direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Glastuinbouw Luttelgeest / Marknesse, fase 3
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0171.BP00679-VO01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

In het gebied ten zuidoosten van de Baarlooseweg te Marknesse is het initiatief gekomen voor de oprichting van twee grootschalige glastuinbouwbedrijven. Het gebied is momenteel nog grotendeels ingericht als akkerbouwland. Het vigerende bestemmingsplan Glastuinbouw Luttelgeest / Marknesse voorziet in de realisatie van glastuinbouwbedrijven, maar biedt onvoldoende ruimte voor moderne, grootschalige glastuinbouwbedrijven. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in een passende juridisch-planologische regeling voor het hele plangebied.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied ligt ten zuiden van het reeds gerealiseerde glastuinbouwgebied ten noorden van Marknesse. Het betreft akkerbouwland, waarop planologische mogelijkheden bestaan voor de realisatie van glastuinbouwbedrijven. Het plangebied ligt ten noordoosten van de Oosterringweg en Vollenhoverweg, ingeklemd tussen de Baarloseweg en de Marknesservaart. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1.1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0171.BP00679-VO01_0001.png"

Figuur 1.1 De ligging van het plangebied

1.3 Geldende bestemmingsplannen

Het plangebied is geregeld in het bestemmingsplan Glastuinbouw Luttelgeest / Marknesse, dat is vastgesteld op 18 februari 2010. Het is hierin grotendeels bestemd met een agrarische bestemming, ten behoeve van glastuinbouw en grondgebonden agrarische bedrijven.

De locatie kan op grond van het bestemmingsplan vrijwel volledig worden bebouwd met kassen en gebouwen ten behoeve van glastuinbouwbedrijven tot een goot- en bouwhoogte van 9, respectievelijk 11 meter. Een gedeelte van het terrein, aan de zijde van de Oosterringweg, kan alleen worden bebouwd met kassen indien er ten zuiden daarvan een groene zone wordt aangelegd. Op een deel van het plangebied ligt bovendien de aanduiding 'waterzuiveringsinstallatie', waar via een afwijking van het bestemmingsplan een rioolwaterzuiveringsinstallatie gerealiseerd kan worden.

In de bijlage is een overzicht opgenomen van de relevante regelingen in het geldende bestemmingsplan (Bijlage 1). De geldende planregels staan in de eerste kolom, vervolgens wordt uiteengezet welke wijzigingen nodig zijn om tot een moderne regeling te komen waarbinnen het voorgenomen initiatief past.

1.4 Leeswijzer

Na dit hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving van het plan gegeven. Daarbij wordt ingegaan op de gewenste ontwikkeling en op de ruimtelijke en functionele inpassing daarvan in de bestaande structuur. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van het van belang zijnde beleidskader, waarna in hoofdstuk 4 een toetsing aan de omgevingsaspecten volgt. Wanneer deze van toepassing zijn, worden daarbij de uitgangspunten voor het bestemmingsplan genoemd. In hoofdstuk 5 volgt een toelichting op de in het bestemmingsplan opgenomen regeling. Het laatste hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan, waarbij aandacht wordt besteed aan de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid.

Hoofdstuk 2 Beschrijving van het plan

2.1 Huidige situatie

In het gebied rondom Luttelgeest, met name ten oosten van de Oosterringweg, zijn al lange tijd glastuinbouwbedrijven aanwezig. Het heeft zich ontwikkeld tot een grootschalig glastuinbouwgebied. In 2010 is het bestemmingsplan Glastuinbouw Luttelgeest / Marknesse vastgesteld voor het nog te ontwikkelen gebied. Dit gebied is nog gedeeltelijk in gebruik als akkerbouwland.

De planlocatie maakt deel uit van het glastuinbouwgebied tussen Luttelgeest en Marknesse. Dit gebied vanuit het noorden, ter hoogte van Luttelgeest, in zuidelijke richting ontwikkeld. Vanaf de Kalenbergerweg zijn de moderne (meer grootschalige) glastuinbouwbedrijven aanwezig. Voor het gebied tot aan de Baarloseweg zijn vergunningen (in afwijking van het bestemmingsplan) verleend voor dergelijke glastuinbouwbedrijven van de initiatiefnemers.

Het plangebied ligt ten zuiden van de Baarloseweg. Dit is reeds bestemd voor glastuinbouw en vormt daarmee de afronding van het totale glastuinbouwgebied. Binnen dit gebied (aangeduid op de luchtfoto in figuur 2.1) zijn twee relatief kleinschalige glastuinbouwbedrijven aanwezig. Verder liggen er langs de Oosterringweg en de Baarloseweg erven van grondgebonden agrarische bedrijven en woningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0171.BP00679-VO01_0002.png"

Figuur 2.1 Luchtfoto plangebied

2.2 Voorgenomen initiatief

Initiatiefnemers hebben het voornemen om twee moderne glastuinbouwbedrijven op te richten aan de Baarloseweg (tussen Baarloseweg, Oosterringweg, Vollenhoveweg en Marnesservaart. Dit initiatief wordt fase 3 genoemd. Uit eerdere initiatieven was al gebleken dat het geldende bestemmingsplan Glastuinbouw Luttelgeest/Marknesse niet voorziet in de wensen voor moderne glastuinbouwbedrijven.

Bij de vaststelling van het bestemmingsplan, 10 jaar geleden, was het de gedachte dat er in het gebied meerdere typen bedrijven van kleinere omvang zouden vestigen. De glastuinbouw wordt echter steeds grootschaliger. De regels van het geldende bestemmingsplan bieden onvoldoende ruimte voor de beoogde ontwikkeling. Behalve de grotere schaal van de bedrijven, wordt extra ruimte gevraagd voor samenwerkingsverbanden, energie-en watervoorzieningen en onderzoek en innovatie.

Al gerealiseerde of in realisatie zijnde grote glastuinbouwbedrijven (fase 2) zijn op basis van een uitbreide Wabo-procedure in afwijking van het bestemmingsplan vergund. Nu het om twee bedrijven gaat, wordt voorgesteld om het bestemmingsplan te wijzigen. Op deze manier kan voor de afronding van het totale glastuinbouwgebied een eenduidige een moderne regeling gelden. Dit biedt zowel voor de glastuinbouwbedrijven als voor omwonenden en andere belanghebbenden rechtszekerheid, duidelijkheid en perspectief.

Voor een uitgebreid overzicht van de regeling wordt verwezen naar de bijlage (Bijlage 1). Hierin is een overzicht opgenomen van de vigerende planregels, de voor het voorgenomen initiatief gewenste modernisering daarvan en hoe dit in het voorliggende bestemmingsplan is verwerkt.

De voorgestelde inrichting van de glastuinbouwlocatie is weergegeven in figuur 2.2.

afbeelding "i_NL.IMRO.0171.BP00679-VO01_0003.jpg"

Figuur 2.2 Voorgestelde inrichting glastuinbouwlocatie (indicatief)

2.3 Ruimtelijke inpassing

Het huidige bestemmingsplan voorziet vooral in de bouw van kassen, maar slechts een beperkte hoeveelheid bedrijfsgebouwen. In het voorliggende plan is een percentage bedrijfsbebouwing opgenomen van 12,5%. Daarmee wordt meer ruimte geboden aan de moderne bedrijfsvoering, maar tegelijkertijd wordt geborgd dat het gebied de uitstraling houdt van een glastuinbouwgebied. Het kan met deze regeling nadrukkelijk geen bedrijventerrein worden.

De bouwhoogte van kassen blijft met 11 meter gelijk aan het vigerende bestemmingsplan. De maximum goothoogte van 9 meter wordt echter losgelaten. Op de grote schaal van het kassencomplex heeft het beperken van de goothoogte geen effect op de ruimtelijke kwaliteit. Het toepassen van een goothoogte op een grote bebouwingsoppervlakte leidt tot een reeks evenwijdige zadeldaken die zich vanuit de omgeving manifesteren als een plat dak.

Door de huidige nokhoogte van 11 meter te handhaven wordt de ruimtelijke impact tot een minimum beperkt. Op grote afstand een hoogte van 25 meter toestaan wijzigt het beeld vanaf de openbare weg nauwelijks. Dit is gevisualiseerd in onderstaande figuur.

De bouwhoogte van bedrijfsgebouwen wordt in het plan verhoogd naar 25 meter, echter alleen op een minimale afstand van 200 meter tot het hart van de omringende wegen. Op deze grotere afstand wijzigt het beeld vanaf de openbare weg nauwelijks ten opzichte van lagere bebouwing dichter op de weg. Zie figuur 2.3.

Vanuit het landschap zal de hogere bebouwing mogelijk wel meer zichtbaar zijn, maar door het toepassen van een passende kleurstelling (lichtgrijs) wordt dit effect beperkt. Door het toepassen van een met bomen beplante strook aan de rand van het dorp, vindt verdere inperking van het effect plaats. Deze is in het bestemmingsplan opgenomen als de bestemming 'Groen'. De realisatie en instanthouding hiervan is in de regels geborgd doormiddel van een voorwaardelijke verplichting.

afbeelding "i_NL.IMRO.0171.BP00679-VO01_0004.jpg"

Figuur 2.3 Visualisatie bouwhoogte in relatie tot afstand vanaf de weg

Het plangebied kent in het huidige bestemmingsplan een zonering, parallel aan de omringende wegen. Ook in het nieuwe bestemmingsplan wordt deze zonering aangebracht, namelijk als volgt:

  • een zone tot 78 meter vanuit het hart van de weg, waarin geen bouwwerken mogelijk zijn behoudens de bestaande woningen en bedrijfspanden, waterbassins tot een hoogte van 1 meter zijn toegestaan mits voorzien van een met gras ingezaaid flauw talud;
  • een zone vanaf 78 meter vanuit het hart van de weg, waarin kassen mogen worden gebouwd en waterbassins tot 4 meter hoogte mits landschappelijk ingepast (bijvoorbeeld door deze te voorzien van een met gras ingezaaid flauw talud);
  • een zone vanaf 103 meter vanuit het hart van de weg, waarin kassen, bedrijfsgebouwen, installaties en bassins kunnen worden gebouwd, met een maximumhoogte vergelijkbaar met de huidige mogelijkheden, plus schoorstenen tot 25 meter hoogte;
  • een zone vanaf 200 meter, waarin een hogere bouwhoogte van bedrijfsgebouwen en installaties wordt geboden (tot 25 meter), plus schoorstenen tot 50 meter hoogte.

In figuur 2.4 is deze zonering gevisualiseerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0171.BP00679-VO01_0005.jpg"

Figuur 2.4 Zonering van het plangebied

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. Met de Structuurvisie zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijke beleid. De nieuwe Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vervangt verschillende bestaande nota's zoals de Nota Ruimte, de agenda Landschap en de agenda Vitaal Platteland.

Het Rijk laat de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies en kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op 14 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk voor de resultaten. Buiten deze 14 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

In de SVIR is 'de ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd. De ladder is ook als procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Dit houdt in dat de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling bevat. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, moet er tevens gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Onderhavig plangebied is reeds bestemd voor de realisatie van glastuinbouw (kassen). De scope van het bestemmingsplan verschuift van de traditionele, kleinschalige glastuinbouw, zoals 10 jaar geleden beoogd, naar de realisatie van moderne, grootschalige glastuinbouwbedrijven. De regeling wordt gemoderniseerd, maar de ontwikkeling legt geen nieuw ruimtebeslag op het open landelijk gebied.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Dit bestemmingsplan raakt geen rijksbelangen zoals deze genoemd zijn in het Barro.


Conclusie rijksbeleid

Er zijn geen rijksbelangen uit het Barro in het geding.

3.2 Provinciaal beleid

Omgevingsvisie FlevolandStraks

De provincie Flevoland heeft op 8 november 2017 de Omgevingsvisie FlevolandStraks vastgesteld. Deze omgevingsvisie vormt een strategisch plan op hoofdlijnen voor de lange termijn. De omgevingsvisie FlevolandStraks komt in de plaats van het Omgevingsplan 2006. FlevolandStraks is een visie die nog niet is vertaald naar een beleidskader. Dit wordt nog uitgewerkt. Daarom vormt het Omgevingsplan uit 2006 nog het provinciaal beleidskader voor dit bestemmingsplan.

In de omgevingsvisie worden geen specifieke uitspraken gedaan over glastuinbouwgebieden.

Omgevingsplan Flevoland 2006

In het Omgevingsplan Flevoland (vastgesteld door Provinciale Staten op 2 november 2006) is het omgevingsbeleid van de provincie Flevoland voor de periode 2006-2015 neergelegd, met een doorkijk naar 2030. Het Omgevingsplan is een bundeling van de vier wettelijke plannen op provinciaal niveau: Streekplan, Milieubeleidsplan, Waterhuishoudingsplan en Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan (PVVP).

De provincie wil de vitaliteit van het landelijk gebied vergroten en de gebruiksmogelijkheden ervan meer afstemmen op de maatschappelijke behoeften. Door de schaalvergroting in de landbouw komen veel agrarische bouwpercelen vrij. De provincie wil naast de landbouw ruimte bieden aan nieuwe functies in het landelijk gebied ter verbreding van het economisch draagvlak.

Als vrijkomende agrarische bouwpercelen of gedeelten daarvan een ander gebruik krijgen, dan mogen deze nieuwe (niet-agrarische of agrarisch aanverwante) functies de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten van het gebied niet aantasten. Ook moet rekening worden gehouden met de landschappelijke en cultuurhistorische basiskwaliteiten. Vestiging van activiteiten die bij uitstek thuishoren op een bedrijventerrein of in of aansluitend aan het bebouwde gebied wordt in principe niet toegestaan. De activiteiten moeten in principe kleinschalig van karakter zijn. De bebouwingsmogelijkheden dienen hierop te zijn afgestemd. Milieuhygiënisch, landschappelijk en verkeerskundig (veiligheid en verkeers- aantrekkende werking) ongewenste effecten moeten worden voorkomen.

Kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied

De beleidsregel 'kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied' biedt het kader voor verschillende ontwikkelingen in het landelijk gebied.

Als het beleidskader van het Omgevingsplan en deze beleidsregel te beperkend blijken voor ontwikkelingen die bijdragen aan de vitaliteit van het landelijk gebied, dan is de provincie bereid dat kader op experimentele basis te verruimen. Voorwaarde is dan wel dat hieraan een tussen gebiedspartners overeengekomen integraal plan voor dat gebied ten grondslag ligt, waarin een kwaliteitsimpuls voor het gebied wordt aangetoond. De provincie kan aan de verruiming van het regime de voorwaarde stellen dat verevening plaatsvindt van kosten en opbrengsten van onderdelen van het plan of programma. Een gebiedsplan om het planologisch regime te verruimen moet inzicht bieden in:

  • de ambities voor het versterken van de vitaliteit van het landelijk gebied;
  • het waarborgen en verbeteren van de kwaliteit van het landelijk gebied (natuur, landschap, cultuurhistorie, aardkundige waarden, extensieve vormen van recreatie), bijvoorbeeld door eisen van verevening en randvoorwaarden voor nieuwe functies te stellen;
  • de wijze waarop met de bestaande situatie en functies in het gebied wordt omgegaan;
  • de wijze waarop hierbij omgegaan wordt met natuurwaarden (saldobenadering);
  • de wijze waarop het experiment past binnen de ontwikkelingsvisie 2030 en bijdraagt aan de provinciale opgaven voor de speerpunten.

Conclusie provinciaal beleid

In de provinciale omgevingsvisie FlevolandStraks worden geen specifieke uitspraken gedaan over glastuinbouwgebieden. De omgevingsvisie staat niet in de weg aan het plan.

In het Omgevingsplan Flevoland geeft de provincie aan naast de landbouw ruimte te willen bieden aan nieuwe functies in het landelijk gebied ter verbreding van het economisch draagvlak. Nieuwe functies mogen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten van het gebied niet aantasten. Ook moet rekening worden gehouden met de landschappelijke en cultuurhistorische basiskwaliteiten. Met dit bestemmingsplan wordt een nieuwe functie (glastuinbouw) mogelijk gemaakt op agrarische gronden. Door de zonering die op de verbeelding is opgenomen, gekoppeld aan regels voor positionering en hoogtemaatvoering van gebouwen en waterbassins, wordt een landschappelijk aanvaardbare inrichting van de ruimte gewaarborgd. De toetsing aan de landschappelijke en cultuurhistorische waarden zoals voorgeschreven in het Omgevingsplan is in dit bestemmingsplan beschreven in de paragrafen 2.3 en 4.7.

Het plan is in overeenstemming met het provinciaal beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid

Structuurvisie Noordoostpolder 2025

In de structuurvisie 2025, die is vastgesteld op 9 december 2013, wordt de visie van de gemeente Noordoostpolder op de toekomstige ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden van de Noordoostpolder geschetst. De structuurvisie is vooral bedoeld om te enthousiasmeren, te verleiden en te inspireren en andere partijen als het ware uit te nodigen om te komen met initiatieven en investeringen.

De opgave ten aanzien van het landschap is het ontwikkelen van een stimulerend beleid voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waarbij gebruik wordt gemaakt van de cultuurhistorische waarden van een gebied. De keuze óf ontwikkelingen mogelijk zijn is minder belangrijk dan wáár deze ontwikkeling een plek kan krijgen.

Conclusie gemeentelijk beleid

Met dit plan wordt een gebied ingericht als glastuinbouwgebied, zoals dat reeds 10 jaar is beoogd. Het verschil zit erin dat het nieuwe bestemmingsplan ruimte biedt aan moderne, grootschalige glastuinbouwbedrijven. Er is een concrete aanleiding om dit plan op te stellen, passend bij de wensen en eisen van twee initiatiefnemers die voornemens zijn hun bedrijf hier te vestigen. De geldende stedenbouwkundige randvoorwaarden, zoals de bebouwingszones van 78, 103 en 200 meter afstand tot de omringende wegen, blijft in dit nieuwe bestemmingsplan gehandhaafd.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Milieuzonering

Toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:

  • ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;
  • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk', in gemengd gebied wordt de richtafstand met één afstandsstap verlaagd. Voor een rustige woonwijk geldt een gemiddelde geluidbelasting op woningen van 45 dB ten opzichte van 50 dB in een gemengd gebied. Daarmee komt de normstelling in een gemengd gebied overeen met de normen uit het Activiteitenbesluit.

Onderzoek

Dit bestemmingsplan maakt het moderniseren van de mogelijkheden voor glastuinbouwbedrijven in een grootschalig glastuinbouwgebied mogelijk. De beoogde activiteiten zijn ook op basis van het geldende bestemmingsplan al mogelijk. De ruimte bouwmogelijkheden zijn wel gericht op een hogere productie en met een daarmee samenhangende verhoogde verkeersgeneratie en distributieactiviteiten en eventueel meer grootschalige stookinstallaties. Al deze functies zijn momenteel ook al mogelijk en worden in het vergunningenspoor aan normen gebonden. De woningen in en direct nabij het plangebied liggen allemaal in en aansluitend aan dit glastuinbouwgebied. Gezien de ligging een intensief agrarisch (glastuinbouw)gebied, omringd door akkerland, kassen, bedrijvigheid en enkele woningen, kan de omgeving getypeerd worden als gemengd gebied.

Glastuinbouwbedrijven kennen geen grote mate van hinder voor de omgeving. Deze bedrijven vallen in milieucategorie 2. Conform de VNG-publicatie geldt voor glastuinbouw een richtafstand van 30 meter tot gevoelige functies in een rustige woonwijk. Dit gebied is echter aangemerkt als gemengd gebied, waarbij de richtafstand met een afstandsstap verlaagd kan worden, naar 10 meter. Aan deze afstand tussen de beoogde nieuwbouw en de bestaande woonpercelen kan voldaan worden.

Aandachtspunt bij de beoordeling op basis van richtafstanden is wel dat er in de VNG-brochure wordt uitgegaan van gemiddelde bedrijfsvoering. Binnen het plangebied is sprake van relatief grootschalige bedrijven met een sterk geconcentreerde distributie en potentieel gecombineerde installaties. De distributie van producten en de continu geluidsbronnen van bijvoorbeeld stookinstallaties zijn voor de bedrijven maatgevend voor eventuele hinder ter plaatse van woningen.

Een distributiebedrijf valt onder milieucategorie 3.1, waarbij een richtafstand van 50 meter wordt aangehouden in een rustige woonwijk. Omdat het plangebied is aangemerkt als gemengd gebied, wordt de richtafstand met één afstandsstap verlaagd tot 30 meter. De distributie vindt plaats aan de zijde van de Baarloseweg, via een nieuw aan te leggen parallelweg. De woningen aan de Baarloseweg liggen op meer dan 30 meter vanaf deze parallelweg en op nog grotere afstand van het laden en lossen. Onevenredige hinder op dit vlak is daarom ook in redelijkheid uitgesloten.

De (stook)installaties moeten op minimaal 103 meter vanaf de Baarloseweg worden gesitueerd op basis van dit bestemmingsplan. Daarmee is ook op dit punt gewaarborgd dat deze op voldoende afstand van woningen komen. Hier geldt dat het Activiteitenbesluit waarborgd dat de geluidbelasting binnen de normen blijft. Dit is door het toepassen van geluidsreducerende maatregelen altijd mogelijk.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van de omliggende woningen ook in de toekomstige situatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect milieuhinder staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg. Vanuit een goede ruimtelijke ordening zijn er dan ook geen belemmeringen voor de gemoderniseerde regels.

4.2 Verkeer en parkeren

Verkeerstechnische inpassing

De ontsluiting vindt plaats op de Baarloseweg, die direct aansluit op de provinciale weg N715. In eerste instantie wordt een verkeersaantrekkende werking van circa 180 vervoersbewegingen van licht verkeer per etmaal verwacht. Daarnaast wordt er rekening gehouden met 36 vervoersbewegingen van zware vrachtwagens per etmaal. Personeel komt voor een groot deel uit de directe omgeving, waarmee verkeersbewegingen tot een minimum worden beperkt.

Deze aantallen kunnen worden gerelativeerd met de wetenschap dat op grond van dit bestemmingsplan niet een veel grotere hoeveelheid verkeer wordt gegenereerd dan op basis van de vigerende planologische mogelijkheden.

Het plan ligt in een grootschalig glastuinbouwgebied. De ontsluitingsstructuur is hierop afgestemd en voldoende gedimensioneerd.

Parkeren

Ten aanzien van parkeren geldt dat er in de regels (artikel 12.1) is opgenomen dat bij een ontwikkeling moet worden voorzien in voldoende parkeerruimte en voldoende laad-/losgelegenheid. Er wordt in algemene zin verwezen naar de gemeentelijke parkeernormen. Tevens is een specifieke parkeernorm opgenomen ten behoeve van glastuinbouwbedrijven. De bij glastuinbouw te hanteren parkeernorm betreft 1,8 parkeerplaats per hectare glas. Indien niet aan de parkeernormen wordt voldaan, mag de beoogde bebouwing niet worden gebouwd en niet in gebruik genomen. Met de uiteindelijke inrichting van het plangebied dient hier rekening mee gehouden te worden.

Om de beoogde kassen te kunnen bouwen en gebruiken is het noodzakelijk een nieuwe ontsluitingsweg aan te leggen. In de regels is vastgelegd dat de bijbehorende overige bedrijfsbebouwing terugliggend moet worden gesitueerd ten opzichte van de kassen; daarmee ontstaat voldoende ruimte om te kunnen voorzien op voldoende parkeergelegenheid en laad-/losruimte op eigen terrein.

4.3 Geluid

Het aspect 'geluid' gaat over geluidhinder op geluidsgevoelige objecten als gevolg van verkeer en industrie. De Wet geluidhinder (Wgh) is hiervoor het toetsingskader. Rondom wegen met een maximumsnelheid van meer dan 30 km/uur, spoorwegen en aangewezen bedrijven(terreinen) zijn geluidszones van toepassing. Als er geluidsgevoelige objecten, zoals woningen, binnen deze zones worden toegevoegd, dan moet geluidsbelasting op de gevels hiervan worden bepaald en getoetst aan de normen. Er zijn er geen spoorwegen of geluidszoneringsplichtige industrie aanwezig, dus alleen het aspect 'wegverkeerslawaai' is aan de orde.

Beleid en normstelling wegverkeerslawaai

Wettelijke geluidzone wegen

Woningen worden door de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) als geluidgevoelige functie aangemerkt. Indien nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk worden gemaakt, dan is volgens de Wgh akoestisch onderzoek verplicht indien deze worden geprojecteerd binnen de geluidzone van een weg. Daarnaast dient op basis van jurisprudentie in het kader van een goede ruimtelijke ordening aannemelijk te worden gemaakt dat ook sprake is van een aanvaardbaar geluidniveau wanneer de ontwikkeling is gesitueerd nabij niet gezoneerde wegen (30 km/u wegen).

Bij de realisatie van een nieuwe ontwikkeling nabij geluidgevoelige functies (woningen), moet worden beoordeeld of de daarmee gepaard gaande verkeerstoename op de omringende wegen, geen onaanvaardbaar geluidniveau op de woningen tot gevolg heeft.

Effecten van het plan op de geluidsituatie

De toename van verkeer kan invloed hebben op bestaande geluidsgevoelige objecten in de omgeving. Het gaat in dit geval om een toename van 216 voertuigbewegingen per etmaal. De norm voor een significante invloed ligt op 1,5 dB. Vanaf deze toename is de invloed voor het menselijk gehoor hoorbaar.

De ontwikkeling genereert extra verkeer met een intensiteit van 180 vervoersbewegingen van licht verkeer per etmaal. Daarnaast wordt er rekening gehouden met 36 vervoersbewegingen van zware vrachtwagens per etmaal. De huidige intensiteit op de N715 bedraagt 3.100 mvt/etmaal (geluidsbelastingskaarten Flevoland). Een criterium voor de toename van geluid is het reconstructiecriterium Wgh van 1,5 dB, wat neerkomt op een toename van 40%. De toename met 208 mvt/etmaal is op alle ontsluitende wegen verwaarloosbaar. De effecten van de uitvoering van dit bestemmingsplan op de geluidsituatie zijn dus niet significant.

4.4 Water

Deze 'waterparagraaf' gaat in op de watertoets. Hierin wordt beoordeeld wat de effecten van het bestemmingsplan op de waterhuishouding zijn en of er waterschapsbelangen spelen. De belangrijkste thema's zijn waterveiligheid, de afvoer van schoon hemelwater en afvalwater en de waterkwaliteit.

Voor het plangebied geldt verder dat er een wijzigingsbevoegdheid was opgenomen ten behoeve van de realisatie van een waterzuivering. Daar het niet (meer) de intentie is om in dit gebied een waterzuiveringsinstallatie te realiseren, is deze wijzigingsbevoegdheid in dit bestemmingsplan komen te vervallen.

Proces van de watertoets

De ontwikkeling is via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Zuiderzeeland (dossiercode 20200922-37-24302). Vanwege de specifieke aard van het plan is een nauwere betrokkenheid van het waterschap noodzakelijk. Hierna worden per aspect de effecten van het plan op de waterhuishouding behandeld. Dit bestemmingsplan wordt overlegd met het waterschap. Op basis van een uitgangspuntennotitie is de waterparagraaf in het voorontwerpbestemmingsplan opgenomen. Het waterschap zal op basis hiervan, in het kader van het vooroverleg, een wateradvies sturen dat vervolgens in deze paragraaf wordt verwerkt.

Inleiding

Sinds 1 november 2003 is de toepassing van de watertoets wettelijk verplicht door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten (naast veiligheid en wateroverlast ook bijvoorbeeld waterkwaliteit en verdroging). De watertoets is een belangrijk procesinstrument om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in de ruimtelijke ordening. Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan.

De watertoetsprocedure kan op drie manieren gevolgd worden: de procedure geen waterschapsbelang, de korte procedure en de normale procedure. Welke procedure gevolgd moet worden hangt af van de implicaties van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding. De procedure geen waterschapsbelang en de korte procedure zijn bedoeld voor ruimtelijke plannen met beperkte gevolgen voor de waterhuishouding. Bij deze twee procedures kan de watertoets volledig digitaal doorlopen worden. De normale procedure is gericht op ruimtelijke plannen met relatief vergaande consequenties voor de waterhuishouding. In dit geval is actieve betrokkenheid van Waterschap Zuiderzeeland nodig.

De relevante randvoorwaarden voor het plan zijn gerangschikt onder zeven streefbeelden ingedeeld op basis van de drie waterthema's Veiligheid, Voldoende Water en Schoon Water.

Wet- en regelgeving en beleid

De belangrijkste wet- en regelgeving en beleid op het gebied van water is hier opgenomen.

KRW

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is in 2000 ingevoerd en heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratie en kwelgebieden). Door de inrichting van watergangen af te stemmen op de ecologie kan de ecologische toestand verbeterd worden. De KRW heeft het streven om emissies naar oppervlakte- en grondwater terug te dringen. Daarnaast zal de onttrekking van grondwater in evenwicht worden gebracht met de aanvulling van het grondwater.

Waterbeleid voor de 21e eeuw

De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. Een andere aanpak in het licht van verwachte ontwikkelingen inzake zeespiegelstijging, toenemende neerslag en rivierwaterafvoer en verdergaande bodemdaling is noodzakelijk. De adviezen van de commissie staan in het rapport Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw(WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes(drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

  • vasthouden, bergen en afvoeren
  • schoonhouden, scheiden en zuiveren

Waterwet

De Waterwet is op 22 december 2009 in werking getreden. Deze Waterwet bestaat uit een achttal wetten die zijn samengevoegd tot één wet.

De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de watersysteembenadering' centraal. De verantwoordelijkheden in het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten zijn in de Waterwet helderder vastgelegd. De voornaamste veranderingen zijn de invoering van de watervergunning en een verbeterde doorwerking van water in andere beleidsterreinen, met name het ruimtelijke domein.

Op grond van o.m. de Waterwet is voor gemeenten, naast het inzamelen en transporteren van vrijkomend stedelijk afvalwater een formele taak weggelegd voor het afvoeren van overtollig regenwater. In zoverre het inzamelen en transporteren van relatief schoon regenwater buiten de afvalwaterstroom doelmatig kan worden uitgevoerd, vindt deze gescheiden van de afvoer van het stedelijk afvalwater plaats. Het gebiedseigen water wordt op plaatsen waarvoor mogelijkheden aanwezig zijn, vastgehouden en geborgen in aanwezig stedelijk water en/of retentiestroken. Het bergen en vasthouden van regenwater op locatie mag niet leiden tot (water)overlast voor de woonomgeving. Tot slot heeft de gemeente een watertaak waterhuishoudkundige maatregelen te treffen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming(en) zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. In de Keur van het waterschap Zuiderzeeland, onderdeel uitmakend van de Waterwet, is aangegeven wat wel en niet mag bij waterkeringen en wateren (de zogenaamde waterstaatswerken).

Nationaal Waterplan

Het Nationaal Waterplan is vastgesteld op basis van de Waterwet en de Wet Ruimtelijke ordening (Wro). Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Belangrijke ambities hierin zijn het klimaatbestendig en waterrobuust inrichten van de ruimte. Het geeft maatregelen die in de periode 2016 - 2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Nederland voldoet met dit plan aan de Europese eisen beschreven in de KRW, de Richtlijn Overstromingrisico`s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KMS), het plan geldt als structuurvisie voor de ruimtelijke aspecten.

Waterbeheerplan Waterschap Zuiderzeeland

Het Waterbeheerplan 2016-2021 (WPB3) bevat langetermijndoelen (zichtjaar 2050), doelen voor de planperiode (2016-2021) en maatregelen die het waterschap (samen met gebiedspartners) uit gaat voeren. De doelen en maatregelen hebben betrekking op de kerntaken van het waterschap (waterveiligheid, schoon water, voldoende water) en het thema water en ruimte. Hierbij gaat het om reguliere werkzaamheden, zoals peilbeheer, onderhoud aan dijken en het zuiveren van afvalwater en om nieuwe ontwikkelingen.

Thema Veiligheid

Het plangebied ligt niet buitendijks.

Op basis van dit aspect zijn er geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing.

Het plangebied ligt niet in een beschermingszone van een overige waterkering.

Op basis van dit aspect zijn er geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing.

Thema Voldoende Water

Wateroverlast

Streefbeeld

Het watersysteem, zowel in landelijk als in stedelijk gebied, is op orde. Het hele beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen.

Het verharden van grond met bebouwing of bestrating leidt tot een versnelling van de afvoer van neerslag naar het watersysteem. Waar het verharde oppervlak als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling toeneemt, dienen compenserende maatregelen te worden genomen om piekafvoeren te verwerken. Afwenteling op omliggende gebieden wordt voorkomen en de bergingsruimte in het watersysteem blijft behouden.

Randvoorwaarde(n) wateroverlast

Het plangebied is gelegen in het landelijk gebied. Het verhard oppervlak neemt als gevolg van de ontwikkeling netto met 1.076.000 m2 toe. Omdat deze toename groter is dan 2.500 m2 is compensatie noodzakelijk.

Daarnaast wordt 4.862 m2 aan oppervlaktewater gedempt. Deze oppervlakte dient één op één te worden gecompenseerd.

Ontwerprichtlijnen compensatie toename verharding

De oppervlakte te realiseren waterberging is gerelateerd aan de maximaal toelaatbare peilstijging in het peilvak en de netto oppervlakte nieuw te realiseren verharding. Het plangebied is gelegen in een peilgebied waarbij 4,0% respectievelijk 5,5% van de netto toename aan verharding als open water moet worden gecompenseerd.

De beleidsregel 'Compensatie toename verhard oppervlak en versnelde afvoer' is begin 2013 door het waterschap vastgesteld. Vanaf het moment van vaststelling van de beleidsregel is de situatie van het beheergebied op dat moment het referentiekader geworden, oftewel de nulsituatie. De compensatieplicht geldt zodanig voor de netto toename van het verhard oppervlak voor een bouwvlak sinds begin 2013.

Bij de hantering van de bergingsnorm (onderdeel van beleidsregel compensatie toename verharding en versnelde afvoer) gaat het om het benodigde oppervlak open water op de hoogte van het streefpeil.

Oplossingen voor eventuele waterhuishoudkundige problemen worden bij voorkeur in het eigen projectgebied gevonden. Als dit niet mogelijk is, wordt dichtbij het projectgebied compensatie gezocht. Dit moet binnen hetzelfde peilgebied zijn of eventueel benedenstrooms.

De compensatie wordt niet later gerealiseerd dan de uitvoering van de rest van het plan. De reeds aanwezige ruimte voor berging mag niet afnemen.

Goed functionerend watersysteem

Streefbeeld

Het watersysteem zorgt in normale situaties voor een goede doorstroming en afwatering in het beheergebied en maakt het realiseren van het (maatschappelijk) gewenste grond- en oppervlaktewaterwaterregime (GGOR) mogelijk. Waterschap Zuiderzeeland streeft er naar dat de feitelijke situatie van het watersysteem overeenkomt met de legger. Op die manier kan het waterschap weloverwogen anticiperen op en reageren in extreme situaties.

Randvoorwaarde(n) goed functionerend watersysteem

Het waterschap streeft naar een robuust en klimaatbestendig watersysteem met grote peilvakken. Versnippering van het watersysteem is een ongewenste situatie. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan op bestaande peilvakken en de inrichting wordt afgestemd op de functie van het water.

In nieuwe watersystemen wordt gestreefd naar aaneengesloten waterelementen met een minimum aantal duikers en/of andere kunstwerken en zonder doodlopende einden. Het watersysteem wordt dusdanig ingericht dat het goed controleerbaar en beheersbaar is.

Met het oog op de uiteindelijke overname van het beheer en onderhoud van nieuw (stedelijk) water is het nodig dat het waterschap betrokken wordt bij de uitwerking van een plangebied naar een definitieve ontwerp van het watersysteem. Dit definitieve ontwerp behoeft de ambtelijke goedkeuring van het waterschap om overname uiteindelijk mogelijk te maken.

Anticiperen op watertekort

Streefbeeld

Het waterschap wil een robuust watersysteem dat voorbereid is op de effecten van toekomstige klimaatveranderingen. Tot nu toe ligt de nadruk bij klimaatveranderingen met name op meer extreme neerslag en stijging van de zeespiegel. Ook extreem droge periodes zullen echter vaker voor komen. Het robuuste watersysteem dat het waterschap nastreeft moet hier ook op anticiperen.

Uitgangspunt

In het hele beheergebied streeft het waterschap na dat de aanwezige functies worden gefaciliteerd door goed en voldoende water. Echter binnen een klimaatbestendig en robuust watersysteem past afhankelijkheid van wateraanvoer niet. Met het oog op toekomstige watertekorten is het wenselijk de hoeveelheid aanvoerwater zoveel mogelijk te beperken.

Randvoorwaarde(n)

Nieuwe watersystemen worden dusdanig ingericht dat ze zelfvoorzienend zijn. Uitbreiding van wateraanvoer bij de huidige functies is niet wenselijk. De afweging van wateraanvoer vindt plaats op basis van robuustheid, effectiviteit en efficiency. Hierbij geldt als uitgangspunt dat herverdeling van water binnen de polder de voorkeur heeft boven wateraanvoer van buiten de polder.

Thema Schoon Water

Goede structuurdiversiteit

Streefbeeld

Het waterschap streeft naar goede leef, verblijf- en voortplantingsmogelijkheden voor de aquatische flora en fauna in het beheergebied.

Uitgangspunt

Bij de inrichting van het watersysteem wordt gestreefd naar het realiseren van een ecologisch gezond watersysteem. Bij de dimensionering van het watersysteem wordt rekening gehouden met de te verwachten waterkwaliteit.

Randvoorwaarde(n) nieuw oppervlaktewater

Oppervlaktewater met een doelstelling voor goede chemische en/of biologische waterkwaliteit (vaak helder) wordt niet nadelig beïnvloed door water met een lagere waterkwaliteitsdoelstelling (vaak troebel).

Goede oppervlaktewaterkwaliteit

Streefbeeld

Het grond- en oppervlaktewater biedt leef-, verblijf-, en voortplantingsmogelijkheden voor de (aquatische) flora en fauna in het beheergebied. De chemische toestand van deze wateren vormt hier geen belemmering voor.

Uitgangspunten

In het ontwerp van het watersysteem wordt uitgegaan van het principe 'schoon houden, scheiden, zuiveren'. Verontreinigingen worden voorkomen of aangepakt bij de bron.

Randvoorwaarde(n)

Conform de Waterwet (Ww) is het verboden om zonder vergunning afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in welke vorm dan ook te brengen in oppervlaktewateren. Schoon hemelwater mag zonder waterstaatswerk direct geloosd worden op oppervlaktewater. Als hiervoor een voorziening zoals een drain of buis wordt aangebracht is hiervoor een vergunning nodig.

De voor demping van bestaande watergangen gebruikte materialen moeten voldoen aan de eisen uit het "Besluit bodemkwaliteit (BBK)" en/of de Waterbodemkwaliteitskaart van waterschap Zuiderzeeland.

Goed omgaan met afvalwater

Streefbeeld

Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het oppervlaktewater doordat ze water verontreinigen. Het waterschap zorgt met de regulering of behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan.

Verontreiniging van het oppervlaktewater door afvalwater (huishoudelijk afvalwater, vervuild hemelwater en bedrijfsafvalwater) wordt voorkomen.

Voor bestaand gebied wordt gestreefd naar het afkoppelen van niet-vervuild verhard oppervlak van het rioolstelsel. Het ombouwen van bestaande gemengde rioolstelsels naar "zuiverend" gescheiden stelsels heeft een sterke voorkeur. Afstromend hemelwater van vervuilde oppervlakken wordt gezuiverd.

Het afvalwater wordt aangesloten op het riool. Dit stelsel voert het afvalwater af naar het rioolgemaal in Luttelgeest. Voor fase 2 is de riolering in 2020 gerealiseerd.

4.5 Bodem

Toetsingskader

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient, in verband met de uitvoerbaarheid van een plan, rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd.

Onderzoek en conclusie

In het kader van de ontwikkelingen binnen het plangebied is historisch bodemonderzoek (Bijlage 2) en verkennend bodemonderzoek (Bijlage 3 en Bijlage 4) uitgevoerd. Uit het onderzoek volgt dat er sprake is van mogelijke bodemverontreiniging in de vorm van asbestverdachtheid. Naar aanleiding van deze onderzoeksresultaten is een nader bodemonderzoek uitgevoerd (Bijlage 5).

De Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek heeft de bodemonderzoeken getoetst. Geconcludeerd wordt dat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem een belemmering vormt voor de voorgestelde bouw en het beoogde gebruik van het terrein. Er is sprake van ernstige bodemverontreiniging in het kader van de Wet Bodembescherming. De ernst en omvang van de aangetroffen verontreiniging dient met nader onderzoek te worden vastgesteld.

PM: Nader onderzoek bodemverontreiniging wordt bijgevoegd bij het ontwerp van het bestemmingsplan.

4.6 Archeologie

Toetsingskader

Rijk en provincie stellen zich op het standpunt dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologisch erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken.

Doelstelling van het Verdrag van Valletta is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen.

Onderzoek en conclusie

De (geactualiseerde) Archeologische beleidsadvieskaart die voor het grondgebied van Noordoostpolder is vastgesteld (1 oktober 2018) geeft inzicht in de te verwachten archeologische waarden binnen het plangebied.

Hieruit blijkt dat voor een deel van het plangebied een lage archeologische verwachtingswaarde geldt. De betreffende gronden zijn daarmee vrijgegeven voor wat betreft archeologie en nader onderzoek is niet nodig. Indien bij de bodemingrepen toch archeologische resten worden aangetroffen geldt op grond van de Erfgoedwet een meldingsplicht.

Voor een klein deel van het plangebied geldt volgens de Archeologische beleidsadvieskaart de verwachtingswaarde WA-7, respectievelijk WA-8. Zie figuur 4.1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0171.BP00679-VO01_0006.jpg"

Figuur 4.1 Uitsnede Archeologische beleidsadvieskaart

Voor de gronden ter plaatse van de verwachtingswaarde WA-7 en WA-8 geldt dat er verkennend archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd. Dit onderzoek bestaat uit bureauonderzoek en een verkennend booronderzoek, ter plaatse van de te onderzoeken 16 ha. Daar waar uit de verkennende boringen blijkt dat dekzand intact is of waar veenlagen zijn aangetroffen, zal vervolgonderzoek plaatsvinden conform het archeologiebeleid.

PM: De resultaten uit het (verkennend) archeologisch onderzoek worden opgenomen in het ontwerp van dit bestemmingsplan.

4.7 Cultuurhistorie

Toetsingskader

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in een ruimtelijk plan een beschrijving opgenomen moet worden van de manier waarop met de aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden.

Onderzoek en conclusie

Binnen het plangebied bevindt zich één perceel met cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Dit perceel was in het hiervoor geldende bestemmingsplan voorzien van een aanduiding en bijbehorende regels. Dit betreft echter een gemeentelijk monument, welke niet (meer) wordt aangegeven op de verbeelding en in de regels van bestemmingsplannen. De gemeentelijke erfgoedverordening is hier onverminderd van toepassing. De mogelijkheden ten aanzien van dit perceel wijzigen met dit bestemmingsplan niet.

Verder zijn karakteristieke structuren en kenmerken in de omgeving aanwezig, zoals de laanbeplantingen en verkavelingspatronen. In dit geval worden de verkavelingspatronen gerespecteerd en worden kenmerkende erfsingels niet aangetast. Zo worden de aanwezige karakteristieken gerespecteerd. Het is niet noodzakelijk om nadere eisen te stellen ten aanzien van de bescherming van cultuurhistorische waarden.

De positionering en bouwhoogtes van gebouwen en waterbassins zijn geregeld doormiddel van aanduidingen op de verbeelding, waarmee de bestaande gelaagde inrichting van het gebied wordt gewaarborgd. In paragraaf 2.3 wordt nader toegelicht hoe deze zonering in dit bestemmingsplan is geregeld.

4.8 Ecologie

Toetsingskader

De bescherming van gebieden en de bescherming van soorten en hun verblijfplaatsen is geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de natuurwaarden van de omgeving en met beschermde plant- en diersoorten. Bij de bescherming van gebieden gaat het om op Europees niveau aangewezen Natura 2000-gebieden. Verder worden in de provinciale verordening gebieden beschermd die van belang zijn voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Onderzoek

Ten behoeve van de ontwikkeling geldt de verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten daarop ten gevolge van de ontwikkeling. Het rapportage van de ecologische quickscan is bijgevoegd als Bijlage 6. Het onderzoek naar mogelijke stikstofdepositie ten gevolge van de beoogde ontwikkeling op stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden is bijgevoegd als Bijlage 7.

Gebiedsbescherming

Het plangebied ligt in een intensief productiegebied, bestemd voor glastuinbouwbedrijven. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn de Weerribben en De Wieden, gelegen in Overijssel. Deze gebieden liggen op ongeveer 4,5 kilometer ten oosten van het plangebied. Het dichtstbijzijnde gebied behorende tot het Natuurnetwerk Nederland ligt op 750 meter afstand.

De ontwikkeling heeft geen verrijkende effecten. Voor de Natura 2000 gebieden geldt dat de afstand te groot is om effecten te kunnen verwachten, voor het gebied binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Gezien de aard en de omvang van de voorgestelde ontwikkeling en de afstand van het plangebied tot beschermde gebieden, kan worden gesteld dat dit bestemmingsplan geen (significante) effecten op de natuurwaarden in de omgeving heeft. Ten aanzien van mogelijke stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden is specifiek onderzoek uitgevoerd.

Er is een stikstof berekening uitgevoerd middels de AERIUS calculator, waarmee is berekend of sprake is van een mogelijke verhoging van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen. Uit dit onderzoek (Bijlage 7) blijkt dat zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase sprake is van stikstofdepositie. In de referentiesituatie, vóór de aanwijzing van de natuurgebieden als Natura 2000 gebieden, is echter ook sprake van stikstofdepositie. De gronden waren in 1993 aantoonbaar in gebruik als akkerland. Door de berekening van de toekomstige situatie te verrekenen met de referentiesituatie (intern salderen) komt de netto toename aan stikstofdepositie uit op 0,00 mol/ha/jaar. Hierdoor is de beoogde ontwikkeling mogelijk.

Op 1 januari 2020 is de Spoedwet Aanpak Stikstof in werking getreden. De stikstof berekening is uitgevoerd op 13 januari 2021. In het rapport wordt geconcludeerd dat een vergunning Wet natuurbescherming moet worden aangevraagd. Op 20 januari is echter een uitspraak gedaan door de Afdeling met betrekking tot de vraag of voor intern salderen een natuurvergunningplicht geldt. De Afdeling heeft deze vraag ontkennend beantwoordt, mits de uitkomst van het intern salderen niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar (AbRS 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:71). Uit het rapport blijkt dat bij dit project voldaan wordt aan de eisen voor het intern salderen zonder natuurvergunningplicht.

Soortenbescherming

Het plangebied betreft een kavel akkerbouwgrond binnen een glastuinbouwgebied. Het betreft een intensief productiegebied waar diverse ruimtelijke ontwikkelingen spelen. In het kader van de ontwikkeling van het gebied met grootschalige glastuinbouw is een oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna uitgevoerd. De rapportage is opgenomen in Bijlage 6. Uit de quickscan blijkt dat op voorhand niet uitgesloten kan worden dat de habitat van beschermde diersoorten wordt aangetast ten gevolge van de werkzaamheden. Er wordt daarom vervolgonderzoek uitgevoerd ten aanzien van de rugstreeppad.

Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient tevens de Algemene Zorgplicht ten aanzien van alle voorkomende flora en fauna. De te treffen maatregelen zijn beschreven in de quickscan en vormen geen beperking voor de beoogde ontwikkeling.

Conclusie

Er is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Uit de quickscan blijkt dat vervolgonderzoek ten aanzien van de rugstreeppad noodzakelijk is.

PM: Het vervolgonderzoek ten aanzien van de rugstreeppad wordt uitgevoerd en de resultaten hiervan in het ontwerp van het bestemmingsplan opgenomen.

Voor de overige flora en fauna geldt de Algemene Zorgplicht, welke geen belemmering vormt voor de uitvoering van de werkzaamheden. Verder is een stikstofonderzoek uitgevoerd uitgevoerd (AERIUS berekening). Met toepassing van interne saldering komt de stikstofdepositie uit op 0,00 mol/ha/jaar. Hieruit blijkt dat het plan geen significante negatieve effecten op Natura 2000 gebieden heeft.

4.9 Externe veiligheid

Toetsingskader

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

Risicovolle inrichtingen

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet aan deze normen worden voldaan.

Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties.

Vervoer van gevaarlijke stoffen

Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het inwerking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. 

Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten.  In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.

Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden.

Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.

Besluit externe veiligheid buisleidingen

Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking getreden. In dat besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de Minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen rekening gehouden met deze risicobenadering.

Onderzoek en conclusie

Over de zuidzijde van het plangebied ligt een hogedruk aardgastransportleiding. Het gaat om een relatief kleine leiding (8 inch, 40 bar). Tevens is er een gasontvangststation (GOS) aanwezig, van waaruit een nog kleinere leiding loopt. De leidingen en het GOS hebben een invloedsgebied van maximaal 95 meter. Daarmee wordt een een relatief klein gebied beïnvloed. Figuur 4.2. geeft het invloedgebied weer. Binnen dit gebied zal ten opzichte van demogelijkheden uit het geldende bestemmingsplan geen relevant toename van het aantal personen aan de orde zijn. Er is namelijk al glastuinbouw mogelijk. Bovendien is de bevolkingsdichtheid in het invloedgebied zeer klein, waarmee met zekerheid kan worden gesteld dat het risico ruim onder de oriëntatiewaarde ligt. Uit onderzoeken die zijn uitgevoerd in het kader van geldende bestemmingsplannen blijkt dat het groepsrisico op minder dan 10% van de oriëntatiewaarde ligt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0171.BP00679-VO01_0007.png"

Figuur 4.2 Ligging en invloedsgebied van de gasleiding. Bron: Grontmij (2011).

Geconcludeerd wordt dat het risico in beginsel te verantwoorden is. Hierover wordt advies ingewonnen bij de veiligheidsregio. Omdat het berekende GR zeer laag ligt en er zich in de autonome situatie geen knelpunten voordoen, wordt op voorhand geconcludeerd dat er vanuit het aspect externe veiligheid geen belemmeringen voor het bestemmingsplan bestaan.

4.10 Luchtkwaliteit

Toetsingskader

In de Wet milieubeheer zijn normen voor luchtkwaliteit opgenomen. Deze normen zijn bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging, tegen te gaan. Als maatgevend voor de luchtkwaliteit worden de gehalten fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) gehanteerd.

Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (2025) geldt in de directe omgeving van het plangebied een gemiddelde fijn stof concentratie (PM10) van 16 µg/m3 en een gemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2) van 9 µg/m3. De norm voor beide stoffen ligt op 40 µg/m3 (jaargemiddelde concentratie vanaf 2015). In de huidige situatie is dus sprake van een goede luchtkwaliteit.

Voor bepaalde initiatieven is bepaald dat deze 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een plan komt hiervoor in aanmerking als het voor minder dan 3% van de grenswaarden voor NO2 en PM10 bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een verslechtering van de luchtkwaliteit is veelal het gevolg van een toename van het aantal verkeersbewegingen in een gebied.

Op basis van de in paragraaf 4.2 berekende maximale verkeersgeneratie 180 vervoersbewegingen van licht verkeer per etmaal en 28 vervoersbewegingen van zware vrachtwagens per etmaal valt het plan binnen de Nibm-regeling. Er is sprake van een ontwikkeling die geen grote verkeersaantrekkende werking heeft. Aanvullend onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan. Dit aspect heeft geen gevolgen voor het bestemmingsplan.

4.11 Kabels, leidingen en zoneringen

Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht.

De hogedruk aardgastransportleiding die over de zuidzijde van het plangebied loopt kent een belemmeringenstrook van 5 meter aan weerzijden van de leiding. Deze zone is onder een dubbelbestemming gebracht.

4.12 Mer-beoordeling

In het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Wanneer niet voldaan wordt aan de drempelwaarden moet het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten nagaan of mogelijk sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Daarbij lettend op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:

  • de kenmerken van de projecten;
  • de plaats van de projecten;
  • de kenmerken van de potentiële effecten.

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig (onderdeel C en D), projectmer-plichtig (onderdeel C) of mer-beoordelingsplichtig (onderdeel D) zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen.

In onderdeel D9 van het Besluit m.e.r. is de volgende activiteit opgenomen (kolom 1). Een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op vestiging van een glastuinbouwgebied of bloembollenteeltgebied van 50 hectare of meer. De daarbij behorende drempelwaarde (kolom 2) ligt bij een activiteit met een oppervlakte groter dan 50 hectare.

Dit bestemmingsplan heeft betrekking op een gebied dat al is aangewezen als glastuinbouwgebied. In dit kader is ook een planMER opgesteld. Met het moderniseren van de regels van een deel van het plangebied wordt een wijziging van een landinrichtingsproject mogelijk gemaakt. Het gaat om een gebied van circa 150 hectare. Daarmee is er sprake van een activiteit in kolom 1, overschrijding van de drempelwaarde van kolom 2 en een besluit (het bestemmingsplan) als bedoeld in kolom 4. Er is daardoor sprake van een formele m.e.r.-beoordelingsplicht.

In de voorbereiding van het bestemmingsplan wordt een m.e.r.-beoordeling opgesteld en ter besluitvorming voorgelegd aan het college.

PM: In de ontwerpfase van het bestemmingsplan wordt het besluit ten aanzien van de m.e.r.-beoordeling bijgevoegd.

Hoofdstuk 5 Juridische vormgeving

5.1 Algemeen

Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het voldoet aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012.

Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.

5.2 De regels

De regels bevatten allereerst een bestemmingsomschrijving. Hierin staat beschreven voor welke functie(s) de gronden mogen worden ingericht, gebruikt en hoe de onderlinge rangorde van functies is. Indien van toepassing, worden ook de aan de hoofdfunctie ondergeschikte functies mogelijk gemaakt. De ondergeschiktheid is altijd gerelateerd aan het bestemmingsvlak en dient per geval geïnterpreteerd te worden vanuit de aard, omvang en tijd(sduur) van de ondergeschikte functie ten opzichte van de hoofdfunctie.

Door middel van aanduidingen worden op enkele specifieke locaties extra bestaande functiemogelijkheden geboden. Naast de bestemmingsomschrijving zijn in de regels bouwregels en gebruiksregels opgenomen. In de bouwregels is - gerelateerd aan de toegelaten gebruiksfuncties - aangegeven welke gebouwen en andere bouwwerken in principe zijn toegestaan en welke maatvoering daarbij moet worden aangehouden.

De gebruiksregels verbieden bepaalde vormen van gebruik of begrenzen toegelaten vormen van gebruik binnen een bestemming (specifieke gebruiksregels) dan wel verbieden alle gebruik in strijd met de gegeven bestemming (algemene gebruiksregels).

In de toekomst kunnen zich omstandigheden voordoen (die op dit moment nog niet zijn voorzien), waaruit blijkt dat de bouw- en gebruiksregels niet voldoende zijn. In deze gevallen kan door het bevoegd gezag met een omgevingsvergunning worden afgeweken van de bouw- en gebruiksregels. Van geval tot geval zal een afweging worden gemaakt. Er zijn ook gebruiksvormen die beleidsmatig wel mogelijk zijn, maar die vanwege een zorgvuldige afweging onder een afwijking zijn gebracht. Deze vergunning wordt afgegeven na een zorgvuldige afweging van waarden en functies in de bestemmingen.

Het plan bevat voor een aantal gevallen mogelijkheden om bestemmingen te wijzigen binnen de in de regels aangegeven grenzen. Voor zo'n wijziging bestaan aparte procedureregels. De gemeenteraad heeft het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om het plan te wijzigen. Voor zover het een wijziging binnen de bestemming zelf betreft, bijvoorbeeld het verwijderen van een aanduiding, staat deze in het betreffende artikel genoemd. Voor zover het een wijziging naar een andere bestemming betreft, kan deze in het betreffende artikel zijn opgenomen of in een algemeen artikel.

Het overgangsrecht is gericht op bouwwerken die ooit met een bouwvergunning of een melding zijn gebouwd, of een gebruik dat ooit is toegestaan, maar die nu, vanwege een bestemmings- of beleidswijziging onder het overgangsrecht zijn gebracht. Het overgangsrecht is er op gericht dat deze bouwwerken uiteindelijk zullen verdwijnen of het gebruik ervan wordt beëindigd, zodat de situatie in overeenstemming geraakt met de gegeven bestemming.

5.3 Toelichting op de bestemmingen

Agrarisch

Het plangebied is grotendeels gelegen binnen de bestemming 'Agrarisch'. Binnen deze bestemming is behalve kassen ook grondgebonden agrarische bedrijvigheid toegestaan, in de vorm van akkerbouw- en fruitteeltbedrijven. De regeling is gemoderniseerd ten opzichte van het voorgaande bestemmingsplan, zie voor een nadere toelichting paragraaf 2.3. De bestaande bedrijven en bijbehorende bedrijfswoningen zijn opgenomen op de verbeelding. Met een wijzigingsbevoegdheid is het mogelijk de bestaande bedrijfswoningen om te zetten naar reguliere woningen met de bestemming 'Wonen - voormalige agrarische erven'.

Groen

Er is een groenzone opgenomen in het bestemmingsplan op de locatie waar voordien een wijzigingsbevoegdheid naar groen was opgenomen. In het voorgaande bestemmingsplan was dit gekoppeld aan het verwijderen van de aanduiding 'glastuinbouw uitgesloten'. Bij deze actualisatie van het bestemmingsplan is ervoor gekozen om zowel glastuinbouw als de groenzone rechtstreeks te bestemmen.

Wonen

Voor de woningen in het plangebied zijn twee woonbestemmingen opgenomen, 'Wonen - Voormalige agrarische erven' en 'Wonen - Voormalige arbeiderswoningen'. De bestemming 'Wonen - Voormalige agrarische erven' is gelegd op de bestaande, vrijstaande particuliere woningen en wordt van kracht op de voormalige bedrijfswoningen na toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in de agrarische bestemming. De opgenomen woonbestemmingen sluiten aan bij de vigerende woonbestemming in het plangebied, waarbij de regeling is herschreven conform de SVBP2012. Voor de voormalige arbeiderswoningen geldt dat dit in de algemene woonbestemming was geregeld met een specifieke aanduiding. Door deze onder te brengen in een eigen woonbestemming is een duidelijker onderscheid gemaakt.

Leiding - Gas

Binnen het plangebied bevindt zich een hogedruk aardgasleiding. Deze is voorzien van een beschermende regeling in de vorm van de dubbelbestemming 'Leiding - Gas'.

Leiding - Water

Binnen het plangebied bevindt zich een hoofdwaterleiding. Deze is voorzien van een beschermende regeling in de vorm van de dubbelbestemming 'Leiding - Water'.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. In dat verband wordt een onderscheid gemaakt tussen de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.

6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Vooroverleg

Van dit bestemmingsplan is vooreerst een voorontwerp opgesteld. Dit voorontwerp wordt in het kader van vooroverleg voorgelegd aan, onder meer, Provincie Flevoland, Waterschap Zuiderzeeland, Veiligheidsregio Flevoland en Omgevingsdienst Flevoland, Gooi en Vechtstreek. De binnengekomen reacties worden vervoglens hieronder samengevat en, voor zover relevant, als bijlage toegevoegd.

Het voorontwerp bestemmingsplan wordt ter inzage gelegd, waarbij aan een ieder de mogelijkheid wordt geboden om een inspraakreactie in te dienen.

Zienswijzen

Na de voorontwerpfase wordt het bestemmingsplan omgezet tot een ontwerpbestemmingsplan en voorzien van de aanmeldingsnotitie mer. Het bestemmingsplan wordt gedurende 6 weken ter inzage gelegd, binnen welke termijn zienswijzen op het plan kunnen worden ingediend.

Vaststelling

Het ontwerpbestemmingsplan wordt al dan niet gewijzigd en omgezet tot vast te stellen bestemmingsplan. De gemeenteraad besluit omtrent de vaststelling en vervolgens wordt het vastgestelde bestemmingsplan gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Binnen deze termijn is het mogelijk beroep in te stellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

6.2 Economische uitvoerbaarheid

Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie).

Financiële haalbaarheid

De kosten voor de uitvoering van dit bouwplan worden gedragen door de initiatiefnemers. Het plan is door de initiatiefnemers doorgerekend, de haalbaarheid is getoetst en de benodigde financiële middelen zijn beschikbaar. Hiermee is de financiële haalbaarheid van dit bestemmingsplan in voldoende mate aangetoond.

Kostenverhaal

In de Wet ruimtelijk ordening (Wro) is een grondexploitatieregeling opgenomen, met als doel het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd.

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is opgenomen op welke categorieën bouwplannen de grondexploitatieregeling van toepassing is. Als aangewezen bouwplan is onder andere opgenomen "de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1000 m² bruto-vloeroppervlakte", waarmee is bepaald dat onderhavig plan een aangewezen bouwplan betreft waarop de grondexploitatieregeling van toepassing is. Dat houdt in dat een exploitatieplan moet worden opgesteld, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Anderszins verzekeren kan bijvoorbeeld door het ondertekenen van een anterieure overeenkomst.

In dit geval worden afspraken tussen de gemeente en de initiatiefnemers vastgelegd in een anterieure overeenkomst. In deze overeenkomst worden afspraken vastgelegd over onder andere het verhaal van de kosten, randvoorwaarden voor het voorgenomen bouwplan en de afhandeling van mogelijke planschadeverzoeken. Daarmee is het kostenverhaal anderszins verzekerd.