direct naar inhoud van Artikel 5: Bedrijventerrein
Plan: Dokkum - Betterwird 3, fase 1a
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0058.BPDKBB2010P2-ON01

Artikel 5: Bedrijventerrein

5.1. Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. gebouwen ten behoeve van:
    • 1. bedrijven die zijn genoemd in Bijlage 1 onder de categorieën 1, 2 en 3.1, ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 3.1’;
    • 2. bedrijven die zijn genoemd in Bijlage 1 onder de categorieën 1, 2, 3.1 en 3.2, ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 3.2’;
    • 3. bedrijven die zijn genoemd in Bijlage 1 onder de categorieën 1, 2, 3.1, 3.2 en 4.1, ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 4.1’;
    • 4. bedrijven die zijn genoemd in Bijlage 1 onder de categorieën 1, 2, 3.1, 3.2, 4.1 en 4.2, ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 4.2';
    • 5. watergebonden bedrijvigheid, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - watergebonden bedrijf';
    • 6. horeca tot en met horecacategorie 3, ter plaatse van de aanduiding "horeca tot en met horecacategorie 3";

met uitzondering van geluidzoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtingen en vuurwerkbedrijven;

    • 1. ondergeschikte productiegebonden detailhandel;
    • 2. bedrijfswoningen, ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’;

met de daarbijbehorende:

  • b. nutsvoorzieningen;
  • c. wegen en paden;
  • d. groenvoorzieningen;
  • e. waterlopen;
  • f. tuinen, erven, terreinen en parkeervoorzieningen;
  • g. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
5.2. Bouwregels
5.2.1. Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. de gebouwen dienen binnen een bouwvlak te worden gebouwd;
  • b. het bebouwingspercentage van een binnen het bouwvlak gelegen gedeelte van een bouwperceel mag ten hoogste 70% bedragen;
  • c. ten minste 50% van de breedte van de naar de weg gekeerde gevel(s) van een gebouw dient in de naar de weg gekeerde bouwgrens of bouwgrenzen te worden gebouwd;
  • d. de afstand van een gebouw tot de zijdelingse perceelsgrens dient ten minste 3,00 m te bedragen;
  • e. de bouwhoogte van een gebouw mag ten hoogste de in de aanduiding 'maximale bouwhoogte (m) aangegeven bouwhoogte bedragen;
  • f. bedrijfswoningen mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’;
  • g. per bedrijf mag uitsluitend één bedrijfswoning worden gebouwd;
  • h. voor uitpandige bedrijfswoningen gelden, in afwijking van het gestelde onder e, de volgende maatvoeringseisen:
    • 1. de goothoogte van een bedrijfswoning mag ten hoogste 3,50 m bedragen;
    • 2. de bouwhoogte van een bedrijfswoning mag ten hoogste 9,00 m bedragen.
5.2.2. Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij een (bedrijfs)woning

Voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij een (bedrijfs)woning gelden de volgende regels:

  • a. de aan- en uitbouwen, de bijgebouwen en de overkappingen dienen ten minste 3,00 m achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van de (bedrijfs)woning of het verlengde daarvan te worden gebouwd, tenzij de afstand van een bestaande aan- of uitbouw, een bestaand bijgebouw of een bestaande overkapping minder bedraagt dan wel vóór de naar de weg gekeerde gevel(s) van de (bedrijfs)woning is gebouwd, in welk geval voor de bestaande aan- en uitbouwen, de bijgebouwen en de overkappingen de bestaande situering geldt;
  • b. de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen dienen ten minste 1,00 m vanaf de zijdelingse perceelgrens dan wel in de zijdelingse perceelgrens te worden gebouwd;
  • c. de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, de bijgebouwen en de overkappingen mag per (bedrijfs)woning ten hoogste 75 m² bedragen, met dien verstande dat:
    • 1. de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen ten hoogste 50 m² mag bedragen;
    • 2. indien de bestaande oppervlakte meer bedraagt, de bestaande oppervlakte geldt;
  • d. de goothoogte van een aan- of uitbouw, een bijgebouw of een overkapping mag ten hoogste 3,30 m bedragen;
  • e. de bouwhoogte van een aan- of uitbouw, een bijgebouw of een overkapping mag niet meer bedragen dan:
    • 1. 6,50 m, indien in de zijdelingse perceelsgrens wordt gebouwd, en:
    • 2. de bouwhoogte van een punt in een denkbeeldige lijn van 45°, getrokken vanuit een punt op 3,30 m bouwhoogte op de zijdelingse perceelgrens, met dien verstande dat geen deel van de kap zich buiten deze denkbeeldige lijn mag bevinden;

met dien verstande dat de bouwhoogte van een aan- of uitbouw, een bijgebouw of een overkapping ten minste 1,00 m lager is dan de (bedrijfs)woning.

5.2.3. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. overkappingen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag ten hoogste 1,00 m bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen 5,00 m achter de naar de weg gekeerde gevels(s) van het (hoofd)gebouw dat het dichtst aan de weg gesitueerd is en het verlengde daarvan ten hoogste 2,00 m mag bedragen;
  • c. de bouwhoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 5,00 m bedragen.
5.3. Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:

  • a. een goede woonsituatie;
  • b. de milieusituatie;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.

5.4. Afwijken van de bouwregels
5.4.1. Bevoegdheid

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van:

  • a. het bepaalde in lid 5.2.1 sub a in die zin dat gebouwen (gedeeltelijk) buiten het bouwvlak worden gebouwd, mits:
    • 1. er sprake is van een incidentele uitbreiding;
    • 2. uitsluitend ondergeschikte gebouwen geheel buiten het bouwvlak mogen worden gebouwd;
    • 3. de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten niet hoger is dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde, dan wel een vastgestelde hogere grenswaarde;
  • b. het bepaalde in lid 5.2.1 sub c in die zin dat de afstand van een gebouw tot de weg wordt verkleind;
  • c. het bepaalde in lid 5.2.1 sub d in die zin dat de afstand van een gebouw tot de zijdelingse perceelgrens wordt verkleind;
  • d. het bepaalde in lid 5.2.1 sub h in die zin dat de goot- en/of bouwhoogte van uitpandige (bedrijfs)woningen wordt vergroot tot respectievelijke ten hoogste 6,00 m en 10,00 m;
  • e. het bepaalde in lid 5.2.2 sub a in die zin dat een aan- of uitbouw of bijgebouw minder dan 3,00 m achter dan wel vóór de naar de weg gekeerde gevel(s) van de (bedrijfs)woning of het verlengde daarvan wordt gebouwd;
  • f. het bepaalde in lid 5.2.2 sub c in die zin dat de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen wordt vergroot.
  • g. het bepaalde in lid 5.2.3 sub b in die zin dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van kraan- en/of hijsinstallaties wordt vergroot tot ten hoogste 40,00 m.
5.4.2. Toetsingscriteria

De in lid 5.4.1 genoemde omgevingsvergunningen kunnen uitsluitend worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • a. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. de woonsituatie;
  • c. de milieusituatie;
  • d. de verkeersveiligheid;
  • e. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
5.5. Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van bedrijven, anders dan de bedrijven die zijn genoemd in Bijlage 1 onder de categorieën 1, 2 en 3.1, ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1';
  • b. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van bedrijven, anders dan de bedrijven die zijn genoemd in Bijlage 1 onder de categorieën 1, 2, 3.1 en 3.2, ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.2';
  • c. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van bedrijven, anders dan de bedrijven die zijn genoemd in Bijlage 1 onder de categorieën 1, 2, 3.1, 3.2 en 4.1, ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 4.1';
  • d. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van bedrijven, anders dan de bedrijven die zijn genoemd in Bijlage 1 onder de categorieën 1, 2, 3.1, 3.2, 4.1 en 4.2, ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 4.2';
  • e. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van bedrijven, anders dan watergebonden bedrijven, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - watergebonden bedrijf';
  • f. het gebruik van gronden en bouwwerken voor risicovolle inrichtingen en vuurwerkbedrijven;
  • g. het gebruik van gebouwen voor (bedrijfs)woning, tenzij de gronden ter plaatse zijn voorzien van de aanduiding "bedrijfswoning";
  • h. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel, met uitzondering van:
    • 1. ondergeschikte productiegebonden detailhandel;
    • 2. detailhandel in watersportgebonden artikelen bij watergebonden bedrijvigheid, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - watergebonden bedrijf';
  • i. het gebruik van gronden ten behoeve van opslag, met uitzondering van het zij- en/of achtererf in welk geval 5 m achter de naar de weg gekeerde gevels(s) van het (hoofd)gebouw dat het dichtst aan de weg gesitueerd is en het verlengde daarvan de gronden gebruikt mogen worden voor opslag.
5.6. Afwijken van de gebruiksregels
5.6.1. Bevoegdheid

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van:

  • a. het bepaalde in lid 5.5 sub a in die zin dat ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1' tevens bedrijven worden gevestigd die naar de aard en de invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met bedrijven die zijn genoemd in Bijlage 1 onder de categorieën 1, 2 en 3.1;
  • b. het bepaalde in lid 5.5 sub b in die zin dat ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.2' tevens bedrijven worden gevestigd die naar de aard en de invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met bedrijven die zijn genoemd in Bijlage 1 onder de categorieën 1, 2, 3.1 en 3.2;
  • c. het bepaalde in lid 5.5 sub c in die zin dat ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 4,1' tevens bedrijven worden gevestigd die naar de aard en de invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met bedrijven die zijn genoemd in Bijlage 1 onder de categorieën 1, 2, 3.1, 3.2 en 4.1;
  • d. het bepaalde in lid 5.5 sub d in die zin dat ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 4.2' tevens bedrijven worden gevestigd die naar de aard en de invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met bedrijven die zijn genoemd in Bijlage 1 onder de categorieën 1, 2, 3.1, 3.2, 4.1 en 4.2;
  • e. het bepaalde in lid 5.5 sub e in die zin dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - watergebonden bedrijf' tevens niet watergebonden bedrijven worden gevestigd, mits:
    • 1. vestiging van niet watergebonden bedrijven niet plaatsvindt op gronden direct aan het water gelegen;
    • 2. de economische omstandigheden dusdanig zijn dat er weinig of geen vraag naar grond voor watergebonden bedrijvigheid is en wèl vraag naar grond voor niet watergebonden bedrijvigheid en daarvoor elders op dat moment geen passende ruimte is;
  • f. het bepaalde in lid 5.5 sub f in die zin dat risicovolle inrichtingen en/of vuurwerkbedrijven worden gevestigd, mits:
    • 1. ten aanzien van vuurwerkbedrijven de veiligheidsafstanden als bedoeld in het Vuurwerkbesluit in acht worden genomen;
    • 2. ten aanzien van risicovolle inrichtingen de toepasselijke grenswaarden voor het risico en risicoafstanden ten aanzien van kwetsbare objecten in acht worden genomen en rekening wordt gehouden met de toepasselijke richtwaarden voor het risico en risicoafstanden ten aanzien van beperkt kwetsbare objecten.
5.6.2. Toetsingscriteria

De in lid 5.6.1 genoemde omgevingsvergunningen kunnen uitsluitend worden verleend, indien:

  • a. het gaat om bedrijven die niet zijn genoemd in Bijlage 1, maar die qua milieubelasting gelijkwaardig zijn aan de bedrijven die wel worden genoemd of bedrijven die wel zijn genoemd in Bijlage 1 onder een hogere categorie dan respectievelijk 3.1, 3.2, 4.1 en 4.2, maar in een individueel geval een lagere milieubelasting hebben;
  • b. het geen risicovolle inrichtingen of vuurwerkbedrijven betreft, tenzij de omgevingsvergunning als bedoeld in lid 5.6.1 sub f is verleend;
  • c. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:
    • 1. de woonsituatie;
    • 2. de milieusituatie;
    • 3. de verkeersveiligheid;
    • 4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.