige exploitatie wordt verbonden. In de toelichting dient onderbouwd te worden op welke wijze de bedrijfsmatige exploitatie duurzaam is verzekerd.

In paragraaf 3.7 Recreatie is nader ingegaan op de gevolgen van het provinciale beleid voor het thema recreatie.

Molenbiotopen

Binnen deze aanduiding zijn geen nieuwe bebouwing dan wel beplanting toegestaan, tenzij in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat het functioneren van de molen door middel van windvang niet wordt beperkt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0232.BG028Buitengebied-OBP1_0007.png"

Molenbiotopen volgens de Omgevingsverordening

In paragraaf 3.1.3 Cultuurhistorie en archeologie is nader ingegaan op de molenbiotopen in het bestemmingsplan.


Windturbines

De provincies (IPO) hebben, in overleg met het Rijk, doelstellingen ten aanzien van windenergie vastgelegd. Iedere provincie heeft de verantwoordelijkheid om hieraan een bijdrage te leveren. Voor Gelderland betekent dat dat er in 2013 ten minste 230,5 MW aan windenergie ruimtelijk is vastgelegd en uiterlijk in 2020 gerealiseerd is. De provincie overlegt met regio's en gemeenten waar ruimte voor windenergie moet komen. De provincie heeft in de Omgevingsverordening vastgelegd onder welke voorwaarden windturbines zijn toegestaan.


Ook heeft de provincie vastgelegd waar windturbines zijn uitgesloten. De provincie heeft het buitengebied (i.c. het plangebied) niet aangewezen als gebied waar de bouw van windturbines is uitgesloten. Windturbines kunnen gerealiseerd worden mits hun ontwerp als integrale ontwerpopgave wordt uitgewerkt, rekening houdend met de kenmerken van de plek. Het combineren van windturbines met andere, intensieve functies in een gebied heeft de voorkeur van de provincie. Mogelijke combinaties zijn: combinatie met infrastructuur (wegen en railverbindingen), combinatie met regionale bedrijventerreinen, combinatie met intensiveringsgebieden glastuinbouw, combinatie met agrarische productielandschappen. Visuele interferentie tussen windlocaties moet voorkomen worden. Hieraan worden voorwaarden gesteld.

Het bestemmingsplan maakt geen windturbines mogelijk.

Het bestemmingsplan is op de hierboven genoemde manier afgestemd op voornoemde regels uit de Omgevingsverordening Gelderland.

2.2.2 Uitgangspunten voor het bestemmingsplan

De uitgangspunten vanuit provinciaal beleid zijn opgenomen in Hoofdstuk 3 Uitgangspunten.

2.3 Gemeentelijk beleid

2.3.1 Ruimtelijke Structuurplan

Het Ruimtelijk Structuurplan (vastgesteld door de gemeenteraad op 11 april 2006, bekendmaking 6 februari 2007) is een uitwerking van de Toekomstvisie Epe 2010. In het plan staan in hoofdlijnen de gewenste sociaal-maatschappelijke en ruimtelijk-economische ontwikkelingen voor de gemeente Epe voor de komende 10 jaar.


Het plan doet uitspraken over waar gebouwd kan worden voor de bewoners en bedrijven. Ook wordt er een perspectief geschetst voor de ontwikkeling van landbouw, recreatie en natuur. De beleidskeuzes per aspect zijn in hoofdstuk 3 weergegeven.

2.3.2 Structuurvisie Veluweflank

De structuurvisie Veluweflank (vastgesteld door de gemeenteraad op 25 maart 2010) heeft betrekking op het buitengebied tussen het Apeldoorns Kanaal en het Centraal Veluws Natuurgebied. De visie geeft een overkoepelend ruimtelijk strategisch toetsingskader voor ruimtelijke plannen en projecten. Naast een visie bevat het plan ook een uitvoeringsparagraaf.


De gemeente zet in op een geleidelijke en zorgvuldige gebiedsontwikkeling. Daarom voorziet de structuurvisie in een zonering in 'ontwikkelingsgebieden' en 'conserveringsgebieden'. In de conserveringsgebieden streeft de gemeente naar behoud en versterking van landschap, natuur en cultuurhistorische waarden. In de ontwikkelingsgebieden is -beperkte- groei van bebouwing mogelijk in de vorm van landgoederen, groen wonen en recreatieve ondernemingen. Twee concentratiepunten voor recreatie vormen daarnaast de basis voor verdere ontwikkeling van diversiteit en kwaliteit in de recreatiesector en daarmee als economische drager voor het plangebied.


Al deze ontwikkelingen moeten bijdragen aan het behouden en versterken van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden in het gebied. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om het versterken van het contrast tussen lage, natte en hoge, droge delen en het behouden en accentueren van cultuurhistorische ensembles (sprengen en watermolens, bouwlanden en hooilanden).

2.3.3 Woonvisie 2013 - Prettig wonen, samen leven

Met de nieuwe Woonvisie wil de gemeente Epe bijdragen aan een prettig en aantrekkelijk leef- en woonklimaat in de gemeente. Te midden van een sterk veranderende omgeving streeft de gemeente Epe naar kwalitatief passende woningen, een gezonde woningmarkt, vitale gemeenschappen en duurzaam wonen.


De komende jaren wil de gemeente Epe in samenwerking met partners en burgers dan ook werken aan:

  • Geschikte woningen die passen bij de inwoners van Epe: hierbij gaat het om toegankelijke woningen en een toegankelijke woonomgeving, vooral voor de groeiende groep senioren.
  • De kwaliteit van de bestaande woningvoorraad: hierbij gaat het om het behoud en versterken van de kwaliteit van de woonomgeving. Duurzaamheid en levensloopgeschiktheid zijn hierbij belangrijk.
  • Een gezonde woningmarkt: in de gemeente Epe worden maximaal 790 woningen toegevoegd in de periode 2010-2019. Het woningbouwprogramma dient aan te sluiten bij de marktvraag (vraagsturing) in combinatie met aandacht voor de toekomstige huishoudensontwikkeling, de differentiatie van de woningvoorraad en de impact van de woningmarktcrisis.
  • De kwaliteit van kernen en gemeenschappen: Het voorzieningenniveau in de kernen is van groot belang voor een prettige leefomgeving. Het voorzieningenniveau in de gemeente willen we duurzaam en passend bij de vraag organiseren, ook in de toekomst.
  • Duurzaam wonen: hierbij gaat het om de energetische kwaliteit van woningen. Deze wil de gemeente Epe verbeteren door de samenwerking met de woningcorporatie, ontwikkelaars en met de gebruiker zelf aan te gaan.

2.3.4 Nieuwe kaders woningbouwinitiatieven gemeente Epe 2011

Voor locaties die niet op de lijst uit de Woonvisie staan, is beleid ontwikkeld dat is vastgelegd in de Notitie Wonen buiten de Woonvisie. Ten tijde van het opstellen van dit beleid gold het Kwalitatief Woningbouwprogramma (KWP) 2005 - 2009 dat was gericht op een forse groei van het aantal woningen. Inmiddels geldt het KWP 3 (2010-2019) waarin het groeiscenario is bijgesteld op basis van demografische ontwikkelingen en de economische crisis naar een beperkte groei. De plancapaciteit bedraagt binnen de regio ruim meer dan de behoefte aan woningen. Dit heeft tot gevolg dat keuzes gemaakt moeten worden over welke woningen, wanneer op welke locatie worden gebouwd. Als gevolg daarvan wordt een restrictief beleid gevoerd met betrekking tot nieuwe initiatieven om woningbouw voor zover deze niet op de gemeentelijke planningslijst staan. Dit beleid is vastgelegd in de notitie 'Nieuwe kaders woningbouwinitiatieven gemeente Epe'.


Uitgangspunt is dat de gemeente de plancapaciteit niet verder laat toenemen. Voor het omvormen van vrijkomende agrarische bijgebouwen naar woningen en verzoeken voor woningbouw die betrekking hebben op de ontwikkeling van een nieuw landgoed geldt het volgende: aan lopende verzoeken wordt medewerking verleend, nieuwe verzoeken worden echter aangehouden totdat de regionale woningbouwprogrammering is afgerond en besluitvorming daarover heeft plaatsgevonden. Lopende verzoeken zijn verzoeken waarover reeds een (principe)besluit is genomen door het College van B&W.

2.3.5 Welstandsnota gemeente Epe

De gemeenteraad heeft in zijn vergadering van 11 oktober 2012 de Welstandsnota gemeente Epe vastgesteld. In de Welstandsnota is vastgelegd hoe het welstandstoezicht in de gemeente Epe is geregeld. Tevens geeft deze nota uitgangspunten en criteria voor het welstandsoordeel. De Welstandsnota wil duidelijk maken welk welstandsniveau in de verschillende (deel)gebieden in de gemeente gevoerd wordt en welke criteria er bij het beoordelen van de bouwplannen door de welstandscommissie gelden. Per deelgebied wordt in de welstandsnota aangegeven welke beleidsuitgangspunten gelden en welke beoordelingscriteria (situering, massa en vorm, gevels, kleur- en materiaalgebruik, detaillering) in acht moeten worden genomen.

2.3.6 Prostitutiebeleid 2000+

De gemeente Epe heeft haar prostitutiebeleid weergegeven in de op 7 december 2000 door de raad vastgestelde Nota prostitutiebeleid gemeente Epe 'Van regionaal naar lokaal beleid'. Gelijktijdig heeft de gemeenteraad een 'Verordening tot wijziging van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Epe 1995' vastgesteld. Een ander onderdeel van het vestigingsbeleid ten aanzien van prostitutiebedrijven betreft het ruimtelijk beleid. In het bestemmingsplan 'Prostitutiebeleid 2000+' is het ruimtelijk beleid voor prostitutiebedrijven vertaald. In de gemeente Epe is één seksinrichting toegestaan. Besloten is om de vestiging van een dergelijk bedrijf niet toe te staan in onder meer het buitengebied, maar de mogelijkheid (onder voorwaarden) alleen te bieden in het centrum van Epe.

2.3.7 Gemeentelijk Verkeer en Vervoer Plan (GVVP)

Het vigerende gemeentelijke verkeersplan uit 2009 (GVVP) sluit aan bij het Provinciale Verkeer en Vervoer Plan (PVVP). Grondslag in zowel de gemeentelijke als provinciale nota is het vergroten van de verkeersveiligheid onder meer door het concept Duurzaam Veilig, educatie en verdere intensivering van de samenwerking met partners. Het PVVP is een uitwerking van het landelijke beleid. Naast de GVVP heeft de gemeente Epe een parkeerbeleidsplan (2009) en een fietsnota (juli 2012).

Het parkeerbeleidsplan richt zich primair op het parkeren in de bebouwde kommen.

In de Fietsnota is het hele fietsnetwerk in verschillende categorieën ingedeeld. In het nieuwe fietsnetwerk wordt aangesloten op de regionale fietsroutes, zodat de aansluiting met de omliggende gemeenten gewaarborgd is. Het regionale fietsnetwerk is vervolgens lokaal verfijnd om ook alle lokaal belangrijke bestemmingen zoals scholen, winkelcentra, sportaccommodaties met de fiets goed te kunnen bereiken. Hierbij is er sprake van een sluitend netwerk van fietsroutes, waarbij onderscheid wordt gemaakt in utilitaire (nuttige, noodzakelijke, dagelijkse) en recreatieve fietsroutes. In beide gevallen zijn deze onderverdeeld in primaire en secundaire routes. In de Fietsnota is per categorie de voorkeurskenmerken voor de breedte, materiaalgebruik en kleur van het fietspad bepaald en is aangegeven hoe de voorrang op het betreffende fietspad is geregeld.

2.3.8 Uitgangspunten voor het bestemmingsplan

De uitgangspunten vanuit gemeentelijk beleid zijn opgenomen in hoofdstuk 3 Uitgangspunten.

 

Hoofdstuk 3 Uitgangspunten

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de gemeentelijke beleidsvisies worden vertaald naar het bestemmingsplan. Daarbij is rekening gehouden met beleid, zoals behandeld in hoofdstuk 2 en het meer sectorale beleid van de gemeente of andere overheden. De beleidsuitgangspunten voor het bestemmingsplan en de planopzet zijn per functie dan wel waarde uiteengezet; daar waar raakvlakken met andere functies en/of waarden liggen, is dit expliciet aangegeven.


Daarnaast wordt wet- en regelgeving die in directe relatie staan met de relevante ruimtelijke thema's in dit hoofdstuk beschreven. Ook is aangegeven hoe hier in het bestemmingsplan mee is omgegaan. Dubbele regelgeving met andere overheden (provincie, waterschap) is zoveel mogelijk voorkomen.

3.1 Landschap, cultuurhistorie en archeologie

3.1.1 Landschap


Landschapsontwikkelingsplan van Veluwe tot IJssel

In januari 2010 is het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) van Veluwe tot IJssel vastgesteld. Het LOP is opgesteld door de gemeenten Epe, Heerde en Voorst en bevat een regionale visie op het behoud van een mooi en aantrekkelijk landschap. Doel is om met het LOP de autonome ontwikkeling van het landschap te sturen op behoud en de ontwikkeling van landschappelijke samenhang en het ontwikkelen van karakteristieke kenmerken.

Ook wordt met het LOP beoogd het landschapsbelang in te brengen in alle ruimtelijke veranderingsprojecten en daartoe een 'landschapskapstok' te bieden. Het LOP fungeert daarom als toetsingskader op het gebied van landschapssturing bij projecten in de regio. Aan het LOP is tevens een uitvoeringsprogramma gekoppeld.


Op de landschapsvormkaart en de kaart waardevolle open gebieden zijn de kernkwaliteiten van het landschap inzichtelijk gemaakt en gewaardeerd. Naast generieke beleidsuitspraken zijn per landschapseenheid en waardevol landschapselement uitgangspunten beschreven om het landschap te behouden en/of te versterken.

afbeelding "i_NL.IMRO.0232.BG028Buitengebied-OBP1_0008.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0232.BG028Buitengebied-OBP1_0009.png" Landschapsvormkaart uit het Landschapsontwikkelingsplan


Voor Epe zijn de volgende landschapseenheden van belang:

  • a. Droge bos- en heideontginningen
  • b. Dekzandruggen en oude bouwlanden
  • c. Natte heideontginningen
  • d. Beekdalen
  • e. Hooilanden
  • f. Broeken (meer of minder planmatig)
  • g. Kampenontginningen (hoge en lage delen)
  • h. Oeverwal (hoge en lage delen)
  • i. Uiterwaarden
  • j. Veenontginning Nijbroek


Onderstaand wordt een korte karakteristiek gegeven van de verschillende landschapseenheden.

a. Droge bos- en heideontginningen

Dit landschapstype heeft een ligging op de hoge delen van de stuwwal (met name binnen het Centraal Veluws Natuurgebied). Door de zeer droge en arme zandgronden zijn deze gronden pas laat ontgonnen en lang onbebouwd gebleven. In de 19e eeuw werden heidegebieden ontgonnen en aangeplant met grote hoeveelheden naaldbos (productiehout). Als gevolg van de bosaanplant ontstonden vele nieuwe landgoederen. Naast de jonge productiebossen komen ook veel oude bossen voor. Deze bestaan uit meer loofsoorten en werden gebruikt voor productie van hout en voor de jacht. De ontginningswegen zijn karakteristiek voor dit landschapstype door hun lange rechte lijnen. Op de Veluwe zijn ook enkele oude agrarische enclaves te vinden (zoals Gortel en Niersen). Deze zijn ontstaan doordat woeste gronden al in de Middeleeuwen ontgonnen werden en in gebruik genomen werden voor akkerbouw.


Kernkwaliteiten zijn: oude agrarische enclaves, planmatige structuur van het naaldbos (rechte lijnen), oude bossen met loofbomen, landgoederen en cultuurhistorische elementen (zoals oude wegen, grafheuvels en Celtic Fields).

b. Dekzandruggen en oude bouwlanden

Dit landschapstype ligt op de flank van de Veluwe. De dekzandruggen liggen over het algemeen in een dwarsrichting (oost-west) op de Veluwe. Kenmerkend voor de hogere zandgronden is de aanwezigheid van bebouwingslinten en een groot complex of collectief van oude bouwlanden bij het dorp. Over het algemeen loopt de hoofdontsluiting evenwijdig aan de stuwwal, op de overgang van hoog naar laag of tussen de bouwlanden door. Vanuit de kern waaieren wegen en linten vervolgens uit. De overgang naar lagere gebieden is over het algemeen vrij scherp. Diep ingesneden beekdalen en hoge gronden wisselen elkaar op korte afstand af.


Kernkwaliteiten voor de hogere zandgronden (dekzandruggen) zijn: besloten openheid (open percelen op de overgang naar de bos- en heideontginningen), bebouwingslinten, doorzichten, laanbeplantingen en oude wegen en paden.


Kernkwaliteiten voor de oude bouwlanden zijn: de bolle ligging, grote open percelen met randbeplantingen (houtwallen), laanbeplantingen en steilranden.


c. Natte heideontginningen

Veel natte heidegebieden zijn kleinere, geïsoleerde gebieden die meestal tussen de lager gelegen beekdalen en hoger gelegen oude bouwlanden en dekzandruggen gelegen zijn. Het zijn jong ontgonnen gebieden (19e begin 20ste eeuw), doordat deze lange tijd zeer nat waren door kwel en afstromend water. Tegenwoordig zijn deze gebieden hoofdzakelijk in gebruik als grasland en herkenbaar aan het rechtlijnige verkavelings- en wegenpatroon. (Agrarische) bebouwing ligt verspreidt aan ontginningslinten.


Kernkwaliteiten zijn: nat karakter (sloten), open graslanden, herkenbaar verkavelingspatroon en rechte ontginningsassen met verspreidt gelegen bebouwing.


d. Beekdalen

De beekdalen voeren het water af van de Veluwe tot aan de IJssel en zijn dan ook herkenbaar aan de van west naar oost lopende beken (en waterlopen). Veel van deze beken zijn door de mens aangelegd (sprengenbeken) en monden uit in de Grift/Apeldoorns Kanaal. Deze beken zijn over het algemeen vrij smal. In de bovenloop worden de beken vaak aan drie zijden omsloten door bossen (Centraal Veluws Natuurgebied), op de overgang komen de beken samen in een natte vlakte of veenkom en in de benedenloop liggen de beken vaak in de nabijheid van de hogere oude gronden en soms in kernen.


Kernkwaliteiten zijn: nat karakter, natuurontwikkeling, open uitstraling door gebruik als grasland, weide of hooiland, elzensingels en cultuurhistorische elementen (sprengen) en herkenbaarheid van de boven-,midden en benedenloop.


e. Hooilanden

Onderaan de stuwwal, op de overgang naar de veel vlakkere vallei zijn de hooilanden gelegen. Dit zijn gebieden waar het water stagneerde (vanuit de beekdalen en door kwel), waardoor hier sprake is van zeer natte omstandigheden. Het zijn open landen met plaatselijk enkele boerderijen.


Kernkwaliteiten zijn: grootschalige openheid, natte omstandigheden, incidentele bebouwing en een hoge natuurwaarde (door bijzondere waterkwaliteit).


f. Broeken (meer of minder planmatig)

De broekgebieden zijn laag gelegen natte gronden achter de oeverwallen. Deze gebieden zijn onderdeel van het rivierengebied van de IJssel. De gebieden zijn voornamelijk in gebruik als graslanden voor de melkveehouderij. De verkaveling is kenmerkend doordat er veelal sprake is van smalle percelen (slagen) en vele (lange) sloten. De verkavelingen vormen een grid waarbij de kavels haaks staan ten opzichte van de ontginningsbases.


Kernkwaliteiten zijn: variërende grootte van planmatige ontginningen (grid), nat en open karakter, ontsluiting van de bebouwing via de ontginningsbases.


g. Kampenontginningen (hoge en lage delen)

Dit landschapstype bestaat uit hoge en lage zandopduikingen ten oosten van de Grift/Apeldoorns Kanaal. De hoge delen liggen te midden van het relatief vlakke landschap van de IJsselvallei. De lage delen zijn net iets hoger dan de omgeving en geschikt voor één of enkele boerderijen.


Vanuit de kampen werden de lager gelegen broekgebieden in gebruik genomen. Perceelsgrenzen ontstonden veelal door het aanwezige reliëf, waardoor het kampenlandschap zich kenmerkt door grillige vormen. De kampen zijn zeer herkenbaar door de aanwezige beplanting, doordat de omliggende lagere delen vaak nat en open zijn.


Kernkwaliteiten zijn: grillige perceelsbegrenzingen, reliëf, kleinschalig en groen karakter, landgoederen en buitenplaatsen.


h. Oeverwal (hoge en lage delen)

De oeverwal is gelegen tussen het licht glooiende dekzandgebied en de uiterwaarden van de IJssel. Het volgt de (vrij stabiele) loop van de IJssel en is dan ook noord-zuid gericht. De oeverwallen waren aantrekkelijke woonplaatsen door hun hoge en vruchtbare omstandigheden. De hogere delen kenmerken zich door kronkelende wegen, talrijke boerderijen, dorpen, onregelmatig gevormde akkers en boomgaarden. De lagere delen werden vooral in gebruik genomen als grasland. De dijken zijn aanwezig als sterke structuurdragers in het landschap met daaraan bijzondere landschapselementen (kolken, gemalen, IJsselhoeven en landgoederen).


Kernkwaliteiten zijn: gevarieerd onregelmatig landschap, gevarieerde bebouwingspatronen, doorzichten, kronkelende wegen, boomgaarden, dijken met bijzondere landschapselementen.


i. Uiterwaarden

De uiterwaarden bestaan uit jonge zandige en kleiige afzettingen van de IJssel als gevolg van bedijkingen. Door het stroombed van de IJssel kennen de uiterwaarden een micro-reliëf. Er zijn dan ook veel sporen terug te vinden van oude hanken (riviergeulen). De vruchtbare en kalkrijke ondergrond zijn in gebruik genomen als weiland (weidevogels en ganzen), met op enkele plaatsen nog de aanwezigheid van meidoornhagen. Tegenwoordig worden de uiterwaarden ook gebruikt voor natuurontwikkelingen en waterberging.


Kernkwaliteiten zijn: micro-reliëf, openheid, restanten van riviergeulen en tichelgaten (kleiwinning).


j. Veenontginning Nijbroek

Net zoals bij de broekgebieden is dit deelgebied planmatig ontgonnen. Bijzonder is de vroege ontginning in de 14e eeuw en de wijze van verkaveling. Kenmerkend zijn de haaks op elkaar staande hoofdrichtingen van ontginningsbases en kavels (slagen). De verkaveling en wegen vormen min of meer een grid. Er komt verspreid bebouwing voor, die van oudsher vaak op pollen (verhogingen) gelegen zijn. Behalve veel sloten kende het gebied een groot aantal hagen, waarvan tegenwoordig slechts nog restanten aanwezig zijn. Naast hagen komen bosjes, grienden en eendenkooien voor.


Hoewel het geen veengebied is, wordt het aangeduid als een veenontginningsgebied.


Kernkwaliteiten zijn: kenmerkende (slagen)verkaveling, bebouwing op pollen (verhogingen), half-open landschap door hagen, bosjes, grienden en eendenkooien.


Landgoederen

Bestaande landgoederen

In het buitengebied komen een aantal landgoederen voor. Hierbij kan onderscheid gemaakt worden tussen grotere landgoederen met meerdere functies en overige landgoederen, die wel vallen onder de Natuurschoonwet (Nsw), maar die niet als ruimtelijke eenheid herkenbaar zijn. Voor deze overige landgoederen geldt dat er geen ruimtelijk relevant onderscheid is met niet onder de Nsw gerangschikte gronden.

In het bestemmingsplan is er daarom voor gekozen om alleen de grotere landgoederen een dubbelbestemming 'Waarde - Landgoed' toe te kennen. In deze landgoederen moet er dan sprake zijn van een multifunctioneel geheel, een min of meer bedrijfsmatige opzet en exploitatie en een duidelijke ruimtelijke eenheid. Het gaat dus om landgoederen waar meerdere (economische/bedrijfsmatige) functies zoals bosbouw, landbouw, natuurbeheer, een zorgfunctie, woningen, toerisme en recreatie bestaan binnen een ruimtelijke eenheid en waar een landhuis aanwezig is.

Dit betreft onder andere de centrale delen van de landgoederen Welna, Tongeren, Westraven, Groene Zee, 't Norelbosch en kasteel Cannenburgh.

In de regels van de dubbelbestemming is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen ten behoeve van het onderling kunnen uitwisselen van functies binnen het landgoed. Tevens is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om gebouwen te kunnen oprichten ten behoeve van het onderhoud van het landgoed (werkschuren). Het kunnen uitwisselen van functies en bestemmingen is een wezenlijk onderdeel en doel van de dubbelbestemming en nodig voor een goed economisch en functioneel beheer van het landgoedbedrijf.

Het mogelijk maken van de uitwisselingsfunctie heeft geen functie of meerwaarde voor een woning gelegen in een paar hectare bos of heide, al of niet gerangschikt onder de Natuurschoonwet, en is daarom ook niet toegekend. De bestemmingen 'Bos', 'Natuur' en 'Wonen' zijn voldoende om deze functies afdoende te bestemmen en een goed bosbeheer en exploitatie te kunnen uitvoeren.

Nieuwe landgoederen

De provincie heeft gebieden aangewezen waar onder voorwaarden nieuwe landgoederen ontwikkeld kunnen worden. Dit betreft delen in het groenblauwe raamwerk (EHS-verweving, EHS verbindingszones) en in het multifunctioneel gebied. Uitgesloten gebieden voor de aanleg van nieuwe landgoederen zijn de EHS-natuur, waardevol open gebied, delen in weidevogel- en ganzengebieden van provinciaal belang of in het concentratiegebied voor intensieve teelten. Gebieden die met name geschikt worden geacht, zijn gebieden met een grote mate van verweving, gebieden waar bosaanleg gewenst is en grondwaterbeschermingsgebieden.

De gemeente heeft de 'Kwaliteitsimpuls buitengebied Epe, toetsingskader nieuwe landgoederen (2006)' opgesteld. Het rapport heeft een kaderstellende functie en is richtinggevend bij de beoordeling van initiatieven van nieuwe landgoederen.

De mogelijkheden ten aanzien van nieuwe landgoederen zijn niet opgenomen in het bestemmingsplan gezien de grote landschappelijke en stedenbouwkundige invloed. Overigens is de gemeente bereid mee te denken aan een dergelijk initiatief. De gemeente kiest er voor in dat geval een afzonderlijke planologische procedure te starten.

3.1.2 Regeling landschappelijke waarden in bestemmingsplan

Het bestemmingsplan richt zich op het in stand houden van de landschappelijke kwaliteiten van het buitengebied van Epe en schept randvoorwaarden voor herstel en ontwikkeling.

Onderscheid bestemming agrarisch en agrarisch met waarden

In het geldende bestemmingsplan is onderscheid gemaakt in de bestemming 'agrarische doeleinden' en 'agrarische doeleinden met landschappelijke en natuurlijke waarden'. Het onderscheid heeft met name betrekking op omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden. Hierbij zijn alle gebieden in de bestemming 'agrarische doeleinden met landschappelijke en natuurlijke waarden', met verschillende landschappelijke kwaliteiten opgenomen in hetzelfde vergunningsstelsel. In de bestemming 'agrarische doeleinden' komen, door het opnemen van bijvoorbeeld de aanduidingen 'open gebied, en 'enkgronden', ook specifieke landschappelijke waarden voor. Het functionele onderscheid in deze bestemmingen is dat sier- en/of bollenteelt uitsluitend is toegestaan in de bestemming 'agrarische doeleinden' voor zover niet aangeduid met één van de landschappelijke aanduidingen.

In het nieuwe voorliggende bestemmingsplan is één agrarische bestemming opgenomen. Voor de verschillende landschappelijke waarden zijn gebiedsaanduidingen opgenomen, die de landschapseenheden van het LOP weergeven. De instandhouding van de kernkwaliteiten van deze landschapseenheden is vastgelegd in de algemene regels. Tevens is het aanlegvergunningstelsel afgestemd op deze landschapseenheden.

Hiermee wordt recht gedaan aan het LOP en de landschappelijke kwaliteiten en is er sprake van een overzichtelijke en eenduidige regeling.

Het provinciale waardevol open gebied uit de Provinciale Ruimtelijke Verordening is geïntegreerd in een zone uit het landschapsontwikkelingsplan. De zone uit het LOP is een verdere detaillering van de globale provinciale zone.

3.1.3 Cultuurhistorie en archeologie

Per 1 januari 2012 geldt de verplichting om aandacht te besteden aan cultuurhistorie in het bestemmingsplan. Door wijziging van artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a, van het Besluit ruimtelijke ordening, dienen cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk te worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen.

Epe, historisch centrum van de Veluwe – Cultuurhistorisch beleid 2010 - 2015

Het cultuurhistorisch beleidskader (vastgesteld 11 februari 2010) beschrijft hoe de gemeente Epe de komende jaren wil omgaan met het cultuurhistorisch erfgoed.

Onder het begrip cultuurhistorie worden de volgende drie werkvelden onderscheiden: 'archeologie', 'bouwhistorie' en 'historische-geografie'. Bij archeologische waarden gaat het om resten van vroegere culturen in de bodem. Soms zijn deze resten zichtbaar (grafheuvels, celtic fields), maar vaak ook onzichtbaar. Bij bouwhistorie gaat het om de gebouwde objecten (kerken, woonhuizen, bruggen), complexen van gebouwen (boerderij en erf, fabrieksterreinen) en structuren). Bij historisch-geografische waarden gaat het om (het ontstaan) van het zichtbare landschap. Dan kan het gaan om gebieden (polders, bossen), structuren (kavelpatronen), lijnen (wegen, wallen) en punten (brinken).

Cultuurhistorie in brede zin, behouden, beschermen, ontwikkelen en beleefbaar maken door beleidsmatige verankering binnen de gemeentelijke organisatie zijn de belangrijkste uitgangspunten. In het beleidskader is tevens vastgelegd op welke wijze de gemeente invulling geeft aan de wettelijke verplichtingen in het kader van de Wamz (Wet archeologische monumentenzorg).

Het beleid is gericht op het inzetten, het versterken en behouden van de hoge cultuurhistorische waarden en spitst zich toe op de volgende ambities:

  • het cultuurhistorisch erfgoed zichtbaar en beleefbaar maken;
  • implementatie van de Wamz en cultuurhistorie de aandacht geven die het verdient, bijvoorbeeld door het beschermen van historisch geografische aspecten, die bestaat uit groene monumenten en waardevolle elementen, patronen en structuren;
  • cultuurhistorie te integreren in de diverse beleidsvelden en de meerwaarde van cultuurhistorie te benutten;
  • cultuurhistorie een volwaardig onderdeel te laten uitmaken van de afwegingen binnen de ruimtelijke ordening.

In het beleidskader is bepaald dat een cultuurhistorische effectrapportage (CHER) en/of cultuurhistorische toets verplicht is bij alle vergunningplichtige ruimtelijke ontwikkelingen. De CHER dient een inventarisatie te bevatten van alle aanwezige waarden, elementen en monumenten. Daarnaast dient te worden bezien hoe deze waarden, elementen en monumenten positief gebruikt kunnen worden bij de ontwikkeling. Eventuele negatieve invloed van het voornemen dient voorkomen dan wel verantwoord te worden.

Archeologie

In het kader van dit bestemmingsplan is relevant dat in het beleidskader is vastgelegd dat bij het vaststellen van nieuwe bestemmingsplannen aan moet worden gegeven welke archeologische waarden in het geding zijn en op welke wijze daarmee om wordt gegaan. Deze zijn vastgelegd in de Nota Invulling Archeologie Beleid.

In de Nota Invulling Archeologie Beleid is vastgelegd op welke wijze de gemeente invulling geeft aan een verantwoorde omgang met het bodemarchief. De Wamz gaat uit van de noodzaak van archeologisch onderzoek bij ingrepen groter dan 100 m² en dieper dan 0,3 m onder het maaiveld. Gemeenten kunnen van die norm afwijken (zowel naar boven als naar beneden) als daarvoor een deugdelijke motivering wordt aangevoerd. Om hiervoor een grens te bepalen, heeft de gemeente een archeologische verwachtingskaart opgesteld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0232.BG028Buitengebied-OBP1_0010.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0232.BG028Buitengebied-OBP1_0011.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0232.BG028Buitengebied-OBP1_0012.png"

Afbeelding Archeologische verwachtingswaardenkaart

De norm voor archeologisch onderzoek ligt bij gebieden met een hoge verwachtingswaarde op 1.000 m² en een diepte van 0,5 m onder maaiveld, voor de gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde ligt de drempel bij 2.500 m² en een diepte van 0,5 m onder maaiveld. Voor de archeologisch waardevolle gebieden (AMK-terreinen) dient te worden uitgegaan van maatwerk en geldt een norm van 50 m² en een diepte van 0,5 m omdat de trefkans hier hoog is. Vanwege de grote cultuurhistorische waarde van enken geldt hier een ondergrens van 500 m² en een diepte van 0,5 m.

De verwachtingswaarden zijn vertaald in verschillende archeologische dubbelbestemmingen. In de onderstaande tabel zijn deze weergegeven:

Verwachtingswaarde   Dubbelbestemming  
Archeologisch Rijksmonument   Waarde - Archeologie 1  
AMK -terrein   Waarde - Archeologie 2  
Historische kern   Waarde - Archeologie 3  
Enk   Waarde - Archeologie 4  
Hoge archeologische verwachting   Waarde - Archeologie 5  
Middelhoge archeologische verwachting   Waarde - Archeologie 6  

Bouwhistorie

Monumenten

Binnen het plangebied komen diverse rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten voor. De gemeente streeft naar behoud van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. De betreffende panden zijn reeds aangemeld of door de gemeente aangewezen en de bescherming is geregeld in een gemeentelijke verordening of van rijkswege geregeld in de Rijksmonumentenwet.

Artikel 2.2 van de Wabo bepaalt dat het verboden is zonder een omgevingsvergunning een krachtens een verordening aangewezen monument te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen of te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waarop het wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht. De verordening en de rijksregelgeving bevatten het inhoudelijke toetsingskader waar eventuele verzoeken tot aanpassing van het monument aan worden getoetst. De bescherming van de monumenten sec is daarmee in beginsel afdoende geregeld. Een nadere regeling in het bestemmingsplan leidt tot dubbele regelgeving. Het bestemmingsplan bevat daarom geen nadere beschermingsregeling (meer) voor deze gebouwen.

Bovendien stelt het cultuurhistorisch beleid een cultuurhistorische effectrapportage verplicht bij ruimtelijke ontwikkelingen. Ook hierdoor is er sprake van voldoende bescherming.

Beschermd dorpsgezicht

Gortel vormt door de aanwezige monumenten een nederzetting met een bijzondere cultuurhistorische betekenis. Gortel is in 1987 aangewezen als beschermd dorpsgezicht. Uit de toelichting op het besluit tot aanwijzing wordt de volgende typering gegeven:

"Gortel is één van de weinige nederzettingen op de Veluwe waarvan het oorspronkelijke karakter bewaard is gebleven. Dat wil zeggen dat de ruimtelijke structuur van het agrarische land, de wegen en de bebouwing in stand is gebleven ondanks het verdwijnen van het landbouwsysteem waarop de nederzetting stoelde. (…) Door de hoge mate van spreiding van de weinige huizen en boerderijen heeft het dorpsgezicht een zeer open karakter, hetgeen nog geaccentueerd wordt door het bos dat de nederzetting aan drie kanten naar buiten toe afsluit."

Een bestemming 'Waarde - Beschermd dorpsgezicht' is opgenomen voor deze gronden. De inhoud van de regeling is vergelijkbaar met de regeling uit het geldende bestemmingsplan (regeling voor nadere eisen en aanlegvoorschriften).

Historische geografie

In tegenstelling tot de aspecten 'archeologie' en 'bouwhistorie' kent de historische geografie geen wettelijke verankering. Wel bieden de structuurvisie en het landschapsontwikkelingsplan beleidsmatig een uitvoerings- en toetsingskader als het gaat om het beschermen en het ontwikkelen van het landschap. Door middel van de gebiedsaanduidingen voor de landschapszones van het LOP vindt deze bescherming in het bestemmingsplan plaats, zie paragraaf 3.1.1 Landschap.

Molenbiotoop

Voor de molens in Oene en Vaassen is overeenkomstig de provinciale Omgevingsverordening een zogenaamde molenbiotoop in het bestemmingsplan opgenomen. De betreft een zone waarbinnen de windvang van de molen gegarandeerd moet worden. Hiertoe is de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' in artikel 43.8 opgenomen. Voor het bouwen van hogere gebouwen gelden in deze zone nadere regels om de windvang van de molen te garanderen.

De zone rond de molen in Vaassen valt vrijwel geheel binnen de bebouwde kom. Slechts een klein gedeelte valt in het buitengebied.

3.1.4 Uitganspunten voor het bestemmingsplan

Op basis van de inventarisatie, de gebiedsbeschrijving en -analyse ten behoeve van het Bestemmingsplan Buitengebied zijn voor het thema 'Landschap, cultuurhistorie en archeologie' de volgende keuzes gemaakt:

  • De kernkwaliteiten van de verschillende landschapseenheden op basis van het landschapsontwikkelingsplan zijn beschermd door middel van gebiedsaanduidingen:

Aanduiding   Landschaps- en natuurwaarden  
overige zone - droge bos- en heideontginningen   - Oude agrarische enclaves
- Planmatige structuur naaldbos
(rechte lijnen)
- Oude bossen met loofbomen
- Landgoederen
- Cultuurhistorische elementen
(oude wegen, Celtic Fields, grafheuvels)  
overige zone - dekzandruggen en oude bouwlanden   - Besloten openheid
- Laanbeplantingen
- Bebouwingslinten met doorzichten
- Oude wegen en paden
- Bolle ligging
- Grote open percelen met randbeplantingen
- Steilranden  
overige zone - natte heideontginningen   - Nat karakter (sloten)
- Open grasland
- Herkenbaar verkavelingspatroon
- Rechte ontginningsassen
- Verspreide ligging van bebouwing  
overige zone - beekdalen   - Nat karakter
- Natuurontwikkeling
- Open uitstraling (gras-, wei- of hooiland)
- Elzensingels
- Cultuurhistorische elementen (sprengen)
- Herkenbaarheid boven-,midden- en
benedenloop van het beekdal  
overige zone - hooilanden   - Grootschalige openheid
- Natte omstandigheden
- Incidentele bebouwing
- Hoge natuurwaarde
(bijzondere waterkwaliteit)  
overige zone - broeken
 
- Variërende grootte planmatige
Ontginningen (grid)
- Nat en open karakter
- Ontsluiting van de bebouwing via de
ontginningsbases  
overige zone - kampenontginningen
 
- Grillige perceelsbegrenzingen
- Reliëf
- Kleinschalig en groen karakter
- Landgoederen en buitenplaatsen  
overige zone - oeverwal
 
- Gevarieerd onregelmatig landschap
- Gevarieerde bebouwingspatronen
- Doorzichten
- Kronkelende wegen
- Boomgaarden
- Dijken met bijzondere landschaps-
elementen  
overige zone - uiterwaarden   - Micro-reliëf
- Openheid
- Restanten van riviergeulen
- Tichelgaten (als gevolg van kleiwinning)  
overige zone - veenontginning Nijbroek   - Kenmerkende (slagen)verkaveling
- Bebouwing op pollen (verhogingen)
- Half-open landschap met hagen, grienden, bosjes en eendenkooien  

  • Landgoederen waar sprake is van een multifunctioneel geheel, een min of meer bedrijfsmatige opzet en exploitatie en een duidelijke ruimtelijke eenheid zijn voorzien van een dubbelbestemming 'Waarde - Landgoed'.
  • Het ontwikkelen van een nieuw landgoed kan alleen via een afzonderlijke planologische procedure worden gerealiseerd, vanwege de grote ruimtelijke gevolgen van een dergelijk initiatief.
  • Cultuurhistorische waarden zijn beschermd door middel van voorwaarden in de flexibiliteitsbepalingen. Op het moment dat een ruimtelijke ontwikkeling is beoogd buiten het bouwvlak zal aangetoond moeten worden dat de cultuurhistorische waarden behouden c.q. versterkt worden.
  • Het bestemmingsplan bevat een concrete regeling (dubbelbestemmingen) ten behoeve van de bescherming van (potentiële) archeologische waarden. Voor het plangebied zijn namelijk de volgende dubbelbestemmingen opgenomen: 'Waarde - Archeologie 2', 'Waarde - Archeologie 3', 'Waarde - Archeologie 4', 'Waarde - Archeologie 5', 'Waarde - Archeologie 6'.
  • Bescherming van monumenten is van belang. Monumenten zijn beschermd via de Monumentenwet 1988 en zijn daarom niet geregeld in dit bestemmingsplan. Dit leidt tot dubbele regelgeving.
  • De bestemming 'Waarde - Beschermd dorpsgezicht' is opgenomen voor het beschermd dorpsgezicht Gortel.

3.2 Natuur

3.2.1 Beleid en ontwikkelingen

In Nederland is er verschillende regelgeving die toeziet op de bescherming van de natuur. De regels zijn gericht op bescherming van een onderdeel uit het milieu of de natuur, zoals op de bescherming van de waterkwaliteit en kwantiteit en voor bepaalde dier- en plantensoorten. De belangrijkste bescherming is neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet uit 2002 en de uit het Natuurbeleidsplan voortkomende Ecologische Hoofdstructuur.

Natuurbeschermingswet 1998

Natura 2000 bestaat uit een Europees netwerk van belangrijke natuurgebieden. Het netwerk wordt beschermd door twee Europese richtlijnen, namelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Beide richtlijnen verplichten de lidstaten tot het aanwijzen van strikt te beschermen gebieden, zogenaamde 'speciale beschermingszones'. In Nederland is de bescherming van de speciale beschermingszones geregeld via de Natuurbeschermingswet 1998. Er is voor gekozen één aanwijzingsbesluit te hanteren, dat de diverse vormen van bescherming van het gebied regelt. In dit besluit zijn de instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd, de doelen van de natuurbescherming in dit gebied.

De aanwijzing heeft geen consequenties voor het huidige gebruik. Bestaande activiteiten kunnen over het algemeen worden voortgezet. Nieuwe activiteiten, die significante negatieve gevolgen kunnen hebben, moeten vooraf grondig worden onderzocht op hun gevolgen in de vorm van een zogenaamde 'Passende beoordeling'. Hoofdregel daarbij is dat als uit dit onderzoek naar de gevolgen van de nieuwe activiteit blijkt dat de natuurlijke kenmerken van het richtlijngebied worden aangetast, geen toestemming mag worden verleend, tenzij er geen ander alternatief is, er een dwingende reden van groot openbaar belang is en compenserende maatregelen worden getroffen.

In het plangebied liggen twee Natura 2000-gebieden. In het westen van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied 'Veluwe' en in het oosten 'Uiterwaarden IJssel'. De afbeelding 'Natura 2000 en EHS' geeft een overzicht van de begrenzing van het Natura 2000-gebied. Momenteel zijn de beheersplannen 'Veluwe' en 'Uiterwaarden IJssel' in ontwerp.

De Passende beoordeling is uitgewerkt in het kader van het planMER, zoals opgenomen in Bijlage 2.

Bescherming

De Natura 2000-gebieden en de overige bestaande bos- en natuurgebieden hebben in het bestemmingsplan de bestemmingen 'Natuur - Bos', 'Natuur' (waaronder heide) of 'Bos' gekregen. Daarmee is de bescherming van deze gebieden in het bestemmingsplan geborgd.

De bestemming 'Natuur - Bos' is in overleg met de Kroondomeinen aan hun bosgebieden gegeven. Ook de zogenaamde gemeentebossen hebben deze ruime bestemming gekregen. Uitwisseling tussen bos en natuur is in deze bestemming zonder meer mogelijk.

In de bestemmingen 'Natuur' en 'Bos' is uitwisseling niet zonder meer mogelijk. Hiervoor is wel een wijzigingsbevoegdheid opgenomen (zie artikel 45.3 van de regels).

In het geldende bestemmingsplan was naast Bos en Natuur ook de bestemming Heide opgenomen. Heidegebieden zijn nu in de bestemming 'Natuur' opgenomen. Het onderscheid tussen Bos en Natuur betreft vooral de aanwezigheid van opgaande beplanting in Bos en het ontbreken daarvan in Natuur. Tevens is houtproductie in de bestemming 'Bos' mogelijk, terwijl dit in de bestemming 'Natuur' niet is toegestaan.

Binnen de bosgebieden komen verspreid kleinere heidevelden, agrarische percelen, akkertjes, wildweiden en dergelijke voor. In de regels is vastgelegd dat wanneer deze gebieden kleiner zijn dan 2 ha worden ze geacht deel uit te maken van het bos.

Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone

In de Omgevingsverordening Gelderland zijn de Gelderse Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone opgenomen. Bijzonderheden hierbij voor het bestemmingsplan buitengebied in relatie tot natuur zijn:

  • het begrip EHS-natuur is vervangen door Gelders Natuurnetwerk (GNN) en EHS-verweving en EHS-verbindingszone heten voortaan Groene ontwikkelingszone (GO);
  • verschillende gronden in het plangebied zijn door de nieuwe begrenzing van het GNN en de GO voorzien van een gewijzigde regeling ten opzichte van de voormalige deelgebieden EHS-natuur, EHS-verweving of EHS-verbindingszone;
  • nieuwe functies in het Gelders natuurnetwerk zijn niet mogelijk, tenzij er sprake is van een dringend maatschappelijk belang. Uitbreiding van bestaande functies is wel mogelijk, indien in de toelichting van het bestemmingsplan wordt aangetoond dat de kernkwaliteiten van het gebied, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo worden versterkt en deze versterking planologisch is verankerd in het bestemmingsplan;
  • in de GO zijn nieuwe grootschalige ontwikkelingen, die leiden tot een significante aantasting van de kernkwaliteiten van het betreffende gebied, uitgesloten, tenzij er geen reële alternatieven aanwezig zijn. Nieuwe ontwikkelingen zijn alleen mogelijk, indien deze kleinschalige zijn. In dat geval is onder voorwaarden realisering mogelijk. Het bestemmingsplans dient aan te geven op welke wijze de kernkwaliteiten van het betreffende gebied, in hun onderlinge samenhang bezien, worden versterkt. Deze versterking dient planologisch verankerd te worden in een gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0232.BG028Buitengebied-OBP1_0013.png"

Gelders Natuurnetwerk (donkergroen) en Groene ontwikkelingszone (lichtgroen) uit de Omgevingsverordening Gelderland

Beschermingszone natte natuur

In de Omgevingsvisie van de Provincie Gelderland is beleid opgesteld voor onder andere de natte landnatuurgebieden en beschermingszones rond deze natte natuurgebieden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0232.BG028Buitengebied-OBP1_0014.png"

Beschermingszone natte landnatuur in de Omgevingsvisie Gelderland

De natte landnatuurgebieden vallen onder de bestaande bos- en natuurgebieden en hebben een bos- of natuurbestemming gekregen. De omliggende beschermingszone is in het bestemmingsplan opgenomen als gebiedsaanduiding ('overige zone - beschermingszone natte landnatuur'), met daaraan gekoppeld een omgevingsvergunningstelsel (aanlegvergunning) gericht op activiteiten die met de waterhuishouding te maken hebben.

Binnen de 'beschermingszone natte landnatuur' is tevens een regeling opgenomen ter bescherming van de aanwezige kleischotten. Bij graafwerkzaamheden in deze zone moet de aanvrager middels onderzoek aantonen dat deze werkzaamheden geen invloed hebben op de mogelijk aanwezige kleischotten en daarmee van invloed zijn op de waterhuishouding.

De beschermingszone geldt niet voor de bebouwde percelen, omdat er niet of nauwelijks effecten op de waterhuishouding zijn te verwachten bij het bouwen op die percelen.

Soortenbescherming

Beleid

Met ingang van 1 april 2002 is de Flora- en faunawet in werking getreden. Het soortenbeleid uit de Vogelrichtlijn van 1979 en de Habitatrichtlijn van 1992 van de Europese Unie is hiermee in de nationale wetgeving verwerkt.

Achter de Flora- en faunawet staat het idee van de zorgplicht voor in het wild levende beschermde dieren en planten en hun leefomgeving. Deze soorten worden opgesomd in de 'lijsten beschermde inheemse planten- en diersoorten'. Deze zorgplicht betekent dat een ontheffing van het verbod op verstoren (of erger) alleen kan worden verleend, als geen afbreuk wordt gedaan aan de goede staat van instandhouding van de soort. Deze voorwaarde geldt voor alle beschermde soorten.

De Algemene Maatregel van Bestuur ex artikel 75 van de Flora- en faunawet van 23 februari 2005, kent een driedeling voor het beschermingsniveau van planten- en diersoorten. In een toelichting zijn deze soorten opgenomen in tabellen. Voor soorten uit tabel 1 geldt een vrijstellingsregeling van de verboden. Voor soorten uit tabel 2 en voor vogels geldt een vrijstelling als wordt gewerkt volgens een goedgekeurde gedragscode. Als niet wordt gewerkt volgens een goedgekeurde gedragscode, kan voor de soorten uit tabel 2 ontheffing van de verboden worden verleend als geen sprake is van economisch gewin en als zorgvuldig wordt gehandeld. Voor de soorten uit tabel 3 kan bij ruimtelijke ontwikkeling ook ontheffing worden verleend. Er mag dan geen afbreuk worden gedaan aan de goede staat van instandhouding van de soort en een redelijk alternatief voor de ingreep moet ontbreken. Ook voor ontheffing van het verstoren van vogels gelden deze voorwaarden.

In het planMER is nader ingegaan op de aanwezige soorten op grond van de Flora- en faunawet en de effecten van de ontwikkelingsmogelijkheden in het bestemmingsplan daarop. Tevens is een ecologische atlas uitgewerkt. Deze is als Bijlage 5 deze toelichting opgenomen.

3.2.2 Uitgangspunten voor het bestemmingsplan

Op basis van de inventarisatie, de gebiedsbeschrijving en -analyse ten behoeve van het Bestemmingsplan Buitengebied zijn voor het thema 'Natuur' de volgende keuzes gemaakt:

  • Bestaande bos- en natuurgebieden hebben een planologische bescherming gekregen door middel van het toekennen van de bestemming 'Natuur - Bos', 'Natuur' en 'Bos'. Hierbij is in de bestemmingsomschrijving rekening gehouden met de natuurlijke, landschappelijke, hydrologische en/of cultuurhistorische waarden.
  • De natuurzones uit de provinciale Omgevingsverordening (Gelders NatuurNetwerk en Groene Ontwikkelingszone) zijn in het bestemmingsplan met een gebiedsaanduiding opgenomen.
  • De natte landnatuurgebieden inclusief beschermingszones zijn beschermd met een gebiedsaanduiding 'overige zone - beschermingszone natte landnatuur'.
  • Een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen om agrarische gronden onder voorwaarden om te zetten naar natuur. De voorwaarden betreffen:
    • 1. het terrein is verworven voor de inrichting als natuurgebied, dan wel de eigenaar en gebruiker hebben schriftelijk ingestemd met de natuurontwikkeling;
    • 2. de wijziging is in overeenstemming met het landschapstype zoals opgenomen in het Landschapsontwikkelingsplan van Veluwe tot IJssel;
    • 3. wijziging leidt niet tot: een onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen; negatieve effecten op de waterhuishouding; burgemeester en wethouders vragen hierover schriftelijk advies van de waterbeheerder, alvorens de wijziging wordt toegepast.
  • Werkzaamheden die niet passen bij de natuurbestemming en negatieve effecten kunnen hebben op de kwaliteit van het gebied, zijn in het bestemmingsplan gebonden aan een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden, om een nadere afweging te kunnen maken.

3.3 Water

3.3.1 Beleid en ontwikkelingen

Europese Kaderrichtlijn Water

Met ingang van december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water van kracht geworden. In het kader van de Kaderrichtlijn worden kwaliteitseisen gesteld, gericht op het beschermen en verbeteren van de aquatische ecosystemen (verplichting per stroomgebied). Deze richtlijn stelt als norm dat oppervlaktewateren in 2015 moeten voldoen aan een 'goede ecologische' toestand (GET). Voor kunstmatige wateren, zoals de meeste stadswateren, geldt dat de oppervlaktewateren minimaal moeten voldoen aan een 'goed ecologisch potentieel' (GEP). Inmiddels zijn de GEP-normen per stroomgebied uitgewerkt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0232.BG028Buitengebied-OBP1_0015.png"

Ligging HEN wateren (Groen) en SED wateren (blauw), Grondwaterbeschermingsgebied (lichtblauw) en waterkering (paars)

In het plangebied zijn het Apeldoorns Kanaal, de Grift, De Grote Wetering, Nieuwe Wetering, Stroom Breed, Terwoldse Wetering en de IJssel aangewezen als watergangen die onderdeel uitmaken van de Kaderrichtlijn Water (KRW oppervlaktewaterlichaam).

Nationaal Waterplan

In december 2009 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiervoor worden genomen. Het Nationaal Waterplan is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. In het Nationaal Waterplan is een eerste uitwerking gegeven aan het Deltaprogramma dat wordt opgesteld naar aanleiding van het advies van de Deltacommissie in 2008. Dit programma is gericht op duurzame veiligheid en zoetwatervoorziening.

Omgevingsvisie

Het waterbeleid van de Provincie Gelderland is vastgelegd in de provinciale Omgevingsvisie. In de Omgevingsvisie is beschreven welke onderwerpen van provinciaal belang zijn en waarvoor de provincie het tot haar beschikking staande instrumentarium uit de Wro wil inzetten. Voor Epe betreft dit de zaken die in het bovenstaande kaartje zijn aangegeven. Daarnaast is een groot deel van het buitengebied aangegeven als 'intrekgebied'. De provincie en haar partners streven ernaar het grondwater als bron voor de drinkwatervoorziening in deze gebieden te beschermen.

Waterplan

Het 'Waterplan Epe' is op 30 juni 2011 door de gemeenteraad vastgesteld. Het waterplan beschrijft hoe de gemeente Epe de komende jaren wil omgaan met het water in de gemeente. De gemeente heeft namelijk op vele manieren te maken met water, en er zijn ook veel partijen bezig met water. Het waterplan moet dit in goede banen leiden.

Het 'Waterplan Epe' bundelt, zoals gezegd, het bestaande beleid. De bundeling heeft geresulteerd in vier doelstellingen voor de periode tot en met 2015:

  • herstel van beken en sprengen;
  • scheiden van schoon (regen)water en vuil (riool)water;
  • water gebruiken om energie op te wekken;
  • meer samenwerking.

De doelstellingen vloeien voort uit de hoofddoelstelling om een gezond en veerkrachtig watersysteem voor de gemeente te krijgen. Het 'Waterplan Epe' vormt het overkoepelend beleid waarbinnen de gemeente Epe, het Waterschap Veluwe en Vitens samenwerken om dit te bereiken.

Oppervlaktewater

Voor wat betreft de watergangen kiest de gemeente Epe er in principe voor alleen de hoofdwatergangen (de A watergangen) positief te bestemmen, omdat anders de waterafvoer een probleem kan worden. Deze watergangen hebben de bestemming 'Water' gekregen.

De overige (detail)watergangen zijn meegenomen binnen de (gebieds)bestemmingen waarin ze liggen. Daartoe is geregeld dat de gronden mede zijn bestemd voor voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waaronder begrepen sprengen en beken en voorzieningen ten behoeve van het vasthouden, bergen en aan- en afvoeren van water.

Wanneer de watergang positief is bestemd, is alleen de watergang, inclusief de oeverzone, meegenomen binnen de bestemming 'Water'. Het waterschap kent daarnaast een zogenaamde beschermingszone, die dient voor het uitvoeren van onderhoud en ter bescherming van het profiel van de watergang. Omdat hiervoor de Keur van het waterschap geldt, acht de gemeente het niet noodzakelijk voor deze keurzone aanvullende bepalingen op te nemen. Op deze manier wordt dubbele regelgeving voorkomen. Overigens geldt de Keur van het waterschap voor alle belangrijke waterlopen, dus ook voor waterlopen van een lagere orde, die in het bestemmingsplan niet positief bestemd zijn.

In het plangebied komen zogenoemde 'te verruimen watergangen' voor, die de mogelijkheid bieden tot waterberging. De inrichting en het beheer van het waterhuishoudkundig systeem in deze gebieden zijn gericht op het behoud van het aanwezige grondgebruik (grasland, bouwland of natuur), de mogelijkheid om het gebied te laten inunderen met oppervlaktewater bij extreme neerslag, het voorkomen van schade of overlast aan het huidige grondgebruik, de wegen en de bebouwing en tot slot het verbeteren van de kwaliteit van het inundatiewater. In de planregels is hiervoor een verbale regeling opgenomen.

Drinkwater

Ten behoeve van de bescherming van het grondwater voor de openbare drinkwatervoorziening is in het bestemmingsplan de dubbelbestemming 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' opgenomen. De grenzen komen overeen met het milieubeschermingsgebied voor het waterwingebied Epe uit de provinciale Milieuverordening. In de grondwaterbeschermingszone worden nieuwe of uitbreiding van bestaande risicodragende activiteiten geweerd.

Waterbescherming

De IJsseldijk (bandijk) is de hoofdwaterkering die het binnendijks gebied beschermt tegen hoog water. Ten behoeve van deze functie is voor de IJsseldijk een dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering opgenomen.

Buitendijks gebied

De IJssel en de uiterwaarden dienen gevrijwaard te zijn van elementen die een optimale afstroming van water, ijs en sediment kunnen belemmeren. Deze waterstaatkundige functies zijn voor zowel de uiterwaarden als de IJssel veiliggesteld door de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterstaatsdoeleinden'. Hiermee is het beleid afgestemd op de beleidslijn Ruimte voor de Rivier. Binnen de dubbelbestemming is nieuwe bebouwing uitgesloten. Overigens komt er momenteel ook geen bebouwing voor.

Apeldoorns Kanaal

Het Apeldoorns Kanaal vormt een belangrijk element binnen de gemeente Epe. Het kanaal is van belang vanuit het oogpunt van landschap, natuur, cultuurhistorie en openluchtrecreatie. Voor de instandhouding van het Apeldoorns Kanaal is de bestemming 'Water' toegekend.

Waterhuishoudkundige werken

In de gemeente komt een aantal zuiveringstechnische werken voor van het Waterschap Veluwe: de rioolwaterzuivering Epe (buiten het plangebied op het bedrijventerrein Kweekweg; capaciteit 55.000 i.e.), transportleidingen en rioolgemalen. Hiervoor zijn passende bestemmingen opgenomen. Zie paragraaf 3.9 Infrastructuur.

Watertoets

De wateraspecten van het bestemmingsplan buitengebied zijn bij de voorbereiding van het bestemmingsplan kortgesloten met het Waterschap Vallei en Veluwe. Op 11 oktober 2012 heeft overleg plaatsgevonden met het waterschap en daarin is de waterparagraaf kortgesloten. Daarmee is voldaan aan de vereisten van de watertoets. Het verslag van het Wateroverleg is toegevoegd in de bijlage. Vanzelfsprekend wordt het Waterschap ook betrokken bij het vooroverleg overeenkomstig artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening.

3.3.2 Uitgangspunten voor het bestemmingsplan

Op basis van de inventarisatie, de gebiedsbeschrijving en -analyse ten behoeve van het Bestemmingsplan Buitengebied zijn voor het thema 'Water' de volgende keuzes gemaakt:

  • Voor het actualiseren van het bestemmingsplan heeft de gemeente de procedure van de watertoets doorlopen.
  • Hoofdwatergangen zijn bestemd als 'Water'. Sloten en dergelijke die geen hoofdwatergangen zijn, zijn niet als water bestemd maar ondergebracht in andere bestemmingen, om zo meer flexibiliteit in het bestemmingsplan aan te brengen met betrekking tot herinrichting van (openbare) gebieden.
  • Voor de waterkering en bijbehorende beschermingszone is de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' opgenomen, om de veiligheid van de kering te waarborgen.
  • Het grondwaterbeschermingsgebied is aangeduid met de aanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied'.

3.4 Agrarisch

Consumenten (en supermarktketens) stellen steeds hogere eisen aan de kwaliteit, veiligheid en productiewijze van agrarische producten (gezondheid, dierwelzijn, natuur en milieu). Agrariërs proberen inkomsten te handhaven dan wel te vergroten door schaalvergroting (te groeien) of door te kiezen voor verdieping en/of verbreding van de bedrijfsvoering (bijvoorbeeld met een niet-agrarische neventak). De veranderingen in de vraag naar producten en de functies van het landelijk gebied (van productieruimte naar consumptieruimte) zullen de landbouw steeds meer kansen bieden voor verdieping en/of verbreding van de bedrijfsvoering.

De gemeente Epe wil daarom de landbouw ruimte bieden om zich te kunnen ontwikkelen en zich aan te passen aan gewijzigde omstandigheden. Dit betekent dat toekomstbestendige landbouwbedrijven die bijdragen aan duurzame ontwikkeling (inspanning voor dierwelzijn, volksgezondheid, landschappelijke inpassing en milieu), hiervoor de ruimte moeten krijgen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0232.BG028Buitengebied-OBP1_0016.png"

Ligging van de agrarische bedrijven in het plangebied

Als insteek voor de agrarische ontwikkelingsmogelijkheden is er voor gekozen om de geldende mogelijkheden (uit de 4e partiële herziening), in samenhang met de 8ste voorontwerp partiële herziening als uitgangspunt te kiezen. Dit vooral omdat deze regelingen nog maar enkele jaren oud zijn. Waar gewenst of noodzakelijk zijn afwijkende voorstellen gedaan.

3.4.1 Definitie agrarisch bedrijf

Voor wat betreft de agrarische bedrijfsbestemming is een bestemmingsplan in principe gebonden aan wat verstaan wordt onder een agrarisch bedrijf. Daarnaast kan in het bestemmingsplan onderscheid worden gemaakt in ontwikkelingsmogelijkheden voor de verschillende bedrijfstypen. Aan dit onderscheid dienen ruimtelijke overwegingen ten grondslag te liggen.

De gemeente hanteert een ruime definitie voor een agrarisch bedrijf. Een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, is een agrarisch bedrijf. Een glastuinbouwbedrijf en een bosbouwbedrijf worden echter uitgesloten van de definitie van agrarisch bedrijf. Dit betekent dat deze bedrijfstypen niet toegestaan zijn binnen de reguliere agrarische bedrijfsbestemming. Hierna wordt uitgelegd waarom deze bedrijfstypen uitgesloten worden van de reguliere agrarische bedrijfsbestemming.

Glastuinbouwbedrijven zijn bedrijven waarvan de gehele agrarische productie onder (verwarmd) glas plaatsvindt. Omschakeling van een regulier agrarisch bedrijf naar een glastuinbouwbedrijf is op basis van het voorliggende bestemmingsplan niet mogelijk.

Boomkwekerij

Op basis van het Landschapsontwikkelingsplan is vastgesteld dat boomteelt in bepaalde landschapstypen ongewenst is. In andere landschapstypen zou boomteelt onder voorwaarden mogelijk kunnen zijn. In de bestemming Agrarisch zijn boomkwekerijen mogelijk gemaakt. Voor het aanplanten van bomen is echter wel een omgevingsvergunning noodzakelijk (aanlegvergunning). Dit is gekoppeld aan het landschapstype. In het bestemmingsplan is geregeld dat in de landschapstypen hooilanden, broeken, uiterwaarden en de veenontginning Nijbroek nieuwe boomteelt niet mogelijk is. De ruimtelijke uitstraling van een boomkwekerij past niet in deze landschapstypen, die relatief open zijn. In de droge bos- en heideontginningen is boomteelt zonder meer mogelijk. In de overige landschapstypen is boomteelt onder voorwaarden mogelijk. De landschapstypen waar verdere boomteelt is uitgesloten zijn het minst geschikt voor deze activiteit. De gevolgen voor de agrarische sector zijn dan ook beperkt.

Bestaande, legale boomkwekerijen in de hooilanden, broeken, uiterwaarden en de veenontginning Nijbroek zijn wel toegestaan. Dat is geregeld in artikel 43.4, sub b. van de planregels. Bestaand betekent dan het legale gebruik van de betreffende gronden op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, dan wel toegestaan krachtens een omgevingsvergunning. Of dit gebruik aanwezig is, wordt beoordeeld aan de hand van de gemeentelijke luchtfoto's die elk jaar worden gemaakt. De betreffende activiteit is goed waar te nemen op luchtfoto's.

Paardenhouderij

Voor wat betreft paardenhouderijen kan onderscheid worden gemaakt in productiegerichte en gebruiksgerichte paardenhouderijen. Blijkens jurisprudentie vallen productiegerichte paardenhouderijen zonder meer onder de definitie van een agrarisch bedrijf. Onder productiegerichte paardenhouderijen vallen paardenfokkerijen, hengstenstations, paarden- en ponyfokkerijen, opfokbedrijven en africhtingsbedrijven. Gebruiksgerichte paardenhouderijen betreft paardenpensions en stalhouderijen. Omdat er echter in veel gevallen bij paardenhouderijen sprake is van mengvormen van activiteiten van productiegerichte en gebruiksgerichte paardenhouderijen, is er voor gekozen om ook gebruiksgerichte paardenhouderijen binnen de bestemmingsomschrijving van agrarische bedrijven zonder mee toe te staan.

Gebruiksgerichte paardenhouderijen, die gericht zijn op vrijetijdsbesteding en dienstverlening (zoals maneges), worden niet gezien als agrarisch bedrijf. Agrarische productie staat immers op deze bedrijven niet centraal. Pure gebruiksgerichte paardenhouderijen hebben daarom de bestemming 'Sport - Manege' gekregen.

3.4.2 Toekennen agrarische bouwvlakken

Voor het toekennen van de agrarische bouwvlakken heeft zorgvuldig onderzoek plaatsgevonden. Uitgangspunt was de geldende bestemming. Vervolgens is bekeken of er nog sprake was van een geldende milieuvergunning of -melding. Tevens is het geldende bouwvlak vergeleken met recente luchtfoto's. Dat alles heeft geresulteerd in een voorstel bouwvlak (of woonbestemming indien er geen sprake meer is van agrarische activiteiten) in de vorm van een enquête toegezonden aan de eigenaren. Op basis van de reacties heeft, zo nodig, nader dossier- en veldonderzoek plaatsgevonden en zijn keuzes gemaakt voor de bestemmingen. Daarbij zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • Agrarische bedrijven die in het vigerende bestemmingsplan nog wel een agrarisch bouwvlak hadden maar geen (actieve) milieuvergunning of melding meer hebben en waar geen agrarische activiteiten meer plaatsvinden hebben een woonbestemming gekregen. Bij het handhaven van de agrarische bestemming zou het gebruik niet meer in overeenstemming zijn met het bestemmingsplan, waardoor formeel geen vergunning meer verleend kan worden voor verbouw of herbouw van de voormalige bedrijfswoning. Dit is een onwenselijke situatie.
  • Agrarische bedrijven die nog wel een milieuvergunning of melding hebben maar waarbij er meer sprake is van hobbymatige dan bedrijfsmatige activiteiten, hebben wel een (klein) agrarisch bouwvlak gekregen, maar daar is een aanduiding 'specifieke bouwaanduiding-bestaand erf' aan toegekend (net zoals ook in het geldende bestemmingsplan was opgenomen). Deze bedrijven hebben slechts beperkte uitbreidingsmogelijkheden gekregen (15% uitbreiding).
  • Aan de overige agrarische bedrijven met een milieuvergunning of -melding is een bouwvlak op maat toegekend, rekening houdend met het geldende bouwvlak en de feitelijke uitbreidingsmogelijkheden.

Bouwvlakken zijn toegekend om recht te doen aan het concentratiebeginsel. Concentratie van bebouwing is wenselijk vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening en vanuit bedrijfseconomisch oogpunt. De bij een agrarisch bedrijf behorende bebouwing moet binnen het bouwvlak worden opgericht. Bebouwing mag alleen worden opgericht indien deze noodzakelijk is voor en ten dienste staat van een doelmatige agrarische bedrijfsvoering. Het gaat bijvoorbeeld om de bedrijfswoning, stallen, werktuigenberging, voedersilo's en mestopslagplaatsen. Soms kan worden afgeweken van het beginsel dat de bebouwing moet worden opgericht binnen de grenzen van het bouwperceel. Zo mogen kuilvoerplaten en sleufsilo's tot 50 m rondom het bouwperceel worden opgericht.

3.4.3 Regeling uitbreiding veehouderijen in relatie tot Nbw1998

Uit het opgestelde planMER en de daarbij behorende Passende beoordeling op grond van de Nbw 1998 is gebleken dat de uitbreiding en bouw van veestallen mogelijk gevolgen kan hebben voor omliggende Natura 2000-gebieden. Aangezien de Natuurbeschermingswet 1998 zegt dat een bestemmingsplan niet mag leiden tot negatieve effecten in Natura 2000-gebieden zijn hiervoor specifieke regels in de agrarische bestemming opgenomen.

Daarbij heeft recente jurisprudentie duidelijk gemaakt dat een regeling waarbij de maximale ammoniakemissie per veehouderij wordt vastgelegd door de Raad van State aanvaardbaar wordt geacht. Dat standpunt is gebaseerd op de recente uitspraken van de Raad van State over de bestemmingsplannen buitengebied van de gemeenten Westerveld (201207794/1, 6 augustus 2014), Tynaarlo (201307656/1/R4, 29 oktober 2014), Doetinchem (201308949/1/R2, 5 november 2014) en Reusel-De Mierden (201308140/1/R3, 21 januari 2015).

Het bestemmingsplan moet uitsluiten dat de ammoniakdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden toeneemt. De vormgeving van deze bepaling vindt plaats via de bestemmingsomschrijving. In de bestemmingsomschrijving is opgenomen dat de maximale ammoniakemissie per agrarisch bedrijf niet meer mag bedragen dan is opgenomen in Bijlage 8 bij de regels (Maximale ammoniakemissie per agrarisch bedrijf).

De maximale ammoniakemissie per bedrijf moet worden gebaseerd op de huidige, feitelijke situatie. Zie hiertoe onder andere de uitspraak van de Raad van State inzake het bestemmingsplan buitengebied Doetinchem (201308949/1/R2). Als voor bepaling van de feitelijke situatie per veehouderij wordt uitgegaan van de situatie op dat moment, is deze lastig vast te stellen omdat deze regelmatig aan verandering onderhevig is. Daarom heeft de gemeente zorgvuldig overwogen hoe de huidige situatie op rechtmatige wijze bij benadering kan worden vastgelegd. Hiervoor is de volgende werkwijze gekozen:

  • Voor veehouderijen die beschikken over een rechtsgeldige vergunning op grond van de Nbwet 1998 uit te gaan van de maximale emissie op basis van deze vergunning. Immers met het verlenen van deze vergunning heeft het bevoegde gezag (de provincie) aangegeven dat er op basis van die vergunning geen negatieve effecten zijn te verwachten in omliggende Natura 2000-gebieden. Deze activiteiten kunnen dus toegelaten worden in het licht van de Nbwet 1998.
  • Voor veehouderijen die niet beschikken over een dergelijke vergunning, wordt de maximale emissie bepaald aan de hand van de recente/actuele milieuvergunningen of meldingen. Immers de betreffende veehouder kan rechtsgeldig de veebezetting tot het maximum in deze vergunning aanpassen. De Omgevingsdienst Veluwe IJssel, uitvoerend orgaan voor milieuvergunningverlening en handhaving, heeft bevestigd dat op grond van regelmatige controles er geen grote afwijkingen zijn geconstateerd tussen de huidige situatie en de vergunde situatie.
  • Als er sprake is van een agrarisch bouwvlak zonder vee, dan heeft het agrarisch bouwvlak de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - geen vee toegestaan'. In dat geval is er geen emissieplafond vastgelegd, omdat er bij dat bedrijf geen vee is toegestaan.

Binnen het bestemmingsplan is een toename van de vastgelegde ammoniakemissie dus niet toegestaan. Uitbreiding van de veestapel kan alleen worden toegestaan als tegelijkertijd het stalsysteem wordt aangepast naar een systeem dat minder ammoniak uitstoot (interne saldering).

Indien de uitbreiding gepaard gaat met een toename van de ammoniakemissie is het doorlopen van een afzonderlijke bestemmingsplanprocedure benodigd.

3.4.4 Beleidskeuzen t.a.v. veehouderijen

Regels voor veehouderijen overeenkomstig de Omgevingsverordening

Zoals in paragraaf 2.2 is aangegeven, maakt de provinciale Omgevingsverordening onderscheid tussen grondgebonden en niet-grondgebonden veehouderijen. De daarvoor in de verordening opgenomen regels worden in het navolgende beschreven. Het bestemmingsplan moet binnen het kader van die regels worden opgesteld.


Regels voor niet grondgebonden veehouderij

Definitie niet-grondgebonden veehouderij

Er is sprake van een niet grondgebonden veehouderij als de agrarische productie voor het grootste deel afkomstig is uit de niet - grondgebonden veehouderijtak(ken). Dat wil zeggen dat het om een bedrijf gaat dat beschikt over onvoldoende cultuurgrond om de dieren op het eigen bedrijf in de omgeving van de bedrijfsgebouwen voor meer dan 50 procent van het benodigde voer te voorzien.


Nieuwvestiging

Nieuwvestiging van niet-grondgebonden veehouderijen zijn binnen het verwevingsgebied en het extensiveringsgebied niet toegestaan.


Uitbreidingsmogelijkheden

De verordening geeft aan dat aan een agrarisch bedrijf ten behoeve van de niet-grondgebonden veehouderijtak een agrarisch bouwperceel kan worden toegekend van ten hoogste 1 hectare binnen het verwevingsgebied. In het extensiveringsgebied is uitbreiding bebouwing ten behoeve van niet-grondgebonden veehouderijen uitsluitend toegestaan indien de bebouwing noodzakelijk is om te voldoen aan dierenwelzijnseisen of als het agrarisch bedrijf een omvang heeft van 70 NGE waarvan minimaal 40 NGE voortkomt uit de niet-grondgebonden veehouderij en het bedrijf op het moment van vaststelling van de reconstructieplannen door Provinciale Staten van Gelderland (Gelderse Vallei op 1 maart 2005) reeds deze minimale bedrijfsgrootte van 70 NGE, waarvan minimaal 40 NGE voortkomt uit de niet-grondgebonden veehouderijtak, bezat.


Regels voor grondgebonden veehouderijen

Om grondgebonden bedrijven als functionele dragers van het Gelders platteland te behouden en versterken biedt de provincie ruimte voor groene groei en verbreding. Bij de grondgebonden landbouw gaat het onder meer om bedrijven voor akkerbouw, fruitteelt, boomteelt en melkveehouderij.


Definitie grondgebonden veehouderij

Een grondgebonden veehouderijbedrijf is een agrarisch bedrijf dat gericht is op het ontwikkelen van activiteiten waarbij de productie voor meer dan 50 procent afhankelijk is van het producerend vermogen van de grond waarover het bedrijf in de omgeving van de bedrijfsgebouwen kan beschikken (= circa 10 km). Dat wil zeggen dat het bedrijf beschikt over cultuurgrond om de dieren op het bedrijf voor meer dan 50% in de ruwvoerbehoefte te kunnen voorzien. Dat biedt de basis voor meer gesloten groene kringlopen. Wanneer het overgrote deel van het (ruw)voer van elders wordt aangevoerd en (rest)producten weer worden afgevoerd, is er geen sprake van een locatie- of grondgebonden bedrijf. Het betekent dus ook dat melkveehouderijen met weinig grond moeten worden aangemerkt als niet-grondgebonden veehouderijen.


In bestemmingsplannen dient deze definitie van een grondgebonden veehouderijbedrijf te worden opgenomen volgens de verordening. Om de grondgebondenheid van een ondernemer te beoordelen, vereisen gemeenten van ondernemers dat zij bij hun aanvraag een grondgebruiksplan toevoegen. In dit plan geeft de ondernemer aan over welke gronden het bedrijf kan beschikken - zowel pacht als eigendom - en voor welke teelten de percelen worden gebruikt.


Nieuwvestiging

Nieuwvestiging is alleen toegestaan indien dit een verbetering van de landbouwstructuur oplevert en hervestiging op een bestaand agrarisch bouwperceel ondoelmatig is.


Uitbreidingsmogelijkheden

De uitbreiding van een grondgebonden veehouderij moet ruimtelijk aanvaardbaar zijn. Zowel op de schaal van het gebouw, het erf en de inpassing van het erf in het landschap dient aandacht te zijn voor de ruimtelijke kwaliteit. De provincie stelt geen grens aan de bedrijfsomvang van een grondgebonden veehouderijbedrijf. Bij een groot bedrijf - een groot erf met stallen - hoort een passende 'open ruimte' in de vorm van agrarische cultuurgrond. Bedrijven die willen groeien moeten die ontwikkelruimte 'verdienen'. Daarnaast moet een grondgebruiksplan aan de uitbreiding ten grondslag liggen. Ook is omschakeling naar een niet-grondgebonden veehouderij niet toegestaan.


Regels voor niet grondgebonden (melk)rundveebedrijven

De verordening geeft aan dat in bestemmingsplannen uitbreiding ten behoeve van het houden van een of meer runderen van niet-grondgebonden (melk)rundveebedrijven en niet-grondgebonden (melk)rundveetakken niet moet worden toegestaan.

Een (melk)rundveebedrijf of melk(rund)veetak dat reeds als niet-grondgebonden moet worden aangemerkt, krijgt op grond van artikel 2.5.3 tweede lid van de verordening geen ruimte om verder uit te breiden met extra dieren tenzij het alsnog de beschikking krijgt over voldoende grond zodat aan de eis voor uitbreiding van een grondgebonden bedrijf wordt voldaan.


Beleidskeuzes voor het bestemmingsplan

Nieuwvestiging grondgebonden veehouderijen

De provinciale omgevingsverordening laat ruimte om nieuwvestiging van een grondgebonden veehouderij in het bestemmingsplan mogelijk te maken. In het bestemmingsplan Buitengebied is evenwel nieuwvestiging niet mogelijk gemaakt. Maximaal gebruik van de bestaande bouwlocaties is daar het uitgangspunt. Uit ruimtelijk oogpunt is het gewenst zoveel mogelijk gebruik te maken van bestaande opstallen, zodat het buitengebied zo veel mogelijk onbebouwd blijft. Bovendien is het uit agrarisch oogpunt ook wenselijker dat een vrijkomend agrarisch bedrijf wordt benut voor de hervestiging van een agrarisch grondgebonden bedrijf, dan dat zich hier een nieuwe, mogelijk milieugevoelige functie vestigt.

Nieuwvestiging van een grondgebonden veehouderij wordt dan ook niet mogelijk gemaakt in het nieuwe bestemmingsplan.


Uitbreidingsmogelijkheden veehouderijen

De provinciale Omgevingsverordening maakt nu onderscheid in grondgebonden en niet-grondgebonden veehouderijen. Voor grondgebonden veehouderijen is in de verordening geen maximum bouwvlak aangegeven en voor niet-grondgebonden veehouderijen is dat 1 ha.

In het bestemmingsplan is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor een beperkte overschrijding van het bouwvlak van agrarische bedrijven. Beperkt betekent dat het niet mag gaan om meer dan 10% van het bestaande bouwvlak, tot maximaal 25 m vanaf het bouwvlak. Hiervoor gelden nadere voorwaarden ten aanzien van landschappelijke inpassing, milieutoets e.d. Voor niet-grondgebonden bedrijven is een aanvullende voorwaarde opgenomen dat de oppervlakte van het bouwvlak niet meer mag bedragen dan 1 ha.

Gelet op de mogelijke milieueffecten is een verdere vergroting van agrarische bouwpercelen van grondgebonden agrarische bedrijven niet in de regels opgenomen. Hiervoor is een brede omgevingstoets noodzakelijk (o.a. toets op de landschaps- en natuurwaarden en de belangen van de aangrenzende percelen en/of eigenaren). Medewerking kan hiervoor worden verleend door middel van een postzegelbestemmingsplan.

Er is geen wijzigingsbevoegdheid opgenomen om het bouwperceel met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding-bestaand erf' te vergroten naar 1 ha. De verwachting is dat dit in de praktijk nauwelijks zal voorkomen. Mocht het in een bijzonder geval wel aan de orde zijn, dan wordt hiervoor een afzonderlijke planologische procedure gevolgd (uitgebreide omgevingsvergunning of postzegelbestemmingsplan).

3.4.5 Maatvoering

Voor de maatvoering van agrarische bedrijfsgebouwen is uitgegaan van de geldende maximale maten: een goothoogte van 7 m, een bouwhoogte van 12 m en een dakhelling van tenminste 18º. Het stapelen van stallen in meerdere bouwlagen is in de planregels uitgesloten.

De gemeente wil meerdere bouwlagen voor bijvoorbeeld een varkensbedrijf niet helemaal uitsluiten. Een dergelijke stal vergt echter een zorgvuldige afweging op het gebied van landschappelijke en milieutechnische inpassing. Om die reden wordt in voorkomend geval daartoe een postzegelbestemmingsplan opgesteld.

3.4.6 Bedrijfswoning(en)

Bedrijfswoning(en) zijn meegenomen binnen de agrarische bedrijfsbestemming. Een bedrijfswoning is in het algemeen noodzakelijk voor een goede agrarische bedrijfsvoering.

Gezien de huidige technische ontwikkelingen bij agrarische bedrijven is de noodzaak voor een tweede bedrijfswoning steeds moeilijker aan te tonen. Hierdoor is in het bestemmingsplan deze mogelijkheid niet opgenomen. Wanneer door schaalvergroting toch een behoefte ontstaat aan een tweede bedrijfswoning, kan worden teruggevallen op de regelingen voor inwoning en woningsplitsing.

Als maatvoering voor bedrijfswoningen is aangehouden: max. 850 m3, maximale goothoogte 3,5 m en een dakhelling tussen 30º en 60º.

3.4.7 Plattelandswoningen

Op 1 januari 2013 is de Wet Plattelandswoningen in werking getreden. Het wetsvoorstel houdt in dat als de gemeente met een ruimtelijk besluit bewoning van een agrarische bedrijfswoning door derden mogelijk maakt, dat wil zeggen bewoning door personen die geen relatie met het agrarische bedrijf hebben, deze woning als het ware onderdeel blijft uitmaken van het agrarische bedrijf en daarom geen extra bescherming geniet tegen milieuhinder, i.c. geurhinder van het betreffende bedrijf.

Het wetsvoorstel geeft de gemeente meer mogelijkheden agrarische bedrijfswoningen te laten bewonen door personen die niet verbonden zijn aan het bijbehorend agrarisch bedrijf. Wordt bewoning planologisch toegestaan, dan volgt uit de Wet plattelandswoningen dat de beschermingseisen die voor burgerwoningen gelden niet gelden voor de plattelandswoning voor zover het gaat om milieuhinder veroorzaakt door het bedrijf waar de plattelandswoning onderdeel van uitmaakte.

In gevallen dat een tweede agrarische bedrijfswoning is afgesplitst van het agrarische bedrijf is een nadere afweging gemaakt of er sprake kan zijn van een goed woon- en leefklimaat. Als dat het geval is heeft de woning binnen het agrarisch bouwperceel een aanduiding gekregen als plattelandswoning, op basis waarvan burgerbewoning mede is toegestaan.

3.4.8 Streekplanuitwerking Functieverandering Noord-Veluwe

De Regio Noord-Veluwe (negen gemeentes) heeft een streekplanuitwerking ten aanzien van functieverandering en nevenactiviteiten vastgesteld. In de streekplanuitwerking is het beleid zoals dat voor de hele provincie is vastgesteld uitgewerkt naar regionaal niveau. Deze regionale beleidsinvulling is door middel van een afwijkingsprocedure in de plaats getreden van het in het streekplan verwoorde generieke beleid voor functieverandering en nevenactiviteiten.

Hoewel het Streekplan inmiddels is vervangen door de Omgevingsvisie blijft voor de gemeente het functieveranderingsbeleid uit deze uitwerking wel het uitgangspunt van beleid.

Nevenactiviteiten

Nevenactiviteiten kunnen bijdragen aan het leefbaar houden van het landelijk gebied. Extra inkomsten kunnen een agrarisch bedrijf de mogelijkheid bieden de bedrijfsvoering te continueren. Wanneer ze ondergeschikt blijven aan de hoofdfunctie, zijn nevenactiviteiten goed mogelijk.

Bij het opstarten van nieuwe nevenactiviteiten dient sprake te zijn van een bedrijfseconomische eenheid tussen de hoofdactiviteit (agrarische bedrijfsdoeleinden) en de betreffende nevenactiviteit. Voorkomen dient te worden dat een nieuwe niet-agrarische activiteit ontstaat die in het geheel geen relatie heeft met het ter plaatse gevestigde agrarisch bedrijf. Het verkopen van producten als nevenactiviteit is mogelijk voorzover ze op het eigen bedrijf zijn geproduceerd, dan wel dat het streekproducten betreft. Er dient hierbij wel sprake te zijn van kleinschaligheid en de basis van de verkoop moet worden gevormd door op het eigen bedrijf geproduceerde producten. Voor de verkoop van niet op het eigen bedrijf geproduceerde (streek)producten is een maximale oppervlakte van 50 m² gesteld. Buitenopslag en reguliere detailhandel zijn hierbij niet toegestaan.

In de Streekplanuitwerking zijn de aard en omvang van nevenactiviteiten gekoppeld aan zones uit het Streekplan. Nu gewerkt wordt aan een nieuwe provinciale Structuurvisie/Omgevingsvisie ligt het niet voor de hand om deze zonering in het nieuwe bestemmingsplan over te nemen. De zonering is nu beperkt tot Groene ontwikkelingszone en overig buitengebied:

  • Groene ontwikkelingszone: nevenactiviteiten in de zin van natuur- en landschapsbeheer, natuureducatie en/of recreatie tot max. 350 m²; caravanstalling tot max. 750 m².
  • Overig buitengebied: nevenactiviteiten in de zin van natuur- en landschapsbeheer, natuureducatie, agrarische verwante bedrijvigheid en/of recreatie tot max. 500 m²; caravanstalling tot max. 1.000 m².

Als algemene voorwaarde geldt dat de omvang niet meer mag bedragen dan 25% van de bestaande bebouwing.

Vanwege de potentiële milieueffecten zijn de nevenactiviteiten op het gebied van recreatie door middel van een afwijking toegestaan en niet toegestaan in het Gelders NatuurNetwerk. Zie paragraaf 1.4 PlanMER.

Functieverandering

Omdat steeds meer agrarische bedrijven stoppen met de bedrijfsvoering en deze ontwikkeling zich in de toekomst verder zal voortzetten, zullen steeds meer agrarische bedrijfsgebouwen vrijkomen. Om verkrotting en illegaal gebruik tegen te gaan, is het noodzakelijk om te zoeken naar vervangende functies die in de vrijkomende gebouwen gevestigd kunnen worden. In ruil voor het kunnen hergebruiken van stallen voor bijvoorbeeld het realiseren van nieuwe woningen of nieuwe bedrijvigheid wordt het overige deel van de vrijkomende gebouwen gesloopt en worden maatregelen genomen om de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren.

De streekplanuitwerking gaat in op hergebruik in de vorm van een nieuwe woonfunctie of een woon-werkcombinatie, de mogelijkheden voor nevenactiviteiten op een agrarisch bedrijf en de uitbreidingsmogelijkheden van bestaande niet-agrarische bedrijven. De ontwikkelingsmogelijkheden zijn verschillend per type gebied.

Dit is slechts gedeeltelijk overgenomen in het bestemmingsplan. Gelet op de consequenties voor de woningbouwmogelijkheden bij de kernen, wordt het niet meer wenselijk geacht om extra woningen door middel van functieverandering mogelijk te maken binnen het bestemmingsplan. Dat wil niet zeggen dat dergelijke ontwikkelingen niet meer mogelijk zijn, maar dit vergt een zorgvuldige afweging in het licht van het gemeentelijke woonbeleid. In bijzondere gevallen kan hiervoor een postzegelbestemmingsplan worden opgesteld.

Om sloop van de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen toch te stimuleren, is in het bestemmingsplan een regeling uitgewerkt, waarbij in ruil voor sloop de mogelijkheid wordt geboden om de bestaande (bedrijfs)woning te vergroten.

Functieverandering naar werken is overgenomen uit de 4e partiële herziening, met dien verstande dat het onderscheid in zones is vereenvoudigd tot het Gelders NatuurNetwerk, de Groene Ontwikkelingszone en overig buitengebied (vergelijkbaar met de nevenactiviteiten).

De GGD is geen voorstander van om kwetsbare functies als kinderopvang, opvang van geestelijk - of lichamelijk gehandicapten op het bedrijf van een intensieve veehouderij of in de directe omgeving van dergelijke bedrijven mogelijk te maken vanwege de mogelijke gezondheidseffecten. Daartoe zijn in artikel 45.4 specifieke voorwaarden opgenomen.

eidsaspecten. Op onderstaand kaartje is deze indicatieve zone weergegeven.

3.4.9 Paardenbakken

De gemeente Epe heeft beleidskader voor paardenbakken die hobbymatig worden gebruikt vastgesteld. Bij woningen worden steeds vaker paardenbakken (buitenrijbakken) aangelegd. Deze paardenbakken zijn niet altijd goed gesitueerd of goed ingepast en geven soms overlast bij de buren. Ook bestaat er onduidelijkheid over de regels voor paardenbakken. In de beleidsnota zijn de regels voor de aanleg van paardenbakken en bijbehorende bouwwerken zoals hekken en lichtmasten weergegeven. Er worden onder andere richtlijnen gegeven voor de afstand van de paardenbak tot een woning van derden, de plaats van de paardenbak (binnen het bestemmingsvlak en achter de voorgevelrooilijn), de grootte van de paardenbak en het plaatsen van lichtmasten. In het bestemmingsplan buitengebied 4e partiële herziening is dit beleid reeds verwerkt. Dit is één op één overgenomen in het bestemmingsplan.

3.4.10 Schuilgelegenheden

De gemeente acht het niet wenselijk dat overal in het plangebied kleine agrarische gebouwen, zoals schuilgelegenheden voor vee en opslagschuurtjes voor gereedschap ontstaan.

Voor schuilgelegenheden voor vee kan in uitzonderingsgevallen worden meegewerkt indien de noodzaak hiertoe kan worden aangetoond. In het bestemmingsplan is hiertoe een afwijkingsmogelijkheid opgenomen die het mogelijk maakt om via een omgevingsvergunning schuilgelegenheden, met een maximale oppervlakte van 25 m², buiten het bouwvlak te realiseren. Voorwaarden hierbij zijn onder andere dat:

  • de oppervlakte van de agrarische gronden ten minste 5.000 m² bedraagt;
  • het aantal schuilgelegenheden mag per bedrijf, instelling of woning niet meer bedragen dan 1 en per agrarisch bedrijf niet meer dan 2;
  • de afstand tussen het bouwvlak en de schuilgelegenheid niet minder dan 50 m bedraagt;
  • de landschaps- en natuurwaarden van de betreffende gronden niet onevenredig worden aangetast;
  • de schuilgelegenheid aan ten minste één zijde niet voorzien is van een wand.

3.4.11 Teeltondersteunende voorzieningen

Onder teeltondersteunende voorzieningen worden (al dan niet tijdelijke) tunnelkassen, bedekking met folie en plastic regenbescherming verstaan. In het geldende bestemmingsplan is hiertoe een regeling opgenomen ten behoeve van tunnelkassen binnen de bestemming 'agrarische doeleinden' (1.000 m² tunnelkassen in directe relatie tot het bouwperceel). Elders zijn tunnelkassen vanwege de landschappelijke en natuurlijke waarden niet toegestaan.

Deze regeling is vertaald in het nieuwe bestemmingsplan door tunnelkassen uitsluitend ter plaatse van de aanduidingen 'overige zone - kampenontginningen', 'overige zone - oeverwal' en 'overige zone - dekzandruggen en oude bouwlanden' toe te staan.

3.4.12 Uitgangspunten voor het bestemmingsplan

Op basis van de inventarisatie, de gebieds- en beleidsanalyse ten behoeve van het Bestemmingsplan Buitengebied zijn voor het thema 'agrarisch' de volgende keuzes gemaakt:

  • De bestaande toekomstbestendige agrarische bedrijven krijgen in het bestemmingsplan voldoende ontwikkelingsruimte om zich de komende jaren verder te kunnen ontwikkelen, waarbij een duurzame ontwikkeling het uitgangspunt is. Onder een duurzame ontwikkeling wordt verstaan: binnen de kaders van de geldende wet- en regelgeving, geen verdere aantasting van landschap, milieu, volksgezondheid en dierwelzijn.
  • Nieuwvestiging van agrarische bedrijven is niet mogelijk in dit bestemmingsplan.
  • Definities voor grondgebonden veehouderijbedrijf, grondgebonden veehouderijtak, niet-grondgebonden veehouderijbedrijf en niet-grondgebonden veehouderijtak zijn in het bestemmingsplan overgenomen overeenkomstig de provinciale Omgevingsverordening.
  • De niet-grondgebonden veehouderijen hebben een specifieke aanduiding in het nieuwe bestemmingsplan. Ook de agrarische bedrijven waar geen vee aanwezig is, zijn specifiek aangeduid. De overige agrarische bedrijven zijn daarmee grondgebonden veehouderijen.
  • Het aandeel niet grondgebonden veehouderij bij niet grondgebonden veehouderijen mag per bouwvlak niet meer bedragen dan 1 ha (tenzij dat gedeelte nu al groter is). Alleen voor redenen van dierwelzijn kan een grotere oppervlakte mogelijk worden gemaakt.
  • Voor grondgebonden veehouderijen is een gebruiksregeling opgenomen, waarbij uitbreiding van het aantal dieren wordt verboden voor melkveehouderijen, die eigenlijk als niet grondgebonden moeten worden bestempeld. Per geval kan worden beoordeeld of er sprake is van een grondgebonden of niet-grondgebonden bedrijf op het moment dat het bedrijf een aanvraag omgevingsvergunning doet.
  • Op basis van het planMER is per veehouderij de maximale ammoniakemissie vastgelegd in de planregels. Dit om te voldoen aan de Natuurbeschermingswet 1998 en de jurisprudentie ter zake. Vergroting van de emissie wordt in het bestemmingsplan niet geregeld. Hiervoor is een afzonderlijke belangenafweging noodzakelijk.
  • De mogelijkheden voor recreatieve nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven zijn afgestemd op de uitkomsten van het planMER teneinde negatieve effecten voor het Gelders NatuurNetwerk en de Groene Ontwikkelingszone te voorkomen.
  • In het bestemmingsplan is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor een beperkte overschrijding van het agrarisch bouwperceel van agrarische bedrijven, indien het bouwperceel onvoldoende ruimte biedt. Beperkt betekent dat het niet mag gaan om meer dan 10% van het bestaande bouwperceel, tot maximaal 25 m vanaf het bouwperceel. Hiervoor gelden nadere voorwaarden ten aanzien van landschappelijke inpassing, milieutoets e.d.
  • Verdere vergroting van agrarische bouwvlakken wordt in het bestemmingsplan niet mogelijk gemaakt. Hiervoor is een afzonderlijke afweging noodzakelijk aan de hand van een brede omgevingstoets en duurzame ontwikkeling.
  • Bij alle ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijven is een zorgvuldige landschappelijke inpassing een belangrijke randvoorwaarde.
  • Gebruiksgerichte paardenhouderij is zonder meer toegestaan bij de agrarische bedrijven (en voor zover passend binnen het ammoniakemissieplafond).
  • Gelet op de landschappelijke effecten zijn nieuwe boomkwekerijen in de landschapstypen hooilanden, broeken, uiterwaarden en de veenontginning Nijbroek niet toegestaan. In de droge bos- en heideontginningen is boomteelt zonder meer mogelijk. In de overige landschapstypen is voor het aanplanten van bomen een omgevingsvergunning (aanlegvergunning) noodzakelijk om de landschappelijke gevolgen per geval te kunnen beoordelen.
  • Teeltondersteunende voorzieningen zijn alleen toegestaan in de minder kwetsbare gebieden.
  • De bouw van een tweede dienstwoning is in het bestemmingsplan niet mogelijk gemaakt. De noodzaak van een extra dienstwoning is door de stand van de technologie in het algemeen niet meer aanwezig. Eén bedrijfswoning is toegestaan per bouwvlak, tenzij anders is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal bedrijfswoningen'. Ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' is geen bedrijfswoning toegestaan.
  • Afgesplitste bedrijfswoningen blijven onderdeel uitmaken van het agrarisch bedrijf en hebben een aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning' gekregen, mits er ter plaatse sprake kan zijn van een goed woon- en leefklimaat;
  • De regeling voor functieverandering naar werken en nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven, overeenkomstig de Streekplanuitwerking Functieverandering Noord-Veluwe, is overgenomen uit de 4e partiële herziening.
  • De mogelijkheden voor functieverandering naar wonen zijn niet overgenomen, gelet op de consequenties voor de woningbouwmogelijkheden in de kernen.
  • Voor agrarische bedrijven met een nevenactiviteit is de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - nevenactiviteit' opgenomen. In de Lijst nevenactiviteiten bij de bestemming 'Agrarisch' (bijlage regels) is het toegestane aantal vierkante meters van de nevenactiviteit per adres opgenomen.

3.5 Bedrijven

3.5.1 Bestaande situatie

Niet-agrarische bedrijven zijn bedrijven die niet of in geringe mate functioneel gebonden zijn aan het buitengebied. Deze bedrijven dragen bij aan werkgelegenheid in de gemeente en zorgen voor een leefbaar platteland en hergebruik van voormalige agrarische bebouwing. Een deel van deze bedrijven is ontstaan als nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf waarbij inmiddels de agrarische bedrijvigheid is gestaakt, een ander deel bestond al ten tijde van het van kracht zijn van het vorige bestemmingsplan of is nu bestemd als bedrijf op grond van een veranderde systematiek van bestemming. Voor een klein aantal bedrijven geldt dat deze op basis van partiële herzieningen en projectprocedures zijn ontstaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0232.BG028Buitengebied-OBP1_0017.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0232.BG028Buitengebied-OBP1_0018.png"

Ligging bedrijven

3.5.2 Beleid en ontwikkelingen

Toegestane activiteiten

In de voormalige bestemmingsplannen waren de bedrijven specifiek aangeduid. Dat wil zeggen dat binnen de bedrijfsbestemming uitsluitend bedrijfsmatige activiteiten zijn toegestaan zoals was aangegeven. Deze systematiek is in het voorliggende bestemmingsplan ook weer gehanteerd.

Behoud van leefbaarheid, voorkomen van verrommeling als gevolg van leegstaande gebouwen en behoud van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing zijn voor de gemeente belangrijke aandachtspunten in het plangebied. De gemeente biedt om deze reden bestaande, legale bedrijven voldoende flexibiliteit om in te spelen op de ontwikkelingen.

Het beleid voor bedrijven richt zich op het normaal verder kunnen functioneren van de bestaande bedrijven. Dit houdt in dat er een beperkte uitbreidingsmogelijkheid wordt meegegeven.

De gemeente biedt voornoemde bedrijven voorts de mogelijkheid om te schakelen naar andere bedrijfsactiviteiten, mits dit niet ten koste gaat van een goed woon- en leefklimaat.

Maatvoering

Voor de maatvoering van bedrijfsgebouwen is uitgegaan van de geldende bouwmogelijkheden: een maximale bouwhoogte van 10 m en een dakhelling van tenminste 18º. Als (vigerende en) voorgestelde maatvoering voor bedrijfswoningen is aangehouden: max. 850 m3, max. goothoogte 3,5 m en een dakhelling tussen 30º en 60º.

Uitbreidingsmogelijkheden

Gemeente wil verstening van buitengebied voorkomen, maar zet bestaande bedrijven niet op slot. Aangesloten is bij de Streekplanuitwerking Functieverandering Noord-Veluwe, zoals al vertaald in de 4e partiële herziening:

Bedrijven kunnen de oppervlakte van gebouwen met 20% uitbreiden tot een maximale oppervlakte van 500 m2. Bedrijven met meer dan 500 m2 kunnen met 10% uitbreiden tot een maximale oppervlakte van 750 m2. Belangrijke voorwaarden hierbij zijn het aantonen van de noodzaak en een zorgvuldige landschappelijke inpassing.

Agrarisch dienstverlenende bedrijven

Agrarisch dienstverlenende bedrijven hadden in het voormalige bestemmingsplan een afzonderlijke bestemming. Deze wijze van regeling is in het nieuwe bestemmingsplan overgenomen in de bestemming 'Bedrijf - Agrarisch dienstverlenend bedrijf'. Wel is de definitie van 'agrarisch dienstverlenend bedrijf' aangepast: een bedrijf dat uitsluitend of overwegend gericht is op het leveren van diensten aan agrarische bedrijven en/of groene- en/of recreatieve functies in het buitengebied zo nodig met behulp van werktuigen en apparatuur. Kenmerkende werkzaamheden zijn cultuurtechnische werken en grondverzet, meststoffendistributie en agrarisch loonwerk.

De maximale oppervlakte voor bedrijfsgebouwen is aangegeven op de verbeelding. De overige maatvoering voor deze bestemming is:

  • maximale goothoogte en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen: 7 m en 12 m; dakhelling tenminste 18º;
  • wijzigingsbevoegdheid voor vergroting oppervlakte bedrijfsgebouwen met 30% onder strikte voorwaarden.

Tuincentra, Horeca, Detailhandel

Voor specifieke bedrijfsactiviteiten zoals tuincentra, horeca en detailhandel is volgens de SVBP2012 een afzonderlijke bestemming opgenomen. De mogelijkheden ten aanzien van bedrijfswoningen, bestemmingsvlakken en maatvoering zijn vergelijkbaar met de bestemming 'Bedrijf'.

Qua uitbreidingsmogelijkheden is voorgesteld om geen uitbreidingsmogelijkheden toe te kennen, gelet op de specifieke ruimtelijke uitstraling.

3.5.3 Uitgangspunten voor het bestemmingsplan
  • De bestaande, legaal aanwezige bedrijven en voorzieningen zijn als zodanig in het bestemmingsplan opgenomen, met de bestemming 'Bedrijf'. Voor de bouw- en ontwikkelingsmogelijkheden zijn de mogelijkheden uit het voormalige bestemmingsplan overgenomen.
  • Nutsvoorzieningen hebben een aparte bestemming 'Bedrijf - Nutsvoorziening' gekregen.
  • Detailhandelsbedrijven hebben de bestemming 'Detailhandel' gekregen.
  • Tuincentra zijn voorzien van de bestemming 'Detailhandel - Tuincentrum'.
  • Horecagelegenheden zijn binnen dit bestemmingsplan opgenomen als 'Horeca'.
  • Vestigen van niet-agrarische bedrijvigheid in het buitengebied is alleen onder strikte voorwaarden mogelijk bij hergebruik van vrijgekomen (agrarische) gebouwen (functieveranderingsbeleid).
  • Eén bedrijfswoning is toegestaan per bestemmingsvlak, tenzij anders is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal bedrijfswoningen'. Ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' is geen bedrijfswoning toegestaan;

3.6 Wonen

3.6.1 Bestaande situatie

De niet-agrarische bebouwing in het plangebied bestaat voor het grootste deel uit woningen. Er komen bijna 1.700 adressen voor waar uitsluitend of in hoofdzaak sprake is van een woonfunctie. Het voorkomen van burgerwoningen concentreert zich aan de randen van de kernen Epe, Vaassen, Emst en Oene en het tussengelegen agrarisch gebied.

Een groot deel van de woningen bestaat uit voormalige agrarische bedrijven of woningen en villa's die van oorsprong veel op de Veluwe voorkwamen. Het is de verwachting dat door het beëindigen van de agrarische bedrijfsvoering het aantal woonbestemmingen in de toekomst zal toenemen. Met name in de grotere woningen of voormalige bedrijfswoningen is nog regelmatig sprake van een inwoningssituatie, bijvoorbeeld ouders die bij de kinderen wonen. Een deel van de woningen is aangewezen als monument, het zijn vaak woonboerderijen of villa's.

afbeelding "i_NL.IMRO.0232.BG028Buitengebied-OBP1_0019.png"

Ligging woningen

3.6.2 Beleid en ontwikkelingen

De algemene beleidslijn is dat in beginsel geen nieuwe burgerwoningen aan het landelijk gebied worden toegevoegd. Niet functioneel aan het buitengebied gebonden woningen leveren nog wel eens conflicten op met de hoofdfuncties van het buitengebied (landbouw, natuur, recreatie en landschap). Zo komt het voor dat er conflicten ontstaan bij de uitbreiding van agrarische bedrijven (geurhinder), toenemende onrust in voor de natuur waardevolle gebieden en ontsiering van het landschap door slechte inpassing van gebouwen in het buitengebied. Mede daarom is het gemeentelijke beleid gericht op een stabilisatie van de woonfunctie. Een sterke verdichting/verrommeling van het landschap met woningen is ongewenst.

Wijze van regeling

De bestaande burgerwoningen zijn voorzien van de bestemming 'Wonen' zonder bouwvlak, overeenkomstig de geldende regeling. In beginsel zijn de bestemmingsvlakken uit het geldende bestemmingsplan overgenomen, tenzij op basis van de luchtfoto blijkt dat een gedeelte van het erf niet binnen de bestemming valt. In dat geval is het bestemmingsvlak gecorrigeerd.

Beroep en bedrijf aan huis

De gemeente biedt onder voorwaarden ruimte voor aan huis gebonden beroepen/bedrijven (administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig of hiermee gelijk te stellen beroepen, alsmede productiegerichte ambachtelijke bedrijvigheid). Met deze mogelijkheid beoogt de gemeente de leefbaarheid te bevorderen in het plangebied. Het betreft activiteiten die door de bewoner met behoud van de woonfunctie en zonder afbreuk te doen aan de woonomgeving kunnen worden uitgeoefend. Indien de activiteit een onevenredige toename van het verkeer en de parkeerdruk tot gevolg heeft, is sprake van afbreuk aan de hoofdfunctie van het perceel. De ondergeschiktheid van de activiteit komt tot uiting in de regels van het bestemmingsplan door een maximum oppervlak te regelen.

Maatvoering

De maatvoering van de burgerwoningen is zeer divers. De bebouwing varieert van kleinschalige arbeiderswoningen tot forse villa's en grote boerderijen. De toename van de mobiliteit en de behoefte aan rust en ruimte maken vrijkomende (bedrijfs)woningen tot gewilde objecten. De mogelijkheid om te wonen in het vrije en ruime landelijke gebied, verhoogt de attractiviteit van het gebied.

In het voormalige bestemmingsplan gold voor burgerwoningen een maximale inhoudsmaat van 600 m3 (of de bestaande inhoud indien deze groter is). Er is echter een tendens gaande om hiermee wat ruimer om te gaan. Een maximale maat van 750 m3 is opgenomen. Deze inhoudsmaat is inclusief aan- en uitbouwen behorend bij de woning. De mogelijkheid om de inhoudsmaat met 10% te vergroten komt daarmee te vervallen.

De geldende goot- en bouwhoogte bedragen 3,5 m en 10 m. Aanvullend wordt het wenselijk geacht om hierbij (net als bij bedrijfswoningen) ook een dakhelling verplicht te stellen (tussen 30º en 60º). Een afwijkingsbevoegdheid is opgenomen om de hoogtematen met 10% te vergroten indien het bebouwingsbeeld verbeterd.

Voor woningen, die in het voormalige bestemmingsplan de aanduiding 'villa' hadden, zijn in het huidige plan opgenomen met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - villa'. De inhoudsmaat is in de regels geregeld.

Voor wat betreft de maatvoering voor bijgebouwen is in het voormalige bestemmingsplan een oppervlaktemaat van 60 m² gehanteerd. Omdat het in het buitengebied vaak om ruime percelen gaat, is het niet bezwaarlijk om deze maat enigszins te verruimen tot 75 m². Daarbij is ook rekening gehouden met het gegeven dat op basis van de Wabo de mogelijkheid al bestaat 30 m² vergunningsvrij te bouwen. Het totaal komt daarmee op 105 m² (75 m² + 30 m²).

In het bestemmingsplan is de volgende definitie van bijgebouwen opgenomen:

bijgebouw:
al dan niet aangebouwd gebouw of een gedeelte van een gebouw dat ten dienste van het wonen wordt gebruikt en waarin niet wordt gewoond;

Deze definitie betekent dat aan- en uitbouwen niet worden aangemerkt als bijgebouwen. Daar wordt immers in gewoond. Enkel gebouwen of een gedeelte van gebouwen waarin niet wordt gewoond, worden aangemerkt als bijgebouwen. Een voorbeeld van een dergelijk bijgebouw is een garage.

Bewoning van vrijstaande bijgebouwen is niet toegestaan.

Wanneer alle voormalige agrarische bijgebouwen worden gesloopt (uitgezonderd de hoeveelheid bij recht toegestane bijgebouwen) worden verruimde mogelijkheden geboden voor de oprichting van bijgebouwen (net als in het geldende bestemmingsplan). Er geldt dat voor elke m² gesloopte vrijgekomen (agrarische) bedrijfsbebouwing 50% van de gesloopte oppervlakte mag worden teruggebouwd in de vorm van een nieuw bijgebouw (of uitbreiding van bestaande bijgebouwen), tot een maximale oppervlakte van 200 m² (inclusief de oppervlakte van de reeds aanwezige bijgebouwen).

Woningsplitsing

Het gebruik van een woongebouw door twee huishoudens is door middel van een afwijkingsbevoegdheid mogelijk gemaakt. Dit geldt voor alle woningen. In het geldende bestemmingsplan geldt daarvoor nog een minimale inhoudsmaat van 800 m3. Een dergelijke bepaling wordt niet meer noodzakelijk geacht, mede in het licht van de verminderde mogelijkheden voor functieverandering naar wonen.

Mantelzorg

De gemeenteraad heeft op 22 september 2011 het bestemmingsplan 'Mantelzorg' vastgesteld. In dat bestemmingsplan wordt ingegaan op de vraag hoe mantelzorg kan worden vertaald in het ruimtelijk beleid van de gemeente Epe. Onder mantelzorg wordt hier dan begrepen: de vrijwillige zorg aan eenieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak.

Dit bestemmingsplan is inmiddels achterhaald door het Besluit omgevingsrecht (Bor), dat op 1 november 2014 in werking is getreden. Op basis van dit besluit bestaan er ruime mogelijkheden om vergunningvrij bestaande bouwwerken te mogen gebruiken voor mantelzorg. Daarnaast mogen ook bijbehorende bouwwerken vergunningsvrij worden gebouwd ten behoeve van mantelzorg. Een regeling voor mantelzorg opnemen in het bestemmingsplan is om die redenen dan ook niet meer nodig.

3.6.3 Uitgangspunten voor het bestemmingsplan

Op basis van de inventarisatie, de gebiedsbeschrijving en -analyse ten behoeve van het Bestemmingsplan Buitengebied zijn voor het thema 'Wonen' de volgende keuzes gemaakt:

  • De bestaande, legale burgerwoningen zijn bestemd met de bestemming 'Wonen'.
  • Het toegestane aantal wooneenheden per bestemmingsvlak is één, tenzij anders is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden';
  • In het bestemmingsplan is een regeling opgenomen ten aanzien van veel voorkomende wensen van ruime woningen, bijgebouwen, woningsplitsing en dergelijke. Bij woningsplitsing blijft het planologisch één woning.
  • Het bestemmingsplan biedt onder voorwaarden ruimte voor beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten in woningen.
  • Voor woningen is een maximale inhoudsmaat van 750 m3 opgenomen.
  • Binnen het bestemmingsplan is een regeling opgenomen voor het mogelijk maken van bijgebouwen en erfafscheidingen. Paardenbakken en 'grote' vijvers bij woningen zullen binnen het bestemmingsvlak onder voorwaarden toegestaan kunnen worden.
  • Het bestemmingsplan maakt nieuwe burgerwoningen in het landelijk gebied niet mogelijk, uitgezonderd die situaties waarbij sprake is van woningsplitsing.
  • Voor woonbestemmingen met een nevenactiviteit is de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - nevenactiviteit' opgenomen. In de Lijst nevenactiviteiten bij de bestemming 'Wonen' is het toegestane aantal vierkante meters van de nevenactiviteit per adres opgenomen.

3.7 Recreatie

3.7.1 Bestaande situatie

Verblijfsrecreatie

In Epe vormen de verblijfsaccommodaties een belangrijke factor in de toeristisch-recreatieve sector. Een aantal campings is opgenomen in het bestemmingsplan buitengebied.

De overige verblijfsrecreatieve voorzieningen in het plangebied zijn voornamelijk recreatiewoningen en zomerhuisjes. Voorbeelden van deze terreinen zijn 'Rabitt Hill' en 'de Vliegden'. In het gebied komen ook veel verspreid staande zelfstandige recreatiewoningen voor.

Twee andere vormen van verblijfsrecreatie die voorkomen in het plangebied zijn het kleinschalig kamperen ('kamperen bij de boer') en bed & breakfast. Beide voorzieningen zijn ondergeschikt aan de hoofdfunctie (wonen of een agrarisch bedrijf).

Dagrecreatie

Op het gebied van dagrecreatie vervult het plangebied een functie voor zowel de plaatselijke bevolking als voor recreanten en toeristen van buiten het plangebied. De voorzieningen voor de dagrecreatie zijn extensief van aard en sterk gebonden aan het landelijk gebied. Het gaat hierbij om routegebonden recreatie, natuurrecreatie en watergebonden recreatie. Dagrecreatieve voorzieningen in het plangebied zijn onder meer het Kasteel Cannenburgh, het Veluws Streekmuseum, volkstuincomplexen, zwembaden, recreatiegebied 't Kievitsveld (o.a. zwemmen, surfen, wandelen, hengelsport), forellenvisserij 't Smallert, het hertenkamp, maneges en sportvelden. Ook komt een groot aantal recreatieve wandel- en fietsroutes voor in het plangebied.

De gemeente Epe kent reeds vele recreatieve fietspaden, vooral in het noordwestelijk bosgebied. Op de voormalige spoorbaan is een recreatief fietspad aangelegd, dat naast de recreatieve functie ook een belangrijke cultuurhistorische betekenis heeft. De gemeente heeft de wens om in het gebied ten westen van Vaassen en het oostelijk agrarisch gebied de infrastructuur voor recreatief fietsen te verbeteren. Daartoe wordt de aanleg van ongeveer 60 km fietspaden gerealiseerd. Verder is er een toenemende belangstelling voor ruiterpaden. De gemeente Epe voert een beleid waarbij een deel van de wegen op de Veluwe wordt afgesloten voor het verkeer om de verkeersdruk op het gebied te verminderen. In de bosgebieden zijn parkeerplaatsen aangelegd voor de recreanten. Deze parkeerplaatsen vormen vaak ook het startpunt voor wandel- en fietsroutes. Campings en dergelijke hebben parkeervoorzieningen op hun eigen terreinen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0232.BG028Buitengebied-OBP1_0020.png"

Ligging Recreatieterreinen (lichtgroen) en maneges (donkergroen)

3.7.2 Beleid en ontwikkelingen

In de landelijke markt doet zich een aantal ontwikkelingen voor die kansen biedt voor het verder ontwikkelen en vermarkten van het toeristisch-recreatieve product Epe. Enkele van deze ontwikkelingen betreffen vergrijzing, afnemende gezinsgrootte, individualisering en de behoefte aan ruimte. Voor een aantal recreatiemilieus geldt dat de vraag sterk groeit als gevolg van de huidige ontwikkelingen in de markt. Voor Epe kan buitenrecreatie een grote rol gaan spelen. Deze ontwikkeling speelt in op de trends authenticiteit en behoefte aan ruimte. De recreant kan buiten de ruimte ervaren en authenticiteit terugvinden in de dorpjes op het platteland.

Epe, Natuurlijk Anders

Epe wil dé aanbieder zijn van onderscheidende recreatieve voorzieningen in een natuurlijke omgeving voor gezinnen, medioren en senioren, waarbij rust, ruimte en respect voor mens en natuur centraal staan met als motto: 'Epe, Natuurlijk Anders'. Redenerend vanuit de missie is de basisstrategie van de gemeente er op gericht om de economische pijler Recreatie & Toerisme te waarborgen en te versterken door het creëren van toegevoegde waarde. Door een uitdagend beleid, dat gericht is op kwaliteitsverbetering en een gevarieerd aanbod binnen de sector, zullen de sterktes van de gemeente verder worden uitgebreid en wordt er ruimte gegeven aan particulier initiatief. Daardoor krijgt de gemeente Epe een sterkere profilering als toeristische en recreatieve gemeente en worden kansen beter benut.

Verblijfsrecreatie in Epe

De gemeente Epe heeft het beleidskader voor verblijfsrecreatie beschreven in de notitie 'Verblijfsrecreatie in Epe' (vastgesteld door de raad in februari 2010). Deze beleidsnotitie is opgesteld ter uitvoering van 'Epe, Natuurlijk Anders'.

Op het gebied van verblijfsrecreatie heeft de gemeente Epe de ambitie om het aantal toeristische overnachtingen te verhogen. Het primaire doel van de notitie is gemeentelijke beleidsvorming op het terrein van verblijfsrecreatieve voorzieningen. Andere doelen zijn: productdifferentiatie en kwaliteitsverbetering, recreatie als belangrijke economische drager in het buitengebied, het vereenvoudigen van de regelgeving en de handhaafbaarheid. De gemeente wil zonering inzetten als instrument voor bewaking en versterking van de landschappelijke waarden. Ten aanzien van kampeervoorzieningen is dat de 'vervanging' van de Wet op de Openluchtrecreatie, terwijl op andere voorzieningen tot op heden geen beleid is geformuleerd. De nota bevat beleidsvoorstellen ten aanzien van de verschillende vormen van verblijfsrecreatieve voorzieningen. Voor zover relevant voor het bestemmingsplan betreft dit het volgende:

Reguliere kampeerterreinen:

  • De reguliere kampeerterreinen zijn in het bestemmingsplan positief bestemd.
  • Landschappelijke inpassing is noodzakelijk. Afschermende beplanting is in het bestemmingsplan geregeld om daarmee te waarborgen dat het aanzicht van het landschap niet wordt aangetast door 'verrommelende elementen'
  • Er is geen regeling opgenomen voor het toegestane aantal kampeermiddelen.
  • Er is geen onderscheid in toeristische standplaatsen en stacaravanstandplaatsen.
  • Op 'gemengde terreinen' (kamperen en bungalows) zijn de bungalows positief bestemd. Permanente bewoning van recreatieverblijven is niet toegestaan.
  • Voor het vestigen/uitbreiden van kampeerterreinen gelden drie zones:
    • 1. Zone I: het gebied ten westen van de dorpenweg: gelet op het kwetsbare karakter alleen kwalitatieve verbetering.
    • 2. Zone II: het gebied ten oosten van de dorpenweg en ten westen van het Apeldoorns kanaal: uitbreiding in beginsel mogelijk; 500 m afstand tot andere campings.
    • 3. Zone III: het gebied ten oosten van het Apeldoorns kanaal: nieuwvestiging mogelijk, mits op min. 1.000 m afstand tot een andere camping.

Bungalowparken

  • De maximale oppervlakte bedraagt 75 m² en de maximale inhoud van recreatiewoningen bedraagt 300 m3. Indien wordt aangetoond dat er vanuit de toeristische markt aantoonbaar behoefte bestaat aan het realiseren van recreatiewoningen met grotere maatvoering op de betreffende locatie, kan hiervan eventueel worden afgeweken.
  • Permanente bewoning is niet toegestaan.
  • Landschappelijke inpassing is noodzakelijk.

Minicampings

Minicampings zijn kleinschalige campings bij burgerwoningen of voormalige agrarische bedrijven. Alleen in omvang verschillen zij van een reguliere camping. Veelal wordt de camping niet bedrijfsmatig geëxploiteerd, maar zorgt het uitbaten van die terreinen voor neveninkomsten.

  • Minicampings zijn beschouwd als reguliere campings.
  • Bestaande minicampings zijn geaccepteerd, nieuwe worden beoordeeld als nieuwe campings.
  • Het maximum aantal kampeermiddelen bedraagt 15.
  • Een minicamping kan geopend zijn van 15 maart tot en met 31 oktober.
  • Landschappelijke inpassing is noodzakelijk. Randbeplanting is bedoeld om het zicht op kampeermiddelen vanaf de openbare weg te voorkomen. De beplantingsstrook dient ingericht te zijn met inheemse beplanting.

Kleinschalige kampeerterreinen (kamperen bij de boer)

  • Kamperen bij de boer dient te zijn gekoppeld aan een productief agrarische bedrijf.
  • Het aantal kampeerplaatsen bedraagt maximaal 25 (was in het voormalige bestemmingsplan nog max. 15).
  • Een kleinschalig kampeerterrein kan geopend zijn van 15 maart tot en met 31 oktober.
  • Landschappelijke inpassing is noodzakelijk. Randbeplanting is bedoeld om het zicht op kampeermiddelen vanaf de openbare weg te voorkomen. De beplantingsstrook dient ingericht te zijn met inheemse beplanting.

Bed & breakfast

  • Bed & breakfast is gekoppeld aan de woonfunctie; dat betekent dat mede gebruik wordt gemaakt van keuken en sanitair van de woning.
  • Bed & breakfast dient binnen de bestaande woning te worden gerealiseerd.
  • Maximaal vier slaapplaatsen.
  • Bij alle woningen toegestaan.

Wijze van regeling

De bestaande toeristisch/recreatieve voorzieningen hebben in het bestemmingsplan een passende bestemming gekregen. Concreet betekent dit dat bijvoorbeeld een reguliere camping (geen kleinschalig kampeerterrein bij een agrarisch bedrijf) is bestemd als 'Recreatie - Verblijfsrecreatie'.

Voor de aard van de recreatieve voorzieningen is onderscheid gemaakt in drie onderdelen:

  • a. recreatiewoningen;
  • b. bouwwerken voor recreatief verblijf;
  • c. kampeerplaatsen

ad a.

Het aantal en de omvang van recreatiewoningen zijn in het bestemmingsplan vastgelegd, waarbij de maatvoering uit het geldende bestemmingsplan is overgenomen (max. 300 m3, max. goothoogte en bouwhoogte 3 m., respectievelijk 5 m.).

ad b.

Hieronder vallen stacaravans, trekkershutten, chalets en dergelijke. Het aantal van deze accommodatievormen is niet vastgelegd. Door deze wijze van regeling biedt het de ondernemer vrijheid om de accommodatievorm aan te passen aan de wensen van de recreatieconsumenten. Wel is de omvang van deze accommodaties in de regels vastgelegd (max. 50 m2 inclusief eventuele bergingen). Tevens is bepaald dat er een onderlinge afstand geldt van minimaal 5 m. Dit in verband met de eisen van de brandweer, overeenkomstig de Handreiking brandveiligheid kampeerterreinen.

ad c.

Dit betreft de toeristische kampeerplaatsen voor caravans, tenten en dergelijke. Ook hiervan is het aantal niet vastgelegd.

Bij alle kampeerterreinen en bungalowparken is de randbeplanting zorgvuldig bestemd door middel van de aanduiding 'groen'. Voor de eventuele centrale voorzieningen is per recreatiebedrijf op de kaart de aanduiding 'maximum bebouwd oppervlak' opgenomen. Hiermee is de omvang van deze centrale voorzieningen dus vastgelegd.

Verder is vastgelegd dat bij alle recreatiebedrijven er sprake moet zijn van een bedrijfsmatige exploitatie van verhuur om permanente bewoning tegen te gaan. In één geval is daarvan een uitzondering gemaakt in verband met geldende rechten. Daar is de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - tweede woning' opgenomen. Daar is de eis van bedrijfsmatige exploitatie niet van toepassing.

De nota verblijfsrecreatie biedt (afhankelijk van de zone) mogelijkheden voor kwalitatieve of kwantitatieve uitbreidingen. Dit vergt evenwel maatwerk en een zorgvuldige afweging. Daarom is dit niet in het nieuwe bestemmingsplan gefaciliteerd.

Permanente bewoning van recreatiewoningen wordt door het gemeentebestuur niet geaccepteerd en hier wordt handhavend tegen opgetreden. Dit is in artikel 19.5 Specifieke gebruiksregels vastgelegd.

Kamperen bij de boer is door middel van een afwijkingsbevoegdheid mogelijk gemaakt binnen een agrarisch bouwperceel en op max. 25 m. buiten het bouwperceel, waarbij de landschappelijke inpassing als belangrijke voorwaarde geldt (zie artikel 3.6 Afwijken van de gebruiksregels). Het toestaan van bed & breakfast is als algemene gebruiksregel in het bestemmingsplan opgenomen (zie artikel 42.1 Bed and breakfast).

Bestaande en legale verspreid gelegen recreatiewoningen hebben de bestemming 'Recreatie - Recreatiewoning' gekregen. De regeling hiervan is overgenomen uit het voormalige bestemmingsplan (max. 300 m3, max. goothoogte en bouwhoogte 3 m., respectievelijk 5 m.).

Dagrecreatieterreinen, zoals forellenvisserij 't Smallert en het hertenkamp, hebben de bestemming 'Recreatie - Dagrecreatie' gekregen. Daar waar nodig, worden de activiteiten (per perceel) nader gespecificeerd.

Sportvelden en maneges vallen volgens de SVBP onder de hoofdcategorie Sport. Voor de maneges is een afzonderlijke bestemming 'Sport - Manege' opgenomen.

Fiets-, wandel- en ruiterpaden zijn over het algemeen meegenomen binnen de gebiedsbestemmingen. Daartoe is in de bestemmingsomschrijving geregeld dat de gronden tevens zijn bestemd voor voorzieningen ten behoeve van extensief recreatief medegebruik, zoals wandel-, fiets- en/of ruiterpaden. Voor het aanleggen van voorzieningen of het verharden van paden ten behoeve van recreatief medegebruik, wordt een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden, verplicht gesteld.

3.7.3 Uitgangspunten voor het bestemmingsplan

Op basis van de inventarisatie, de gebiedsbeschrijving en -analyse ten behoeve van het Bestemmingsplan Buitengebied zijn voor het thema 'Recreatie' de volgende keuzes gemaakt:

  • De bestaande, legaal aanwezige recreatievoorzieningen zijn als zodanig in het bestemmingsplan opgenomen. Voor deze recreatievoorzieningen is de bestemming 'Recreatie - Verblijfsrecreatie' opgenomen.
  • Het maximum aantal recreatiewoningen is aangegeven middels de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden'.
  • De aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - kampeermiddelen toegestaan' is opgenomen voor die locatie waar alleen kampeermiddelen zijn toegestaan en geen stacaravans en andere bouwwerken voor recreatief verblijf.
  • Een kampeerboerderij is toegestaan ter plaatste van de aanduiding 'kampeerboerderij'.
  • Het kamphuis is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - kamphuis'.
  • Voor afschermende inheemse beplanting is de aanduiding 'groen' opgenomen.
  • Dagrecreatieterreinen zijn voorzien van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - dagrecreatiepark'.
  • Een kuuroord is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - kuuroord'.
  • Ter plekke van de aanduiding 'horeca' is horeca toegestaan in combinatie met dagrecreatieve activiteiten.
  • Conform de SVBP2012 is een afzonderlijke bestemming opgenomen voor de sportvoorzieningen door middel van een bestemming 'Sport'.
  • Bestaande legale recreatiewoningen zijn als zodanig opgenomen in het bestemmingsplan met de bestemming 'Recreatie - Verblijfsrecreatie'.
  • Het bestemmingsplan biedt geen ruimte voor nieuwe grote verblijfsrecreatieve voorzieningen en bovenlokale dagrecreatieve projecten (nieuwvestiging).
  • Mogelijkheden worden geboden voor kleinschalige en extensieve dag- en verblijfsrecreatie bij agrarische bedrijven.
  • Het bestemmingsplan bevat regels om permanente bewoning van recreatiewoningen uit te sluiten.
  • Mogelijkheden worden geboden voor kleinschalig kamperen en bed & breakfast.
  • Eén (bedrijfs)woning is toegestaan per bedrijf, tenzij anders is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal bedrijfswoningen'. Ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' is geen bedrijfswoning toegestaan;

3.8 Overige voorzieningen

3.8.1 Bestaande situatie

In het plangebied komen op een aantal plaatsen terreinen en bebouwing voor met een bijzondere maatschappelijke functie. Aanwezig zijn onder meer molens, een kerkje, begraafplaatsen, scholen en verenigingsgebouwen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0232.BG028Buitengebied-OBP1_0021.png"

Ligging maatschappelijke functies

3.8.2 Uitgangspunten voor het bestemmingsplan

Op basis van de inventarisatie, de gebiedsbeschrijving en -analyse ten behoeve van het Bestemmingsplan Buitengebied zijn voor het thema 'Maatschappelijke voorzieningen' de volgende keuzes gemaakt:

De bestaande, legaal aanwezige voorzieningen krijgen de bestemming 'Maatschappelijk'. Hierbij is aangesloten bij de geldende regeling. Binnen de bestemming maatschappelijk is één bedrijfswoning toegestaan per bestemmingsvlak, tenzij anders is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal bedrijfswoningen'. Gelet op het bijzondere karakter, hebben de begraafplaatsen een eigen bestemming 'Maatschappelijk - Begraafplaats' gekregen. Binnen deze bestemming is geen bedrijfswoning toegestaan.

De militaire terreinen liggen aan de noordwestzijde van het plangebied. Volgens het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) dienen militaire terreinen een maatschappelijke bestemming te krijgen. Daarom is daar de specifieke bestemming 'Maatschappelijk - Militair terrein' aan gegeven. Voor de aanwezige bebouwing is een bouwvlak opgenomen en een aanduiding voor het maximum te bebouwen oppervlak.

3.9 Infrastructuur

3.9.1 Huidige situatie

Het plangebied wordt doorsneden door de autosnelweg A50 en een aantal doorgaande wegen met een bovenlokaal belang. Dat zijn de provinciale wegen N309 (Epe-Elburg), N792 (Vaassen-Twello), N794 (Heerde-Apeldoorn) en N795 (Epe-Nunspeet). Naast de aangegeven wegen komt een aantal gemeentelijke wegen voor met een bovenlokale functie en utilitaire en recreatieve fietspaden. Het gaat om bestaande en gewenste fietspaden. Met name op de Veluwe is een goed netwerk van recreatieve fietspaden en -routes aanwezig. Langs de weteringen in de IJsselvallei en het Apeldoorns Kanaal loopt eveneens een groot aantal fietspaden. De voormalige spoorlijn Apeldoorn-Hattemerbroek is omgevormd naar een fietspad. In met name de bosgebieden zijn parkeerplaatsen aangelegd (vaak zonder asfalt) die vaak als startpunt dienen voor wandel- en fietstochten. De parkeerplaatsen zijn aangelegd door de gebiedsbeheerders om wildparkeren te voorkomen. De gemeente Epe voert een beleid waarbij een deel van de wegen op de Veluwe wordt afgesloten voor het verkeer.

Onverharde wegen

In het landelijk gebied worden onverharde wegen steeds zeldzamer. Vele zandwegen zijn de laatste decennia verhard, waardoor een deel van de ontstaansgeschiedenis van het landschap verloren is gegaan. Onverharde wegen en perceelsontsluitingswegen zijn bestemd binnen de gebiedsbestemming waar ze voorkomen. De onverharde wegen in het plangebied dienen behouden te blijven vanwege de hoge belevingswaarde en het belang voor de openluchtrecreatie. Het bestemmingsplan kent daarom een algemene aanlegvergunning voor het verharden van onverharde wegen.

Leidingen

Door het plangebied lopen diverse aardgastransportleidingen. Het betreft hier zowel hoofdtransportleidingen, als regionale. Doorgaans wordt voor regionale gasleidingen een belemmerende strook aan weerszijde van de leiding aangehouden van 4 m, voor hoofdtransportleidingen geldt een norm van 5 m aan weerszijde.

Hoogspanningsleidingen

Het plangebied wordt doorkruist door vier 150 kV-hoogspanningslijnen. Bij het industrieterrein Eekterveld is een schakelstation van de NUON gesitueerd. Aan de Soerelseweg bevindt zich een transformatorgebouw.

Straalpaden

Het plangebied wordt door twee straalverbindingstrajecten (straalpaden) doorkruist. Het gaat daarbij om de straalpaden Deventer-Epe en Zwolle-Apeldoorn. Binnen het straalpad mogen geen obstakels boven de aangegeven hoogte worden geplaatst omdat deze de verzending kunnen verstoren.

Uit navraag bij het Agentschap Telecom blijkt dat de straalpaden niet (meer) planologisch vastgelegd behoeven te worden. De vergunninghouder voor een straalpad is zelf verantwoordelijk voor het 'vrije zicht' tussen beide opstelpunten. Indien er sprake is van bebouwing die de radioweg belemmert, dan zal er veelal overleg plaatsvinden tussen de bouwer en vergunninghouder om dit op te lossen.

Zendmasten

In het plangebied staat een aantal zendmasten. De gemeente voorziet binnen de plantermijn geen nieuwe aanvragen voor plaatsing van masten in het buitengebied. Er is daarom geen regeling opgenomen voor nieuwe zendmasten.

Radarverstoringsgebied

Het plangebied van het bestemmingsplan "Buitengebied" is in zijn geheel gelegen binnen het radarverstoringsgebied van de Radarposten Nieuw Milligen en Soesterberg. De regelgeving betreffende de bouwbeperkingen binnen het radarverstoringsgebied is vastgelegd in het wijzigingsbesluit op het Besluit (Barro) en de Regeling Algemene Regels Ruimtelijke Ordening (Rarro) dat op 1 oktober 2012 van kracht is geworden. De toegestane bouwhoogten (zie kaartje) zijn zodanig dat dit geen gevolgen heeft voor het bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0232.BG028Buitengebied-OBP1_0022.png"

3.9.2 Uitgangspunten voor het bestemmingsplan

Op basis van de inventarisatie, de gebiedsbeschrijving en -analyse ten behoeve van het Bestemmingsplan Buitengebied zijn voor het thema 'Infrastructuur' de volgende keuzes gemaakt:

  • De bestaande wegen zijn in het bestemmingsplan opgenomen met een flexibele regeling voor de bestemming 'Verkeer', waarin naast de wegen de gronden in de bestemming tevens zijn bestemd voor fiets- en voetpaden, bermen en bermsloten.
  • De lokale verkeers- en verblijfswegen hebben de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' gekregen.
  • De aardgas-, en hoogspanningsleidingen zijn met een dubbelbestemming 'Leiding - Gas' en 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' in het bestemmingsplan vastgelegd, inclusief een aan te houden afstand ter weerszijden van de leidingen.
  • Voor straalpaden en zendmasten zijn geen regelingen in het bestemmingsplan opgenomen.

3.10 Duurzaamheid

3.10.1 Mestvergisting

Om de structuur en de duurzame ontwikkeling van de agrarische sector te versterken, kan de ontwikkeling van mestvergistingsinstallaties mogelijk worden gemaakt. Zo ontstaat een verbreding van activiteiten op het agrarisch bouwblok, waardoor een agrarisch bedrijf ook meer inkomsten kan genereren. Om rendabele vergisting mogelijk te maken kan in aanvulling op vergisting van de mest van het eigen bedrijf ook mest van andere bedrijven uit de gemeente wordt verwerkt.

Voorgesteld wordt om met een afwijking binnen de agrarische bestemming mestvergistingsinstallatie van bedrijfseigen mest toe te staan op agrarische bouwvlakken (boerderijvergisters). Dergelijke installaties kunnen worden beschouwd als een (neven)activiteit die als het ware opgaat in de agrarische bedrijfsvoering.

Voor de afwijkingsbevoegdheid gelden de volgende voorwaarden:

  • de noodzaak uit oogpunt van doelmatige agrarische bedrijfsvoering is aangetoond;
  • de landschappelijke inpassing is gewaarborgd;
  • nabijgelegen agrarische bedrijven mogen niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd;
  • er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden;
  • er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden;
  • de ruimtelijke uitstraling als agrarisch bedrijf is gewaarborgd.

Een grotere mestvergister (buurtvergister) heeft een dusdanig grote ruimtelijke impact, dat hiervoor een afzonderlijke afweging moet worden gemaakt buiten dit bestemmingsplan om. Het heeft de voorkeur om dergelijke grotere vergisters te situeren:

  • Op of grenzend aan een bedrijventerrein;
  • Locaties bij soortgelijke bedrijven (bij voorbeeld rioolwaterzuiveringsinstallaties).

3.10.2 Duurzame energievoorzieningen

De bestemmingsomschrijving van de agrarisch bestemming en de bedrijfsbestemming zijn zo opgezet dat het plaatsen van zonnepanelen op agrarische bedrijfsgebouwen zonder meer mogelijk is:

'zijn bestemd voor duurzame energieopwekking door middel van zonnepanelen op het dakvlak van gebouwen;'

Tevens staat de gemeente open voor initiatieven voor een opstelling van zonnepanelen in agrarische gebieden. Medewerking is echter sterk afhankelijk is van de specifieke locatie, mogelijkheden voor landschappelijke inpassing e.d. Dit vergt maatwerk. Zo nodig kan in dat geval een postzegelbestemmingsplan worden opgesteld.

Op voorhand wordt opgemerkt dat het plaatsen van zonnepanelen op agrarische gronden in de open landschappen niet wenselijk is. Dit betreft de beekdalen, natte heideontginningen, hooilanden, broeken en de uiterwaarden. In de overige gebieden is een goede landschappelijke inpassing een belangrijke randvoorwaarde. Ook mogen bestaande omliggende functies hierdoor niet worden belemmerd.

Gelet op de landschappelijke gevolgen is het niet wenselijk om een regeling op te nemen voor het plaatsen van grootschalige windturbines in het buitengebied. Dat betekent niet dat de gemeente niet wil meewerken aan een initiatief voor het plaatsen van windturbines, maar dit vergt een afzonderlijke afweging. Geschikte locaties betreffen onder andere bedrijventerrein Eekterveld of langs het zuidelijk gedeelte van de A50 (zie de hiervoor opgestelde quick scan).

Wel wordt een regeling opgenomen voor het plaatsen van zogenaamde windwokkels op bestaande gebouwen.

Tenslotte is een regeling opgenomen voor het gebruik van bodemenergiesystemen onder bestaande gebouwen, zoals koude-warmteopslag of aardwarmtewinning. Indien elders ook wensen bestaan tot toepassing van deze vormen van duurzame energiewinning is hiervoor een afzonderlijke afweging noodzakelijk. Voor het oostelijk gedeelte van het buitengebied kan daarbij ook gebruik worden gemaakt van het provinciale rapport 'Zand in banen, zanddieptekaarten van het Rivierengebied en het IJsseldal in de provincies Gelderland en Overijssel' (2009), waarin de zandbanen en de diepte waarop ze voorkomen in het Rivierengebied en het IJsseldal, inclusief de uiterwaarden, in beeld zijn gebracht.

Hoofdstuk 4 Uitvoeringsaspecten

In dit hoofdstuk komen de diverse uitvoerbaarheidsaspecten aan bod. In een bestemmingsplan dient inzichtelijk te worden gemaakt in hoeverre wat er wordt geregeld ook daadwerkelijk kan worden gerealiseerd en of er geen belemmeringen zijn vanuit bijvoorbeeld milieuaspecten. De uitvoerbaarheidsaspecten kunnen onder andere leiden tot randvoorwaarden die in de regels zijn opgenomen. Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: bodem, geur, ammoniak, externe veiligheid, geluid en luchtkwaliteit.

Voor een uitgebreide beschrijving van de diverse uitvoeringsaspecten wordt verwezen naar het opgestelde planMER, dat als PlanMER bij deze toelichting is opgenomen.

4.1 Bodem

In het kader van de onderzoeksplicht dient onder andere de bodemgesteldheid in het plangebied in kaart te worden gebracht. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan.

Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied is verontreinigd, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Bodemonderzoeken mogen niet meer dan twee jaar oud zijn. Indien er sprake is van bouwactiviteiten is ook in het kader van de bouwvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig. In de praktijk worden deze onderzoeken vaak gecombineerd.

In het bestemmingsplan worden echter alleen de bestaande situaties vastgelegd. Voor zover er wel een ontwikkeling wordt meegenomen, heeft hiervoor al specifiek onderzoek plaatsgevonden (waaronder bodemonderzoek). Specifiek bodemonderzoek is in het kader van dit bestemmingsplan dus niet noodzakelijk.

4.2 Geurhinder

Bij het verlenen van omgevingsvergunningen, voor de activiteit milieu voor veehouderijen en in de ruimtelijke ordening moet rekening worden gehouden met geuroverlast veroorzaakt door veehouderijen. De op 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt hiervoor het beoordelingskader. De Wgv stelt eisen aan de maximale geurbelasting die de veehouderij mag veroorzaken op een gevoelig object zoals een woning. De geuremissie en -belasting worden uitgedrukt in zogenaamde Odour Units (OU’s). De in de wet opgenomen maximale geurbelastingsnormen zijn maximaal 14 OU/m³ voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom en maximaal 3 OU/m³ voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom (dit bij 98% percentiel, oftewel 98% van de tijd). Voor bepaalde veehouderijbedrijven (geen intensieve veehouderij, zoals melkrundveebedrijven) geldt een vaste afstand. Deze afstand tot geurgevoelige objecten is binnen de bebouwde kom 100 m en buiten de bebouwde kom 50 m. Onverminderd de bovengenoemde geurbelastingsnormen en vaste afstanden bedraagt de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object ten minsten 50 m binnen de bebouwde kom en 25 m buiten de bebouwde kom.

De gemeente Epe heeft geen geurverordening vastgesteld, waarmee ze afwijkt van de landelijke normering.

De Wgv verbiedt het overschrijden van de geurnorm bij gevoelige objecten en beperkt daarmee de milieugebruiksruimte voor veehouderijen. De geurbelasting is afhankelijk van de afstand van gevoelige objecten tot veehouderijbedrijven en de emissie van geureenheden.

Specifiek onderzoek naar de effecten op het gebied van geurhinder heeft in het kader van het opgestelde planMER plaatsgevonden. Op dit milieuaspect concludeert het planMER dat het woon- en leefmilieu binnen en buiten de bebouwde kom verslechtert in het voorkeursalternatief (worst-case invulling) in vergelijking met de referentiesituatie. Dit vanwege de groei aan intensieve veehouderij en door de veronderstelde opvulling van de latente ruimte in de vergunningen. Het voorkeursalternatief (worst-case invulling) is op het criterium leefklimaat binnen en buiten de bebouwde kom beoordeeld als licht negatief (O/-) ten opzichte van de referentiesituatie.

Bij deze conclusie is evenwel geen rekening gehouden met de in het bestemmingsplan opgenomen regeling voor uitbreiding van veehouderijen, ter bescherming van omliggende Natura 2000-gebieden; zie paragraaf 3.4.3. Daarmee zijn de ontwikkelingsmogelijkheden voor veehouderijen veel minder milieubelastend dan waarvan in het voorkeursalternatief (worst-case invulling) is uitgegaan. Uitbreiding van veehouderijen is daarmee namelijk alleen mogelijk indien emissiebeperkende maatregelen worden genomen. Deze maatregelen zijn primair gericht op de beperking van ammoniakemissie, maar zullen in veel gevallen ook leiden tot een beperking van de geuremissie.

Bovendien zorgt de Wet geurhinder en veehouderij er voor dat het leefklimaat niet zal verslechteren.

Voor een uitgebreidere beschrijving van het onderzoek naar geurhinder wordt kortheidshalve verwezen naar het planMER, zoals opgenomen in Bijlage 2.

4.3 Ammoniak

In het kader van het planMER is onderzoek uitgevoerd naar de effecten van de uitbreidingsmogelijkheden van veehouderijen op het gebied van ammoniakemissie en ammoniakdepositie in natuurgebieden. Kortheidshalve wordt daar naar verwezen.

De conclusies uit het planMER zijn de volgende:

  • Het voorkeursalternatief (worst-case invulling) zorgt voor een toename van de stikstofbelasting op de Natura 2000-gebieden en het Beschermde Natuurmonument in vergelijking met het referentieniveau van de Natuurbeschermingswet (Vergunde situatie gecorrigeerd voor de feitelijke bezetting via de CBScorrectie). Significant negatieve effecten als gevolg van het voorkeursalternatief (worst-case invulling) kunnen om die reden niet worden uitgesloten op het Natura 2000-gebied Veluwe en Uiterwaarden IJssel. Ook kan aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Beschermd Natuurmonument Buitenplaats Vosbergen niet worden uitgesloten. Het voorkeursalternatief (worst-case invulling) zorgt voor wat betreft het criteria stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden en Beschermde natuurmonumenten voor een zeer negatief (- -) effect ten opzichte van de referentiesituatie. Het is om die reden noodzakelijk om extra mitigerende maatregelen te treffen.
  • Het voorkeursalternatief (worst-case invulling) is op het criterium stikstofdepositie op Wav-gebieden en overige natuur beoordeeld als negatief (-) ten opzichte van de referentiesituatie. Dit omdat de extra stikstofdepositie leidt tot een verslechtering van de toch al gevoelige Wav-gebieden. De toename aan stikstofdepositie heeft naar verwachting minder grote gevolgen voor de overige EHS omdat hier gevoelige natuurbeheertypen ontbreken.

Als belangrijke mitigerende maatregel is een regeling in het bestemmingsplan opgenomen, waarbij de uitbreiding van veehouderijen (ten opzichte van hetgeen reeds is toegestaan op grond van de Natuurbeschermingswet 1998) niet is toegestaan. Wel is voor een dergelijke uitbreiding een afwijkingsbevoegdheid opgenomen, waarin als voorwaarde geldt dat er geen sprake mag zijn van negatieve effecten in omliggende Natura 2000-gebieden. In paragraaf 3.4.3 Regeling uitbreiding veehouderijen in relatie tot Nbw1998 is deze regeling nader toegelicht.

4.4 Externe veiligheid

Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport. Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen. Risicobronnen kunnen worden onderscheiden in risicovolle inrichtingen (onder andere lpg-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen en leidingen. Om voldoende ruimte te scheppen tussen een risicobron en personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen.


De risico's of gevaarbronnen binnen of in de nabijheid van het plangebied dienen te worden geïnventariseerd. Het bestemmingsplan moet voldoen aan de grenswaarde voor het zogenaamde plaatsgebonden risico. Het plaatsgebonden risico betreft het risico dat een individuele burger kan overlijden vanwege de aanwezigheid van één of meer risicohoudende activiteiten. Deze kans mag niet hoger zijn dan de vastgestelde grenswaarde; voor nieuwe situaties bedraagt deze 10-6 per jaar voor het individueel risico (een kans van één op 1 miljoen per jaar). Voor bestaande situaties is dit 10-5 (een kans van één op honderdduizend per jaar).


Het groepsrisico betreft de kans dat groepen omwonenden van een bepaalde risico-opleverende activiteit dodelijk getroffen kunnen worden door een ongeval. Daarbij is relevant hoeveel mensen op welke plaats in de omgeving van een bron aanwezig kunnen zijn. Hoe meer mensen rond een bron wonen of werken, hoe groter het groepsrisico. De norm van het groepsrisico is afhankelijk van het aantal eventuele dodelijke slachtoffers en bedraagt 10-5/jaar voor 10 doden (een kans van 1 op 100.000 per jaar op 10 dodelijke slachtoffers), 10-7/jaar voor honderd doden, 10-9/jaar voor duizend doden et cetera, en betreft een oriënterende waarde.

De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico is een ijkpunt voor de beoordeling van het groepsrisico, op basis waarvan de mate van het doorvoeren van risicoreducerende maatregelen wordt afgewogen.


Niet alleen de oriëntatiewaarde zelf is een belangrijk beoordelingspunt, maar ook de waarde 0,1 maal de oriëntatiewaarde is een belangrijk meetpunt. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen en het concept-Besluit transportroutes externe veiligheid wordt deze waarde expliciet aangehaald als waarde waaronder een beperkte verantwoording van het groepsrisico kan plaatsvinden. Hierbij hoeft alleen gekeken te worden naar de zelfredzaamheid van personen en de rampenbestrijding. Risicoreducerende maatregelen hoeven niet overwogen te worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0232.BG028Buitengebied-OBP1_0023.png"

Uitsnede risicokaart

Inrichtingen

Binnen de gemeente Epe zijn 5 (geprojecteerde) Bevi bedrijven gelegen: 4 LPG tankstations en 1 propaantank > 13 m3. Deze laatste is gelegen binnen het plangebied en heeft een planologisch knelpunt dat opgelost zou kunnen worden middels dit plan. Dit houdt in:

  • Bevi categorie vastleggen binnen bestemmingsplan met maximering van het risico. Het risico hangt samen met het aantal lossingen propaan. Binnen het bestemmingsplan is een veiligheidszone Bevi of LPG opgenomen voor deze situaties.
  • geen kwetsbare objecten binnen 35 m rond de propaantank;
  • geen bijzonder kwetsbare objecten (vermindert zelfredzame personen) binnen het invloedsgebied (235 m).


De invloedsgebieden van enkele LPG tankstations liggen binnen het plangebied. Het groepsrisico ten gevolge van deze LPG tankstations zal in de toelichting worden verantwoord, gebruikmakend van de reeds aanwezige risicoberekeningen en verantwoordingsprocedures.


Vervoer gevaarlijke stoffen

Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen dient op dit moment de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen te worden gehanteerd. Op dit moment wordt echter wel gewerkt aan nieuwe wet- en regelgeving, met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet. Binnen het plangebied behoort de A50 tot de route gevaarlijke stoffen. Raadpleging van de Risicoatlas wegtransport gevaarlijke stoffen leert dat de A50 een plaatsgebonden-risicocontour heeft van minder dan 1.0 10-6/jr. en een groepsrisico dat beneden de oriënterende waarde ligt.


Ook provinciale wegen zijn doorgaande routes voor gevaarlijke stoffen. Uit onderzoek blijkt dat binnen de gemeente Epe geen provinciale wegen zijn gelegen met een groepsrisico groter dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde.

Buisleidingen

In het onderhavige plangebied liggen enkele aardgastransportleidingen van de Gasunie (zie onderstaande afbeelding). Sinds 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Dit besluit geldt voor buisleidingen en heeft dezelfde opbouw als het Bevi. Het Ministerie van Infrastructuur en Milieu geeft aan dat de Plaatsgebonden Risicocontour PR 10-6 en het Groepsrisico van deze leiding met het programma CAROLA in kaart moeten worden gebracht, om vervolgens een vertaling naar het bestemmingsplan te laten plaatsvinden.


Het projectbureau externe veiligheid heeft in 2011 reeds berekend dat het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde blijft (DOS2011-501338). Hierbij is uitgegaan van zeer hoge personendichtheden. Zeer waarschijnlijk zal ook 0,1 maal de oriëntatiewaarde niet worden overschreden. Deze zal al niet overschreden worden bij een personendichtheid van 10 personen per hectare voor het buitengebied. Dat is hoger dan de werkelijke personendichtheid. Alleen waar bebouwde kommen binnen het invloedsgebied liggen, moet dit nader bepaald worden (Vaassen).

In overleg met de Regionale Uitvoeringsdienst (RUD) wordt deze nadere berekening in het kader van het bestemmingsplan uitgevoerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0232.BG028Buitengebied-OBP1_0024.jpg"

Uitsnede risicokaart met ligging van de gasleiding

Natuurbrandpreventie

Op verzoek van de gemeente Epe heeft de Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland (VNOG) in het voorjaar van 2014 geadviseerd over het ontwerpbestemmingsplan buitengebied van deze gemeente. De veiligheidsregio is wettelijk adviseur op basis van de Wet Veiligheidsregio's (Wvr) en het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Een groot gedeelte van het buitengebied van deze gemeente bestaat uit bos en natuurgebied. In haar advies schenkt de VNOG daarom ook aandacht aan het omgevingsrisico natuurbranden door opnemen van een natuurbrandpreventie paragraaf in dit bestemmingsplan.
Met het opnemen van deze paragraaf in het bestemmingsplan wordt beoogd om de aandacht voor natuurbrandrisico's structureel te borgen in het gemeentelijk beleid van ruimtelijke ordening. De gemeente Epe geeft hiermee uitvoering aan één van de aanbevelingen in het "Eindadvies pilot natuurbrandpreventie Epe en Nunspeet" (oktober 2012). Het is voor het eerst in ons land, dat een dergelijke paragraaf een plaats krijgt in een bestemmingsplan buitengebied.


Ruimtelijke maatregelen en natuurbranden

Op de Veluwe komen natuurbranden komen met enige regelmaat voor. Meestal betreft het kleine branden. Soms betreft het grotere en moeilijk beheersbare natuurbranden.

Maatregelen in het kader van natuurbrandpreventie richten zich op het voorkomen van natuurbrand en beperken van de gevolgen van natuurbranden uit het oogpunt van maatschappelijke veiligheid. Dit betreft ook maatregelen in de ruimtelijke ordening, aangezien de bos- en natuurgebieden op de Veluwe gekenmerkt worden door een grote mate van intensieve verwevenheid van allerlei bestemmings- en gebruiksfuncties.

Voorbeelden van ruimtelijke maatregelen uit het oogpunt van natuurbrandpreventie zijn:

  • bluswatervijvers en de ontsluiting van bluswatervoorzieningen;
  • fysieke maatregelen die de ontvluchting van het terrein verbeteren;
  • fysieke maatregelen die terrein bereikbaar en toegankelijk maken voor hulpdiensten.


Er zijn ook natuurbrandpreventiemaatregelen mogelijk die specifiek gericht zijn op het voorkomen en te beperken van brandverspreiding en brandoverslag: bij brand in een gebouw of onderkomen op het terrein, bij een natuurbrand op het terrein of met het oog op een natuurbrand op een aangrenzend terrein.

  • Een deel van deze maatregelen richt zich met name op het beperken van brandrisicovolle vegetatie (soort, samenstelling en compartimentering). Een voorbeeld is het inrichten van bufferzones met brandvertragende vegetatie rondom een kwetsbaar object (zoals een groepsaccommodatie of gebouw met een zorgfunctie) of een kwetsbaar deel van het natuurgebied (bijvoorbeeld een kampeerterrein);
  • Een ander deel van deze maatregelen richt zich met name op het beperken van brandoverslag. In dat geval kunnen minimumeisen gesteld worden aan de afstand tussen gebouwen en onderkomens voor recreatieve nachtverblijf;
  • Sommige maatregelen vervullen tegelijkertijd meerdere functies. Een brandgang maakt het de hulpdiensten mogelijk om bij calamiteiten bij moeilijk te bereiken plekken te komen en de slangen uit te rollen en gaat tegelijkertijd verspreiding en overslag van natuurbrand tegen.


Maatwerk in overleg met grondeigenaren

Bij een advies over natuurbrandpreventie gaat het vrijwel altijd om maatwerk in overleg met de grondeigenaren. In formulering van de natuurbrandpreventieparagraaf is daar uitdrukkelijk rekening mee gehouden.

De toevoeging dat nadere eisen uit het oogpunt van natuurbrandpreventie altijd in stand komen in samenspraak met de grondeigenaar is cruciaal. Dit stelt bos- en natuureigenaren in de gelegenheid om in overleg te kijken waar ze mogelijk in hun reguliere beheerscyclus mee kunnen werken aan natuurbrandpreventie. In het overleg met grondeigenaren over eventuele aanpassing van beplanting is het daarbij van belang rekening te houden met de mate waarin deze beplanting als bron van inkomsten voor de grondeigenaar fungeert.


Grondslag voor de advisering

De nader te stellen eisen komen altijd tot stand op advies van de brandweer / veiligheidsregio. Dit in samenspraak met de grondeigenaren . Als basis voor dit advies geldt de Wet veiligheidsregio (Wvr, artikelen 3, 10 en 25). Hierbij neemt de brandweer / veiligheidsregio het omgevingsrecht in acht, in het bijzonder de bouw-, milieu- en natuurregelgeving in relatie tot brandveiligheid en externe veiligheid.


Relatie met de Brandbeveiligingsverordening

Er is voor gekozen te adviseren om de natuurbrandpreventieparagraaf op te laten nemen in het bestemmingsplan buitengebied van de gemeente Epe in aanvulling op de Brandbeveiligingsverordening die elke gemeente dient te hebben. Met het opnemen van een dergelijke paragraaf regelt de gemeente toepassing van maatregelen op het gebied van natuurbrandpreventie die betrekking hebben op de ruimtelijke ordening.

Relatie met AMvB Brandveilig gebruik overige plaatsen

Sinds enige tijd werkt het ministerie van Veiligheid en Justitie aan de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Brandveilig Gebruik Overige Plaatsen. Dit is de AMvB die de Brandbeveiligingsverordening gaat vervangen, zoals het Gebruiksbesluit in 2008 de Bouwverordening verving . De voorgenomen AMvB is op 1 januari 2014 nog niet in werking getreden. De brandbeveiligingsverordening blijft voorlopig gehandhaafd.

Ook voor deze AMvB geldt dat deze betrekking heeft op het brandveilig gebruik van overige plaatsen en niet op maatregelen in de ruimtelijke ordening.

Conclusie

  • De invloedzones van de lpg-stations zijn opgenomen in het bestemmingsplan voor zover deze binnen het plangebied vallen.
  • De bevi inrichting grote propaantank is in overleg met de RUD nader in het bestemmingsplan geregeld.
  • Voor de gasleidingen wordt de aan te houden afstand ter weerszijden van de leidingen in het bestemmingsplan vastgelegd.
  • Het groepsrisico van de gasleiding in de buurt van Vaassen wordt in overleg met de RUD nog nader berekend.

4.5 Geluid

In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) bevinden zich langs wegen geluidszones. In buitenstedelijk gebied geldt voor wegen, bestaande uit vijf of meer rijstroken een zone van 600 m, voor drie of vier rijstroken een zone van 400 m en voor wegen bestaande uit één of twee rijstroken een zone van 250 m, gemeten vanuit de as van de weg. Binnen de zone moet in het geval van een nieuwe situatie met een geluidsgevoelige bestemming onderzoek worden verricht naar de optredende geluidsbelasting. Een aantal wegen heeft geen zone, te weten:

  • wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied;
  • wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km per uur geldt.


Binnen het plangebied zijn geen wegen waarvoor een maximum snelheid geldt van 30 km/uur. Voor de overige wegen buiten de bebouwde kom geldt een geluidszone van 250 m.

Nieuwe situaties binnen de zones van deze wegen moeten in beginsel voldoen aan de voorkeursgrenswaarde 48 dB. Daarboven kan in een beperkt aantal gevallen onder voorwaarden een ontheffing worden verleend.

Voor nieuwe ontwikkelingen waarvoor het bestemmingsplan gewijzigd wordt, moet rekening gehouden worden met de Wet geluidhinder. Nieuwbouw binnen de mogelijkheden van het bestemmingsplan moeten voldoen aan het Bouwbesluit, zodat ook via deze weg rekening wordt gehouden met geluid.


Industrielawaai

In de Wgh is bepaald dat rond industrieterreinen waarop bepaalde krachtens de Wm aangewezen inrichtingen zijn gevestigd of zich mogen vestigen (grote lawaaimakers), een geluidszone moet zijn vastgesteld. Met deze zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel lawaaimakers als aan woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Lawaaimakers kunnen aan de ene kant hun geluidsproducerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de lawaaimakers toe.


Geluidzones industrieterrein

Voor het industrieterrein Kweekweg (in Epe) geldt op basis van de Wgh een geluidzone.


Conclusie

Specifiek akoestisch onderzoek is voor dit bestemmingsplan niet noodzakelijk. Het bestemmingsplan biedt namelijk geen mogelijkheden voor het bouwen van nieuwe burger- of bedrijfswoningen. Daarnaast zijn alleen ontwikkelingen opgenomen, voor zover deze reeds zijn voorzien van een voldoende ruimtelijke onderbouwing (zo nodig inclusief akoestisch onderzoek). Al met al wordt daardoor voldaan aan de eisen uit de Wgh. Het opnemen van de geluidszones is daarom niet noodzakelijk.

4.6 Luchtkwaliteit

Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wm. De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing).

Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit.

De ministerraad heeft op voorstel van de minister van VROM ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden.

Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd.

Luchtkwaliteit ten gevolge van wegverkeer

In het voorkeursalternatief zal er maar op een beperkt aantal locaties sprake zijn van uitbreiding conform de maximale mogelijkheden, omdat dan aangetoond moet worden dat er geen sprake zal zijn van negatieve effecten in omliggende Natura 2000-gebieden. Veelal zal uitbreiding op de ene locatie gepaard gaan met een stoppend agrarisch bedrijf elders.

Per saldo zal er dus slechts sprake zijn van een beperkte verandering in verkeersintensiteiten. Uitgaande van een gelijkmatige verdeling van de bedrijven over het plangebied is de toename van het verkeer per wegvak zeer beperkt.

Er is daarmee sprake van een nibm-situatie (niet in betekenende mate). Op het onderdeel fijn stof ten gevolge van het wegverkeer zal er zeker geen sprake zijn van knelpuntsituaties.


Luchtkwaliteit (intensieve) veehouderijen

In het kader van het planMER heeft onderzoek plaatsgevonden naar de uitstoot van fijnstof bij intensieve veehouderijen. Kortheidshalve wordt hierbij verwezen naar het planMER.

In het planMER wordt geconcludeerd dat door de uitbreidingsmogelijkheden van veehouderijen (voornamelijk vanwege de intensieve veehouderij) in het voorkeursalternatief (worst-case invulling) het leefklimaat t.a.v. fijn stof ten opzichte van de referentiesituatie kan verslechteren. Ook zorgt de veronderstelde opvulling van de latente ruimte in de vergunningen voor een verslechtering van de fijn stof-emissie. Het voorkeursalternatief (worst-case invulling) is op het criterium bedrijfsvoering (fijn stof) beoordeeld als negatief (-) ten opzichte van de referentiesituatie.

Bij deze conclusie is evenwel geen rekening gehouden met de in het bestemmingsplan opgenomen regeling voor uitbreiding van veehouderijen, ter bescherming van omliggende Natura 2000-gebieden; zie paragraaf 3.4.3. Daarmee zijn de ontwikkelingsmogelijkheden voor veehouderijen veel minder milieubelastend dan waarvan in het voorkeursalternatief (worst-case invulling) is uitgegaan. Uitbreiding van veehouderijen is daarmee namelijk alleen mogelijk indien emissiebeperkende maatregelen worden genomen. Deze maatregelen zijn primair gericht op de beperking van ammoniakemissie, maar zullen in veel gevallen ook leiden tot een beperking van de emissie van fijnstof. Bovendien zal in het kader van de benodigde milieuvergunning altijd beoordeeld worden of deze voldoet aan de Wet luchtkwaliteit.

4.7 Gezondheid

In het planMER is aangegeven dat er nog onvoldoende wetenschappelijke kennis is om een effectbeoordeling te kunnen geven ten aanzien van gezondheidsrisico’s van het bestemmingsplan. De effectbeoordeling is daarom beperkt zich tot een samenvatting van het advies “Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen” van de gezondheidsraad van 30 november 2012.

De essentie van het advies is dat het niet bekend is tot welke afstand omwonenden van veehouderijen verhoogde gezondheidsrisico’s lopen. Daarom is er niet op wetenschappelijke gronden één landelijke ‘veilige’ minimumafstand vast te stellen tussen veehouderijen en woningen. Omwonenden zijn echter vaak ongerust, en dat verdient serieuze aandacht. Daarom zouden gemeenten samen met de GGD (Gemeenschappelijke GezondheidsDienst) en belanghebbenden lokaal beleid moeten ontwikkelen met minimumafstanden. Die kunnen namelijk wel op beleidsmatige gronden vastgesteld worden.

Aangezien in het bestemmingsplan geen grote uitbreidingsmogelijkheden zijn opgenomen voor veehouderijen (onder andere door het vastleggen van een ammoniakemissieplafond per veehouderij; zie paragraaf 3.4.3) en voornamelijk de geldende bouwvlakken zijn overgenomen, wordt ingeschat dat de gezondheidsrisico's van dit bestemmingsplan niet heel groot zullen zijn.

Op grond van het toetsingsadvies van de Commissie m.e.r. over het planMER is vanuit het voorzorgprincipe wel indicatief in kaart gebracht in hoeverre woningen liggen binnen een straal van 250 m rondom veehouderijen en het aantal bedrijven dat veehouderij en recreatie combineert. Daartoe zijn onderstaande afbeeldingen opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0232.BG028Buitengebied-OBP1_0025.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0232.BG028Buitengebied-OBP1_0026.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0232.BG028Buitengebied-OBP1_0027.png"

Agrarische bedrijven met een nevenactiviteit recreatie of zorg

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting

Een bestemmingsplan is een planologische regeling die zowel de burger als de overheid rechtstreeks bindt. De regels en verbeelding dienen als één geheel te worden beschouwd en kunnen niet los van elkaar worden gezien.
De toelichting op de regels en verbeelding zijn niet juridisch bindend, maar biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van bestemmingen heeft geleid en kan bovendien dienst doen bij planinterpretatie. Om inzicht te geven in de juridische opzet zijn hierna de systematiek en de opbouw van het bestemmingsplan toegelicht.
Eerst wordt ingegaan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen, vervolgens op de verbeelding. Daarna wordt aangegeven op welke wijze de regels in algemene zin zijn opgebouwd en de bestemmingsartikelen in het bijzonder. Tot slot wordt ingegaan op een aantal toetsingsaspecten.

5.1 Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012)

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten te digitaliseren. Volgens het Besluit ruimtelijke ordening is het verplicht dat een nieuw bestemmingsplan in digitale vorm wordt vastgesteld. Dit moet gebeuren volgens de RO-standaarden, RO-standaarden en regels 2012. Voor het digitaliseren c.q. standaardiseren van bestemmingsplannen is de Standaard voor Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) ontwikkeld.
Ook moet van het plan een analoge versie worden vastgesteld. Van een bestemmingsplan is er dus altijd een digitale en een analoge (papieren) (verschijnings)vorm. Deze zijn beide rechtsgeldig. Bij onduidelijkheid of een tegenstrijdigheid is de digitale weergave van doorslaggevende betekenis.

Onder vorige wetten werden bijna geen bepalingen gesteld over de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan. Hierdoor zijn er in de praktijk zeer verschillende bestemmingsplannen ontstaan. Dit, terwijl leesbaarheid, raadpleegbaarheid en helderheid voor de gebruiker van het bestemmingsplan van groot gewicht zijn. Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen van groot belang voor degenen die deze plannen in grotere samenhang wensen te bezien. SVBP 2012 maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. Zo zijn bijvoorbeeld de bestemmingen en begripsbepalingen in alfabetische volgorde opgenomen en vloeit de naam van een bestemming voort uit een standaardlijst, waaruit ingevolge de SVBP 2012 gekozen dient te worden. Kenmerk van de bestemmingen is dat het gehele plangebied ermee (vlaksgewijs) is bedekt. Een bestemmingsplan kan ook dubbelbestemmingen bevatten. Deze overlappen bestemmingen en geven eigen regels, waarbij sprake is van een rangorde tussen de bestemmingen en de dubbelbestemmingen. De dubbelbestemmingen hoeven het gehele plangebied niet te bedekken.


Aanduidingen (functieaanduiding of gebiedsaanduiding) worden gebruikt om bepaalde zaken binnen een bestemming of dubbelbestemming nader of specifieker te regelen. Het gaat hierbij om specificaties met betrekking tot het gebruik of de bouwmogelijkheden. De aanduidingen hebben daardoor juridische betekenis en komen ook altijd in de regels van het bestemmingsplan voor.

De SVBP 2012 voorziet overigens uitsluitend in een systematische wijze van bestemmen en er wordt uitdrukkelijk op gewezen dat de standaarden geen betrekking hebben op de inhoud van een bestemmingsplan. Wel kent het SVBP 2012 een aantal onderdelen die verplicht moeten worden overgenomen in een bestemmingsplan, zoals de wijze van meten.

5.2 Verbeelding

De verbeelding (plankaart) heeft een belangrijke rol bij het bepalen van de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden in het plangebied. Daartoe zijn op de verbeelding bestemmingsvlakken en aanduidingen opgenomen. Deze aanduidingen zijn in de vorm van een vlak weergegeven. Deze aanduiding is digitaal altijd aan te klikken en zal dan oplichten, waardoor duidelijk is wat de grens van het aanduidingsvlak is. Op www.ruimtelijkeplannen.nl is hiervoor ‘het verrekijkertje’ voor de opgesomde aanduiding aan te klikken. Het vlak zal dan rood oplichten. In de regels wordt hiervoor de formulering “ter plaatse van de aanduiding ‘…’” gebruikt. Hiermee wordt dus het aanduidingsvlak bedoeld en niet de plek van het weergegeven symbool of de afkorting.


Op de papieren kaart zijn functieaanduidingen en bouwaanduidingen begrensd door een ‘haaientandlijn’ en worden maatvoeringsaanduidingen weergegeven door een onderbroken lijn. Bij onduidelijkheid of een tegenstrijdigheid is de digitale weergave van doorslaggevende betekenis. Anders gezegd, de papieren kaart heeft hierin geen betekenis meer.

Voorbeeld:

Agrarische bedrijfsgebouwen zijn slechts toegestaan binnen de op de kaart ingetekende (agrarische) bouwvlakken. Op de verbeelding is de begrenzing van bouwvlakken met een raster met vrij dikke belijningen uitgevoerd.

Aan de ondergrondgegevens op de verbeelding, zoals ingetekende gebouwen, kunnen geen rechten worden ontleend. Daar staat tegenover dat het ontbreken van dergelijke ondergrondgegevens ook niet leidt tot een beperking van rechten. De ondergrondgegevens hebben dus uitsluitend een illustratief karakter.

5.3 Regeling

De regels zijn standaard als volgt opgebouwd:

  • Hoofdstuk 1 bevat de begripsbepalingen en een bepaling over de wijze van meten; deze worden opsommingsgewijs in alfabetische volgorde gegeven en dienen als referentiekader voor de overige regels.
  • Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingen.
  • Hoofdstuk 3 bevat enkele algemene regels, zoals de antidubbeltelbepaling, de procedurebepaling en algemene regels ten aanzien van omgevingsvergunningen.
  • Hoofdstuk 4 tenslotte bevat het overgangsrecht en de slotregels met daarin de titel van het bestemmingsplan.

De bestemmingen vangen steeds aan met de bestemmingsbenaming. Daarna wordt in de bestemmingsomschrijving weergegeven voor welke doeleinden de betreffende gronden bestemd zijn. Vervolgens wordt in de bouwregels aangegeven welke bouwwerken bij recht mogen worden opgericht en welke situerings- en maatvoeringseisen hiervoor gelden. In sommige bestemmingen wordt bovendien nader ingegaan op de toegestane voorzieningen. Vervolgens is een gebruiksbepaling opgenomen waarin wordt aangegeven dat gronden en opstallen niet in strijd met de bestemming mogen worden gebruikt. Voor de duidelijkheid is een aantal situaties aangegeven die in ieder geval in strijd met de bestemming worden geacht.

Om bepaalde ontwikkelingen te sturen, respectievelijk in de hand te houden, is bij sommige bestemmingen tevens gekozen voor het opnemen van omgevingsvergunnings- en wijzigingsbepalingen. Na het doorlopen van een in het bestemmingsplan nader uiteengezette procedure, kan aan deze ‘flexibliteitsbepalingen’ medewerking worden verleend.

Om te voorkomen dat bestemmingen gefrustreerd worden, zijn diverse bestemmingen voorzien van een stelsel van omgevingsvergunningen voor werken en werkzaamheden. Hierin is geregeld dat een aantal werken en werkzaamheden verboden is, tenzij het bevoegd gezag hiervoor een omgevingsvergunning heeft afgegeven.

De belangrijkste omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden zijn overzichtelijk opgenomen in Artikel 47 van de planregels. Voor de agrarische gronden zijn deze vergunningen gekoppeld aan de aanduidingen voor de zones uit het landschapsontwikkelingsplan (zie paragraaf 3.1.2 ). Werkzaamheden die de kwaliteiten van deze landschappen kunnen aantasten zijn dan gekoppeld aan een vergunning. Dat betekent niet dat deze werkzaamheden niet zijn toegestaan, maar dat vooraf moet worden afgewogen in hoeverre aantasting van de landschapskwaliteiten plaatsvindt. Als dat niet het geval is, kan een omgevingsvergunning worden verleend. Of dat de werkzaamheden anders worden uitgevoerd, zodat er geen aantasting plaatsvindt.

Daarnaast geldt ook een stelsel van omgevingsvergunningen voor de aanduiding 'overige zone - beschermingszone natte landnatuur'. Hierbij wordt beoordeeld of de kwaliteiten van het naastgelegen natte natuurgebied door de voorgenomen werkzaamheden negatief worden beinvloedt. Het stelsel van omgevingsvergunningen betreft dus vooral werkzaamheden die de waterhuishouding kunnen beinvloeden. Daarnaast hebben aanwezig kleischotten ook invloed op de waterhuishouding. Bij graafwerkzaamheden binnen deze aanduiding moet de aanvrager middels onderzoek aantonen dat deze werkzaamheden geen invloed hebben op de mogelijk aanwezige kleischotten en daarmee geen negatief effect hebben op de waterhuishouding.

Het kan dus voorkomen dat er een omgevingsvergunning nodig is voor zowel een landschapszone als de beschermingszone natte landnatuur. Dat betekent dat bij de beoordeling van de omgevingsvergunning zowel getoetst moet worden op de effecten voor de landschapskwalititeiten als de effecten op de natte landnatuur.

5.4 Wijze van toetsen

In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de manier waarop activiteiten aan het bestemmingsplan getoetst moeten worden. Daartoe wordt eerst een werkwijze voorgesteld. Vervolgens wordt ingegaan op een aantal in de regels gehanteerde termen. Het gaat daarbij onder meer om ‘open normen’. Deze worden gebruikt omdat het in veel gevallen onmogelijk is om eenduidige harde criteria op te stellen. Enerzijds omdat daarmee de nodige flexibiliteit in een plan wegvalt en anderzijds omdat het bestemmingsplan een momentopname is waarbij vooraf onmogelijk met alle situaties rekening kan worden gehouden.

Werkwijze

Om te kunnen beoordelen of bepaalde zaken of ontwikkelingen passen binnen het regiem van het bestemmingsplan, wordt de volgende werkwijze geadviseerd:

  • 1. Ga op de verbeelding na welke bestemming(en) en aanduidingen voor de gronden zijn opgenomen waarop de onderzoeksvraag/aanvraag betrekking heeft;
  • 2. Kijk in de regels naar de bepalingen van het artikel van de bestemming die voor de gronden geldt;
  • 3. Beoordeel of het aangevraagde/geconstateerde past binnen de bestemmingsomschrijving. Hierbij dienen meteen de nadere detaillering van de bestemming en de gebruiksbepaling te worden meegenomen omdat die een nadere uitleg/inperking geven van de bestemmingsomschrijving;
  • 4. Luidt het antwoord op punt 3 ja, dan moet in het geval van een bouwwerk tevens worden gekeken of deze ook past binnen de bouwregels;
  • 5. Voor zover er tevens werken/werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde, moeten worden uitgevoerd (waarbij gedacht kan worden aan werkzaamheden die bodem-/grondverzet met zich meebrengen) dan moet bovendien worden nagegaan of er een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden verplicht is gesteld;
  • 6. Indien aan de punten 3, 4 en 5 wordt voldaan of kan worden voldaan, dan kan medewerking worden verleend, waarbij het bevoegd gezag eventueel nog gebruik kan maken van de aan haar toekomende bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen, teneinde de aanvraag beter te kunnen inpassen.
  • 7. Luidt het antwoord op de punten 3, 4 en/of 5 nee, dan kan nog worden gekeken of het plan voor dit aspect voorziet in een omgevingsvergunnings- of wijzigingsmogelijkheid (dit zijn de zogenaamde flexibiliteitbepalingen). Is dit zo, dan dient een nadere afweging te worden gemaakt in hoeverre afwijken van het bestemmingsplan in dit geval gewenst is. Voorzien de flexibiliteitbepalingen niet in een afwijkingsmogelijkheid of wordt afwijken onwenselijk geacht, dan dient het verzoek te worden afgewezen c.q. het geconstateerde (in principe) te worden gehandhaafd wegens strijd met het bestemmingsplan, tenzij het een situatie betreft waarop het overgangsrecht toeziet.

Onevenredige aantasting

Op deze open norm wordt op diverse plaatsen in de regels teruggegrepen. Vooral in de criteria bij de flexibiliteitbepalingen (omgevingsvergunnings- en wijzigingsbevoegdheden) en de bepalingen bij de omgevingsvergunningen voor werken en werkzaamheden, wordt regelmatig aangegeven dat "geen onevenredige aantasting" van bepaalde waarden mag plaatsvinden. Ook op een enkele plaatsen in de nadere detaillering van de bestemming en in de nadere eisenregeling worden deze woorden aangetroffen. Deze terminologie vraagt om een op de specifieke situatie toegesneden beoordeling.

Voorbeeld:

Wanneer gesteld wordt dat de cultuurhistorische waarde van bebouwing niet onevenredig mag worden aangetast, moet bijvoorbeeld worden gekeken of nieuw op te richten bebouwing de cultuurhistorische bebouwing niet geheel of grotendeels aan het zicht onttrekt.
Cultuurhistorische bebouwing moet immers beleefd worden en het 'inbouwen' is dan ook niet wenselijk.

Bij de beoordeling zullen dus steeds de bestaande situatie, de aanvraag, de tijdelijke gevolgen en de toekomstsituatie tegen elkaar moeten worden afgewogen. Er mag wel sprake zijn van een aantasting, maar deze mag niet dusdanig zijn dat de kwaliteit en/of kwantiteit van de te beschermen waarden in te grote mate afneemt. In de toelichting worden diverse handreikingen geboden ten aanzien van de doelstellingen en belangen die worden behartigd met het bestemmingsplan. Zo is beschreven welke waarden binnen het plangebied voorkomen en wat het karakter van die waarden is.

Afweging van belangen

Het bevoegd gezag mag zelfstandig afwegen of een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden kan worden verleend. Voor deze afweging is inzicht nodig in het belang van de uitvoering van desbetreffende werken en/of werkzaamheden enerzijds en de schadelijkheid voor de aanwezige waarden anderzijds. Vervolgens kan het belang van de ingreep worden afgewogen tegen de negatieve effecten op de aanwezige waarden.

Veel werken en werkzaamheden hebben tot doel een verbetering van de waterhuishouding, verkaveling en ontsluiting van agrarische gronden. De diverse landbouwsectoren stellen aan de basisinrichting deels verschillende eisen. Het landbouwkundig belang van deze werken en werkzaamheden is daarmee afhankelijk van het belang van verbetering van deze inrichtingsfactoren voor de specifieke landbouwsector. De volgende factoren spelen daarbij een rol:

  • de grondgebondenheid van de productie (akkerbouw, tuinbouw, melkveehouderij);
  • de gevoeligheid / hoogwaardigheid van de teelt (tuinbouw);
  • de intensiteit van het grondgebruik door grondbewerking;
  • de afstand tot bedrijfsgebouwen (voor akkerbouw is exploitatie van gronden op afstand veelal goed in te passen in een doelmatige bedrijfsvoering; melkveehouderij, vollegrondstuinbouw en fruitteelt vragen een directere relatie met de bedrijfsgebouwen).

In hoeverre de werken en werkzaamheden schadelijk zijn voor de aanwezige waarden is afhankelijk van:

  • de precieze locatie van de uit te voeren werken en werkzaamheden;
  • de omvang, (diepte, oppervlakte);
  • het tijdstip van de uitvoering;
  • de wijze van uitvoering.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Handhaving

Bij het opstellen van een bestemmingsplan voor het buitengebied speelt handhaving een belangrijke rol. Een goed bestemmingsplan kenmerkt zich niet alleen door middel van een goede beheerslaag en ontwikkelingsmogelijkheden, maar ook door middel van heldere regels en concreet gemeentelijk handhavingsbeleid.


Handhaving van bestaande regels is ook van steeds groter belang. Hierbij wordt de praktijk van gedogen steeds vaker omgezet naar minder regels met een betere handhaving. Om deze reden is het noodzakelijk de bestaande situatie in het plangebied goed te inventariseren. Deze gegevens zijn, naast de geldende rechten op grond van vigerende bestemmingsplannen een belangrijke onderlegger geweest voor het bestemmingsplan.


Het strikt handhaven van vergunningen, regels en procedures geeft duidelijkheid en maakt de samenleving veiliger. Het gedogen moet worden tegengegaan. Overbodige regels en onduidelijke regelgeving zijn daarom getracht zoveel mogelijk achterwege te laten.

6.2 Uitvoerbaarheid regeling uitbreiding veehouderijen

Om negatieve effecten op Natura 2000-gebieden te voorkomen, is in het bestemmingsplan geregeld dat de uitbreiding van veehouderijen niet is toegestaan bij recht, maar alleen door middel van toepassing van een afwijkingsbevoegdheid bij een omgevingsvergunning, waarbij als criterium geldt dat er geen sprake mag zijn van een toename van de ammoniakdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden.

De uitvoerbaarheid van een dergelijke regeling dient aangetoond te worden, c.q. dat een dergelijke regeling 'in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening'. In essentie komt het er daarbij op neer dat onderbouwd moet worden dat de regeling ook daadwerkelijk gebruikt kan worden. Anders gezegd: onderbouwd moet worden dat er uitbreidingsruimte kan ontstaan, zonder dat er sprake is van toename van de depositie in omliggende Natura 2000-gebieden.


Dit is langs twee sporen mogelijk:

  • 1. een veehouder die zijn stallen wil uitbreiden kan oude stallen (met een hoge ammoniakemissiefactor) slopen en daarvoor in de plaats een grotere moderne stal bouwen met een lage emissiefactor. Hierbij is er dus sprake van een uitbreiding van een veehouderij, zonder dat de ammoniakemissie toeneemt. De depositie in omliggende Natura 2000-gebieden zal dan dus ook niet toenemen.
  • 2. Een andere mogelijkheid is saldering, waarbij tegelijkertijd met de uitbreiding van de ene veehouderij een andere veehouderij stopt.


Ad 1.

Om aan te tonen dat er op deze manier uitbreidingsruimte kan ontstaan, kan een berekening worden gemaakt, waarbij per veehouderij de bestaande stalsystemen zijn omgezet in een stalsysteem met de best beschikbare staltechnieken (BBT).
De huidige, bij de agrarische bedrijven in gebruik zijnde, stalsystemen zijn soms niet als emissiearm te kwalificeren. Voor de systemen die in het plangebied veel in gebruik zijn, geldt voor bijvoorbeeld vrouwelijk melkvee ouder dan 2 jaar een emissiefactor van 9,5 Kg NH3/dierplaats/jaar. Deze stalsystemen kunnen worden vervangen door systemen die tot een lagere ammoniakemissie leiden en dus een lagere emissiefactor hebben. Het systeem dat op dit moment beschikbaar is en dat op grond van de inrichting van de stal tot de laagste emissie leidt, heeft een emissiefactor van 4,1 Kg NH3/dierplaats/jaar voor melkvee. Hierdoor kunnen er door aanpassing van het staltype meer dieren worden gehouden, zonder dat de ammoniakemissie toeneemt.

Voor de rundveebedrijven kan er op deze manier een forse emissieruimte ontstaan. Op een vergelijkbare manier kan ook bij de varkens- en kippenbedrijven worden berekend dat er meer dieren gehouden kunnen worden zonder toename van de ammoniakemissie, waarvoor extra uitbreidingsruimte wenselijk of noodzakelijk kan zijn.


Vanzelfsprekend verschillen op deze manier de uitbreidingsmogelijkheden per agrarisch bedrijf. Niettemin is hiermee wel aangetoond dat in beginsel bij veel agrarische bedrijven het mogelijk is om de veestapel uit te breiden en extra veestallen te bouwen, zonder dat dit hoeft te leiden tot een toename van de huidige ammoniakemissie. Daarmee is aangetoond dat de opgenomen afwijkingsregeling uitvoerbaar is.


Ad 2.

Daarnaast kan de uitvoerbaarheid worden aangetoond door saldering. Een bedrijf kan er voor kiezen om gebruik te maken van de emissieruimte in de vorm van saldering van een stoppende veehouderij. Dat wil zeggen dat op de ene plek een bedrijf stopt. Op die locatie is er dan geen sprake meer van ammoniakemissie en dus ook niet van ammoniakdepositie. De depositieruimte op hetzelfde Natura 2000-gebied kan dan door een andere veehouderij worden gebruikt om de veestapel te vergroten, waardoor er per saldo geen sprake is van een toename van de ammoniakdepositie. Door te bepalen wat de ammoniakdepositie op voor verzuring en vermesting kwetsbaar Natura 2000-gebied is, die het gevolg is van de beide betrokken bedrijven, kan worden bepaald wat de ammoniakemissie mag zijn nadat de veestapel is overgenomen. De emissie van het groeiende bedrijf mag zodanig toenemen dat de ammoniakdepositie als geheel niet toeneemt.


De mate waarin hiervan gebruik kan worden gemaakt, is afhankelijk van de afstand van het stoppende bedrijf tot het betreffende Natura 2000-gebied, van het staltype van de uitbreidende veehouderij e.d.

Hiermee is aangetoond dat het bestemmingsplan ruimte kan bevatten voor uitbreiding van veehouderijen, zonder dat dit hoeft te leiden tot een toename van de ammoniakdepositie in omliggende Natura 2000-gebieden.
De in het bestemmingsplan opgenomen juridische regelingen waarborgen dat er geen negatieve effecten ontstaan. Het bestemmingsplan is op dit onderdeel dan ook uitvoerbaar en in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening.

6.3 Economische uitvoerbaarheid

Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) inwerking getreden met daarin opgenomen een afdeling omtrent grondexploitatie, afdeling 6.4. Het doel van deze afdeling is om de mogelijkheden voor gemeentebesturen om kosten te verhalen, eisen te stellen aan de inrichting, de kwaliteit of de realisatie van bouwlocaties te verbeteren. Dit brengt met zich mee dat de gemeente bij de vaststelling van het bestemmingsplan, een wijziging als bedoeld in artikel 3.6 lid 1 Wro, een projectbesluit of een beheersverordening kosten moet verhalen. Deze verplichting is vastgelegd in artikel 6.12 Wro.


Bouwplan

In artikel 6.12 Wro is bepaald dat een exploitatieplan vastgesteld dient te worden voor gronden waarvoor men voornemens is een bouwplan op te stellen. In artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) is het bouwplan gedefinieerd. De nieuwbouw of uitbreiding van een woning of een hoofdgebouw zijn onder meer bouwplannen.

In het Bestemmingsplan Buitengebied Epe worden dergelijke bouwmogelijkheden mogelijk gemaakt. De vraag rijst of voor deze bouwmogelijkheden een verplichting geldt om een exploitatieplan op te stellen of zijn de kosten anderszins verzekerd?


Nieuwe hoofdgebouwen

In het Bestemmingsplan Buitengebied Epe worden mogelijkheden geboden om agrarische bouwvlakken te vergroten. Door het vergroten van deze bouwvlakken kunnen nieuwe hoofdgebouwen gerealiseerd worden. Gezien het voorgaande zijn ook hoofdgebouwen bouwplannen in de zin van artikel 6.2.1 Bro. In de Nota van toelichting bij het Besluit ruimtelijke ordening wordt gesteld dat de eerste bouwaanvraag, die tot gevolg heeft dat het perceel in gebruik wordt genomen, wordt aangemerkt als de aanvraag voor een hoofdgebouw. Dat er in een later stadium op hetzelfde perceel nog een gebouw wordt gebouwd dat zal fungeren als hoofdgebouw, doet niet ter zake. De exploitatiebijdrage voor het kostenverhaal dient te worden verbonden aan de eerste bouwaanvraag, dus als het agrarisch bouwperceel in gebruik wordt genomen. Dit heeft tot gevolg dat voor bouwmogelijkheden die ontstaan doordat bouwpercelen vergroot worden geen kostenverhaal nodig is. Er worden immers geen nieuwe bouwpercelen gerealiseerd. Deze gebouwen zijn niet aan te merken als hoofdgebouwen in de zin van artikel 6.2.1 Bro.


Voor overige ontwikkelingen die niet vallen onder bovengenoemde categorie, worden overeenkomsten gesloten waarmee het kostenverhaal wordt afgedekt.


Overige ontwikkelingen

Overige ontwikkelingen die zich voordoen in het plangebied zullen uitsluitend onder de wijzigingsbevoegdheden vallen. Uit het voorgaande blijkt dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan nog niet hoeft vast te staan dat deze kosten worden verhaald. Bij de toepassing van de wijzigingsbevoegdheden zal eerst worden bezien of er een kostenverhaalovereenkomst kan worden gesloten. In het uiterste geval kan worden overwogen om bij wijzigingsbevoegdheden een exploitatieplan vast te stellen.

Conclusie

Voor het Bestemmingsplan Buitengebied Epe is het niet nodig om een exploitatieplan op te stellen. De te verhalen kosten zijn anderszins verzekerd of de bouwmogelijkheden zijn niet aan te merken als een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro.

6.4 Planschade

Bij het opstellen van het bestemmingsplan zijn de risico's op planschade voorafgaand ingeschat. Als een belanghebbende door het nieuwe bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, kan hij bij de gemeente 'planschade' claimen.


Het voorliggende bestemmingsplan is hoofdzakelijk een conserverend plan, waarin de bestaande rechten zoveel mogelijk zijn gerespecteerd. Daarnaast worden er vrijwel geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Er is dan ook geen planschade te verwachten als gevolg van dit bestemmingsplan.


Bij iedere nieuwe aanvraag wordt bezien of er planschade mogelijk is. Indien dit het geval kan zijn, zal met de belanghebbende aanvrager een overeenkomst worden gesloten zoals bedoeld in artikel 6.4a van de Wro. Daarmee kan worden voorkomen dat de gemeenschap voor de planschadekosten moet opdraaien die gemaakt worden in het belang van de aanvrager.

6.5 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het voorontwerp bestemmingsplan Buitengebied heeft met ingang van 26 maart 2014 gedurende zes weken in het kader van de inspraak ter inzage gelegen bij de Publiekswinkel in het gemeentehuis te Epe. Ook is het plan via www.ruimtelijkeplannen.nl in te zien geweest. Tevens is het voorontwerp bestemmingsplan in het kader van het zogenoemde "artikel 3.1.1 Bro - overleg" verstuurd naar de verschillende overlegpartners. Gedurende de genoemde termijn zijn circa 150 inspraakreacties en 12 overlegreacties ingediend. Om de beantwoording van de reacties overzichtelijk te houden is er voor gekozen om de reacties onder te verdelen per onderwerp en deze in verschillende deelnota's op te nemen. De volgende reactienota's zijn opgesteld en in de bijlagen opgenomen:

Het bestemmingsplan is aangepast op basis van hetgeen in de inspraaknota's is aangegeven. Daarnaast zijn er de nodige ambtshalve wijzigingen doorgevoerd. Dit betreft onder andere het vertalen van de provinciale Omgevingsvisie en Omgevingsverordening die in het najaar van 2014 zijn vastgesteld.