direct naar inhoud van 4.10 Wateraspecten
Plan: Meppel, Medisch Centrum 1
Status: vastgesteld
Plantype: projectbesluit
IMRO-idn: NL.IMRO.0119.MedischCentrum1-PBD1

4.10 Wateraspecten

4.10.1 Vigerend beleid

Europees en rijksbeleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel) stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.

Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is in diverse nota's vastgelegd. Het meest directe beleidsplan is de Vierde Nota Waterhuishouding en het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW, juli 2003). Het bestuursakkoord heeft tot doel “om in de periode tot 2015 het hoofdwatersysteem in Nederland te verbeteren en op orde te houden”. Belangrijk onderdeel is om de drietrapsstrategie 'vasthouden, bergen, afvoeren' in alle overheidsplannen als verplicht afwegingsprincipe te hanteren. In het Nationaal Bestuursakkoord is vastgelegd dat de watertoets een verplicht te doorlopen proces is in waterrelevante ruimtelijke planprocedures, waarbij een vroegtijdige betrokkenheid van de waterbeheerder in de planvorming wordt gewaarborgd. Verder is water in de Nota Ruimte een belangrijk, structurerend principe voor bestemming, inrichting en gebruik van de ruimte. Om problemen met water te voorkomen moet, anticiperend op veranderingen in het klimaat, de ruimte zo worden ingericht dat water beter kan worden vastgehouden of geborgen. Dit anticiperen is ook terug te vinden in de op 1 januari 2008 van kracht geworden Wet gemeentelijke watertaken. In deze nieuwe wet zijn de zorgplicht voor het vasthouden en afvoeren van regenwater en de regierol van gemeenten bij de grondwaterzorgplicht vastgelegd.

Provinciaal beleid

Omgevingsvisie Drenthe

De provincie Drenthe streeft naar een robuust watersysteem dat voldoende schoon grond- en oppervlaktewater biedt voor alle waterafhankelijke functies. Het watersysteem moet in staat zijn om de gevolgen van klimaatverandering op te vangen, waardoor wateroverlast en watertekort tot een maatschappelijk aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Ook moet het watersysteem voldoen aan de kwaliteitseisen die voortvloeien uit de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW).

De beekdalen

De beekdalen vormen, met de kanalen en de grondwaterlichamen, de kern van het Drentse watersysteem. De beekdalen verzorgen de waterafvoer van het Drents Plateau en bepalen de grondwatervoorraad onder dit plateau. Ook zijn de beekdalen van grote waarde voor de natuur en bepalen ze in belangrijke mate de landschappelijke kwaliteit van Drenthe.

Ruimte voor water

De klimaatverandering vraagt om meer ruimte voor water. Om de aard en de omvang van de klimaatverandering vast te stellen, worden de meest recente klimaatscenario’s van het KNMI gebruikt.

Ruimte voor water wordt vooral gezocht in de bovenlopen van de beekdalen. Door hier water vast te houden, wordt wateroverlast in de lager gelegen gebieden verkomen, vermindert de verdroging bovenstrooms, verbetert de waterkwaliteit en neemt de grondwatervoorraad toe. De beekdalen zijn aangegeven op de visiekaart van de Omgevingsvisie Drenthe en zijn bovengeschikt aan de functies. Deze aanduiding betekent een verbijzondering dat randvoorwaarden en uitgangspunten de inrichting bepalen van de onderliggende functies landbouw, multifunctioneel en natuur.

‘Nee-tenzijbeleid’

Om de ruimte voor water te garanderen, wordt een ‘nee, tenzij-beleid’ gevoerd.

In perioden van intensieve neerslag kan over de gehele lengte van een beekdal wateroverlast worden verwacht. Om de ruimte in het beekdal te behouden mogen in de beekdalen daarom geen werken worden uitgevoerd die de afvoer van water versnellen. Dit hebben is omschreven in het ‘Nee-tenzijbeleid’. Dit beleid geldt in alle beekdalen en gebieden die zijn aangeduid als ‘beekdal’ op kaart 9 van de Omgevingsvisie Drenthe (Oppervlaktewater).

Het ‘Nee-tenzijbeleid’ betekent dat kapitaalintensieve functies zo veel mogelijk worden geweerd. Daarbij gaat het om woon- en werkgebieden en kapitaalintensieve vormen van agrarisch grondgebruik, zoals glastuinbouw, intensieve veehouderijen en kwekerijen. Nieuwe kapitaalintensieve functies zijn alleen toegestaan als aan vier voorwaarden is voldaan.

  • 1. er is sprake van een zwaarwegend maatschappelijk belang;
  • 2. er zijn geen alternatieven;
  • 3. de functie vormt op de locatie geen feitelijke belemmering om in de toekomst de afvoer- en bergingscapaciteit van het regionale watersysteem te vergroten;
  • 4. het negatieve effect op het watersysteem wordt in het plan gecompenseerd.

Beleid waterschap

Waterbeheerplan Reest en Wieden

Alle waterbeheerders in Nederland stellen nieuwe waterbeheerplannen op voor de periode 2010-2015. Deze plannen treden op 1 januari 2010 in werking. De nieuwe Waterwet (2009) verplicht de waterschappen om waterbeheerplannen op te stellen met een looptijd van zes jaar.

Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Reest en Wieden, Velt en Vecht, Regge en Dinkel, Groot Salland en Rijn en IJssel. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen de afgelopen jaren intensief samengewerkt met elkaar en met andere partners. Ook het nieuwe waterbeheerplan is een resultaat van deze samenwerking. De opzet en grote delen van dit waterbeheerplan zijn inhoudelijk hetzelfde als dat van de andere waterschappen in Rijn-Oost. Het waterbeheerplan bevat het integrale beleid van het waterschap met als hoofdthema's: veiligheid, watersysteembeheer en de afvalwaterketen.

Werkzaamheden

De komende jaren zal er geïnvesteerd worden in onder andere het creëren van extra waterberging om wateroverlast in Meppel te voorkomen, aanpassing van de waterhuishouding in de kop van Overijssel, de bestrijding van verdroging (bijvoorbeeld in het nationaal park Dwingelderveld) en het aanpassen van enkele rioolwaterzuiveringsinstallaties (o.a. Beilen en Meppel). Bovendien worden delen van beken meer natuurlijk gemaakt en worden stuwen vispasseerbaar gemaakt.

4.10.2 Waterparagraaf

Algemeen

Zoals in voorgaande subparagrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets).

Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

Provinciaal beleid

Zoals uit de afbeelding in figuur 4.5. blijkt is het projectgebied gelegen in een gebied met de aanduiding 'beekdal'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0119.MedischCentrum1-PBD1_0018.png"

Figuur 4.5. Uitsnede kaart 9 Omgevingsvisie Drenthe (oppervlaktewater)

Zoals in paragraaf 4.10.1 uiteen is gezet, is op gebieden met deze aanduiding het ‘Nee-tenzijbeleid’ van toepassing.

Opgemerkt wordt echter dat er in dit geval sprake is van een bestaand stedelijk gebied met bestaande intensieve stedelijke functies. De in dit projectbesluit besloten ruimtelijke ontwikkelingen maken deel uit van een grotere ruimtelijke ontwikkeling, namelijk de volledige vernieuwing van Het Diaconessenhuis, Reggersoord en de Schiphorst op de locaties aan de Hoogeveenseweg en de Reggersweg. Er is geen sprake van nieuwe kapitaalsintensieve functies. De thans aanwezige functies worden opgewaardeerd.

Daarbij komt dat ook kan worden voldaan aan de vier vermelde randvoorwaarden waaronder toch ontwikkelingen binnen een beekdal mogelijk zijn.

Gelet op de regionaal maatschappelijke functies is er sprake van een zwaarwegend maatschappelijk belang. Gelet op het ruimtebeslag zijn er in Meppel redelijkerwijs geen alternatieven voor handen.

Gelet op het feit dat de ruimtelijke ingrepen beperkt blijven tot het gebied dat nu al voor de huidige voorzieningen in gebruik is, zal er geen sprake zijn van feitelijke belemmering om in de toekomst de afvoer- en bergingscapaciteit van het regionale watersysteem te vergroten. Er is geen sprake van een negatief effect op het watersysteem.

Geconcludeerd kan worden dat de regeling zoals opgenomen in de Omgevingsvisie Drenthe geen belemmering vormt voor de in dit besluit besloten ruimtelijke ontwikkeling.

Beleid waterschap Reest en Wieden

Naar aanleiding van een aanmelding via www.dewatertoets.nl en een overleg met het waterschap is door het waterschap Reest en Wieden een zgn. Watertoetsdocument opgesteld. Dit document is opgenomen in bijlage 8. Dit watertoetsdocument heeft niet alleen op de in dit projectbesluit besloten ontwikkelingen maar op de gehele vernieuwingsslag die de komende jaren in het gebied wordt gemaakt.

Het doel van het watertoetsdocument is om bruikbare informatie aan te leveren op basis waarvan de waterhuishouding in en rond het gebied kan worden geregeld. Met dit document is inzicht verkregen in:

  • 1. de bestaande waterhuishouding van het gebied;
  • 2. concrete uitgangspunten voor de ontwikkelingen in de komende jaren op basis waarvan de waterhuishouding kan worden geregeld;
  • 3. het vervolg van de watertoets en de uiteindelijke beoordeling van het waterschap in het kader van de watertoets.

Ad 1 Bestaande waterhuishouding

Het plan ligt in het stroomgebied van De Reest. Aan de zuidzijde van het plangebied is een watergang gelegen van het waterschap. Het peilgebied heeft een maximumpeil van NAP – 0,2 m. De hoogte van het maaiveld varieert binnen de planlocatie. In het centrale gedeelte is een (relatieve) laagte aanwezig van 1,0 m + NAP. Het overige terrein ligt op ca. 1,5 m + NAP.

afbeelding "i_NL.IMRO.0119.MedischCentrum1-PBD1_0019.png"

Figuur 4.6. Kaartbeeld bestaande waterhuishouding rond het plangebied

De bodem ter plaatse van het plangebied is niet gekarteerd. Aan de zuidzijde van de locatie is de bodem opgebouwd uit een moerige ondergrond. De maximale grondwaterstand van het plangebied ligt tussen 40 –80 cm onder het maaiveld (Gt IVu).

Ad 2 Concrete uitgangspunten voor het plan

Het waterschap heeft concrete uitgangspunten gegeven die in het plan moeten worden verwerkt. Daarmee wordt de vrijheid verkregen om de uitgangspunten zelf te vertalen in maatregelen.

Bij elk thema wordt ook verwezen naar het waterbeheerplan van het waterschap Reest en Wieden (2007 – 2012).

(Grond) wateroverlast (WBP 3.7 – 3.10, 4.2.4 – 4.2.5) WB21

Het doel is gericht op het vergroten van de veerkracht van het watersysteem door het niet afwentelen van problemen met water. Uitgangspunt is het ontwerpen op basis van (1)vasthouden – (2) bergen – (3) afvoeren

Uitgangspunten

  • a. Compensatie bij herstructurering:
    • 1. Bij een herstructurering neemt vaak per saldo het verharde oppervlak niet toe of af. Toch zal het toekomstige gebied moeten voldoen aan het watersysteem zoals dat tegenwoordig wordt voorgesteld waarin rekening is gehouden met klimaatverandering.
    • 2. Het waterschap realiseert zich dat de beschikbare ruimte echter beperkt is. Daarom geeft het waterschap het volgende stappenplan als randvoorwaarde ten behoeve van een goede onderbouwing van het watersysteem:
      • toon kwantitatief aan hoeveel regenwater er binnen het plangebied vrijkomt bij een gebeurtenis van 1/10 jaar;
      • geef aan hoe in de huidige situatie met het regenwater wordt omgegaan in het plangebied;
      • geef aan of er in de huidige situatie knelpunten in het plangebied voorkomen m.b.t. de afvoer van regenwater;
      • geef aan hoe in de nieuwe situatie het gescheiden regenwater wordt behandeld in het plangebied en op welk systeem het regenwater wordt aangesloten en onderbouw de keuze van de hoeveelheid beschikbare ruimte die voor waterberging is gereserveerd.
  • b. Aanleghoogte bebouwing: Het plangebied is gesitueerd in het Drentse Reestdal. Om wateroverlast en grondwateroverlast rond de bebouwing te voorkomen, adviseert het waterschap om de bebouwing op voldoende hoogte aan te leggen. Het waterschap adviseert voor nieuwbouw een aanleghoogte uit de huidige situatie te handhaven.

Ten aanzien van deze uitgangspunten wordt het volgende opgemerkt.

Huidige situatie

Het plangebied heeft een oppervlakte van 79.200 m2.

Er zijn nu geen knelpunten bekend met betrekking tot de afvoer van regenwater. Het regenwater wordt afgevoerd via een separate afvoer van hemelwater naar de nabijgelegen boezemsloot (oppervlaktewater). Dit geldt voor het gehele terrein van Noorderboog "Meppel"

Het bebouwde oppervlakte bedraagt nu circa 14.600 m2. Daarnaast is er sprake van een verharding in de vorm van parkeerplaatsen en wegen met een oppervlakte van ruim 23.000 m2. In totaal is er dus sprake van circa 36.600 m2 verhard oppervlak.

Tijdelijke situatie

Het bebouwde oppervlakte zal in een tijdelijke situatie toenemen tot circa 23.400 m2. Dit als gevolg van de bouw van de in dit projectbesluit opgenomen zorgwoningen. Daarentegen zal minimaal eenzelfde oppervlakte aan verharding, in de vorm van parkeerplaatsen, verdwijnen zodat de situatie in een tijdelijke situatie ongewijzigd blijft ten opzichte van de huidige situatie.

Nieuwe situatie

Het bebouwd oppervlakte in de nieuwe situatie zal circa 19.100 m2. De oppervlakte van de verharding in de vorm van parkeerplaatsen en wegen zal circa 8.100 m2 bedragen. In totaal is er sprake van bijna circa 27.200 m2 verhard en bebouwd oppervlak. Een sterke reductie van het verharde oppervlak ten opzichte van de huidige situatie.

Uitgangspunt is dat het hemelwater dat valt ter plaatse van het verhard oppervlak (dakvlak + overige verharding) binnen het plangebied wordt verwerkt (hydrologisch neutraal bouwen). Op welke wijze dat plaatsvindt, is nog niet exact bekend. Mogelijke opties die in beeld zijn, betreffen:

  • 1. waterpartijen;
  • 2. wadi's;
  • 3. waterdoorlatende verharding met een waterbergende fundering;
  • 4. infiltratiekratten;
  • 5. grindkoffers.

Het waterschap stelt dat rekening moet worden gehouden met een benodigde berging van 40 mm, gebaseerd op een regenbui met een herhalingskans van 1 keer in de 10 jaar. Dit wil zeggen dat de benodigde berging berekend kan worden door het toekomstig verhard oppervlak te vermenigvuldigen met 40 mm. Dit brengt met zich mee dat een berging moet worden gerealiseerd met een capaciteit van 27.200 m2 x 40 mm = 1.088 m3.

De terreininrichting is niet nog niet bekend. Wel is duidelijk dat er, gelet op de oppervlakte van het gebied, in het eindstadium voldoende mogelijkheden zijn om de benodigde bergingscapaciteit te realiseren. In het nog op te stellen bestemmingsplan zal een afzonderlijk plan voor de waterberging worden opgesteld. De benodigde fysieke ruimte voor waterberging zal bij de verdere uitwerking van de terreininrichting worden gereserveerd.

Voor de tussenliggende periode zal overleg met het waterschap worden gevoerd over de continuering van het gebruik van de al aanwezige boezemsloot.

Met de nieuwe bebouwing zal minimaal het bouwpeil van de huidige bebouwing worden aangehouden.

Waterkwaliteit en ecologie (WBP 4.2.6, 4.3, 5.4) KRW

Het doel is gericht op een situatie met helder water en een rijke vegetatiestructuur in (stads)wateren met zowel in het oevercompartiment als het watercompartiment een aanzienlijke bedekking met ondergedoken waterplanten, drijfbladplanten en Helofyten.

Uitgangspunt

  • Microverontreiniging.

Er worden geen materialen gebruikt die een verontreiniging van het oppervlaktewater met zich meebrengen. Metalen, zoals lood, koper of zink worden niet gebruikt. Gebruik van bestrijdingsmiddelen wordt tegengegaan.

  • Afkoppelen.

Regenwater mag worden geloosd op oppervlaktewater in het stedelijke gebied. Minder schoon regenwater wordt via een zuiverende passage/voorziening geloosd op het oppervlaktewater.

Ten aanzien van deze uitgangspunten wordt opgemerkt dat bij de keuze van bouwmaterialen rekening zal worden gehouden met het risico van verontreiniging van regenwater.

Zoals reeds vermeld is, zal een plan worden opgesteld voor de afvoer van regenwater. In de directe omgeving van het plangebied is oppervlaktewater aanwezig waarop eventueel vertraagd geloosd wordt. Of hiervan gebruik moet worden gemaakt, zal blijken uit de nadere studie.

Riolering (WBP 4.2.8, 4.4) KRW

Het doel is gericht op:

  • Verminderen hydraulische belasting RWZI
  • Beperking van vuilwateroverstorten

Uitgangspunt

  • Gescheiden afvoer.

Er wordt in het plan rekening gehouden met gescheiden waterstromen. Het regenwater wordt niet afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie, maar binnen het plangebied verwerkt. Bij het gescheiden afvoeren van regenwater wordt rekening gehouden met de drempelhoogte in relatie tot de fluctuatie van het ontvangende water.

  • Kwaliteit hemelwater.

Alleen schone oppervlaktes mogen worden gescheiden van de afvalwaterstroom. Er wordt een zuiverende passage/voorziening aangebracht voordat het regenwater wordt geloosd op het oppervlaktewater.

Deze uitgangspunten zullen bij de uitwerking van de plannen in acht worden genomen.

Beheer en onderhoud (WBP 4.2.10, 5.5)

Het doel is gericht op functiegericht beheren tegen de laagst mogelijke kosten. Er wordt rekening gehouden met de wijze van onderhoud (varend of vanaf de kant) en de daarbij geldende voorwaarden. Voor werkzaamheden binnen de aangegeven zones van het waterschap is een vergunning op grond van de keur van het waterschap noodzakelijk.

Deze laatste uitgangspunten worden voor kennisgeving aangenomen. Binnen de zone van een keur worden geen werkzaamheden verricht.