direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied Zuid, deelplan Trambaan 2013
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0118.2013BP8000011-ON01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De gemeenteraad heeft op 13 december 2012 de Structuurvisie Hoogeveen 2.0 vastgesteld. Volgens deze visie ligt de focus van woningbouw de komende jaren op de stad. Daarnaast is gekozen voor geconcentreerde groei bij de dorpen en in het landelijk gebied, passend bij de vraag. Voor het landelijk wonen zijn kansen in de landgoederenzone en de kanalenzone. De oude plannen van havens in de kanalenzone en grote landschapsinvesteringen zijn losgelaten. Er wordt ingezet op kleinschaliger initiatieven. Het bestemmingsplan 'Buitengebied Zuid, deelplan Trambaan 2013' past binnen deze visie.

1.2 Opgave bestemmingsplan

Dit bestemmingsplan dient goed aan te sluiten bij de ruimtelijk-functioneel gewenste invulling voor het plangebied.

1.3 Opbouw toelichting

Het bestemmingsplan 'Buitengebied Zuid, deelplan Trambaan 2013' bestaat naast de toelichting uit de volgende stukken:

  • verbeelding en renvooi;
  • regels.

Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen binnen het plangebied aangegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan bevat daarnaast een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten.

Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving van de huidige situatie gegeven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het beleid van rijk, provincie en de gemeente Hoogeveen beschreven. Hoofdstuk 4 gaat in op de gewenste ontwikkelingen.

In hoofdstuk 5 worden de omgevingsaspecten behandeld. In hoofdstuk 6 wordt een omschrijving van het plan gegeven en in de hoofdstukken 7 en 8 wordt respectievelijk ingegaan op de handhaving en de uitvoerbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 2 Huidige situatie

2.1 Plangebied

Het plangebied ligt ten zuiden van het dorp Nieuweroord. Het plangebied wordt in het noorden begrensd door de Verlengde Hoogeveense Vaart , in het oosten door de Jan Knegtweg , in het zuiden door de waterlossing de Krommewijk en in het westen door agrarische gronden.

Centraal in het gebied is in oost-westelijke richting de Trambaan gelegen.

Voor het overgrote deel wordt het gebied gebruikt voor agrarische doeleinden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0118.2013BP8000011-ON01_0001.jpg"

figuuur 1: plangebied

2.2 Vigerend recht

Op het plangebied is het bestemmingsplan Buitengebied Zuid, herziening 2007 van toepassing. Het plan is op 22 november 2007 door de gemeenteraad vastgesteld en goedgekeurd bij besluit van Gedeputeerde Staten van 28 januari 2008. Binnen het plangebied komt één bestemming en meerdere functieaanduidingen voor.

De gronden zijn gelegen binnen de bestemming Landelijk gebied II (ALG2), met een enkele aanduiding 'woning'. De aangewezen gronden zijn daarmee bedoeld voor:

  • behoud en herstel van de landschappelijke en natuurlijke waarden;

en voor de volgende sociaal-economische doeleinden:

  • uitoefening van het agrarisch bedrijf;
  • bosbouw;
  • dagrecreatie;
  • wonen, uitsluitend voor zover de gronden zijn aangegeven met 'woning';
  • verkeer, uitsluitend voor zover het de bestaande wegen betreft;

afbeelding "i_NL.IMRO.0118.2013BP8000011-ON01_0002.jpg"

figuuur 2: gedeelte geldend bestemmingsplan Buitengebied Zuid, herziening 2007

2.3 Landschap en ruimtelijke structuur plangebied

Het plangebied ligt in een veenontginningslandschap dat vanaf het begin van de zeventiende eeuw ten zuidoosten van Hoogeveen is ontstaan. In het landschap ervaart men enerzijds open gebieden, anderzijds daaruit oprijzende beboste gebieden, bomenrijen en houtwallen.

Het gebied ten westen van de Jan Knegtweg kenmerkt zich door openheid, met hier en daar bomenrijen (els en eik). Ten oosten van de Jan Knegtweg is het landschap half open/half gesloten met verspreid door het gebied een aantal grotere bospercelen.

Er is sprake van een duidelijke oost-west verkaveling.

In het westelijke gebied, waar het plangebied onderdeel van uit maakt ligt de bebouwing verspreid in het gebied, met rondom een erf, vaak van oorsprong voorzien van een omringende erfbeplanting; een open landschap met 'groene eilanden' met daarin een woning. De bebouwing is gelegen langs de wijk/waterlossing met de nokrichting van de woning parallel hieraan.

Langs de Verlengde Hoogeveense Vaart komt verspreid bebouwing voor. De oorspronkelijke woningen zijn bescheiden van omvang, vaak een hoofdgebouw met enkele bijgebouwen. De woningen zijn gesitueerd in een strakke, rechte rooilijn evenwijdig aan de vaart en met de nokrichting haaks hierop.

Het gebied wordt ontsloten via een smalle asfaltweg, de Trambaan. Vanaf deze weg worden de meeste kavels in het gebied door middel van een onverhard pad verder ontsloten.

Van oudsher is er een intensieve (water)structuur van wijken aanwezig. In de loop van de tijd is deze structuur steeds minder waarneembaar geworden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0118.2013BP8000011-ON01_0003.jpg"

figuuur 3: gedeelte topografische kaart

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Europees beleid

3.1.1 Verdrag van Malta

In 1992 werd het Europese Verdrag van Valletta (Malta) ondertekend door een groot aantal EU-landen, waaronder Nederland, met als doel om het (Europese) archeologische erfgoed veilig te stellen. De ondertekenaars hebben zich verplicht, archeologische belangen tijdig te betrekken bij de ruimtelijke planvorming voor woningbouw, landinrichting, wegenaanleg en dergelijke. Het beleid is gericht op het behoud van de archeologische waarden in de bodem en de planologische bescherming van waardevolle archeologische vindplaatsen.

De uitgangspunten van het verdrag zijn op nationaal niveau uitgewerkt in de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz, 2007). Voor archeologische waarden geldt per 1 september 2007 op basis van de gewijzigde Monumentenwet 1988 de wettelijke verplichting om bij vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten monumenten.

De gronden vallende binnen de herziening van het bestemmingsplan 'Buitengebied Zuid, deelplan Trambaan 2013' zijn getoetst aan de archeologische wet- en regelgeving.

3.1.2 Vogel- en habitatrichtlijn

De laatste tijd ondervindt de ruimtelijke ordening steeds meer invloed van het Europese beleid. In het bijzonder geldt dit voor de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Bij herzieningen van bestemmingsplannen wordt aandacht gevraagd voor het veiligstellen van de beschermde flora en fauna. Hiervoor dient als basis de Flora- en faunawet van 1 april 2002; deze wet regelt de bescherming van soorten. De doelstelling van de wet is de bescherming en het behoud van de gunstige staat van instandhouding van in het wild levende planten- en diersoorten. Activiteiten met een schadelijk effect op beschermde soorten zijn in principe verboden. Daarnaast erkent de wet dat ook dieren die geen direct nut opleveren voor de mens van onvervangbare waarde zijn. Van het verbod op schadelijke handelingen kan onder voorwaarden worden afgeweken, met een ontheffing of een vrijstelling. Het verlenen hiervan is de bevoegdheid van de minister van Economische zaken (EZ) of, in geval van beheer en schadebestrijding, van Gedeputeerde Staten.

De gronden vallende binnen het bestemmingsplan 'Buitengebied Zuid, deelplan Trambaan 2013' zijn aan deze wet getoetst.

3.2 Rijksbeleid

3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) in werking getreden. De aanleiding voor het opstellen ligt in de nieuwe politieke accenten en veranderde omstandigheden zoals de economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen. Groei, stagnatie en krimp vinden gelijktijdig plaats. De structuurvisie geeft een integraal kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. In de visie worden ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur sterker dan voorheen met elkaar verbonden. De structuurvisie heeft een horizon tot het jaar 2040 en vervangt alle voorgaande rijksnota's ten aanzien van ruimte en mobiliteit (waaronder de Nota Ruimte), behalve de Structuurvisie Nationaal Waterplan.

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en vormt de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.

Het rijk kiest met de structuurvisie voor een selectievere inzet van de onderstaande 13 rijksbelangen:

  • een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren;
  • ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en energietransitie;
  • ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen;
  • efficiënt gebruik van de ondergrond;
  • een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen;
  • betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem;
  • het instandhouden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen;
  • verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's;
  • ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling;
  • ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten;
  • ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten;
  • ruimte voor militaire terreinen en activiteiten;
  • zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte wordt dieper ingegaan op deze 13 rijksbelangen.

Het rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem van ruimtelijk ordening. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien:

  • een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt. Bijvoorbeeld ruimte voor militaire activiteiten en opgaven in de stedelijke regio's rondom de mainports, brainports, greenports en de valleys;
  • over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan. Bijvoorbeeld voor biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of werelderfgoed;
  • een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelingsrisico kent ofwel in beheer bij het rijk is. Bijvoorbeeld de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners.

Geconstateerd wordt dat het bestemmingplan Buitengebied Zuid, deelplan Trambaan 2013 geen rijksbelangen raakt. Derhalve wordt geconcludeerd dat voldaan wordt aan de uitgangspunten zoals verwoord in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het kabinet heeft in de hiervoor genoemde SVIR vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet. De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wro, gewenst. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken.

Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij de Ecologische Hoofdstructuur (de artikelen worden later aan het Barro toegevoegd) en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Tevens treden regels ten aanzien van radarverstoringsgebieden op een nader te bepalen tijdstip in werking. In de loop van 2012 zal het besluit worden aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, de ecologische hoofdstructuur (EHS), de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater langs de Maas en maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer. De Ladder voor duurzame verstedelijking is per 1 oktober 2012 ook als procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Daarin is in artikel 3.1.6 een lid 2 ingevoegd waarin een motiveringsplicht is opgenomen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen (inclusief detailhandel) in bestemmingsplannen. In de toelichting van het bestemmingsplan moet hiervoor een verantwoording plaatsvinden aan de hand van een drietal opeenvolgende treden ("ladder duurzame verstedelijking").

De eerste trede in deze ladder is een beschrijving dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte. Hierbij kan het gaan om zowel kwantitatieve als kwalitatieve aspecten. De beide vervolgstappen uit genoemde ladder hebben betrekking op de vraag of de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied ingepast kan worden (trede 2) en als dat niet mogelijk is op andere locaties (trede 3), die vooral goed ontsloten moeten zijn.

Het voorliggende plan is.....

3.3 Provinciaal beleid

Provinciale Staten hebben op 2 juli 2014 ingestemd met de Actualisatie Omgevingsvisie Drenthe 2014. De visie is inmiddels in werking getreden. De Omgevingsvisie Drenthe is voor Drenthe een centraal visiedocument. Deze Omgevingsvisie is het strategische kader voor de ruimtelijk-economische ontwikkeling van Drenthe. De ambitie is de ruimtelijke identiteit van Drenthe te versterken. Dit wordt gedaan door nieuwe ontwikkelingen te bezien in samenhang met de kernkwaliteiten: rust, ruimte, natuur, landschap, oorspronkelijkheid, kleinschaligheid, noaberschap, menselijke maat en veiligheid.

Voor wat betreft wonen heeft de provincie de ambitie om Drenthe als woonprovincie aantrekkelijker te maken met gevarieerde en leefbare woonmilieus die voorzien in de woonvraag. De provincie verwacht dat gemeenten een gemeentelijke woonvisie opstellen en dat de lokale visies in een bovenlokale strategie, een regionale woonvisie wordt vervat. Hoogeveen maakt samen met De Wolden, Meppel en Westerveld deel uit van de woonregio Zuidwest Drenthe. Het proces om te komen tot een regionale woonvisie is doorlopen en vervolgens is op 30 oktober 2012 de Regionale Woonvisie door de diverse colleges van de betrokken gemeenten vastgesteld.

Bij de verdeling van de woningbehoefte streeft de provincie ernaar de groei van de bevolking en de arbeidsplaatsen te concentreren in de (sub)streekcentra en één derde in de overige kernen. De toedeling van de woonopgave aan de (sub)streekcentra en overige kernen is de verantwoordelijkheid van de gemeenten. De provincie verwacht van gemeenten dat de toedeling gebeurd op basis van de functie van de kern binnen de gemeente. De provincie vindt het van belang dat, waar mogelijk, de woonopgave van deze kernen wordt benut om de dorpsranden 'af te hechten'. Dit verbetert de ruimtelijke kwaliteit.

In de kernenhiërarchie behoort Hoogeveen bij de streekcentra.

De gelaagde kernenstructuur van een regio is de basis voor het invullen van de woningbehoefte. Verder is het belangrijk dat regio's overeenkomstige uitgangspunten hanteren bij locatiekeuzes. Vanuit de doelstelling zorgvuldig en doelmatig omgaan met ruimtegebruik, wordt het uitgangspunt 'inbreiding voor uitbreiding' gehanteerd. Eerst moet worden ingezet op het gebruik van ruimte binnen bestaand bebouwd gebied (bijvoorbeeld door herstructurering, verdichting, inbreiding of functieverandering). Pas daarna wordt gekozen voor nieuwe uitleglocaties.

Ook moet aandacht worden besteed aan de kwalitatieve afstemming van het woningaanbod. De huidige bevolking binnen een regio moet voldoende huisvestingsmogelijkheden worden geboden voor haar wooncarrière. Dit betekent dat binnen een regio voldoende aanbod moet zijn voor verschillende doelgroepen, zoals woningen voor starters en senioren. Ook is het van belang doorstroming in de woningmarkt te stimuleren. Het plan voor de Trambaan past binnen deze beleidsuitgangspunten.

Ten aanzien van de in de Omgevingsvisie genoemde milieuaspecten als water, bodem, luchtkwaliteit, geluid- en geurhinder en externe veiligheid zijn onderzoeken uitgevoerd. Voor een nadere uitwerking wordt verwezen naar hoofdstuk vijf.

In dat hoofdstuk is eveneens nader uitgewerkt hoe de gemeente toepassing geeft aan het aspect duurzame woon- en leefomgevingkwaliteit.

In de paragraaf gemeentelijk beleid gaan wij nader in op de gelaagde kernenstructuur in Hoogeveen. De gekozen toedeling past binnen de Omgevingvisie Drenthe.

Geconstateerd wordt dat onderliggend bestemmingsplan geen provinciale belangen schaadt.

3.4 Regionale Woonvisie Zuidwest Drenthe

In het kader van de regionale afstemming is met de buurgemeenten De Wolden, Westerveld en Meppel overleg gevoerd over het woningbouwprogramma. De uitkomst van de afstemming heeft geresulteerd in een regionale woonvisie. Een dergelijke afstemming heeft, in dit kader, ook plaatsgevonden voorafgaand aan een op te starten bestemmingsplanprocedure die betrekking heeft op een nieuwbouwlocatie. Het op te stellen bestemmingsplan Buitengebied Zuid, deelplan Trambaan 2013 is op 23 september 2014 behandeld in het regionale overleg. Uit de nadere afstemming is gebleken dat voorliggende woningbouwontwikkeling past in de regionale aantallen en het kwalitatieve programma tot 2020.

Op 30 oktober 2012 is de Regionale Woonvisie Zuidwest Drente, Groeimodel, deel I door het college van de gemeente Hoogeveen en de andere betrokken gemeenten vastgesteld. Voor deze woonvisie is de bevolkingsprognose XVIII van de provincie Drenthe, maart 2012, een belangrijke onderlegger. De regionale woonvisie scherpt de indicatieve aantallen uit de Woonvisie 2011-2020 aan. Gelet op de aanwezige harde plancapaciteit in Zuidwest Drenthe, is de mogelijkheid aanwezig de woningbouwuitbreiding van de Trambaan daaraan toe te voegen. Het mogelijk te maken aantal woningen leidt niet tot verdringing of ongewenste concurrentie.

3.5 Gemeentelijk beleid

3.5.1 Toekomstvisie tot 2030

In juni 2000 is de Toekomstvisie voor Hoogeveen vastgesteld door de gemeenteraad. De Toekomstvisie strekt zich uit tot 2030 en gaat over de ontwikkeling van Hoogeveen in brede zin. Voor de dorpen van Hoogeveen ligt de nadruk op wonen in het groene Drenthe dichtbij alle voorzieningen van de stad. De Toekomstvisie verkiest kwaliteit boven kwantiteit en het versterken van het bestaande boven groei. In de Toekomstvisie wordt ingezet op beheerste groei om in de toekomst de aanwezige voorzieningen in stand te kunnen houden. Deze doelstelling kan alleen worden gehaald, indien een kwaliteitsimpuls wordt bewerkstelligd. Deze kwaliteitsimpuls heeft vooral betrekking op het wonen, de voorzieningen en het landschap. Dit betekent het aanbieden van hoogwaardiger woonmilieus, verbeteren van de kwaliteit van de winkels en sportaccommodaties en het behoud en versterken van de cultuurlandschappen.

3.5.2 Structuurvisie Hoogeveen 2015-2030

Als vervolg op de Toekomstvisie is op 23 december 2004 door de gemeenteraad de Structuurvisie Hoogeveen 2015–2030 vastgesteld. Deze Structuurvisie is eigenlijk de ruimtelijke vertaling van de Toekomstvisie. Hij spreekt zich uit over de ruimtelijke ontwikkeling van de gehele gemeente en beschrijft de huidige en gewenste waarden en kwaliteiten voor het buitengebied, de dorpen en de stad. De Structuurvisie is een voorbeeld van planning van onderop, vanuit het lokale denken. Deze Structuurvisie heeft daarom het oude POP II niet als vertrekpunt genomen, maar nam een voorschot op de nieuwe Omgevingsvisie Drenthe. Deze aanpak past overigens goed binnen de Structuurvisie Infrastuctuur en Ruimte van het Rijk. Het Rijk laat meer over aan gemeenten en provincies.

De structuurvisie geeft ruimte om in delen van het landelijk gebied en bij alle dorpen woningen te realiseren. Tussen en direct aan de kanaaldorpen Noordscheschut, Tiendeveen en Nieuweroord liggen kansen om verrassende woonmilieus te ontwikkelen met haventjes en waterwoningen.

3.5.3 Structuurvisie Hoogeveen 2.0

Vanwege nieuwe ontwikkelingen en trends is de Structuurvisie Hoogeveen 2015-2030 in 2012 geactualiseerd. De Structuurvisie uit 2004 is nog steeds een inspirerende, ambitieuze, integrale ruimtelijke visie, die in stand blijft en met “Structuurvisie Hoogeveen 2.0” op onderdelen wordt bijgesteld. De visie geeft aan hoe Hoogeveen tot 2030 omgaat met thema's als wonen, voorzieningen, bedrijvigheid, bereikbaarheid, landschap en duurzaamheid. Duurzame kwaliteit is en blijft daarbij de rode draad.

De geactualiseerde structuurvisie is op 13 december 2012 door de gemeenteraad vastgesteld. In de visie kiest Hoogeveen voor beheerste groei waarbij de focus van woningbouw ligt op inbreiding in de stad. Daarnaast is gekozen voor geconcentreerde groei bij de dorpen en het landelijke gebied, passend bij de vraag. Voor het landelijk wonen zijn er kansen in de landgoederenzone en de kanalenzone.

De oude plannen van havens in de kanalenzone en grote landschapsinvesteringen worden losgelaten. Er wordt ingezet op kleinschaliger initiatieven. Het bebouwen van het Hollandsche Veld, Nijstad en Alteveer nabij de snelweg vervalt eveneens. Voor verdichting van de linten aan het Hollandscheveldse Opgaande en Zuideropgaande blijven we ruimte bieden. De nieuwbouwplannen binnen dit bestemmingsplan passen goed bij de doelstelling zoals benoemd in de geactualiseerde structuurvisie.

3.5.4 Woonvisie 2011-2020

Ook in de Woonvisie 2011-2020 (vastgesteld op 1 december 2011) wordt een groeiambitie van de beheerste groei geformuleerd. In de Structuurvisie is de ambitie van de gemeente voor de komende 15 jaar, met een doorkijk naar het jaar 2030, neergelegd ten aanzien van veel beleidsterreinen, waaronder het wonen.

De Woonvisie blikt vooruit tot en met het jaar 2020. Daarvan zijn de eerste vijf jaren concreet en de laatste vijf jaren gelden als een doorkijk.

De focus van woningbouw ligt de komende jaren op de stad. Daarnaast kiezen we voor geconcentreerde groei bij de dorpen en in het landelijk gebied, passend bij de vraag. Uitgangspunt is dat tot en met 2020 netto 1.650 nieuwbouw woningen aan de woningvoorraad worden toegevoegd. De regionale woonvisie heeft de indicatieve aantallen uit de Woonvisie aangescherpt. Op basis van de bevolkingsprognose XVIII van de provincie Drenthe van maart 2012 wordt een woningbouwruimte van ongeveer 1.400 woningen aangegeven voor de gemeente Hoogeveen tot 2020. Inmiddels zijn tot 1 januari 2015 ongeveer 450 reguliere woningen aan de woningvoorraad toegevoegd. Daarnaast is binnen de gemeente Hoogeveen nog ruimte voor ongeveer 370 woningen aan plancapaciteit waarvoor nog bouw-/bestemmingsplannen kunnen worden ontwikkeld tot 2020. Het bestemmingsplan Zuid, deelplan Trambaan 2013 kan binnen deze nog beschikbare capaciteit ontwikkeld worden. Voor ongeveer 580 woningen is tot 2020 al harde plancapaciteit aanwezig in zowel de kern Hoogeveen als in de dorpen binnen de gemeente Hoogeveen.

In de Woonvisie wordt ruimte gegeven aan particuliere initiatieven in het landelijk gebied voor in totaal 150 woningen. Voor de Kanalenzone/Trambaan zijn een beperkt aantal woningen gereserveerd. Vanuit de Woonvisie zijn voor het landelijk wonen aan de Trambaan 15 woningen beschikbaar. In het plangebied wordt ook ruimte geboden voor de realisatie van 6 betaalbare woningen in verband met de vraag uit het dorp Nieuweroord. Binnen de Woonvisie is hiervoor plancapaciteit beschikbaar. Middels het bestemmingsplan, Buitengebied Zuid deelplan Verl. Hoogeveense Vaart 2012 zijn reeds 2 woningen mogelijk gemaakt en is 1 woonbestemming verplaatst (Verlengde Hoogeveensche Vaart 185). vanuit de visie om landelijk wonen in dit gebied mogelijk te maken. Daardoor resteert voor deelplan Trambaan voor het landelijk wonen nog een capaciteit van 13 woningen.

Hoofdstuk 4 Gewenste ontwikkeling en uitgangspunten

4.1 Functionele en ruimtelijke structuur

Volgens de provincie zijn het toekomstige woonmilieu, de ruimtelijke kwaliteit en de landschappelijke invulling vaste uitgangspunten bij plannen voor woningbouw. Meer concreet betekent dit, dat de toekomstige stedenbouwkundige structuur aansluit op de bestaande ruimtelijke kenmerken (verkaveling, karakter aanwezige bebouwing, aanwezige beplanting enzovoort).

Het gemeentelijke beleid voor het plangebied komt neer op het versterken van 'kanaalwonen en kleinschalige initiatieven' zoals is aangegeven in de Structuurvisie Hoogeveen 2.0. Voor het woonmilieu wordt gedacht aan 'landelijk wonen'. Hierbij moet worden gedacht aan een ruime omgeving, grote kavel, buren op afstand en landschappelijk inpassing.

De woonvisie geeft aan dat in deze kanalenzone maximaal 20 woningen gerealiseerd mogen worden.

De voorgestelde verkaveling gaat uit van royale kavels ten noorden en zuiden van de Trambaan. Aansluitend bij de bestaande bebouwingsstructuur zijn de nieuwe woningen geprojecteerd langs de Verlengde Hoogeveense Vaart of langs de Krommewijk. Hierdoor blijft een brede strook ter weerszijde van de Trambaan vrij van bebouwing wat de openheid en de lange zichtlijnen waarborgt. De kavelrichting en de projecteerde bebouwing langs de Verlengde Hoogeveense Vaart staan loodrecht op de vaart.

Bij de brug over de Verlengde Hoogeveense Vaart, een historische en markante plek zijn langs de vaart een drietal dubbele woningen geprojecteerd. Deze woningen worden ontsloten via een bescheiden weggetje dat parallel loopt aan de vaart. Deze woningen voorzien in de behoefte voor starters uit Nieuweroord en hebben een kleiner bouwvolume.

4.1.1 Algemeen

Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument om ruimtelijke ontwikkelingen te sturen en functionele kwaliteiten te stimuleren of juist af te remmen. Het zal voor de komende tien jaar een juridische basis vormen voor de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het gebied. Het is daarom van belang de uitgangspunten voor dit bestemmingsplan nader te beschrijven.

4.2 Bebouwing

Uitgangspunt is dat door de toevoeging van woningen de huidige gebiedskenmerken en kwaliteiten in tact blijven en zelfs versterkt worden. De bouwvolumes zullen bestaan uit eenvoudige, langgerekte bouwvolumes. Er is sprake van een langgerekt volume wanneer de lengte van het volume twee maal de breedte bedraagt. De bouwvolumes worden voorzien van een kap evenwijdig aan de Krommewijk en loodrecht op de Verlengde Hoogeveense Vaart. De sobere detaillering en de gedekte kleurstelling van de bestaande panden moet ook in de nieuw te bouwen woningen worden doorgezet. In de ruime bouwvolumes kunnen een of meerdere woningen worden ontwikkeld.

De dubbele woningen hebben een duidelijk kleiner bouwvolume maar sluiten qua kleurstelling en nokrichting aan bij de aangrenzende bebouwing.

Er zijn geen strakke rooilijnen waarin gebouwd moet worden maar wel dient de bebouwing van hoofd- en bijgebouwen binnen de ruime bouwstroken te worden gerealiseerd. Hierdoor houdt het gebied ten noorden en zuiden van de Trambaan zijn open karakter.

4.3 Landschap en water

De kavels hebben een zodanige omvang dat effectief een bijdrage kan worden geleverd aan de ontwikkeling van het landschap. Dit kan in de vorm van houtwallen langs de perceelsgrenzen of het aanplanten van bomenrijen langs de Trambaan. Hierdoor worden nieuwe groene kamers in het gebied gecreëerd.

Op de kavelgrenzen kunnen de sloten worden verbreed of nieuwe sloten worden aangelegd voor een goede waterhuishouding en ter versterking van de oude waterstructuur.

4.3.1 Paardenbakken

Binnen de bestemming 'wonen' zijn paardenbakken toegestaan. Om verstoring van het landschap en hinder in de omgeving te voorkomen zijn voorwaarden gesteld waaraan voldaan moet worden.

Deze voorwaarden hebben betrekking op de afstand van de paardenbak tot de woning van derden, de oppervlakte van de paardenbak, de verlichting van de paardenbak en de landschappelijke inpassing van de paardenbak.

Een goede landschappelijke inpassing is een vereiste. Vooral het lichtgekleurde zand valt nogal op in het landschap. Een haag en/of een graswalletje van maximaal 1 meter hoog voorkomt zicht op het lichte zand/mengsel.

Wanneer beplanting wordt aangebracht dient inheems materiaal te worden gebruikt. Voor de omheining van de paardenbak zijn palen met bruin of groen lint passend. In besloten landschappen kunnen ook houten (in naturelkleur) hekwerken gebruikt worden.

Zeker in een besloten landschap zorgen houtsingels voor een aanhechting om het omliggende landschap. Houtsingels, boomgroepen en losse bomen versterken ook de kleinschaligheid van het landschap en geven beschutting tegen weer en wind.

Hoofdstuk 5 Omgevingsaspecten

5.1 Bodem

Het plangebied ligt in agrarisch gebied ten zuiden van het dorp Nieuweroord. Ter plaatse van de locatie Verlengde Hoogeveenscheweg 185 was in het verleden een agrarisch bedrijf (pluimveehouderij) gevestigd. In 2007/2008 zijn de destijds aanwezige schuren gesloopt, de woning en één schuur zijn nog aanwezig. Verder was in het verleden op de locatie een ondergrondse olietank aanwezig en bevond zich in één van de schuren een bovengrondse olietank. Binnen het plangebied zijn verder nog een tweetal locaties bebouwd.

Het plangebied wordt doorkruist door de weg Trambaan, in het verleden was dit de oorspronkelijke trambaan. Ten zuiden wordt het plangebied deels begrensd door de Krommewijk (in het verleden deels gedempt). Tot slot bevindt zich binnen het plangebied nog een aantal gedempte watergangen.

In 2005 is een groot gebied onderzocht, bekend als de Trambaan. Het overgrote deel van het huidige plangebied viel binnen dit onderzoek. Verder zijn op de locatie Verlengde Hoogeveensche Vaart 185 diverse bodemonderzoeken en een bodemsanering uitgevoerd. Tot slot is op een deel van de locatie Trambaan 6 in het verleden een bodemonderzoek uitgevoerd.

Voor dit bestemmingsplan heeft het adviesbureau Lievense CSO het plangebied in 2014 onderzocht. De resultaten zijn vastgelegd in het rapport 'Verkennend milieukundig bodemonderzoek aan de Trambaan te Nieuweroord', projectnr. 22602 van 11 december 2014. (bijlage 1 Bodemonderzoek).Bijlage 1 Bodemonderzoek

Resultaten
Uit het onderzoek is gebleken dat op het perceel Hoogeveense vaart 185 plaatselijk lichte tot sterke puin bijmengingen zijn waargenomen. Onder de klinkerverharding is een dunne puinlaag aanwezig.
In de bovengrond is plaatselijk een sterke verontreiniging met minerale olie en een lichte verontreiniging met PAK en PCB aangetroffen. Bij toekomstige grondwerkzaamheden of ontwikkelingen op dit perceel zal nader bodemonderzoek noodzakelijk zijn.

Ter plaatse van de voormalige bovengrondse tank is een lichte verontreiniging van xylenen, naftaleen en minerale olie in het grondwater aangetroffen. Ter plaatse van de verwijderde ondergrondse tank is in het grondwater een lichte verontreiniging met nikkel vastgesteld.

In het plangebied komen ook dempingen voor van voormalige watergangen. Ter plaatse van deze dempingen zijn lichte verontreinigingen van barium, cadmium, kobalt, koper, nikkel, zink en/of naftaleen vastgesteld in het grondwater. In de grond zijn geen verontreinigingen aangetroffen.

Voor de overige delen in het plangebied zijn in de grond geen verontreinigingen aangetroffen. in het grondwater zijn lichte verontreinigingen gemeten met barium, cadmium, kobalt, koper, nikkel, zink, xylenen en/of naftaleen. Plaatselijk is een matige verontreiniging aangetroffen met nikkel. In ondiep grondwater worden zware metalen vrij regelmatig aangetroffen in gehalten die de toetsingswaarden overschrijden. Er is in deze gevallen doorgaans sprake van een van nature verhoogde achtergrondwaarde. Wij gaan ervan uit dat dat ook hier het geval is en de licht verhoogde concentraties metalen hoeven daarom niet nader te worden onderzocht.
Ook al in 2005 zijn in het grondwater, verspreid over de onderzochte agrarische percelen, licht verhoogde concentraties cadmium, koper, nikkel en zink gemeten. Ook de matig verhoogde concentratie nikkel betreft een van nature voorkomende achtergrondconcentatie.

Grondverzet
Bij grondverzet dient men te streven naar een gesloten grondbalans. In situaties, waar grond vrij gaat komen, wordt sterk aanbevolen om de kwaliteit van de vrijkomende bodem chemisch analytisch vast te stellen. Uiteraard dient het onderzoek representatief te zijn voor de hele vrijkomende partij.

Voor het toepassen van grond gelden de spelregels voor grondverzet die zijn vastgesteld in het Besluit bodemkwaliteit. Informatie over het toepassen van grond kan worden verkregen bij afdeling Economie en Leefomgeving van de gemeente Hoogeveen, RUD Drenthe en Rvo.nl.

5.2 Archeologie en Cultuurhistorie

Met het Verdrag van Malta wordt de veiligstelling van het Europese erfgoed geregeld. De uitgangspunten van dit verdrag zijn op nationaal niveau uitgewerkt in de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz, 2007). De regionale uitwerking heeft plaatsgevonden in de Omgevingsvisie Drenthe. Hierin is ten eerste de Archeologische Monumentenkaart (AMK) opgenomen. Hierop zijn monumenten en bekende archeologische vindplaatsen weergegeven. Ten tweede is in de Omgevingsvisie Drenthe de Indicatieve Kaart Archeologische verwachtingswaarden (IKAW) opgenomen. Op de kaart staat voor de gehele provincie de verwachtingswaarde voor archeologische vindplaatsen. Hier dient in het planvormingsproces rekening mee gehouden te worden.

Archeologische verwachting
Op basis van de Indicatieve Kaart voor Archeologische Waarden (IKAW) heeft het plangebied grotendeels een middelhoge verwachtingswaarde. De westelijke en oostelijke rand van het plangebied heeft een lage archeologische verwachtingswaarde.

Voor het plangebied heeft het adviesbureau Archeodienst BV een inventariserend archeologisch onderzoek uitgevoerd in het plangebied. De resultaten van het onderzoek zijn weergegeven in het rapport 'Inventariserend veldonderzoek verkennende fase plangebied Trambaan te Nieuweroord', versie 1.1, kenmerk 495 van 5 juni 2014 (bijlage 2 Archeologisch onderzoek). Bijlage 2 Archeologisch onderzoek

Het booronderzoek heeft uitgewezen dat de middelhoge verwachtingswaarde kan worden bijgesteld naar een lage verwachtingswaarde. De lage verwachting voor de westelijke uitloper en het oostelijk uiteinde van het plangebied kan op grond van het booronderzoek gehandhaafd blijven.

Aangezien er geen vindplaatsen worden verwacht in het plangebied (lage verwachting) vormen
toekomstige graafwerkzaamheden geen bedreiging voor het archeologische bodemarchief.

5.3 Water

In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het verplicht de Watertoets uit te voeren. De Watertoets is een waarborg voor water in ruimtelijke plannen en besluiten (bijlage 3 Watertoets). Bijlage 3 Watertoets

Beleidskader
In het waterbeheer zijn drie grote beleidsthema's:
Voor het dagelijkse waterbeheer is dat het Gewenste Grond- en Oppervlaktewater Regime (GGOR). Doel daarvan is gedurende een heel groot deel van het jaar die wateromstandigheden te realiseren die het beste passen bij de functie zoals de provincies die hebben vastgesteld.

Om in extreem natte en extreem droge omstandigheden de schade als gevolg van wateroverlast of watertekort te beperken is het WB21 opgesteld. Hierin zit de trits vasthouden-bergen-afvoeren als voorkeursvolgorde en afwegingskader en het principe van niet afwentelen. Het stedelijk gebied dient dus waterneutraal te zijn. Mocht dit door enige goede redenen - de veiligheid is ernstig in het geding, de kosten zijn te hoog, er spelen nijpende ruimtevraagstukken - niet kunnen, dan komen het waterschap en de gemeente passende afspraken overeen. Doel is het watersysteem zo in te richten dat het in extreme omstandigheden en in de toekomst goed functioneert.

Voor het bereiken van de goede ecologische toestand van het water zijn er de Europese richtlijnen voor ecologie en waterkwaliteit. Dit thema bestaat uit de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en de Vogel- en Habitatrichtlijnen (vertaald in de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet). Doel daarvan is dat alle Europese wateren, zowel oppervlaktewater als grondwater, zich in 2015 in een goede ecologische en goede chemische toestand bevinden. Met goede argumenten is uitstel mogelijk tot uiterlijk 2027. Voor de Natura 2000- gebieden is geen uitstel mogelijk.

Deze drie thema's hangen zo met elkaar samen dat het niet mogelijk is ze afzonderlijk van elkaar te realiseren. Er wordt gezorgd dat het watersysteem tijdig op orde is, duurzaam is ingericht, voldoet aan de landelijke normen voor het voorkomen van wateroverlast, bijdraagt aan het bereiken van grond- en oppervlaktewaterpeilen in relatie tot de functies van die wateren en gebieden, verdroging tegengaat en rekening houdt met de eisen vanuit de KRW.

Om aan deze punten te voldoen is in december 2009 de Waterwet in werking getreden. Deze Waterwet vervangt acht bestaande wetten voor het waterbeheer in Nederland. Deze wet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert deze wet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening.

Hierdoor zijn waterschappen, gemeenten en provincies beter in staat wateroverlast, waterschaarste en watervervuiling tegen te gaan. Ook voorziet de Waterwet in het toekennen van functies voor het gebruik van water zoals scheepvaart, drinkwatervoorziening, natuur, landbouw, industrie en recreatie. Op basis van deze functies worden eisen gesteld aan de kwaliteit en de inrichting van het water. De instrumenten vanuit de Waterwet zijn Waterplannen (rijk en provincie), waterbeheerplannen (waterbeheerder) en vergunningen.

Planbeschrijving
Het plangebied 'Trambaan' ligt in het stroomgebied van het Meppelerdiep, in het beheersgebied van Waterschap Reest en Wieden. Het plangebied heeft een totale oppervlakte van ca. 10 hectare. Binnen of in de nabijheid van het plangebied bevinden zich schouwsloten of hoofdwatergangen van het waterschap. Aan de noordzijde van het plangebied is een beschermingszone ten behoeve van de waterkering Verlengde Hoogeveensche Vaart aanwezig. Voor de voorwaarden die verbonden zijn aan deze beschermingszone dient contact opgenomen te worden met het waterschap. Op de grondwatertrappenkaart van het waterschap valt het plangebied 'Trambaan' in een gebied met grondwatertrap VI. De maximale grondwaterstand ligt tussen de 40 en 80 cm onder het maaiveld. Door de aanwezige slecht doorlatende lagen concludeert het waterschap dat er geen kansen zijn voor infiltratie.

Binnen het gebied zijn geen gevallen van grondwateroverlast bekend, maar gezien de bodemsamenstelling en grondwaterstanden kan dit wel voorkomen. De bodemsamenstelling in het plangebied is overwegend venig met een zekere gevoeligheid voor bodemdaling.

Riolering
In het gebied ligt een drukriolering. Het huishoudelijk afvalwater afkomstig van de nieuwbouw in het plangebied dient naar de drukriolering te worden afgevoerd. Het is daarom noodzakelijk dat de capaciteit van de drukriolering moet worden uitgebreid. Dit betekent dat er in ieder geval bemaling nodig is.

Het hemelwater van daken dient in het plangebied, bij voorkeur per kavel, verwerkt te worden. Om de kwaliteit van het grond- en oppervlakte water te waarborgen, dient bij nieuwbouwprojecten geen gebruik gemaakt te worden van milieubezwaarlijke bouwmaterialen, die de kwaliteit van het water en de waterbodem negatief kunnen beïnvloeden. Uitlogende materialen zoals zink en lood en dakmastiek behoren tot deze categorie.

Waterkwantiteit
Problemen met water moeten niet worden afgewenteld. De bedoeling is om bij uitbreiding de veerkracht van het watersysteem in Nieuweroord en omgeving te vergroten. Bij een toename van verhard oppervlak, zoals daken en verharding, zal meer regenwater worden afgevoerd in plaats van te infiltreren. Waterschap Reest en Wieden hanteert daarom een compensatieregel. Deze compensatie geschiedt, door nieuw oppervlaktewater aan te leggen binnen hetzelfde gebied. Binnen dit oppervlak moet minstens 25 mm x het nieuw te realiseren verhard oppervlak (m2) geborgen worden.

Als voorbeeld voor de compensatieregel is de onderstaande rekensom opgenomen:
Een nieuw gebouw heeft met alle verharding een totaal oppervlakte van 1000 m2.
0.025 m x 1000 m2 = 25 m3. Binnen het plan is een watergang/sloot aanwezig. Deze watergang is bijvoorbeeld zo in te richten dat deze een peilstijging toestaat door middel van een stuw of iets dergelijks. Als de aanwezige watergang/vijver bijvoorbeeld een oppervlakte van 500 m2 heeft, dan dient deze watergang/vijver zodanig ingericht te worden dat het waterpeil minstens 25 m3/ 500 m2 = 0.05 m kan stijgen.

Ook kan gedacht worden aan de aanleg van waterbergende verharding met een berging die voldoet aan de hierboven genoemde 20 m3. Hierdoor zal regenwater vertraagd worden afgevoerd, waarbij als randvoorwaarde geldt dat het geen geïsoleerde vijverpartijen of watergangen moet betreffen.

Tevens zijn er wadi-constructies te realiseren die ook zorgen voor vertraagde afvoer van hemelwater. Bij de aanleg van een sedumdak met een degelijke dikte (vanaf minimaal 7 à 10 cm) rekent het waterschap het dakoppervlak niet mee als verhard oppervlak. Hiervoor hoeft dan ook niet gecompenseerd te worden. Een combinatie van oplossingen is natuurlijk ook mogelijk.

Bij nieuwbouw, die past binnen de kaders van dit bestemmingsplan, zal rekening gehouden worden met deze compensatieregeling. Bij een bestemmingsplanwijziging voor bijvoorbeeld bouwwerkzaamheden zal het gewijzigde plan opnieuw wederom ter toetsing worden voorgelegd aan Waterschap Reest en Wieden.

Invloed op de waterhuishouding
Het plan ligt niet in een beekdal. Echter, de kapitaalintensieve functies in het plan lopen een verhoogd risico op overstromingsgevaar als gevolg van inundatie van het maaiveld vanuit het oppervlaktewater. Nieuwe bebouwing wordt ten minste aangelegd op 30 cm boven het straatpeil. Dit bouwpeil is bepaald op basis van hoogtekaarten in het geografische informatiesysteem. In het gebied zijn bij bestaande bouw geen gevallen van grondwateroverlast bekend.

Het plan ligt niet in een zone van hydrologische beïnvloeding. Kleine wijzigingen in de grondwaterstand binnen het peilbeheer van het waterschap hebben geen directe invloed op de omliggende functies van het plan. Grotere verschillen in de grondwaterstand kunnen eventueel wel invloed op de omliggende functies hebben. Verdroging als gevolg van functiewijziging wordt tegengegaan. Een optimaal peil voor omliggende functies blijft gehandhaafd.

Proces
De gemeente heeft het waterschap tijdig ingelicht over de planvorming. Hierdoor heeft het waterschap de gemeente goed op de hoogte kunnen stellen van de waterhuishoudkundige aspecten binnen het plan. Indien tijdens de uitvoering waterhuishoudkundige aspecten aan bod komen, wordt het waterschap daarover ingelicht.

Wateradvies Waterschap Reest en Wieden
De bestemming en grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding. De procedure voor de standaard watertoets is gevolgd. Afwijkingen met betrekking tot het beleid zijn door de initiatiefnemer voldoende onderbouwd. Waterschap Reest en Wieden komt tot het volgende advies: de wateraspecten van waterschap Reest en Wieden zijn voldoende belicht. Het waterschap geeft voor dit plan dan ook een positief wateradvies.

5.4 Natuur en Ecologie

In het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met Europese en nationaal beleid en wetgeving ten aanzien van de natuurbescherming. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming dient rekening gehouden te worden met de effecten van het plan op Natura 2000 gebieden, EHS etc. Bij soortenbescherming is de Flora- en faunawet van belang en eventueel het provinciaal soortenbeleid. Ecogroen Advies heeft een natuurtoets uitgevoerd in het plangebied. De resultaten zijn opgenomen in het rapport 'Quickscan natuurtoets bestemmingsplan Trambaan, Nieuweroord' (kenmerk: 13-466) van 17 juni 2014 (bijlage 4 Ecologisch onderzoek).Bijlage 4 Ecologisch onderzoek

Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt buiten de begrenzing van zowel Natura 2000 als EHS. Er zijn op grond van de afstand en aard van de ingreep geen negatieve effecten op deze gebieden te verwachten, gezien de barrières die al aanwezig zijn tussen het plangebied en de natuurgebieden. Hierbij moet gedacht worden aan bebouwing, infrastructuur en open agrarische gebied. Er vindt ook geen aantasting plaats van Beschermde natuurmonumenten of belangrijke natuur buiten de EHS.

Soortenbescherming
Bij de soortenbescherming is de Flora- en faunawet van belang en eventueel het provinciaal soortenbeleid. In de Flora- en faunawet is bepaald dat beschermde dieren die in de wet zijn aangewezen, niet gedood, gevangen of opzettelijk verontrust mogen worden, dat planten niet geplukt of verzameld mogen worden en dat het niet is toegestaan om nesten, holen of andere vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren te beschadigen, vernietigen of te verstoren. Het bevoegd gezag kan onder voorwaarden een ontheffing van de verbodsbepalingen verlenen.

Er zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen in het plangebied. De watergangen in het plangebied blijven in stand, waardoor de aanwezige Krabbenscheervegetaties ten behoeve van de beschermde Groene Glazenmaker gehandhaafd blijven.

In het plangebied zijn potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen in de reeds aanwezige woningen in het plangebied. Er wordt een aanvullend vleermuizenonderzoek uitgevoerd in 2014 en 2015 voor de woning op de locatie Verlengde Hoogeveensche Vaart 185 in Nieuweroord, omdat deze woning op termijn gesloopt gaat worden. De overige twee bestaande woningen worden niet gesloopt.
Op de locatie Trambaan 7 in Nieuweroord was een Kerkuilenkast aanwezig, waar al enkele jaren niet in wordt gebroed. De Kerkuilkast is na het ecologisch onderzoek verwijderd.
Bij inrichting van het plangebied dient rekening gehouden te worden met overwinterende amfibieën door ingrepen buiten het overwinteringsseizoen uit te voeren.

Conclusie

Op basis van het uitgevoerde onderzoek worden bij de uitvoering van de ruimtelijke ontwikkeling op voorhand geen onoverkomelijkheden verwacht voor wat betreft de Flora- en faunawet en gebiedsgerichte natuurbescherming. Wel is het noodzakelijk om bij de planning van de werkzaamheden rekening te houden met eventueel aanwezige broedende vogels en het overwinteringseizoen van amfibieën.

5.5 Geur

De woningbouw vormt geen belemmeringen voor omliggende bedrijven. Er ligt een klein agrarisch bedrijf ten zuidoosten van het plangebied waar een aantal zoogkoeien en schapen gehouden worden. Voor de dierenverblijven waar de zoogkoeien gehuisvest worden, dient een minimale afstand van 50 meter te worden aangehouden tussen het dichtstbijzijnde emissiepunt en de te projecteren woningen. Voor het houden van de schapen dient te worden voldaan aan de geurnorm van 8 ouE/m3. Uit de geurberekening (bijlage 5 Geurberekening)Bijlage 5 Geurberekeningdie is uitgevoerd met het programma V-STACKS Vergunning versie 2010 is gebleken dat de geurbelasting op het perceel ten noorden van het bedrijf ca. 0,9 ouE/m3 bedraagt en dus ver beneden de geurnorm van 8 ouE/m3 ligt.

Opgemerkt wordt dat de woningbouw op een grotere afstand dan 50 meter van het bedrijf wordt geprojecteerd. Het perceel ten noorden van het bedrijf heeft de bestemming 'agrarisch', zonder bouwmogelijkheden, waardoor wordt voorkomen dat een geurgevoelig object te dicht op het bedrijf geprojecteerd wordt.

5.6 Geluid

Voor dit bestemmingsplan is een inventarisatie gemaakt van de geluidsbelasting in het plangebied op grond van de Wet geluidhinder (hierna Wgh). Daarbij kan het gaan om geluid afkomstig van lucht-, rail- of wegverkeer en/of van bedrijven. Ook wordt onderzocht of er wettelijk vastgestelde geluidszones binnen het plangebied vallen. De Regionale Uitvoeringsdienst Drenthe (RUD) heeft een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor het bestemmingsplan. De resultaten zijn opgenomen in het rapport 'Akoestische aspecten Trambaan Nieuweroord' (kenmerk: HO/RT/2014-01) van 29 januari 2014 (bijlage 6 Akoestisch onderzoek). Bijlage 6 Akoestisch onderzoek

In het plangebied worden in totaal 13 nieuwe woningen mogelijk gemaakt op ruime kavels in het plangebied.

Wegverkeerslawaai
Wegen met een snelheid van meer dan 30 km/uur zijn volgens de Wgh zoneplichtig. Binnen de aangewezen zones dient een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. Wegen met een maximum snelheid van 30 km/uur hoeven niet te worden getoetst aan de normen uit de Wgh, maar de geluidsbelasting als gevolg van het wegverkeerslawaai moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening wel inzichtelijk worden gemaakt.

De volgende wegen zijn van belang:
- Hoogeveensche Vaart (50 km/h en 60 km/h);
- Hoogeveenseweg (30 km/h);
- Middenraai (30 km/h).

De geluidbelasting op de geluidgevoelige objecten is berekend met het programma Geomilieu V2.30 van DGMR. Voor de berekening zijn de verkeersintensiteiten voor het jaar 2024, het einde van de planperiode, gebruikt.

De geluidbelasting ten gevolge van de Hoogeveensche Vaart ligt in het gehele plangebied vrijwel geheel beneden de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Aan de randen van het plangebied is de geluidbelasting iets hoger dan de voorkeursgrenswaarde, maar de bouwblokken waar geluidgevoelige objecten gerealiseerd worden, liggen niet in dit deel van het plangebied.

De geluidbelasting van de overige wegen rondom en in het plangebied is eveneens lager dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Wegverkeerslawaai vormt dan ook geen belemmering voor deze ruimtelijke ontwikkeling.

Overige geluidbronnen
Het railverkeer, het industrielawaai en het beperkingengebied, dat is opgenomen in het Luchthavenbesluit van de provincie Drenthe, spelen geen rol in het plangebied.

5.7 Milieuzonering bedrijven

Het plan maakt woningbouw mogelijk in het plangebied. Het plangebied ligt in agrarisch gebied en ligt direct ten zuiden van het dorp Nieuweroord. Er ligt ten zuidoosten van het plangebied een kleine veehouderij en in het zuidelijk deel van het plangebied is een woonbestemming opgenomen, waarbij een kleinschalig kampeerterrein aanwezig is.

Op basis van de VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' dienen bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te worden gehouden met richtafstanden tussen bedrijven en een 'rustige woonwijk'. Er zijn richtafstanden opgenomen voor geur, stof, geluid en gevaar. Voor het houden van rundvee komt de grootste afstand tussen het bedrijf en de woningen overeen met 100 meter in verband met het aspect geur. De richtafstanden voor de overige aspecten bedraagt 30 meter. Het bouwblok ligt op een kortere afstand dan 100 meter, maar wel op een grotere afstand dan 30 meter. Hoewel niet wordt voldaan aan de richtafstand van 100 meter voor geur kan wel gesproken worden van een acceptabel woon-en leefklimaat, aangezien het bouwblok op ca. 65 meter van het dichtstbijzijnde dierenverblijf ligt. Hiermee wordt voldaan aan de minimale afstandseis van 50 meter in relatie tot geur uit het Activiteitenbesluit (zie par. 5.9).

5.8 Milieueffectrapportage (MER)

Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (de m.e.r.-beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag nog moet beoordelen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling.

De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. In deze bijlage staan drie hoofdcriteria centraal:
- de kenmerken van het project;
- de plaats van het project;
- de kenmerken van de potentiële effecten.

In het plangebied is sprake van woningbouw, waarbij 13 nieuwe woningen gerealiseerd worden. In de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage is de ontwikkeling opgenomen onder categorie D 11.2, onder 2º: een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen.

Er is sprake van een m.e.r-beoordelingsplichtige activiteit indien er sprake is van meer dan 2000 woningen. Het planvoornemen met in totaal 14 woningen (13 nieuwbouw en 1 bestaande woning) ligt ver onder deze drempelwaarde, waardoor kan worden aangenomen dat er geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit. In het kader van de voorbereiding is geconstateerd dat het plan niet binnen een kwetsbaar of waardevol gebied ligt.

Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het milieubelang in voldoende mate is afgewogen en dat er geen nadelige effecten zijn te verwachten.

5.9 Luchtkwaliteit

Op 15 november 2007 (Stb. 2007, 434) is de Wet Luchtkwaliteit in werking getreden. Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor een aantal luchtverontreinigende stoffen. Bij ieder besluit dat de kwaliteit van de lucht kan beïnvloeden moet worden gekeken naar de verwachte luchtkwaliteit en moet worden bepaald of kan worden voldaan aan de grenswaarden die in de Wet luchtkwaliteit zijn opgenomen. Bij bestemmingsplannen is het van belang om te beoordelen hoe de luchtkwaliteit zich gedraagt gedurende de planperiode. Hierbij worden de volgende stoffen beoordeeld: benzeen, kool(stof)monoxide (CO), lood, stikstofdioxide (NO2), zwaveldioxide (SO2) en zwevende deeltjes (PM10; ook wel fijn stof genoemd).

De kritische parameters in Nederland zijn fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). De overige verontreinigende stoffen waaronder benzeen, lood, zwaveldioxide en koolstofmonoxide bevinden zich in Nederland ruim onder de grenswaarden. De verwachting is dat dit ook in de toekomst zo zal blijven waardoor berekening van deze waarden niet relevant is.

Het plan maakt woningbouw mogelijk van in totaal 14 woningen (13 nieuwbouw en 1 bestaande woning). In het Besluit en de bijbehorende regeling 'niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen)' zijn kwantitatieve grenzen opgenomen die bepalen of een project wel of niet aangemerkt wordt als een project die een significante bijdrage levert aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit.

Op grond van het Besluit en de Regeling dragen projecten met woningbouw die bestaan uit minder dan 1500 woningen met 1 ontsluitingsweg niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Het woningaantal dat met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt ligt ruim beneden deze kwantitatieve grenzen.

Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de ruimtelijke ontwikkeling.

5.10 Externe veiligheid

Het aspect Externe Veiligheid heeft te maken met de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen en de bescherming hiertegen. De veiligheidsrisico's worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Verder kunnen de veiligheidsrisico's worden verdeeld in risico's veroorzaakt door bedrijvigheid (inrichtingen) en in risico's veroorzaakt vanwege het transport (weg, spoor, water, buisleidingen) van gevaarlijke stoffen. Conform het nationale veiligheidsbeleid en de Visie Externe Veiligheid van de gemeente Hoogeveen is onderzoek verricht naar de veiligheidssituatie rondom het plangebied. Dit onderzoek bestaat uit het in beeld brengen van alle relevante risicofactoren met de bijbehorende risico's alsmede het vaststellen van de invloed hiervan op het plangebied (bijlage 7 EV-advies Trambaan te Nieuweroord).Bijlage 7 EV-Advies

Stationaire bronnen
Binnen of in de nabijheid van het plangebied zijn geen risicovolle bedrijven aanwezig. Er hoeft niet getoetst te worden aan veiligheidsafstanden op basis van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico, zoals verwoord in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).

Transportroutes voor gevaarlijke stoffen
Het plangebied ligt niet in de nabijheid van transportroutes voor gevaarlijke stoffen. Er hoeft geen rekening te worden gehouden met het gestelde in de Circulaire Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen. Verder hoeft bij dit plan ook geen rekening gehouden te worden met de Nota Vervoer Gevaarlijke Stoffen (NVGS).

Buisleidingen
In het plangebied zelf liggen geen hogedrukaardgasleidingen. Het plangebied ligt wel in het invloedsgebied van een zestal hogedrukaardgasleidingen, die in de nabijheid van het plangebied liggen.

Plaatsgebonden risico
Op grond van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) dient rekening te worden gehouden met het plaatsgebonden risico (PR 10-6). Het plangebied ligt niet binnen de plaatsgebonden risico (PR 10-6)-contouren en de belemmeringenstrook (5 m) van de bestaande aardgasleidingen. De grens- en richtwaarde voor het plaatsgebonden risico worden dan ook niet overschreden.

Tevens ligt het plangebied niet binnen de vrijwaringszone waarmee rekening moet worden gehouden in verband met toekomstige hoge druk aardgasleidingen, zoals opgenomen in de Structuurvisie Buisleidingen.

Groepsrisico
Het westelijk en oostelijk deel van het plangebied liggen in het invloedsgebied van de zes buisleidingen. Voor de exacte ligging van deze invloedsgebieden wordt verwezen naar bijlage 6, het EV-advies van de RUD Drenthe. Het plangebied ligt niet binnen de 100% letaliteitszone van de buisleidingen, maar wel binnen de 1% letaliteitszone. Binnen deze invloedsgebieden dient het groepsrisico verantwoord te worden.

Uit de kwantitatieve beoordeling van het groepsrisico blijkt dat de hoogte van het groepsrisico niet toeneemt als gevolg van deze ruimtelijke ontwikkeling. De hoogte van het groepsrisico ligt dan ook ruimschoots beneden de oriëntatiewaarde.

Op grond van artikel 12, tweede lid van het Bevb, heeft de Veiligheidsregio Drenthe (VRD) op
8 september 2014 advies (kenmerk: U140835, bijlage 8 VRD-advies)Bijlage 8 VRD Advies uitgebracht met betrekking tot de aspecten zelfredzaamheid, bereikbaarheid en bestrijdbaarheid.
De kans op een incident met een buisleiding is bijzonder klein. Incidenten met buisleidingen worden in vrijwel alle gevallen veroorzaakt door graafwerkzaamheden, die in weilanden en akkers niet snel plaats vinden.
Vanwege de afstand van de geplande woningen tot de buisleidingen in combinatie met de snelle ontwikkelingstijd van de effecten van de calamiteit (breuk in de buisleiding met ontbrandend gas), zijn er geen effectieve maatregelen te adviseren die een bijdrage kunnen leveren aan het voorkomen of beperken van de omvang van een ramp of zwaar ongeval.

De VRD adviseert om de huisvesting van kwetsbare groepen in het plangebied niet mogelijk te maken. In het bestemmingsplan zijn in totaal 14 woningen mogelijk gemaakt. De woningen zijn in dit plan niet bestemd voor huisvesting van specifieke groepen kwetsbare personen. Zo maakt het bestemmingsplan vestiging van zorginstellingen, woonvormen zoals begeleid wonen voor verstandelijk- of lichamelijk gehandicapten, onderwijsfuncties, kinderopvang etc. niet mogelijk.

Conclusie
De hoogte van het groepsrisico ligt ruim beneden de oriëntatiewaarde. De kans op een calamiteit is gering. Er worden geen groepen personen met een lage tot geen zelfredzaamheid gehuisvest. Op basis hiervan wordt de ontwikkeling op deze locatie bestuurlijk acceptabel geacht.

5.11 Duurzaamheid

Hoogeveen streeft naar een duurzame ontwikkeling. De gemeente heeft haar ambities op het gebied van duurzaamheid verwoord in de Milieuvisie. Een van de speerpunten is energieneutraal bouwen. Er moet een stap worden gezet naar een duurzame leefomgeving. Belangrijk hierbij is het vergroten van de bewustwording.

Nieuwbouw leent zich bij uitstek om de aspecten van duurzaamheid te integreren bij de uitvoering van de bouwwerkzaamheden en de landschappelijke inpassing. Er zijn in de praktijk verschillende mogelijkheden om energieneutraal te bouwen en rekening te houden met het gebruik van duurzame materialen.

Hoofdstuk 6 Planbeschrijving

6.1 Juridisch systeem

Als opzet voor de planologische regeling van dit gebied, is gekozen voor een verbeelding met flexibele bestemmings- en bouwregels, waarin het door de gemeente vastgestelde beleid wordt omschreven. Hiermee wordt een materiële rechtszekerheid beoogd; alleen activiteiten die in het karakter van het gebied passen zijn toegestaan. De in het plangebied voorkomende stedenbouwkundige kwaliteiten worden door de keuze van de bestemming en de daarin gegeven bouwregels zoveel mogelijk gewaarborgd.

Het bestemmingplan valt onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro), die op 1 juli 2008 in werking is getreden. Dit betekent dat het bestemmingsplan is opgezet volgens de nieuwste wettelijke regelgeving en volgens de nieuwste Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. Deze nieuwe standaard is per 1 juli 2013 verplicht volgens het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

Het plan is technisch als een digitaal raadpleegbare versie uitgevoerd en voldoet aan de eisen van DURP (Digitale Uitwisseling in Ruimtelijke Processen). Deze digitale versie is bedoeld om de burger 'online' informatie te verschaffen omtrent het bestemmingsplan. Bovendien is de digitale versie bedoeld voor uitwisseling van gegevens binnen de gemeente en met andere overheidsinstanties. De digitale versie is voor (ontwerp)plannen die na 1 januari 2010 ter inzage worden gelegd verplicht op grond van de nieuwe Wro. Er zal een analoge (papieren) versie van het bestemmingsplan naast het digitale plan blijven bestaan.

6.2 Regels

De regels zijn vervat in artikelen die onderverdeeld zijn in vier delen. In de "Inleidende regels" zijn algemene artikelen opgenomen die voor het gehele plan van belang zijn. In artikel 1 zijn omschrijvingen opgenomen van de in het plan voorkomende relevante begrippen. In artikel 2 is vastgelegd op welke wijze dient te worden gemeten.

Door deze vaste omschrijving van de begrippen en van de wijze van meten wordt eenduidigheid in de bedoelingen van het plan gegeven en wordt de rechtszekerheid vergroot.

In de "Bestemmingsregels" zijn de bestemmingen en de gebruiks- en/of bebouwingsmogelijkheden van de betreffende gronden aangegeven. De bestemmingen zijn op alfabetische volgorde benoemd. Deze bestemmingsregels worden in paragraaf 6.3 nader uitgewerkt.

In de "Algemene regels" staan artikelen benoemd die voor alle of meerdere bestemmingen gelden. Het betreffen onder andere de voor alle bestemmingen geldende afwijkingsregels en de algemeen geldende aanduidingsregels.

De algemene afwijkingsregels zorgen voor enige verruiming ten behoeve van de flexibiliteit van het plan. Deze afwijkingen zijn niet specifiek op één bestemming gericht. Zij kunnen gebruikt worden ten aanzien van alle bestemmingen.

De algemene aanduidingsregels geven de mogelijkheid voor algemene aanduidingen, die als een extra laag over meerdere bestemmingen liggen. In dit bestemmingsplan zijn geen algemene aanduidingen aanwezig.


In de "Overgangs- en slotregels" staan artikelen benoemd die voor alle voorgaande regels gelden. Het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik is hierin geregeld alsmede de slotregel.

6.3 Verklaring van de bestemmingen

In deze paragraaf wordt een verklaring gegeven van de inhoud van de bestemmingen. De bestemmingen worden in alfabetische volgorde besproken.

6.3.1 Agrarisch

De agrarische gronden gelegen in het zuidoosten van het plangebied hebben deze bestemming gekregen. Op deze gronden is geen bebowuing toegestaan.

6.3.2 Tuin

De bestemming Tuin betreft de tuinen bij de woningen. Hierin mogen geen (bij)gebouwen worden gebouwd. Meestal liggen deze gronden tussen de voorgevel van de gebouwen en de openbare weg.

6.3.3 Verkeer

Onder deze bestemming valt de ontsluitingsweg van het plangebied en de ondergeschikte groenvoorzieningen.

6.3.4 Wonen

Woningen en aan- en bijgebouwen
De bestemming “Wonen” heeft betrekking op de te realiseren (burger)woningen. Bij de woningen mogen, afhankelijk van de grootte van het perceel, aan- en bijgebouwen met gezamenlijke oppervlakte van niet meer dan 200 m2 worden gebouwd. Daarnaast bedraagt de afstand tussen de woning en het bijgebouw maximaal 30 meter. De regeling voor aan- en uitbouwen en bijgebouwen sluit aan bij de regeling voor woningen in de reeds geactualiseerde bestemmingsplannen binnen de gemeente.

Aan-huis-verbonden beroep of -bedrijf In het algemeen mogen woningen en de daarbij behorende bijgebouwen gedeeltelijk worden gebruikt voor een aan-huis-verbonden beroep of een aan-huis-verbonden bedrijfsactiviteit, voor zover dit gebruik ondergeschikt blijft aan de woonfunctie. Dit betekent dat maximaal slechts 35% van het vloeroppervlak van de woning en de bijgebouwen tot niet meer dan 75 m² gebruikt mag worden voor het aan-huis-verbonden beroep of voor een aan-huis-verbonden bedrijfsactiviteit.

Paardenbak Paardenbakken zijn onder voorwaarden toegestaan.

Hoofdstuk 7 Handhaving

7.1 Algemeen

Het bestemmingsplan wil een sturend instrument zijn voor de ruimtelijke en functionele inrichting van het plangebied. Aan de hand van de in het bestemmingsplan opgenomen regels worden voorgenomen activiteiten (activiteiten en gebruik van gronden) getoetst. Als blijkt dat in afwijking van de regels activiteiten plaatsvinden, is handhaving in enge zin aan de orde, gericht op het ongedaan maken van een overtreding. Handhaving is belangrijk om de sturing die het bestemmingsplan beoogt tot haar recht te laten komen.

7.2 Beleidskeuzen

De gemeenteraad heeft op 3 februari 2011 de Kadernota Toezicht en handhaving vastgesteld. Het handhavingsbeleid maakt onderdeel uit van het programma Veilig. De looptijd van de kadernota Integrale handhaving loopt van 2011-2014, waarmee wordt aangesloten bij andere plannen waarin op onderdelen wordt verwezen naar handhaving. Dit zijn het Drentse veiligheidsplan, Integrale veiligheidsplan Hoogeveen en de visie externe veiligheid.

De afgelopen jaren is er veel veranderd en de komende jaren gaat er nog veel veranderen. Er vindt een verschuiving plaats van vergunningplicht naar steeds meer algemene regels in het VROM-domein. Gevolg hiervan is dat er meer nadruk komt te liggen op de uitvoering van de handhaving.

7.3 Inzet gemeentelijk apparaat

Op basis van de kadernota Toezicht en handhaving wordt jaarlijks een gemeentelijk werkprogramma opgesteld. Hierin worden op basis van een evaluatie voor het komende jaar de prioriteiten (bij)gesteld. In dit werkprogramma worden alle taken, taakonderdelen, de wettelijke of gewenste prioriteitstelling, prestatie en capaciteitstoekenning op het gebied van handhaving opgenomen. Tevens wordt de voortgang van de projecten die spelen inzichtelijk gemaakt.

De werkprogramma's worden gemonitord en geëvalueerd (jaarverslagen). Voor de monitoring en evaluaties zal aansluiting worden gezocht bij de programmasturing zoals die in Hoogeveen wordt gebruikt. Aan deze programma's ligt een visie (1x10 jaar) ten grondslag die vervolgens worden uitgewerkt in beleidsnota's (1x4 jaar) en uitvoeringsprogramma's (jaarlijks).

Tevens wordt beoordeeld of nog de juiste prioriteiten worden gesteld en of het handhavingsbeleid en de handhavingsstrategieën nog doelmatig en effectief zijn. Ieder jaar rapporteert het college van B&W de evaluatie aan de gemeenteraad. Indien nodig worden op basis van de evaluatie aanpassingen gedaan in de kadernota.

Hoofdstuk 8 Uitvoerbaarheid

8.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Met dit bestemmingsplan worden de ontwikkelmogelijkheden in het plangebied vastgelegd.

Er is een informatieavond gehouden voor omwonenden, andere belanghebbenden en belangstellenden om te informeren over de ontwikkelmogelijkheden van het plangebied. Daarnaast zal het bestemmingsplan in het kader van het verplichte vooroverleg op basis van artikel 3.1.1 Bro voorgelegd worden aan verschillende instanties.

8.2 Economische uitvoerbaarheid

Het stedenbouwkundigplan is doorgerekend en vervat in een grondexploitatie. In de grondexploitatie zijn alle kosten en opbrengsten meegenomen die betrekking hebben op het plan. Bij de kosten gaat het hierbij o.a. om de in het verleden gemaakte kosten voor de aankoop van de gronden, kosten voor beheer en onderhoud tijdens de exploitatieperiode, de sloopkosten, de kosten voor de aanpassing van de Trambaan en de plankosten.
De opbrengsten worden gegenereerd door de uitgifte van kavels voor woningbouw. Voor de berekening van de opbrengsten is, naast de uitgifte van een zestal kleinere kavels voor twee-onder-één kapwoningen, gerekend met de opbrengsten voor forse kavels met een oppervlak vanaf circa 2.300 m2 tot ruim 7.800 m2. In totaal gaat het om circa 18 kavels.

Gezien de situatie op de huidige woningmarkt en het specifieke product is de fasering van de uitgiftes voorzichtig ingeschat. Gerekend is met een looptijd van de grondexploitatie tot en met 2027.

Het investeringsniveau in de grondexploitatie ligt lager dan het niveau van de geraamde opbrengsten. Ook wanneer rekening wordt gehouden met kosten- en opbrengstenstijgingen en toegerekende rente is sprake van een positieve grondexploitatie. Hiermee is het plan derhalve economisch uitvoerbaar.

8.3 Inspraak en vooroverleg

Het bestemmingsplan is voorgelegd aan de betrokken partijen als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening.

De Provincie Drenthe, de Gasunie en Waterschap Reest & Wieden hebben aangegeven geen opmerkingen te hebben op het concept ontwerp bestemmingsplan. De Woon Advies Commissie heeft een inhoudelijke reactie gegeven op het plan.

Inspraak Woon Advies Commissie

De Woon Advies Commissie (hierna: WAC) heeft 24 maart 2015 een inspraakreactie gegeven op het concept ontwerp bestemmingsplan. Deze reactie heeft betrekking op de volgende punten.

a) In de voorschriften is opgenomen dat de kap van de te bouwen woningen loodrecht op de Verlengde Hoogeveense Vaart moet staan, dus ongeveer noord/zuid. Dit is volgens de WAC geen optimale positie voor het plaatsen van zonnepanelen op de schuine zijden van de kap die dan op het oosten en westen zijn gesitueerd. Daarnaast begrijpt de WAC niet hoe het gelijktijdig mogelijk is dat de kap loodrecht op de Verlengde Hoogeveense Vaart en evenwijdig aan de Krommewijk moet worden gericht. Volgens de WAC lopen beide wegen parallel.

Zij gaan er verder van uit dat de bepaling m.b.t. sobere detaillering en de gedekte kleurstelling geen beperking inhoudt voor het plaatsen van zonnepanelen.

b) Ten aanzien van het onderwerp Bodem merkt de WAC op dat het rapport (gereed medio oktober 2014) niet als bijlage in het plan is gevoegd.

c) Tot slot merkt de WAC op dat in hoofdstuk 5.11 Duurzaamheid enkel ambities worden genoemd, maar dat in het plan geen concrete voorschriften zijn opgenomen over duurzaam en energieneutraal bouwen. Er wordt slechts gemeld dat er mogelijkheden bestaan voor energieneutraal bouwen en rekening te houden met het gebruik van duurzame materialen.

Reactie gemeente

ad. a) Belangrijk uitgangspunt van het plan is dat de huidige gebiedskenmerken en kwaliteiten in tact blijven en zelfs versterkt worden. Ten aanzien van de (hoofd)bebouwing is daarom aansluiting gezocht bij de oude bebouwingsstructuur langs de vaart en de wijk. Dit om behoud en versterking van cultuurhistorische elementen te borgen.

De sobere detaillering en de gedekte kleurstelling, waarover gesproken wordt in de toelichting geven geen beperkingen voor het plaatsen van zonnepanelen. Gelet op de grote percelen zou een optimale positie voor het plaatsen van zonnepanelen ook elders gezocht kunnen worden, bijvoorbeeld op de grond of op bijgebouwen.

ad. b) De opmerking is terecht. Het bodemonderzoek voor het plangebied Trambaan is in 2014 uitgevoerd. Het rapport was echter nog niet beschikbaar op het moment dat het concept bestemmingsplan naar de vooroverlegpartners is gestuurd. De resultaten van het rapport zullen worden verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan en dan wordt ook het bodemonderzoek als bijlage toegevoegd.

ad. c) In een bestemmingsplan worden ruimtelijk relevante aspecten geregeld. Duurzaamheid kan een rol spelen bij de keuzes die worden gemaakt voor de inrichting van een plan. Een initiatiefnemer, die gaat bouwen, dient de regels uit het Bouwbesluit 2012 in acht te nemen. Dit is nationaal beleid. Hierin is opgenomen dat een gebouw energiezuinig moet zijn en het bouwwerk moet voldoen aan de daarin genoemde energieprestatienormen. De gemeente wil initiatiefnemers stimuleren en eventueel faciliteren om verder te gaan dan een energieprestatienorm uit het Bouwbesluit 2012. De gemeente wil en kan dit niet verplichten door verdergaande voorschriften hierover op te nemen in de planregels van het bestemmingsplan.

Conclusie

De reactie geeft geen aanleiding om het bestemmingsplan aan te passen.