Artikel 12. Wonen - 3

 

12.1

Bestemmingsomschrijving

 

De voor ‘Wonen – 3’ (W-III) aangewezen gronden zijn bestemd voor:

 

a.

bestaande woningen ten tijde van de ter visie legging van het ontwerp van het plan;

 

b.

met wonen verenigbare overige functies tot een maximum van 30% van de bruto vloeroppervlakte van het hoofdgebouw plus maximaal 50% van de oppervlakte van de gerealiseerde bijgebouwen;

 

met de daarbij behorende:

 

c.

parkeervoorzieningen;

 

d.

woonstraten, fiets- en wandelpaden, trottoirs en paden;

 

e.

water (waterberging/waterafvoer);

 

f.

erven, tuinen;

 

g.

groen- en speelvoorzieningen;

 

h.

overige voorzieningen zoals nutsvoorzieningen;

 

i.

bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

 

met dien verstande dat de bouw van geluidgevoelige ruimten in woningen niet is toegestaan binnen de op de plankaart aangegeven aanduiding ’geluidzone-industrie’.

 

12.2

Bouwregels

12.2.1

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen:

 

a.

hoofdgebouwen mogen uitsluitend als grondgebonden woning worden gebouwd;

 

b.

een hoofdgebouw mag uitsluitend binnen het aangeduide bouwvlak worden gebouwd;

 

c.

per bouwperceel is maximaal één woning toegestaan tot een maximum bebouwingspercentage van 50% van het bouwperceel;

 

d.

de afstand van de hoofdgebouwen tot aan de zijdelingse perceelgrenzen bedraagt tenminste 3 meter, tenzij woningscheidende muren op de perceelgrens worden gebouwd;

 

e.

de bouwhoogte van een hoofdgebouw mag niet meer dan de  aangeduide hoogte bedragen;

 

f.

de goothoogte van een hoofdgebouw mag niet meer dan de aangeduide hoogte bedragen;

 

g.

de dakhelling van een hoofdgebouw mag niet minder dan 30o bedragen.

12.2.2

Voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen gelden de volgende bepalingen:

 

a.

de oppervlakte aan aan- en uitbouwen en bijgebouwen bedraagt maximaal 70 m2 met dien verstande dat maximaal 50% van het achtererf bebouwd mag worden;

 

b.

aan- en uitbouwen en bijgebouwen dienen tenminste 3 meter achter de voorgevelrooilijn te worden opgericht, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouw’ per bouwperceel een vrijstaand bijgebouw is toegestaan;

 

c.

de goothoogte en de bouwhoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen mag niet meer bedragen dan de goothoogte en bouwhoogte van het hoofdgebouw met een maximum van respectievelijk 3 en 5,5 meter;

 

d.

de afstand van aan- en uitbouwen en bijgebouwen tot de perceelgrens dient tenminste 1 meter te bedragen tenzij het gebouw op de perceelgrens wordt geplaatst.

12.2.3

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

 

a.

de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 meter;

 

b.

overkappingen met een oppervlak van, horizontaal gemeten, ten hoogste 30 m2 mogen worden opgericht achter de voorgevelrooilijn.

 

12.3

Nadere eisen

12.3.1

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen aan de goot- en bouwhoogte van bijgebouwen uitsluitend indien deze bijgebouwen:

 

a.

op de perceelgrens zijn gebouwd en;

 

b.

hoger zijn dan 2,50 meter.

12.3.2

De nadere eisen kunnen uitsluitend worden gesteld ten behoeve van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en/of bouwwerken.

 

12.4

Ontheffing van de bouwregels

12.4.1

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen:

 

a.

indien de oppervlakte van het bouwperceel niet meer bedraagt dan 600 m2, van het bepaalde in lid 12.2.2 sub a tot een maximale oppervlakte van 100 m2, en na het verlenen van ontheffing ingevolge dit lid:

 

 

-

de totale oppervlakte aan gebouwen per bouwperceel niet meer bedraagt dan 200 m2, dan wel de bestaande bebouwing, indien deze groter is dan 200 m2 en;

 

 

-

het bouwperceel voor niet meer dan 50% is bebouwd;

 

b.

indien de oppervlakte van het bouwperceel meer bedraagt dan 600 m2, van het bepaalde in lid 12.2.2 sub a tot een maximale oppervlakte van 70 m2 vermeerderd met 5% van de oppervlakte van het bouwperceel tot een maximum van 150 m2 en na het verlenen van ontheffing ingevolge dit lid de totale oppervlakte aan gebouwen per bouwperceel niet meer bedraagt dan 300 m2, dan wel de bestaande bebouwing, indien deze groter is dan 300 m2;

 

 

 

c.

van het bepaalde in lid 12.2.2 sub b met betrekking tot het plaatsen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen tot op de voorgevelrooilijn;

 

d.

van het bepaalde in lid 12.2.2 sub c voor (gedeelten van) aan- en uitbouwen voor zover deze zich bevinden op een afstand van meer dan 3 meter vanaf de perceelgrens tot maximaal de goot- en bouwhoogte van het hoofdgebouw;

12.4.2

indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het stedenbouwkundig beeld en/of de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en/of bouwwerken.

 

12.5

Specifieke gebruiksregels

12.5.1

Tot een strijdig gebruik met deze bestemming zoals bedoeld in artikel 7.10 Wet ruimtelijke ordening wordt in ieder geval gerekend:

 

a.

het gebruik voor permanente of tijdelijke bewoning, voor zover het vrijstaande bijgebouwen betreft;

 

b.

het gebruik van bijgebouwen als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte;

 

c.

het plaatsen van caravans;

 

d.

het storten van afval;

 

e.

het gebruik van gronden en bouwwerken als seksinrichting;

 

f.

het gebruik van onbebouwd blijvende grond voor de opslag van afval en materialen.

12.5.2

Woningen en daarbij behorende aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen alleen worden gebruikt ten behoeve van met het wonen verenigbare functies onder de volgende voorwaarden:

 

a.

de nevenactiviteit beperkt zich tot maximaal 50% van het oppervlak van de gerealiseerde bijgebouwen;

 

b.

het gebruik van de bebouwing voor met het wonen verenigbare functies mag geen ernstige of onevenredige hinder voor de woonomgeving opleveren en mag geen afbreuk doen aan het woonkarakter van de omgeving;

 

c.

een seksinrichting is niet toegestaan;

 

d.

detailhandel is niet toegestaan;

 

e.

het beroeps- en bedrijfsmatig gebruik van de bebouwing mag geen of een zodanig beperkte verkeersaantrekkende werking hebben, dat geen extra verkeersmaatregelen noodzakelijk zijn.

12.5.3

Burgemeester en wethouders verlenen ontheffing van het in lid 12.5 gestelde verbod, indien strikte toepassing leidt tot een beperking van het meest doelmatige gebruik en het verbod niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

 

12.6

Ontheffing - mantelzorg

12.6.1

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in lid 12.5.2 sub b ten behoeve van het gebruik van een aanbouw of bijgebouw als afhankelijke woonruimte indien:

 

a.

gebruik als afhankelijke woonruimte noodzakelijk is vanuit het oogpunt van mantelzorg;

 

b.

geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen waaronder het woongenot van omwonenden of beperking in de bedrijfsvoering;

 

c.

het gebruik van de bijgebouwen als afhankelijke woonruimte is beperkt tot een vloeroppervlakte van ten hoogste 70 m2;

 

d.

de ontheffing vervalt zodra de noodzaak vanuit het oogpunt van mantelzorg is komen te vervallen.

 

12.7

Wijzigingsbevoegdheid

 

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat de aanduiding ’geluidzone-industrie’ van de plankaart komt te vervallen of ter verkleining van de zone wordt verplaatst. Bij het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid dient te worden aangetoond dat de geluidsbelasting in het gebied dat ophoudt deel uit te maken van de zone lager is dan 50 dB(A).