direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Mantgum - CPO 12 woningen
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0080.22001BP00-VO01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Dit bestemmingsplan biedt ruimte voor de nieuwbouw van 12 woningen in de vorm van Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (hierna: CPO) in Mantgum. De particuliere initiatiefnemers zijn dorpsbewoners uit Mantgum en omliggende dorpen en zijn georganiseerd in de vereniging Mantgum CPO 2.0. Ze hebben een aantal wensen die invulling geven aan hetgeen staat omschreven in de dorpsvisie Mantgum 2015-2020. Uit eerdere inventarisaties blijkt dat er vanuit het dorp al langere tijd vraag is naar nieuwe woningen in het dorp:

  • Woonenquête 2013-2014;
  • Dorpsvisie Mantgum 2015 – 2020;
  • Interessepeiling CPO Mantgum 2.0 Mandeguod 2019.

Het probleem in Mantgum is dat er al gedurende lange tijd geen ruimte voor geschikte nieuwbouwwoningen in het dorp wordt geboden. De laatste woning is 15 jaar geleden gebouwd (2005) en in 2009 zijn de vijf laatste appartementen boven de winkels aan de Dobbe gerealiseerd. De afgelopen tijd staan in Mantgum slechts één à twee woningen te koop (bron: Funda, peilperiode 1 oktober 2018 tot 11 maart 2020). Er is dan ook nauwelijks sprake van 'doorstroom'. Het doel van het CPO-project is om de doorstroming op de lokale woningmarkt op gang te brengen, hetgeen ook een behoud is voor de voorzieningen in en rondom Mantgum. De gemeente Leeuwarden en de provincie Fryslân hebben het CPO de kans gegeven om de haalbaarheid van het nieuwbouwplan te onderzoeken.

De ligging en de karakteristiek van het dorp vragen om een bijzondere inpassing van het plan. Bij de planontwikkeling is daarom gekeken naar de historisch waardevolle kenmerken van het dorp, de landschappelijke kwaliteiten in de omgeving en de beeldkwaliteit van bestaande en de nieuwe woningen. Er is gezocht naar een passende ruimtelijke structuur voor de ontwikkeling van Mantgum.

1.2 Plangebied

Het terpdorp Mantgum ligt aan de spoorlijn Sneek-Leeuwarden en langs de Mantgumerfeart. De Mantgumerfeart loopt ten noord(oost)en van het dorp en komt uiteindelijk uit op De Zwette, de hoofdvaart van de voormalige Middelseepolder. In de nabijheid van de Mantgumerfeart - aan de oostzijde van Mantgum - ligt het plangebied voor het CPO-project. Het gebied grenst aan MFC De Wjukken, de tennisbaan en het sportveld. Het plangebied heeft op dit moment een agrarisch gebruik. De ligging en begrenzing van het plangebied blijken uit de verbeelding van dit bestemmingsplan en globaal uit navolgende figuur 1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0080.22001BP00-VO01_0001.png"

Figuur 1. Globaal plangebied (bron: CPO Mantgum Klimaatbestendig bouwen; Noordpeil d.d. 6 februari 2020)

1.3 Juridisch planologisch kader

Het plangebied is onderdeel van het bestemmingsplan "Bûtengebiet" dat door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Littenseradiel op 29 september 2015 is vastgesteld. De locatie heeft in dit bestemmingsplan de bestemming “Agrarisch” met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2". De voor agrarisch gebruik aangewezen gronden zijn bestemd voor agrarische activiteiten. Het gebruik van de gronden en het bouwen ten behoeve van wonen is binnen deze bestemming niet toegestaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0080.22001BP00-VO01_0002.jpg"

Figuur 2. Fragment verbeelding (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

1.4 Leeswijzer

Na de inleiding in dit hoofdstuk is in hoofdstuk 2 nader op het plan ingegaan. Relevant overheidsbeleid is daaropvolgend in hoofdstuk 3 uiteengezet. Een omschrijving van de omgevingsaspecten betreffende de planologische en milieukundige randvoorwaarden is opgenomen in hoofdstuk 4. Hoofdstuk 5 betreft de toelichting op de juridische vormgeving van het bestemmingsplan en de hiervoor te volgen procedure. Als laatste is in hoofdstuk 6 de (economische en maatschappelijke) uitvoerbaarheid uiteengezet. Bij dit bestemmingsplan zijn verder enkele bijlagen opgenomen waarnaar in deze toelichting wordt verwezen.

Hoofdstuk 2 Projectbeschrijving

2.1 Planbeschrijving

Vereniging Mantgum CPO 2.0 heeft al een heel traject achter de rug dat uiteindelijk heeft geresulteerd in een stedenbouwkundig plan CPO Mantgum Klimaatbestendig bouwen (Noordpeil d.d. 6 februari 2020 Bijlage 1) en een ruimtelijke onderbouwing en beeldkwaliteitsplan (Bijlage 2). Uitgangspunten van het plan zijn:

Aantal / woningtype / oriëntatie 

Maximaal 12 woningen

  • wonen in de boomgaard: vier twee-onder-één-kap-woningen, kavelgrootte circa 400 - 450 m²;
  • wonen aan het water: acht vrijstaande woningen, kavelgrootte circa 750 – 800 m².

Rooilijnen 

  • woningen ten minste 2 m uit de rand van de weg, verspringend.

Ontsluiting/erf

  • op Om 'e Terp;
  • aan de oostzijde een open zichtlijn houden.

Ontmoetingsplein

  • centrale zone voor ontmoeting en beleving;
  • ruimte voor spelen;
  • combinatie met ruimte voor parkeren, containers (indien nodig), keren, bezorgen;
  • kastanjeboom/kunstwerk.

Vaarwater 

  • minimaal 10 m breed (3 à 4 meter uitgeefbaar en 6 à 7 meter vaarwater);
  • langshaventje en/of aanleggen langs oever.

Parkeren 

  • uitgangspunt is parkeren op eigen erf;
  • circa 4 tot 6 plaatsen voor bezoekers in openbare ruimte (zoekgebied bij ontmoetingsplein).

afbeelding "i_NL.IMRO.0080.22001BP00-VO01_0003.png"

Figuur 3. Schets nieuwe situatie (bron: CPO Mantgum Klimaatbestendig bouwen; Noordpeil d.d. 4 juni 2020 Bijlage 1)

2.2 Relatie met omgeving

Als inrichtingsprincipe voor het plan is gekozen: het groene (boeren)erf, bestaand uit een voorerf (het aan de straat grenzend deel van het erf) en een achtererf (het achter de woning liggend deel van het erf). In relatie tot de omgeving en inpassing van het plan is rekening gehouden met de volgende aspecten:

Omgevingsaspecten:

  • geluidscontour tennisvereniging (30 m) (zie paragraaf 4.8);
  • geluidscontour verkeer (10 m) (zie paragraaf 4.3).

Landschappelijk beeld:

  • het algehele landschappelijke beeld van het plangebied is passend bij een groen boerenerf, o.a. riet, knotwilgen, fruitbomen, solitaire bomen, zoals kastanje, beuk (geen solitaire bosschages in de vorm van 'schaamgroen' of los snippergroen);
  • een aantrekkelijke groene ruimte op het voorerf (o.a. fruitbomen, boomgaard);
  • kavels op het achtererf: brede strook van riet, knotwilgen, solitaire bomen;
  • natuurlijke oevers daar waar mogelijk / wenselijk.

Zichtlijnen:

  • aangrenzend perceel It Bosk 5;
  • open landschap.

afbeelding "i_NL.IMRO.0080.22001BP00-VO01_0004.png"

Figuur 4. Planvoornemen in relatie tot de omgeving (bron: CPO Mantgum Klimaatbestendig bouwen; Noordpeil d.d. 4 juni 2020 Bijlage 1)

2.3 Stedenbouwkundige toelichting

De planuitgangspunten zoals beschreven in de paragrafen 2.1 en 2.2 hebben geresulteerd in een stedenbouwkundig plan met beeldkwaliteitseisen (Bijlage 2).

Stedenbouwkundig plan

Voortborduren op het 'dorps-DNA', is de hoofdgedachte voor het uitbreidingsplan in Mantgum. De openbare ruimte van Mantgum heeft een hoge kwaliteit en een sterke samenhang door de dorpse afwisseling in architectuur, volume en koprichtingen. In het plangebied zijn twee woongebieden te onderscheiden. Deze twee woongebieden kunnen niet los van elkaar worden gezien. Het betreft een groen voorerf met boomgaard (4 woningen) en een achtererf met vrijstaande woningen (8 woningen). Dit plan maakt onderdeel uit van het dorpssilhouet van Mantgum en dient zorgvuldig landschappelijk ingepast te worden.

Hoofduitgangspunten

  • het plan vormt een nieuwe groene dorpsrand;
  • de algehele landschappelijke inpassing van het plangebied is passend bij een groen, boerenerf, o.a. riet, knotwilgen, fruitbomen, solaire bomen, zoals kastanje, beuk (geen solitaire bosschages in de vorm van 'schaamgroen' of los snippergroen)
  • bestaand en nieuw water bepalen de hoofdstructuur van het plan;
  • de nieuwe waterstructuur versterkt de historische identiteit van Mantgum;
  • groen (boeren)erf, bestaand uit een voor- en achtererf: het 'voorerf', een groen openbaar erf (boomgaard) met wonen en het 'achtererf', met wonen aan het water;
  • het groene woongebied kent een losse bebouwingsstructuur, met twee-onder-één-kap- en vrijstaande woningen. Hiermee wordt mede voldaan aan de vraag naar woningdifferentiatie en doorstroming op de woningmarkt;
  • relatie met het landschap door zichtlijn en zichtlocaties;
  • de boomgaard en de groene oevers met riet dragen bij aan het groene karakter van Mantgum;
  • groen voorerf (boomgaard met openbare wandelroute) als aantrekkelijke groene entree en groene buffer tussen tennisbanen en woningen;
  • kavels op het achtererf: natuurlijke oevers met brede strook van riet, knotwilgen, solitaire bomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0080.22001BP00-VO01_0005.png"

Figuur 5. Stedenbouwkundige schets (Bron: Ruimtelijke onderbouwing en beeldwaliteitsplan Bijlage 2)

2.4 Welstandscriteria

De geldende welstandsnota van de gemeente Leeuwarden biedt onvoldoende toetsingskader om toekomstige aanvragen voor een omgevingsvergunning te beoordelen. Daarom zijn als onderdeel van dit beeldkwaliteitsplan specifieke welstandscriteria voor het CPO-project opgenomen. Het beeldkwaliteitsplan en de bijbehorende welstandscriteria worden gelijktijdig met het bestemmingsplan in procedure gebracht en door de gemeenteraad van Leeuwarden vastgesteld. Na de uiteindelijke vaststelling van de plannen vormen deze de basis voor de aan te vragen (eventueel collectieve) omgevingsvergunning(en) voor het bouwen. Voor de onderbouwing van het planvoornemen is het beeldkwaliteitsplan ook als bijlage bij deze toelichting gevoegd in Bijlage 2.

Hoofdstuk 3 Beleidskaders

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Het Rijk heeft het beleid inzake de ruimtelijke inrichting en het mobiliteitsbeleid van Nederland tot 2040 vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Deze visie is vastgesteld op 13 maart 2012.

De regering maakt ruimte voor groei en beweging en kiest ervoor de invulling van het ruimtelijk beleid voor een belangrijk deel over te laten aan provincies en gemeenten. Daardoor kan het Rijk zich richten op het behartigen van belangen die van nationale en internationale betekenis zijn. De minister vermindert stevig het aantal procedures en brengt eenheid in het stelsel van regels voor infrastructuur, water, wonen, milieu, natuur en monumenten. De ruimtelijke ordening wordt zo dicht mogelijk bij diegene die het aangaat gebracht (burgers en bedrijven) en er wordt meer overgelaten aan gemeenten en provincies ('decentraal, tenzij…'). Dit betekent minder nationale belangen en eenvoudigere regelgeving. Daarbij verwacht het Rijk dat medeoverheden zich eveneens inzetten voor meer eenvoud en verdere integratie op het gebied van ruimtelijke regelgeving. De gemeente is de overheid die het dichtst bij de burger staat en zorg draagt voor een veilige en leefbare woon- en werkomgeving. In het ruimtelijk domein gaat het om de ruimtelijke ontwikkeling van stad en platteland in brede zin, waarbij onder meer belangen ten aanzien van mobiliteit, milieu, natuur, water, economie en wonen worden afgewogen. Het Rijk formuleert drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028) en verbindt hier dertien nationale belangen aan.

De drie hoofddoelstellingen van het Rijk zijn:

  • 1. het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • 2. het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • 3. het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Voor wat betreft nationale belangen ligt de nadruk op het verbeteren van milieukwaliteit en bereikbaarheid om zo de drie hoofddoelstellingen te dienen. De nationale belangen verzetten zich niet tegen de voorziene realisatie van het nieuwe woongebied.

3.1.2 AmvB Ruimte (Barro)

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) voorziet in de juridische borging van het nationaal ruimtelijk beleid zoals dat in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is vastgelegd. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. Voor Leeuwarden hebben deze regels geen gevolgen.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

Op 1 juli 2017 is het besluit tot wijziging van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening in werking getreden. Het betreft een wijziging van de Ladder voor duurzame verstedelijking (duurzaamheidsladder). De laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De behoefte aan deze stedelijke ontwikkeling moet dan worden aangetoond. De behoefte is het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende tien jaar, looptijd bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit). De uitkomst van de beoordeling van de behoefte moet in de plantoelichting worden vermeld. Voor uitwerkings- en wijzigingsplannen kan in het bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering van deze behoefte wordt doorgeschoven naar de toelichting behorende bij het uitwerkings- of wijzigingsplan.

Als stedelijke ontwikkeling wordt bedoeld: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' In het Bro is geen ondergrens voor een minimale omvang vastgelegd van wat een stedelijke ontwikkeling is. Voor woningbouwlocaties geldt volgens de overzichtsuitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL:RVS:2017:1724) dat 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. Voor overige stedelijke functies wordt gesteld dat 'in beginsel' geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als het ruimtebeslag minder dan 500 m² bedraagt.

Relevant is of het plan aan te merken is als woningbouwlocatie volgens het Bro. Voor wonen ligt de ondergrens op maximaal 11 woningen (zie bijvoorbeeld ABRvS 16 september 2012, ECLI:NL:RVS:2015:2921). CPO Mantgum maakt planologisch maximaal 12 woningen mogelijk en kwalificeert zich daarmee als woningbouwlocatie en is dus ladderplichtig.

Ladderonderbouwing
Volgens CBS en PBL-voorspellingen neemt het aantal huishoudens binnen de gemeente Leeuwarden tussen 2015 en 2025 naar verwachting met circa 3.500 toe. Verder wordt in het 'Afwegingskader woningbouw gemeente Leeuwarden 2016' (verder te noemen: Afwegingskader) op basis van inkomensprognoses verwacht dat de vraag naar gereguleerde huur niet verder groeit. De jaarlijkse sloop van huurwoningen ligt gemiddeld rond de 100 woningen per jaar, hoofdzakelijk huurwoningen van corporaties. In het Afwegingskader wordt ervan uitgegaan dat deze trend zich doorzet. Daardoor zullen er tussen 2015 en 2025 naar verwachting ongeveer 1.000 woningen worden gesloopt en is de totale woningbehoefte in de gemeente Leeuwarden voor de periode 2015-2025 circa 4.500 woningen.

Uit het Afwegingskader, inclusief de vanaf 2015 toegevoegde plannen (waaronder CPO Mantgum), blijkt dat in de gemeente Leeuwarden circa 2.280 woningen zijn vastgelegd in harde plannen. In de gemeente Leeuwarden is sprake van een kwantitatieve actuele behoefte van bruto circa 4.500 woningen voor de periode 2015-2025. Hiertoe komen we door de vraag volgens CBS/PBL te confronteren met het aanbod in harde plannen:

  • additionele woningvraag voor gemeente Leeuwarden bedraagt bruto circa 4.500 woningen;
  • aanbod in harde plannen goed voor circa 2.280 woningen;
  • de resterende actuele regionale behoefte die hieruit volgt is circa 2.220 woningen;
  • na realisatie van Middelsee fase 1 en Unia resteert een bruto behoefte van circa 1.270 woningen.

Lokale behoefte
In het Afwegingskader zijn de volgende keuzes relevant voor het onderhavige CPO-project:

  • voor de gezamenlijke dorpen in de gemeente is de behoefte bepaald op 250 woningen in tien jaar;
  • gemeente Leeuwarden werkt mee aan bijzondere woonvormen en bijzondere manieren van ontwikkeling.

De vraag naar dorps wonen is moeilijker te prognosticeren dan stedelijk of suburbaan wonen omdat deze vraag soms ook gekoppeld is aan specifieke dorpen of streken. In het Afwegingskader is gerekend met een uitbreidingsvraag van circa 250 woningen voor de komende tien jaar. Het Afwegingskader biedt ruimte aan toevoeging van woningen voor de dorpen en werkt mee aan bijzondere woonvormen en bijzondere manieren van ontwikkeling. Hieronder vallen vormen waarin collectieven het initiatief nemen, of waarbij toekomstige gebruikers een grote invloed op het programma hebben, zoals het CPO Mantgum.

Het CPO-project is opgenomen in het planaanbod (Bijlage 3) van de gemeente Leeuwarden en daarover is overeenstemming bereikt met de provincie Fryslân.

Zoals ook al in paragraaf 1.1 staat omschreven, biedt het CPO Mantgum de kans om wensen en ontwikkelingen te combineren. Per 5/6/2020 zijn er inmiddels 23 belangstellenden voor een kavel, die allen een verklaring van de hypotheekadviseur/bank zullen indienen dat ze financieel voldoende draagkrachtig zijn. Onder deze belangstellenden wordt door de notaris een loting voor de kavels verricht. De belangstellenden komen allemaal uit Mantgum of de directe omgeving daarvan. Een deel van deze mensen laat door de verhuizing naar het nieuwe plan een bestaande woning achter, waarmee de doorstroom in het dorp op gang wordt gebracht. Daarmee is dit plan niet alleen voor de toekomstige bewoners van belang, maar ook voor het gehele dorp. Op dit moment staat één woning in Mantgum te koop (bron: www.funda.nl, peildatum 5 juni 2020); dit aantal is de laatste tijd stabiel. Deze behoeftegegevens laten zien dat woningbouw met deze omvang in Mantgum gewenst en aanvaardbaar is.

Het plan voorziet in 12 woningen onderverdeeld in acht vrijstaande woningen en twee twee-onder-een-kap woningen. Hiermee wordt tegemoet gekomen aan de vraag vanuit de belangstellenden. Het plan voorziet in woningen voor diverse leeftijdsgroepen. De woningen kunnen zo worden gebouwd dat alle voorzieningen zo nodig op de begane grond aanwezig kunnen zijn. Dit ruime programma zal de doorstroming op de woningmarkt in het dorp stimuleren (behouden van jeugd) en is belangrijk voor het behoud van voorzieningen. Het plan heeft een maatschappelijke meerwaarde. Zo kan bijvoorbeeld de boomgaard in het plangebied worden gebruikt als wandelroute en wordt daarmee semi-openbaar groen.

Bestaand stedelijk gebied
Voor het plangebied geldt dat het momenteel onbebouwd is en buiten het stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ligt. Daarnaast laat het geldend bestemmingsplan geen stedelijke functie toe en wordt de locatie in de Verordening Romte niet aangemerkt als bestaand stedelijk gebied (BSG). De locatie ligt daarom buiten BSG, maar sluit daar wel op aan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0080.22001BP00-VO01_0006.jpg"

Figuur 6. Alternatieve locaties

Voorafgaand aan de keuze van het plangebied als ontwikkellocatie zijn meerdere locaties beoordeeld. In de eerste plaats is daarvoor gekeken in het huidige bestemmingsplan voor Mantgum. Dit plan (dat is vastgesteld in 2013) geeft een doorkijk naar de toekomst van het dorp: 'een uitbreiding ten zuid-oosten van het multifunctioneel centrum (MFC) “Wjukken” en het daarachter gelegen sportveld wordt als de meest waarschijnlijk locatie voor uitbreiding gezien'. In dat bestemmingsplan is aangegeven dat daarvoor tegen die tijd een eigen bestemmingsplan in procedure zal worden gebracht. Op basis hiervan is de locatie van het onderhavige CPO-project een voor de hand liggende keuze.

Bovendien zijn de alternatieve inbreidingslocaties in Mantgum onderzocht. De conclusies zijn:

  • nergens in Mantgum is een andere locatie van de gewenste kavelomvang beschikbaar (1,5 hectare);
  • bouwlocatie 'Om 'e Terp' is in particulier bezit. Hier kunnen op basis van het bestemmingsplan bij recht zes woningen worden gerealiseerd. Gezien de breedte van het bouwvlak (circa 35 m) en de bestemmingsregels is deze locatie geschikt voor maximaal zes rijwoningen. Deze locatie is niet geschikt voor het CPO-project qua aantallen en woningtypen;
  • locatie gemeentehuis is de afgelopen jaren bij meerdere ontwikkelende partijen in beeld geweest voor mogelijke woningbouw. Tot op heden hebben de partijen om diverse redenen niet tot een economisch haalbaar plan kunnen komen;
  • enkele open plekken in Mantgum hebben reeds een ander gebruik en zijn niet voorzien of ongeschikt voor woningbouw (baggerdepot, skatebaan);
  • daarnaast zijn er nog enkele groene plekken in het dorp. Voor het dorpse karakter en voor de leefbaarheid / woongenot van de omwonenden en de klimaatopgave (voorkomen verstening) is het niet wenselijk dat groene plekken in het dorp worden bebouwd;
  • de andere beoordeelde locaties zijn in het geldende bestemmingsplan niet als potentiële bouwlocatie benoemd en dus vanuit ruimtelijk en juridisch oogpunt minder voor de hand liggend;
  • de CPO-groep is in de gelegenheid om de locatie waarvoor het onderhavige bestemmingsplan is opgesteld, te kopen. Dat geldt niet voor de overige locaties, die daarmee niet beschikbaar zijn.

De conclusie is dan ook dat er binnen bestaand stedelijk gebied geen inbreidingslocaties voorhanden zijn waar het CPO-project plaats kan vinden.

Maatschappelijke meerwaarde
Het CPO-project vormt een aanwinst voor Mantgum. Het is een maatschappelijk initiatief dat op verschillende manieren bijdraagt aan diverse 'Global Goals' zoals in het gemeentelijk collegeprogramma 'De kracht van samen 2018-2022' zijn omschreven: veilige, veerkrachtige en duurzame dorpen en wijken.

Het gemeentelijk beleid is erop gericht om de dorpen fysiek en sociaal vitaal te houden. De gemeente wil de kracht van de 'mienskip' blijven stimuleren en biedt daarom ruimte aan het eigen initiatief van bewoners. Het dorp Mantgum is van oudsher een veerkrachtig dorp. Het CPO-project is een voorbeeld van eigen initiatief van bewoners en draagt op een duurzame manier bij aan deze doelstelling:

  • de nieuwbouw van 12 woningen zorgt voor doorstroming op de lokale woningmarkt. Het project biedt kansen voor diverse doelgroepen uit het dorp en bovendien komen diverse bestaande woningtypen in Mantgum en omgeving vrij. Dit leidt ertoe dat Mantgumers langer in het dorp kunnen blijven wonen, hetgeen een belangrijke basis is voor de woningmarkt en de instandhouding van de voorzieningen. Bovendien heeft dit project een positieve uitstraling, passend bij een vitaal en toekomstbestendig dorp;
  • dit particuliere initiatief versterkt de sociale cohesie tussen de toekomstige bewoners en de sociale betrokkenheid met het dorp;
  • het plan bevat – in vergelijking met reguliere, projectmatige woningbouwplannen - meer oppervlakte openbaar groen. Het openbaar toegankelijk groen wordt door de initiatiefnemers zelf aangelegd en beheerd. In de beheerfase liggen kansen voor bijvoorbeeld educatie (basisschool) en gezamenlijke doe-dagen (in samenwerking met Landschapsbeheer Friesland);
  • het speelplein, de boomgaard en de doorgaande wandelroute met bruggetje zijn in het plan opgenomen om zo de ontmoetings-, speel- en bewegingsmogelijkheden (voor jong en oud) te vergroten, zowel voor de toekomstige bewoners als voor alle Mantgumers;
  • de duurzaamheid van het project blijkt verder uit het het gebruik van duurzame materialen, het toepassen van zonnepanelen, de op zoveel mogelijk vasthouden gerichte waterberging (waartoe greppels binnen het plangebied bijdragen), de toepassing van natuurvriendelijke oevers, beplanting en maaibeheer boomgaard gericht op het bevorderen van de biodiversiteit.

Conclusie
Er wordt voldaan aan de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Streekplan Fryslân

Het ruimtelijk beleid van de provincie vormt een belangrijk kader voor het gemeentelijk (bestemmingsplan)beleid. Het provinciaal beleid is onder meer neergelegd in het Streekplan Fryslân 2007 'Om de kwaliteit fan de romte', vastgesteld op 13 december 2006.

In het Streekplan wordt de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van de provincie aangegeven. Het streekplan is de schakel tussen het abstracte rijksbeleid en het concrete gemeentelijke beleid. Het bovenlokaal belang wordt benadrukt bij het in stand houden en verder ontwikkelen van de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van de ruimte. Stad en platteland hebben elkaar nodig en ondersteunen elkaar. Het doel is een economisch sterk en tegelijkertijd mooi Fryslân. De provincie Fryslân zet meer dan voorheen in op de verhoging van de ruimtelijke kwaliteit bij veranderingen in het gebruik en de inrichting van de ruimte. Ruimtelijke kwaliteit dient zowel voor economische, sociale als culturele belangen en is daarmee voor alle functies in Fryslân essentieel. Het streekplan staat de realisatie van het CPO niet in de weg.

3.2.2 Verordening Romte

Op 25 juni 2014 hebben de Provinciale Staten de Verordening Romte Fryslân/werkwijze RO 2014 vastgesteld. Door middel van deze verordening vindt de vertaalslag plaats van het beleid zoals dat is opgenomen in het Streekplan Fryslân 2007.

In de Verordening Romte Fryslân wordt uitgegaan van bundeling van stedelijke functies. Om te voorkomen dat in het landelijk gebied verdere verstedelijking plaatsvindt, worden stedelijke functies geconcentreerd in het bestaand stedelijk gebied (artikel 1.1.1. lid 1). De voorkeur gaat bij voorkeur uit naar herstructurering, transformatie of intensivering voordat gekeken wordt naar uitbreidingen buiten het bestaand stedelijk gebied (artikel 1.1.1 lid 2).

Het voorliggende plan betreft een uitbreiding buiten bestaand stedelijk gebied maar grenst hier wel direct aan. Omdat het plangebied buiten bestaand stedelijk gebied is gelegen zijn de artikelen 2.1.1 (Ruimtelijke kwaliteit), 2.3.1 (zorgvuldig ruimtegebruik) en 3.1.1 (woonplan) uit de verordening Romte van toepassing:

Ruimtelijke kwaliteit en zorgvuldig ruimtegebruik
In Hoofdstuk 2 en Bijlage 1 en Bijlage 2 is uitgebreid ingegaan op de ruimtelijke kwaliteit en zorgvuldig ruimtegebruik. Uit deze onderbouwing blijkt dat sprake is van een zorgvuldig ingepast plan waarmee wordt voldaan aan de artikelen 2.1.1 en 2.3.1 van de Verordening Romte Fryslân.

Woonplan
Met de provincie Fryslân heeft afstemming plaatsgevonden over het woningbouwprogramma voor de periode 2016 t/m 2025 in de gemeente Leeuwarden. Er is overeenstemming over de planologische beweegruimte van 4500 woningen. Het aantal woningen voor het CPO in Mantgum is opgenomen in het woningbouwprogramma. Gedeputeerde Staten heef bij brief van 18 december 2018 ingestemd met het woningbouwprogramma, waarmee wordt voldaan aan artikel 3.1.1 van de Verordening Romte Fryslân.

Weidevogelscompensatie
Door de provincie Fryslân is een berekening naar mogelijke weidevogelcompensatie uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat als gevolg van de woningbouw er geen sprake is van extra verstoring. Er is daarmee geen sprake van strijd met artikel 7.2.2 van de Provinciale Verordening Romte. Weidevogelcompensatie is daarmee niet aan de orde. 

3.2.3 Omgevingsvisie Fryslân (ontwerp)

De provincie Fryslân werkt momenteel aan de omgevingsvisie Fryslân. In wat voor Fryslân wilt u in 2025-2030 wonen, werken, recreëren, kortom: leven? Deze vraag staat centraal bij het maken van de nieuwe Omgevingsvisie van de provincie Fryslân. In het plan komt al het provinciale beleid voor de fysieke leefruimte te staan. Het gaat om de hoofdlijnen voor de ruimtelijke inrichting van Fryslân, de provinciale waterhuishouding, infrastructuur, natuur, landschap en milieu.

Bij de ontwerp omgevingsvisie zit een was-wordt-tabel opgenomen. Deze tabel plaatst het huidige provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving naast het nieuwe provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving dat in de ontwerp Omgevingsvisie is verwerkt; dit is voor de verschillende onderwerpen/ thema’s van de fysieke leefomgeving gedaan. Op die manier is overzichtelijk welk beleid wordt gewijzigd en welk beleid wordt voortgezet. Uit de tabel blijkt dat de beleidsuitspraken/beleidsuitgangspunten in het huidige provinciale beleid met betrekking tot onderhavig verzoek niet wijzigen. De toekomstige omgevingsvisie Fryslân staat het CPO-project niet in de weg.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Energieagenda Leeuwarden 2016-2020

Duurzaamheid en duurzame energie staan al jaren hoog genoteerd op de agenda van Leeuwarden. Op termijn wil de gemeente onafhankelijk zijn van fossiele brandstoffen zoals olie en aardgas. De energietransitie gaat niet vanzelf. Externe factoren bepalen mede het succes. Zo is het van belang hoe de prijs van energie zich internationaal ontwikkelt. En het gaat om de investeringsbereidheid van woningeigenaren, bedrijven en woningcorporaties. Verder speelt de strategie met bijbehorende maatregelen van ‘Den Haag’ een rol. Daarnaast is de energiewereld voortdurend in ontwikkeling. Daarom wil de gemeente Leeuwarden koers zetten met heldere doelen en rollen. Het is nodig om een realistische en flexibele uitvoeringsagenda op te stellen. Geen blauwdruk voor een langere periode. Maar een uitvoeringsagenda die wordt gemonitord op afgesproken doelen, inspanningen en effecten:

  • doelstelling is in 2020 een energiebesparing in de woningbouw van 20% te realiseren ten opzichte van het energieverbruik in 2010. In de periode 2010 tot en met 2014 was er een besparing van 0,28 PJ. Van 2015 tot en met 2020 moet dan minimaal 0,33 PJ energie bespaard worden in de woningbouw;
  • het in 2020 opwekken van minimaal 1,41 PJ duurzame energie op. Dit is 16% van het totale energieverbruik in Leeuwarden in 2013.

De energiebesparingsaanpak richt zich voor een groot deel op sociale en particuliere woningen. De gemeente verwacht met haar aanpak een zichtbaar effect voor de particuliere woningbouw te kunnen realiseren. Daarnaast werkt de gemeente aan het stimuleren van energiebesparing in het maatschappelijk vastgoed als scholen en buurthuizen en bij bedrijven.

Voor het opwekken van energie heeft de gemeente Leeuwarden de Energiemix opgesteld. De gemeente kan voor een belangrijk deel de ambitie op eigen grondgebied verwezenlijken. De gemeente ziet kansen voor zonnestroom, restwarmte, geothermie en biogas.

Binnen het plangebied wordt ruimte geboden voor energie en innovatie. Zo zijn de stedenbouwkundige opzet en welstandsrichtlijnen gericht op het bevorderen van mooi, energiebewust bouwen. Het CPO-project past hierdoor binnen de ambities van de Energieagenda Leeuwarden 2016-2020.

3.3.2 Parkeerbeleidsplan 2015

De gemeenteraad heeft op 16 november 2015 het 'Parkeerbeleidsplan' vastgesteld. In het parkeerbeleidsplan wordt de komende jaren voor Leeuwarden ingezet op het voortzetten van het parkeerbeleid op basis van de eerder vastgelegde beleidsregels.

Voor de parkeernormen geldt dat wordt vastgelegd hoeveel parkeerplaatsen bij de bouw of vergunningplichtige verbouw moeten worden gerealiseerd. Uitgangspunt bij de parkeernormering is dat het parkeren op eigen terrein wordt opgelost. Wanneer dit ruimtelijk of financieel niet haalbaar is, kan rekening houdende met lokale omstandigheden en de omgeving maatwerk worden toegepast.

In het plangebied vindt het parkeren van de bewoners plaats op eigen terrein. Voor het bezoekersparkeren worden 4 tot 6 plaatsen in de openbare ruimte voorzien. In het plan wordt voldaan aan de parkeernormen.

3.3.3 Welstandsnota Leeuwarden 2019

Het bestemmingsplan regelt onder meer de functie en het ruimtebeslag van bouwwerken voor zover dat nodig is voor een goede ruimtelijke ordening. Datgene wat door het bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt, kan niet door welstandscriteria worden tegengehouden. De architectonische vormgeving van bouwwerken valt buiten de reikwijdte van het bestemmingsplan en wordt exclusief met het gemeentelijke welstandsbeleid geregeld. Dit is vastgelegd in de op 30-11-2015 door de raad vastgestelde Welstandsnota Leeuwarden 2016.

De geldende welstandsnota biedt onvoldoende toetsingskader om toekomstige aanvragen om omgevingsvergunning te beoordelen. Hierom is een beeldkwaliteitsplan opgesteld inclusief welstandscriteria (Bijlage 2). De bijbehorende welstandsrichtlijnen worden gelijktijdig met dit bestemmingsplan in procedure gebracht en door de gemeenteraad van Leeuwarden vastgesteld.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Erfgoed

De belangrijkste wettelijke basis voor het behoud van erfgoed is per 1 juli 2016 de Erfgoedwet. De kern van deze wet is dat, wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan vanwege de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) een analyse van cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient vanwege voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden.

4.1.1 Archeologie

Volgens het vigerende bestemmingsplan Bûtengerbied (2015) heeft het plangebied een dubbelbestemming "Waarde archeologie 2". Dat wil zeggen dat bodemingrepen met een oppervlakte van meer dan 500 m2 en een diepte van meer dan 30 cm onder maaiveld voorwaarden worden gesteld aan de omgevingsvergunning op archeologische gronden.

Door de Steekproef is een archeologisch bureauonderzoek en karterend veldonderzoek uitgevoerd (Bijlage 4). De resultaten van het onderzoek geven geen aanleiding om nader onderzoek te adviseren. Evenmin zijn archeologische resten aangetroffen waarmee bij de verdere planvorming rekening zou moeten worden gehouden. In alle gevallen blijft onverminderd van kracht dat indien bij toekomstig graafwerk onverwachts toch archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, hiervan direct melding dient te worden gemaakt bij de minister conform de Erfgoedwet 2015, artikel 5.10 & 5.11.

Conclusie
Archeologie vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.1.2 Cultuurhistorie

Naast wetgeving op rijksniveau is ook in de Verordening Romte Fryslân 2014 vastgelegd dat gemeenten in een ruimtelijk plan moeten aangeven op welke wijze het plan rekening houdt met cultuurhistorische elementen en structuren. Informatie over cultuurhistorische waarden is beschikbaar middels de Cultuurhistorische Kaart Fryslân 2 (CHK2) van Provinsje Fryslân. Wat betreft cultuurhistorie blijkt uit deze kaart dat er geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Een regeling ten aanzien van de bescherming van cultuurhistorische waarden wordt daarom niet nodig geacht.

Conclusie
Cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.2 Ecologie en stikstofdepositie

Bij elk ruimtelijk plan dient, met het oog op de natuurbescherming, rekening te worden gehouden met de gebiedsbescherming en soortenbescherming. Een ruimtelijk plan mag namelijk geen significante gevolgen hebben voor een te beschermen gebied en/of soort.

Natuurtoets
Door Faunax is is in het kader van geldende wet- en regelgeving onderzoek gedaan naar de actuele natuurwaarden in en rond het plangebied (Bijlage 5) gericht op zowel de soortenbescherming als de gebiedsbescherming. Het onderzoek heeft bestaan uit bureauonderzoek en een veldbezoek. De Wet natuurbescherming (Wnb), het Natuurnetwerk Nederland (NNN) voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS) - en eventuele andere vormen van regelingen ten aanzien van natuurbescherming zijn daarbij aan de orde geweest.

Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan het planvoornemen zonder bezwaren doorgang vinden binnen de kaders van de geldende natuurwetgeving, mits de werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd worden en de zorgplicht wordt nageleefd.

Stikstof
Een AERIUS- berekening van de stikstofuitstoot van het planvoornemen moet uitwijzen of er negatieve effecten in het kader van de Wnb beschermde gebieden zullen optreden. Op basis daarvan kan worden bepaald of vervolgstappen nodig zijn, zoals het aanvragen van een vergunning van de Wnb. Op 9 maart 2020 is de berekening stikstofdepositie voor onderhavig project uitgevoerd (Bijlage 6). De berekening met AERIUS genereert een gml bestand en een pdf bestand waarin wordt geconstateerd dat er geen natuurgebieden zijn met een overschrijding van een projectbijdrage van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar. Een vergunning van de Wnb is in het kader van de stikstofdepositie dan ook niet nodig.

Conclusie
Wat betreft de soorten- en de gebiedsbescherming en stikstofdepositie is er geen sprake van beperkingen. Voorliggend bestemmingsplan is wat betreft het aspect ecologie uitvoerbaar.

4.3 Geluidhinder

De Wet geluidhinder (Wgh) is erop gericht om de geluidhinder vanwege spoorweglawaai, industrielawaai en wegverkeerslawaai in nieuwe situaties te voorkomen en te beperken. De Wgh bepaalt dat de 'geluidsbelasting' op gevels van woningen en andere geluidsgevoelige objecten niet hoger mag zijn dan een in de wet bepaalde norm die als voorkeursgrenswaarde wordt aangeduid. Voor het wegverkeerslawaai is deze norm 48 dB; voor spoorweglawaai bedraagt deze 55 dB en voor industrielawaai is de norm 50 dB(A).

Door de Geluidmeesters is onderzoek gedaan naar de geluidbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai (Bijlage 7). Het voornemen is op het perceel ten zuiden van het Multifunctioneel Centrum (MFC) Wjukken, aan de oostzijde van de weg Om ’e Terp, twaalf woningen te realiseren. In het kader van de ruimtelijke procedure verlangt de gemeente Leeuwarden inzicht in de geluidbelasting van de weg Om ’e Terp. Op de weg Om ’e Terp is een 30 km/uur regime van toepassing waardoor er geen verplichtingen uit de Wet geluidhinder van toepassing zijn.

Vanuit ruimtelijk oogpunt dient aangetoond te worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat bij de te realiseren woningen. Voor het toetsingskader aansluiting is bij de voorkeurgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder. Indien aan deze waarde wordt voldaan zijn er geen akoestische belemmeringen en is er sprake van een akoestisch goed woon- en leefklimaat. Uit de berekende geluidcontouren blijkt dat op zowel 1,5 als 4,5 meter boven plaatselijk maaiveld de 48 dB geluidcontour op 10 meter uit het hart van de weg ligt. De maatgevende nieuw te realiseren woning wordt op circa 40 meter uit het hart van de weg gebouwd. Er zijn dan ook ten aanzien van verkeerslawaai geen belemmeringen geconstateerd en zal er sprake zijn van een akoestisch goed woon- en leefklimaat.

Conclusie
Geluidhinder staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

4.4 Bodemkwaliteit

Met het oog op een goede ruimtelijke ordening moet zijn aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde functiegebruik. Ter plaatse van locaties die verdacht worden van bodemverontreiniging, moet ten minste verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd. In geval van verontreinigingen is de Wet bodembescherming van toepassing, waarin is geregeld dat als ter plaatse van een plangebied ernstige verontreinigingen worden aangetroffen er sprake is van een saneringsgeval.

Door Bodemvisie is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd d.d. 24 september 2019 (Bijlage 8) Op basis van de onderzoeksresultaten worden, vanuit milieuhygiënisch oogpunt, geen belemmeringen verwacht ten aanzien van de voorgenomen nieuwbouw op de locatie.

Conclusie
De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.5 Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, aardgas of lpg. Het aandachtsveld van externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water en spoor en door buisleidingen. De veiligheidsrisico's in het kader van externe veiligheid worden uitgedrukt in een plaatsgebonden risico en een groepsrisico. De normen voor het plaatsgebonden en het groepsrisico hebben tot doel een voldoende veiligheidsniveau te garanderen voor de burger als persoon, dan wel deel uitmakend van een groep.

Het plaatsgebonden risico (PR) is de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als een rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Het groepsrisico (GR) is de kans dat een groep mensen overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR moet worden gezien als een maat voor maatschappelijke ontwrichting.

Wet- en regelgeving

Het externe veiligheidsbeleid is verankerd in diverse wet- en regelgeving, waaraan een ruimtelijk besluit moet worden getoetst. Voor het planvoornemen zijn de volgende besluiten relevant:

  • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi): Met het Bevi en bijbehorende regeling (Revi) zijn de plaatsgebonden risiconormen en de verantwoordingsplicht voor het groepsrisico met betrekking tot risicovolle bedrijven wettelijk vastgelegd;
  • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt): In het per 01-04-2015 in werking getreden Bevt met bijbehorend informatiesysteem Basisnet staan de gegevens over het transport van gevaarlijke stoffen over grote vaar-, spoor- en autowegen opgenomen;
  • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb): Op basis van het Bevb dienen plannen, vergelijkbaar met het Bevi, te worden getoetst aan de grens- en richtwaarde voor het plaatsgebonden risico en de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico. Het Bevb heeft een rechtstreekse werking;
  • Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Barim; beter bekend als het Activiteitenbesluit): Het activiteitenbesluit en de daarbij behorende regeling is de opvolger van een groot aantal Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB). In het Activiteitenbesluit staan algemene regels voor verschillende milieuaspecten, zoals veiligheidsafstanden waaraan voldaan moet worden.

Verantwoordingsplicht
In het Bevi, Bevb en het Bevt is onder andere een verantwoordingsplicht GR opgenomen. Deze verantwoording houdt in dat in bepaalde gevallen planologische keuzes moeten worden onderbouwd en verantwoord door het bevoegd gezag.

Toetsing
Door de Fryske Utfieringstsjinst Miljeu en Omjouwing (FUMO) is een Advies Externe Veiligheid inzake Collectief Particulier Opdrachtgeverschap Mantgum opgesteld. Uit het advies blijkt dat in en in de nabijheid van het plangebied geen risicobronnen zijn gelegen.

Conclusie
Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.6 Luchtkwaliteit

Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wet milieubeheer in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. De ministerraad heeft op voorstel van de minister van VROM ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. De eerste verlenging liep tot en met 31 december 2016. De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu heeft het NSL voor een tweede maal verlengd, tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het Besluit tweede verlenging NSL is per 1 januari 2017 in werking getreden.

Ook projecten 'die niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 ìg/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. PM10 en PM2,5 hangen sterk samen. De fractie PM2,5 is onderdeel van het PM10. Wanneer de luchtkwaliteit aan de PM10 normen voldoet wordt ook aan de PM2,5 normen voldaan.

Op grond van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen zijn onder andere de volgende projecten vrijgesteld van toetsing:

  • woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen;
  • projecten die minder dan 3% van de (toekomstige) grenswaarde voor NO2 of PM10 bijdragen, wat overeenkomt met 1,2 µg/m3 (de grenswaarde voor 2017 is 1.241 auto's dan wel 109 vrachtwagens per weekdagetmaal).

Voorliggend plan voorziet in de bouw van 12 woningen. De vorenstaande vrijstellingsregeling is van toepassing op het planvoornemen aangezien het project niet tot een dusdanig aantal extra verkeersbewegingen leidt dat de 3% grens wordt overschreden (zie paragraaf 4.9 over verkeer en parkeren).

Conclusie
Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.7 Waterparagraaf

In de ruimtelijke ordeningspraktijk is het doorlopen van de wettelijk verplichte 'watertoets' bij de betrokken waterbeheerder (in dit geval Wetterskip Fryslân) van belang. De watertoets wordt gezien als procesinstrument dat moet waarborgen dat de gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen voor de waterhuishouding meer expliciet worden afgewogen. De watertoets is een belangrijk instrument bij het klimaatbestendig en waterrobuust inrichten van de ruimte. De watertoets zorgt ervoor dat in alle ruimtelijke plannen in een vroegtijdig stadium aandacht wordt besteed aan veiligheid, kwaliteit en kwantiteit van het water.

Om de wateraspecten van planvoornemens goed te beoordelen en mee te nemen is de watertoets beschikbaar. Bij toename van verharding dient deze te worden doorlopen. Deze toets is tevens een middel om het waterschap op de hoogte te stellen van de op handen zijnde ontwikkeling en inzicht te krijgen in mogelijke maatregelen die genomen dienen te worden. Het resultaat van deze toets is als Bijlage 10 opgenomen. De watertoets is op 27 februari 2020 ingediend.

Uit de toetsing komt naar voren dat er regionale en lokale keringen in het gebied liggen. Dit betreft een regionale kering polderdijk met kernzone waterkering, beschermingszone, peilscheidingsdamlegger en schouwater. Naar aanleiding hiervan is overleg gaande met het Wetterskip Fryslân. De uitkomsten van dit overleg worden verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan.

Het plangebied ligt vrij voor de boezem. Dit houdt in dat het plangebied niet beschermd is tegen hoge waterstanden in de Friese boezem. Het wordt geadviseerd om hier rekening mee te houden bij het bepalen van de aanleghoogte.

De verharding van dit plan is ook berekend en bedraagt 5297 m2. Bij de berekening is uitgegaan van de onderstaande verharding van het oppervlak aan de hand van de inrichtingsschets:

afbeelding "i_NL.IMRO.0080.22001BP00-VO01_0007.png"

Figuur 7. Oppervlakte verharding plangebied CPO Mantgum

Wetterskip Fryslân acht het noodzakelijk om bij een verharding met een groter oppervlak dan 200 m2 in stedelijk gebied en 1500 m2 in landelijk gebied een compensatie van minimaal 5% voor infiltratie van oppervlakte water in de bodem te hanteren in de Boezem. Er moet dus minimaal 265 m2 gegraven worden om hieraan te voldoen. Er wordt een extra sloot gegraven met een totaal oppervlakte van 800 m2. Als de aandachtspunten en adviezen in acht worden genomen is het plan betreft wateraspect uitvoerbaar.

Conclusie
Water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.8 Bedrijven- en milieuzonering

Op plaatsen waar industrie of andere bedrijvigheid is kan hinder voor de omgeving ontstaan. Bij nieuwe ontwikkelingen dient daarom voldoende afstand in acht te worden genomen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) om hinder en onveilige situaties te voorkomen. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, gevaar, stof en geur. Bij deze aspecten neemt de belasting af naarmate de afstand tot de bron groter wordt.

In de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering (2009) zijn richtafstanden opgenomen per bedrijfscategorie. Wanneer de afstand tussen een bedrijf en een gevoelig object groter of gelijk is aan de richtafstand die bij de betreffende bedrijfscategorie hoort, is dat een goede aanwijzing dat er geen sprake is van onevenredige bedrijfshinder. De publicatie van de VNG is niet bindend maar is enkel een hulpmiddel. Per bedrijfstype zijn voor elk van de aspecten geur, stof, geluid en gevaar de minimale afstanden aangegeven die in de meeste gevallen kunnen worden aangehouden tussen een bedrijf en woningen om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden.

In de genoemde VNG-publicatie worden twee omgevingstypen onderscheiden. Bij het omgevingstype ‘rustige woonwijk of rustig buitengebied’ wordt functiescheiding nagestreefd. Hiertoe worden minimale richtafstanden gehanteerd, waarbij een bepaalde bij een bedrijf of voorziening behorende milieucategorie een zoneringsafstand ten opzichte van hindergevoelige functies inhoudt. Bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’ is sprake van functiemenging. In tegenstelling tot rustige woongebieden zijn in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van woningen mogelijk. Hiertoe mogen de aangegeven minimale richtafstanden met één afstandsstap worden verkleind (milieucategorie 1 wordt 0, 2 wordt 1, 3.1 wordt 2, et cetera). In onderhavige situatie is sprake van een omgevingstype 'gemengd gebied' en kan de richtafstand met één afstandsstap worden verkleind.

De te accepteren milieuhinder hangt samen met de aard van het gebied. In een gemengd gebied (zoals een centrumgebied in een stad) kan wat meer hinder worden geaccepteerd dan in een rustig woongebied. Er moet gemeten worden vanaf de grens van de bestemming van de milieubelastende activiteit tot aan de gevel van de woning.

In de nabije omgeving bevinden zich een buurthuis en een tennisbaan. Het buurthuis heeft milieucategorie 2 op grond van de VNG handreiking Bedrijven en Milieuzonering. Op basis van de VNG-publicatie moet voor een categorie 2 bedrijf een grootste afstand worden gehanteerd van 30 meter voor het aspect geluid. In onderhavige situatie is sprake van een omgevingstype 'gemengd gebied' en kan de richtafstand met één afstandsstap worden verkleind naar 10 meter. Aangezien het buurthuis op 50 meter afstand voldoet deze afstand.

De tennisbaan (met verlichting) heeft milieucategorie 3.1 op grond van de VNG handreiking Bedrijven en Milieuzonering, met een grootste afstand van 50 meter voor geluid. Nu er sprake is van een gemengd gebied mag uitgegaan worden van een grootste afstand van 30 meter. Bij de inrichting van het plangebied zie figuur 4 is rekening gehouden met deze richtafstand. De percelen zijn op een dusdanige afstand gesitueerd dat voldaan wordt aan de gestelde minimale afstand van 30 meter.

Conclusie
Bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.9 Parkeren en verkeer

Om de parkeerbehoefte vast te stellen wordt gebruik gemaakt van de Nota Parkeernormen Leeuwarden 2014. Het bouwplan bestaat uit 8 vrijstaande woningen en 4 twee onder een kap woningen. Onderstaande tabel geeft weer welk aantal parkeerplaatsen benodigd zijn. Voor de vrijstaande woningen is uitgegaan van de norm voor woningen met een gebruiksoppervlakte van >120 m2. En voor de twee onder een kap woningen is uitgegaan van de norm van een woning met gebruiksoppervlakte van > 80 m2 en < 120 m2. In onderstaande tabel is het benodigde aantal parkeerplaatsen weergegeven. De nummers in de tabel corresponderen met het programma zoals hierboven weergegeven. Voor de locatie moet worden uitgegaan van een sterk stedelijk gebied in het buitengebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0080.22001BP00-VO01_0008.png"

Figuur 8. Parkeerbehoefte

Met toepassing van de gemiddelde parkeerkencijfers moet voor het planvoornemen uitgegaan worden van afgerond 23 benodigde parkeerplaatsen waarvan 4 parkeerplaatsen voor bezoekersparkeren. Het parkeren voor de bewoners zelf wordt op eigen terrein gerealiseerd. Daarnaast worden er 4 tot 6 parkeerplaatsen in het openbaar gebied (binnen het projectgebied) gerealiseerd voor het bezoekersparkeren. De binnen het plangebied te realiseren parkeerplaatsen op eigen terrein van de woningen en de openbare parkeerplaatsen zijn daarmee voldoende om te voldoen aan de volledige parkeerbehoefte.

Om vast te stellen hoeveel verkeersbewegingen de nieuwe ontwikkeling zal genereren, is gebruik gemaakt van de publicatie Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie van het CROW. Op basis van deze publicatie moet in een sterk stedelijk gebied in het buitengebied uitgegaan worden van een verkeersgeneratie tussen de 7,8 en 8,6 motorvoertuigen per woning per etmaal wat resulteert in een geringe toename van 93,6 tot 103,2 verkeersbewegingen per etmaal. De locatie ontsluit op de ontsluitingsweg Om 'e Terp. De verkeersdruk op de omliggende wegen is laag en er is sprake van een goede afwikkeling van het verkeer. De toename van het geringe aantal verkeersbewegingen heeft geen invloed op de bestaande infrastructuur en zal de leefbaarheid van de directe omgeving niet aantasten. Het CPO-project heeft geen significante toename van de verkeersgeneratie als gevolg waardoor problemen met de verkeersafwikkeling worden verwacht.

Conclusie
Parkeren en verkeer vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.10 M.e.r.-verantwoording

Voor bepaalde grootschalige ontwikkelingen op het gebied van woningen, bedrijvigheid en infrastructuur dient op grond van het Besluit milieueffectrapportage een milieueffectrapportage (MER) opgesteld te worden. Hierin moet worden aangegeven wat de gevolgen zijn van de ontwikkelingen voor het milieu. In het Besluit mer is aangegeven in welke gevallen er onderzoek gedaan moet worden. Afhankelijk van de grootte van het project zijn er drie mogelijkheden:

  • 1. bij een project dat voorkomt in onderdeel C van de bijlage van het Besluit mer en boven de daar genoemde drempelwaarden uitkomt, geldt een directe m.e.r.-plicht. In dat geval dient een mer opgesteld te worden. Dit geldt ook voor een project die onder de drempelwaarden genoemd in onderdeel C blijft, maar boven de drempelwaarden die in onderdeel D gegeven worden ligt en waarvoor een (kaderstellend) bestemmingsplan opgesteld wordt;
  • 2. indien er geen directe m.e.r.-plicht geldt, kan er wel een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht gelden. Dit geldt voor projecten die in onderdeel D genoemd worden en niet boven onder de drempelwaarde uitkomen. Hierbij moet worden onderzocht of er sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er gelden geen vormvereisten, maar wel inhoudelijke vereisten: de criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn moeten in acht worden genomen. Als de uitkomst is dat het uitgesloten is dat er belangrijke gevolgen voor het milieu zijn, dan dit moet in de toelichting van het bestemmingsplan worden gemotiveerd. Zijn belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet uitgesloten, dan geldt een m.e.r. -plicht.

Onderzoek
De voorgenomen activiteit is niet opgenomen in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet aan te merken als een activiteit waarvoor een directe m.e.r.-plicht bestaat. De voorgenomen activiteit is wel opgenomen in onderdeel D (categorie D.11.2) van bijlage II van het Besluit mer.

  Activiteiten   Gevallen   Besluit  
D.11.2   De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.   In gevallen waarin de activiteit betrekking
heeft op:
1. een oppervlakte van 100 hectare of meer,
2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of
meer woningen omvat, of
3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000
m2 of meer.  
De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening --> het
bestemmingsplan  

Figuur 9. Onderdeel D (categorie D.11.2) van bijlage II van het Besluit mer

Onder verwijzing naar haar uitspraken van 15 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:694), van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) en van 17 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:153) overweegt de Afdeling dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r., afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Uit deze uitspraken volgt eveneens dat het antwoord op de vraag of een activiteit kan worden aangemerkt als een activiteit als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., niet afhankelijk is van het antwoord op de vraag of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan.

Naar het oordeel van de Afdeling van 15 januari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:100) kan de ontwikkeling van twaalf vrijstaande woningen, gelet op de omvang ervan, niet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Daarbij is ook van belang dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is.

Het plan voorziet in het realiseren van maximaal 12 woningen zodat geconcludeerd kan worden dat de voorziene CPO-project geen stedelijk ontwikkelingsproject vormt en dat een m.e.r.-beoordeling niet aan de orde is.

Hoofdstuk 5 Juridische vormgeving

5.1 Toelichting op het juridische systeem

In de voorgaande hoofdstukken zijn de uitgangspunten voor de ruimtelijke en functionele situatie in het plangebied aangegeven. Deze uitgangspunten zijn getoetst aan de omgevingsaspecten. In dit hoofdstuk wordt de inhoud van de bestemmingen (de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden) toegelicht en wordt aangegeven hoe de uitgangspunten hun juridische vertaling in het eigenlijke plan hebben gekregen. De bepalingen die betrekking hebben op de te onderscheiden bestemmingen zijn vastgelegd in de regels en op de verbeelding. Het bestemmingsplan geeft aan voor welke doeleinden de gronden zijn bestemd.

Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012) toegepast.

De regels zijn zo opgesteld dat deze gebruikt kunnen worden in een analoog alsook in een digitaal raadpleegbaar bestemmingsplan. Het digitale plan verschaft de burger 'online' informatie over het bestemmingsplan. Bovendien is de digitale versie bedoeld voor uitwisseling van gegevens binnen de gemeente en met andere overheidsinstanties. De digitale plannen zijn per 01-01-2010 verplicht op grond van de Wro. Op basis van de Wro is het digitaal vastgestelde bestemmingsplan leidend. Als er een verschil bestaat tussen het analoge en digitale bestemmingsplan, is de digitale versie bepalend qua vormgeving en inhoud.

5.2 Regels

5.2.1 Algemeen

De regels zijn vervat in artikelen die onderverdeeld zijn in vier hoofdstukken:

  • 1. in de Inleidende regels zijn algemene artikelen opgenomen die voor het gehele plan van belang zijn. In artikel 1 zijn omschrijvingen opgenomen van de in het plan voorkomende relevante begrippen. In artikel 2 is vastgelegd op welke wijze dient te worden gemeten. Door deze vaste omschrijving van de begrippen en van de wijze van meten wordt eenduidigheid in de bedoelingen van het plan gegeven en wordt de rechtszekerheid vergroot;
  • 2. in de Bestemmingsregels zijn de bestemmingen en de gebruiks- en/of bebouwingsmogelijkheden van de betreffende gronden aangegeven. De bestemmingen zijn op alfabetische volgorde benoemd. In paragraaf 5.2.2 volgt in het kort een nadere toelichting op de bestemmingen;
  • 3. in de Algemene regels staan artikelen benoemd die voor alle of meerdere bestemmingen gelden. Het betreffen onder andere de voor alle bestemmingen geldende algemene bouw- en gebruiksregels. De afwijkingsmogelijkheden in de verschillende bestemmingen en de algemene afwijkingsregels zorgen voor enige flexibiliteit van het plan. De algemene afwijkingen zijn niet specifiek op één bestemming gericht, zij kunnen gebruikt worden ten aanzien van alle bestemmingen;
  • 4. ten slotte bevat het bestemmingsplan nog Overgangs- en slotregels. Dit betreft artikelen onder het overgangsrecht met betrekking tot bouwwerken en gebruik en de slotregel.
5.2.2 Gehanteerde bestemmingen

In deze paragraaf zijn voor zover nodig de afzonderlijke bestemmingen zoals deze in de regels zijn opgenomen en op de verbeelding zijn weergegeven, van een toelichting voorzien.

Groen
Belangrijke, voor de buurt structuurbepalende groenvoorzieningen zijn bestemd als "Groen". Voor deze benadering is onder andere gekozen omdat het van belang wordt geacht dat de groenstructuur wordt behouden.

Het openbaar groen is weliswaar in eigendom en beheer van de vereniging, maar het gebruik van het groen is beoogd als openbaar. Het levert een bijdrage aan de maatschappelijke meerwaarde van de woonbuurt. Alle Mantgumers kunnen hier gebruik van maken als verblijfsgebied en wandelgebied. Het wandelpad staat in verbinding met de omliggende padenstructuur.

Tuin
De buitenranden en de achterzijde van de uitgeefbare woonpercelen zijn bestemd voor "Tuin". Deze bestemming is erop gericht om het gewenste groene beeld te realiseren. Bebouwing is hier - met uitzondering van vlonders, plankieren en/of steigers per woonperceel - niet toegestaan. Wat deze vlonders, plankieren en/of steigers betreft: maximaal 40% van de waterlijn op een erf mag hiervoor worden gebruikt. Ook de vergunningvrije bouwwerken zijn hier niet toegestaan. In de regels is dan ook bepaald dat dit deel van het perceel niet mag worden beschouwd als erf zoals bedoeld in Bijlage II van het Besluit ruimtelijke ordening. De motivering daarvan is opgenomen in de planbeschrijving in hoofdstuk 2. Eventuele afscherming dient hier plaats te vinden met behulp van opgaand groen.

Verkeer - Verblijfsgebied
De woonstraat en de daarbij behorende parkeerplaatsen in het plangebied hebben het karakter van een verblijfsgebied. Deze gebieden zijn daarom als "Verkeer - Verblijfsgebied" bestemd. Deze bestemming omvat speelvoorzieningen, sloten, bermen, beplanting, waterlopen en waterpartijen met de daarbij behorende kaden en oevers en aanleggelegenheid. Grenzend aan de openbare ruimte zijn in beperkte mate ook tuinen, erven en terreinen toegestaan.

Water
De in het plangebied aanwezige waterlopen en -partijen, met daarbij behorende oevers en bouwwerken vallen onder de bestemming "Water". Binnen deze bestemming is het verboden om gebouwen te realiseren en bouwwerken die niet ten dienste staan van de waterhuishouding.

Wonen
Een groot deel van het plangebied heeft de bestemming "Wonen". De bouwvlakken geven aan waar de woningen (de hoofdgebouwen) gesitueerd mogen worden. Naast hoofdgebouwen is ook de bouw van aan- en uitbouwen toegestaan; ook deze mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. Hoofdgebouwen moeten met de voorste gevel in de naar weg gekeerde grens van het bouwvlak worden gebouwd. Op deze wijze ontstaat het gewenste verspringende beeld van voorgevels.

In verband met het voorkomen van een rommelig bebouwingsbeeld van de achterzijde van de woonpercelen zijn uitsluitend aan het hoofdgebouw verbonden aan- en uitbouwen toegestaan. Vrijstaande bijgebouwen zijn op grond van het bestemmingsplan niet mogelijk. De bestemming Tuin draagt hier ook aan bij.

Met het oog op het voorkomen van hoge schuttingen, is in deze bestemming bepaald dat erfafscheidingen ten hoogste 1 m hoog mogen worden. Op deze manier is te voorzien in een raster (met het oog op het binnen het perceel houden van huisdieren), maar worden hoge hekwerken of schuttingen voorkomen. Het is in dit plan de bedoeling om de erfafscheiding met groen vorm te geven. Op deze wijze ontstaat de gewenste ruimtelijke kwaliteit.

Bij het wonen is zonder meer de vestiging van een aan-huis-verbonden beroep en bedrijfsactiviteit mogelijk. Deze functie is alleen in combinatie met de woonfunctie toegestaan en niet zelfstandig.

5.2.3 Installaties voor warmte- en koudeopwekking

Per 1 januri 2021 wordt in het Bouwbesluit de regeling van kracht waarmee de geluidsbelasting op buurpercelen als gevolg van het gebruik van een installatie voor warmte- en koudeopwekking moet worden beperkt. In artikel 12 van de regels is bepaald al voorafgaand aan de datum van 1 januari 2021 aan deze regeling moet worden voldaan. Dat betekent dat een installatie voor warmte- of koudeopwekking, die is opgesteld buiten de uitwendige scheidingsconstructie (i.c. de buitengevel of het dak) van een bouwwerk, op de perceelgrens met een buurperceel met, of dat bestemd is voor, een andere woonfunctie een geluidsniveau van ten hoogste 40 dB is toegestaan, bepaald volgens de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai, internetuitgave 2004.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Grondexploitatie
Op basis van de Grondexploitatiewet als onderdeel van de Wro geldt een gegarandeerd kostenverhaal als eis aan ruimtelijke plannen. In artikel 6.12 Wro is vastgelegd dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt als verplicht onderdeel van een ruimtelijk plan voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen, tenzij het kostenverhaal op een andere wijze is gegarandeerd. Wat onder een bouwplan moet worden verstaan, is in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangegeven.

Doel van een grondexploitatieregeling is het inzichtelijk maken van de financiële haalbaarheid en het bieden van meerdere mogelijkheden voor het kostenverhaal, waardoor er meer sturingsmogelijkheden zijn. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden.

Voorliggend plan betreft een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. Het plan is geïnitieerd door particulieren (vereniging CPO Mantgum 2.0.). De gemeente Leeuwarden heeft medewerking verleend aan de voorbereiding en uitwerking van het plan. De financiële verplichtingen die uit het project naar voren komen, worden door de vereniging Mantgum CPO 2.0 en haar leden gedragen. De kosten bestaan uit onder meer de planontwikkelingskosten, de aankoop van de grond, het bouw- en woonrijp maken, de bouw van de woningen en het beheer en onderhoud van het collectieve groen dat in eigendom blijft van de vereniging. Daarmee kan worden gesteld dat het voorliggende plan economisch uitvoerbaar is. Er hoeft geen exploitatieplan te worden vastgesteld. Tussen initiatiefnemer en de gemeente is een anterieure overeenkomst gesloten waarin (financiële) afspraken zijn gemaakt.

Planschadeverhaal
Bij het mogelijk maken van ruimtelijke ontwikkelingen is er de kans dat door eigenaren van gronden in de directe omgeving van een plangebied bij de gemeente op grond van artikel 6.1 Wro een verzoek tot tegemoetkoming in de planschade wordt ingediend. Diegenen die schade lijden omdat hun onroerend goed in waarde vermindert, kunnen de schade verhalen (voor zover deze redelijkerwijs niet voor de aanvrager behoort te blijven) wanneer dit boven de 2% van de waarde van het onroerend goed uitkomt. Tussen gemeente en initiatiefnemer is een planschadeverhaalsovereenkomst gesloten.

Het kostenverhaal van planrealisatie is anderszins verzekerd zodat een exploitatieplan op basis van de Grondexploitatiewet niet noodzakelijk is. Voorgaande betekent dat de uitvoerbaarheid van het planvoornemen om tot realisatie van het plan te komen niet door onvoldoende economische uitvoerbaarheid wordt belemmerd.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Gerealiseerde participatie
De leden van het CPO hebben zelf de participatie bij het project verzorgd. Al vroeg in het proces is besloten om de direct omwonenden, het dorp, de belangstellenden en de betrokken partijen (gemeente, provincie, Doarpsmienskip) goed te informeren over het proces en de inhoud van het CPO-project. Aan direct omwonenden is vooraf gevraagd of er wensen waren om in het ontwerp of het proces van het project rekening mee te houden. De volgende communicatie- en participatiemiddelen zijn daarbij ingezet:

  • één-op-één-gesprekken met direct omwonenden en belanghebbenden;
  • nieuwsbrieven in de dorpskrant Mandeguod;
  • berichtgeven in Op 'e Skille, de tweewekelijkse huis-aan-huis-krant in de Greidhoeke;
  • informatieavonden in het dorp;
  • ledenvergaderingen.

Van alle overleggen en bijeenkomsten zijn verslagen bijgehouden.

Van de Doarpsmienskip Mantgum (DMS) heeft het CPO Mantgum 2.0 een schriftelijke herbevestiging ontvangen waarin wordt aangegeven dat de DMS het initiatief en de bestemmingsplanvoorbereidingen van het CPO Mantgum 2.0 ondersteunt. De brief is opgenomen in Bijlage 11 bij deze Toelichting.

Nog te voeren overleg
Over dit plan zal advies worden gevraagd in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro. Na inwinning van de adviezen zullen de binnengekomen reacties hier opgenomen en beantwoord worden.