direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Stad Appingedam
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0003.STADAPPINGEDAM-VG03

Toelichting

Hoofdstuk 1 Het bestemmingsplan Stad Appingedam

1.1 Inleiding

De gemeente Appingedam wenst actuele bestemmingsplannen te hebben, om daarmee richting haar burgers duidelijkheid te scheppen. Daartoe is dit bestemmingsplan opgesteld. Na vaststelling van dit bestemmingsplan beschikt de gemeente dan ook over twee actuele digitale bestemmingsplannen, die gezamenlijk het gehele grondgebied van de gemeente beslaan. Dit zijn het bestemmingsplan Stad Appingedam, deelplan Agrarische gebieden (vastgesteld op 17 februari 2011) en voorliggend bestemmingsplan Stad Appingedam. De ligging van deze bestemmingsplannen is weergegeven in figuur 1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0003.STADAPPINGEDAM-VG03_0001.jpg"

Figuur 1: Ligging bestemmingsplan Stad Appingedam en bestemmingsplan Stad Appingedam, deelplan Agrarische gebieden (groen). 

1.2 Aanleiding

Aanleiding voor het opstellen van het bestemmingsplan Stad Appingedam is de actualisatieplicht voor bestemmingsplannen voor 1 juli 2013. Op deze datum mogen bestemmingsplannen niet ouder zijn dan 10 jaar. Het overgrote deel van de bestemmingsplannen van de gemeente zijn recentelijk herzien. De belangrijkste hiervan zijn het bestemmingsplan stad Appingedam, deelplan Centrumgebied (vastgesteld op 21 januari 2010), het bestemmingsplan stad Appingedam, deelplan Agrarische gebieden (vastgesteld op 17 februari 2011) en het bestemmingsplan stad Appingedam, deelplan Woongebieden, herziening 2011 (vastgesteld op 15 december 2011). Voor de bedrijvengebieden (en de woningen aan de Kanaalweg) moet nog een actueel bestemmingsplan worden opgesteld. Voor wat betreft de woningbouwplannen op het voormalige terrein van De Eendracht is een structuurvisie vastgesteld. De verwerking hiervan vindt in dit bestemmingsplan plaats. Daarnaast is er sprake van gewijzigde ontwikkelingen in het gebied De Tip. Ook zal binnenkort de Omgevingsverordening van de provincie Groningen worden gewijzigd. In dit bestemmingsplan zijn deze nieuwe ontwikkelingen, een uniforme en actuele regeling voor de woongebieden, het centrumgebied en de bedrijventerreinen opgenomen, evenals de afstemming met de Omgevingsverordening. Daarnaast voldoet het plan aan de op 1 oktober 2012 in werking getreden RO standaarden 2012.

Er is een aantal redenen om één nieuw bestemmingsplan voor de gehele bebouwde kom op te stellen. Een aantal hiervan zijn hierboven weergegeven. Hieronder zijn alle redenen weergegeven en kort toegelicht.

1. Omgevingsverordening provincie Groningen: de bestemmingsplannen in de gemeente moeten voldoen aan de omgevingsverordening van de provincie Groningen. Medio 2013 is een wijziging hiervan voorzien. In dit bestemmingsplan is hiermee rekening gehouden.

2. Geluidzone De Eendracht: de herinvulling van het terrein van De Eendracht met woningbouw zal leiden tot een wijziging van de bestaande geluidzone. Dit heeft gevolgen voor alle plannen rondom het terrein. Wordt de geluidzone gewijzigd, dan zal tegelijkertijd met de vaststelling van een bestemmingsplan voor de bedrijvengebieden een partiële herziening moeten worden vastgesteld van de deelplannen voor de agrarische gebieden, de woongebieden en het centrumgebied. Met één integraal bestemmingsplan voor de bebouwde kom wordt dit laatste voorkomen.

3. Voorbereidingsbesluit Centrumgebied: in de zomer van 2011 is een voorbereidingsbesluit genomen voor de zone Dijkstraat. De bedoeling hiervan is om woningbouw op de begane grond van gebouwen tegen te gaan, want er is een voorkeur voor winkels op de begane grond. Bij de totstandkoming van het bestemmingsplan Stad Appingedam, deelplan Centrumgebied is aan het kernwinkelgebied (Dijkstraat tussen St. Annastraat en de Kniestraat) de bestemming C, Centrum gegeven. Binnen de bestemming 'Centrum' kan detailhandel en horeca (categorie 1) worden bedreven, maar ook dienstverlening worden gegeven, en zelfs gewoond.

Het beleid is erop gericht dat vanwege een verschraling van het winkelaanbod in Appingedam, de detailhandel te concentreren in de Dijkstraat met uitlopers naar het Cleveringaplein en de Ossedrift. Diverse beleidsinstrumenten (bijvoorbeeld bestemmingsplan) worden ingezet om in de overige straten rond dit kernwinkelgebied geleidelijk de detailhandel terug te dringen. Zo zijn de oude winkelbestemmingen in onder andere de Stationsstraat vervangen door woonbestemmingen als de winkel niet meer als zodanig gebruikt werd. Een nieuwe detailhandelsfunctie op die plek starten is dan niet meer mogelijk. Ook zijn er successen geboekt door de Solwerderstraat 'om te vormen' van winkelstraat naar woon- en cultuurstraat. Ondanks deze ingrepen krimpt het winkelbestand verder. Dit heeft zelfs gevolgen voor de Dijkstraat. Ook hier komen winkelpanden leeg te staan. Voortzetting van het beleid dient erop gericht te zijn om deze winkels 'te vullen' door verplaatsing van de huidige detailhandel buiten het kernwinkelgebied en/of mogelijkheid te bieden voor nieuw vestiging. Het toestaan van bewoning in deze panden (op de begane grond) staat op gespannen voet met het beleid om detailhandel in het kernwinkelgebied te stimuleren. De mogelijkheid is daarmee aanwezig om de winkels in dit kernwinkelgebied om te zetten in woonhuizen, zodat verplaatsing en nieuwe vestiging van detailhandel wordt gefrustreerd. Dit is een onwenselijke situatie. In dit bestemmingsplan is bewoning op de begane grond langs de Dijkstraat dan ook uitgesloten. De bewoning van deze panden, uitgezonderd de begane grond, dient echter wel gestimuleerd te blijven om de leefbaarheid van het centrum te versterken.

4. Wijziging stedenbouwkundig plan De Tip: voor dit gebied geldt een bestemmingsplan uit 2003 die nog uitgaat van de realisatie van 150 woningen. Gezien de huidige economische situatie wordt momenteel gedacht aan een andere invulling van het gebied met maximaal 45 grondgebondenwoningen. Naar aanleiding van het stedenbouwkundig plan dat zal worden herzien, moet ook het bestemmingsplan worden gewijzigd.

5. Wijziging RO-standaarden: vanaf 1 oktober 2012 mag de nieuwe SVBP (Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen) 2012 worden toegepast. De inmiddels herziene plannen zijn opgesteld conform de SVBP 2008.

6. Uitspraak Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State: Op 25 juli 2012 heeft de Afdeling een uitspraak gedaan op het beroep dat ingesteld was tegen het bestemmingsplan stad Appingedam, deelplan Agrarische gebieden. Het beroep dat ingesteld was ging in op de bestemming 'Water' voor het gedeelte van de Schaaphornertocht gelegen ten westen van de percelen met de kadastrale aanduidingen L243 en L242. Deze dient volgens appellanten verlegd te worden naar de watergang gelegen naast de Kleileemlaan. Voorts betogen appellanten dat de bestemming 'Water' die aan de dwarssloot tussen de percelen met de aanduiding L241 en L242 is toegekend, dient te worden geschrapt, zodat de bestemming 'Water' volledig buiten hun percelen om komt te liggen langs de Kleileemlaan. De Afdeling heeft dit beroep gegrond verklaard en het bestemmingsplan op dit onderdeel vernietigt. In dit bestemmingsplan wordt voldoen aan de uitspraak van de afdeling en is dit onderdeel hierop aangepast.

7. Eén procedure voor één bestemmingsplan: met één bestemmingsplan hoeft slechts één procedure te worden gevolgd. Zou worden gekozen voor aparte bestemmingsplannen (deelplan Bedrijvengebieden, bestemmingsplan De Tip, partiële herziening deelplan Woongebieden en een partiële herziening Centrumgebied) dan zal voor al deze bestemmingsplannen een aparte procedure moeten worden doorlopen. Eén bestemmingsplan leidt tot een meer efficiënte en effectieve besluitvorming.

1.3 Ligging bestemmingsplan Stad Appingedam

De ligging van het bestemmingsplan Stad Appingedam is weergegeven in figuur 2. In dit bestemmingsplan zijn de woongebieden, het centrumgebied en de bedrijventerreinen opgenomen. Ook het agrarisch gebied dat voor een deel door de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State is vernietigd (in figuur 2 niet te zien omdat het daarvoor te klein is).

afbeelding "i_NL.IMRO.0003.STADAPPINGEDAM-VG03_0002.jpg"

Figuur 2: De ligging van het bestemmingsplan Stad Appingedam 

1.4 Karakter van het bestemmingsplan

Het nieuwe bestemmingsplan heeft in hoofdzaak een beheersgericht oftewel een conserverend karakter. In een dergelijk bestemmingsplan wordt de ruimtelijk-functionele structuur vastgelegd en voor bestaande functies een adequate planologische regeling getroffen.

Het bestemmingsplan vormt echter geen statisch geheel, maar speelt ook zoveel mogelijk in op nieuwe ontwikkelingen die al op stapel staan of die de komende jaren nog zullen spelen. In dit kader is met name de herontwikkeling van de stadstuin de Eendracht en het gebied De Tip van belang. Met dit nieuwe bestemmingsplan voor het gehele grondgebied wordt voorzien in een actuele juridisch planologische regeling.

1.5 Digitalisering

Bestemmingsplannen worden digitaal opgesteld, de analoge verbeelding is daarvan afgeleid. Dit houdt in dat het bestemmingsplan via de computer raadpleegbaar en uitwisselbaar wordt. Dit gebeurd door het bestemmingsplan op de website www.ruimtelijkeplannen.nl te plaatsen.

Het digitale bestemmingsplan is objectgericht. Dit houdt in dat de verbeelding van het bestemmingsplan is ingedeeld in vlakken (objecten), die aangeven waar de verschillende bestemmingen (bestemmingsvlakken of dubbelbestemmingsvlakken) en bouwmogelijkheden (bouwvlakken) liggen. Aan de vlakken is informatie gekoppeld in de vorm van de planregels en de toelichting. Door met de muis op een object te klikken, kan deze informatie die hoort bij het betreffende vlak, gericht worden opgevraagd. In de planregels kan dan worden gelezen welke mogelijkheden en beperkingen er bestaan om de betreffende gronden te kunnen gebruiken en eventueel te bebouwen. Soms staan in de planregels terugverwijzingen naar aanduidingen op de digitale verbeelding. De betekenis van deze aanduidingen, maar ook van de gehanteerde kleuren en codes, wordt in het renvooi of de legenda nader verklaard.

1.6 Planopzet en systematiek

De digitale gebruiksmogelijkheden brengen met zich mee dat specifieke eisen worden gesteld aan de opzet, inrichting en systematiek van het bestemmingsplan. Met name voor de niet-professionele gebruikersgroep (burgers), maar ook voor plantoetsers (vergunningverleners en handhavers) is het belangrijk dat het bestemmingsplan overzichtelijk en begrijpelijk is en eenduidig kan worden geraadpleegd. Mede met het oog hierop is bij het actualiseren en digitaliseren van het bestemmingsplan een aantal uitgangspunten gehanteerd over de inhoud, de opzet en de systematiek, het kaartbeeld en het taalgebruik. De belangrijkste hiervan zijn hieronder uiteengezet.

Standaardisering

In combinatie met de actualisering en digitalisering is een reeks van algemeen toepasbare bestemmingen voor het gehele gemeentelijke grondgebied ontwikkeld, waarbij vergelijkbare situaties eenzelfde regeling krijgen. Te denken valt aan eenzelfde opzet voor vergelijkbare typen woningen, ongeacht de wijk waarin zij liggen. Daarnaast is het bestemmingsplan ook qua kaartbeeld (kleuren, aanduidingen, coderingen, en dergelijke) gestandaardiseerd. Daarbij is aangesloten bij de landelijke standaard SVBP 2012.

Bestemmingen

Mede met het oog op de overzichtelijkheid en raadpleegbaarheid is per op de kaart aangegeven bestemming gewerkt met een afzonderlijke regel. Hierbij is zoveel mogelijk als principe gehanteerd dat een bestemming één functie omvat (enkelvoudige bestemming). Een voorbeeld hiervan is de bestemming 'Wonen'.

Bij een sterke onderlinge verwevenheid van functies is gekozen voor meervoudige bestemmingen. Deze zijn onderscheiden in mengbestemmingen (als functies in combinatie met elkaar op een bepaalde locatie voorkomen, bijvoorbeeld de bestemming 'Gemengd' voor de functies maatschappelijke doeleinden en wonen) en dubbelbestemmingen (indien functies onafhankelijk van elkaar op een bepaalde locatie voorkomen, zoals voor een transportleiding in de grond).

Regels 

Per bestemming worden zoveel mogelijk relevante bepalingen opgenomen, zodat voor elke bestemming een overzichtelijk pakketje regels ontstaat dat zelfstandig leesbaar is. Zodoende krijgt de gebruiker, zowel bij analoge als digitale raadpleging, in één oogopslag inzicht in de relevante mogelijkheden en beperkingen.

Flexibiliteit

Flexibiliteit in het plan wordt geboden door het toepassen van afwijkingsregels. Zoals in de herziening van het deelplan Woongebied al is toegepast, is uit de praktijk gebleken dat het voor het afwijken van het bestemmingsplan makkelijker is om binnenplanse afwijkingsbevoegdheden op te nemen in plaats van wijzigingsbevoegdheden. Het is de bedoeling dat wijzigingsbevoegdheden bij uitzondering worden toegepast. Desalniettemin kunnen ze niet worden gemist om het plan flexibel te maken en om in te kunnen spelen op toekomstige, maar nog onzekere ontwikkelingen. In het bestemmingsplan zijn vooraf de criteria aangegeven, waaronder een dergelijke wijzigingsbevoegdheid kan worden gebruikt. De Raad stelt deze criteria vast en het college van Burgemeester en Wethouders past ze vervolgens in concrete situaties toe. In de nieuwe Wro geldt een periode van ter inzage legging van 6 weken.

In combinatie met het opnemen van wijzigingsbevoegdheden zal terughoudend worden omgegaan met de toepassing van de (buitenplanse) omgevingsvergunningen. Getracht wordt om gewenste ontwikkelingen en activiteiten zoveel mogelijk via de binnenplanse afwijkingsmogelijkheden te laten verlopen of deze via (partiële) herziening van het bestemmingsplan te regelen.

1.7 Uitspraak Raad van State, 2015

Op 9 september 2015 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in de procedure van het bestemmingsplan Stad Appingedam. Dit is de derde uitspraak in deze zaak. Er zijn vier zaakonderdelen: 1. Gedeeltelijke uitspraak in de bodemzaak (beroepen Kanaalweg en kade Fivelpoort), uitspraak op 9 september 2015, 2. afwijzing voorlopige voorziening beroep Jonker en voor dit onderdeel ook uitspraak in de bodemzaak, uitspraak op 12 februari 2014, 3. afwijzing beroepen besluit hogere waarden, uitspraak op 9 september 2015 en 4. beroep Visser Vastgoed, nog geen einduitspraak. De uitspraak van 9 september heeft geleid tot de hervaststelling op dit onderdeel van het bestemmingsplan. In hoofdstuk 9 van de toelichting wordt op de gevolgen nader ingegaan. De overige hoofdstukken van de toelichting zijn niet gewijzigd met de hervaststelling.

Hoofdstuk 2 Wat is een bestemmingsplan?

2.1 Wat regelt een bestemmingsplan?

Een bestemmingsplan gaat over de inrichting van de ruimte. Omdat die ruimte in Nederland schaars is en op verschillende manieren kan worden gebruikt, is in de Wet ruimtelijke ordening (2008) bepaald dat gemeenten voor hun grondgebied bestemmingsplannen opstellen. In een bestemmingsplan geeft de gemeente bestemmingen aan gronden. Daarmee wordt bepaald voor welke doelen of functies gronden mogen worden gebruikt en op welke wijze die gronden mogen worden ingericht.

2.1.1 Gebruik

De doelen of functies die via bestemmingen worden toegekend, zijn bepalend voor het gebruik ervan. Bij dergelijke doelen of functies kan bijvoorbeeld worden gedacht aan woondoeleinden voor woongebieden, aan bedrijfsdoeleinden voor bedrijventerreinen of aan agrarische doeleinden voor landbouwgronden. In het bestemmingsplan wordt geregeld welke functies en gebruiksvormen zijn toegestaan, maar ook welke zijn verboden. Zo kan het bijvoorbeeld voorkomen dat (onder voorwaarden) een kleinschalig bedrijfje bij een woning uitgeoefend kan worden, maar het is ook denkbaar dat het bestemmingsplan bedrijvigheid bij woningen helemaal uitsluit.

Een bestemming hoeft niet per se betrekking te hebben op één functie. Het is mogelijk (en zelfs gangbaar) dat binnen één bestemming verschillende doelen of functies toegelaten zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval bij een bestemming als 'Centrum'. Binnen zo'n bestemming kunnen functies als bedrijvigheid, detailhandel, wonen, dienstverlening en/of maatschappelijke voorzieningen in combinatie met elkaar worden toegestaan.

2.1.2 Inrichten

Bij het inrichten van gronden voor de functies of doeleinden gaat het met name om de bouwwerken die binnen een bestemming mogen worden gebouwd. In de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) staat dat voor bouwactiviteiten een omgevingsvergunning bij het bevoegd gezag moet worden aangevraagd. Bij haar beoordeling of zo'n vergunning kan worden verleend, kijkt het bevoegd gezag (onder andere) naar het bestemmingsplan. In het bestemmingsplan heeft de gemeente vastgelegd of er binnen een bestemming bouwwerken mogen worden gebouwd en aan welke voorwaarden die dan moeten voldoen. Mogen er op de gronden gebouwen worden gebouwd en zo ja tot welke oppervlakte en hoogte? Zijn er ook andere bouwwerken dan gebouwen mogelijk, zoals bijvoorbeeld schuttingen, antennemasten of pergola's en wat is de toegestane hoogte daarvan?

Daarnaast kan het bij het inrichten van gronden gaan om werken en werkzaamheden, zoals het graven of dempen van sloten, het ophogen van terreinen met grond of het storten van puin.

Voor zulke activiteiten kan ook een omgevingsvergunning nodig zijn. Of dat het geval is en wanneer zo'n omgevingsvergunning kan worden verleend, wordt allemaal in het bestemmingsplan aangegeven.

2.2 Wat regelt een bestemmingsplan niet?

2.2.1 Omgevingsvergunningvrije bouwwerken

Het bestemmingsplan regelt dus het gebruik en de inrichting van gronden. Zo gaat het over de plaats en afmetingen van gebouwen en andere bouwwerken. Dat geldt echter niet voor alle bouwwerken. In de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor) staat aangegeven, dat er bepaalde soorten bouwwerken zijn, waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is, zoals bijvoorbeeld vergunningsvrije bijgebouwen in achtertuinen.

2.2.2 Welstand

Het bestemmingsplan bevat niet alle eisen, waaraan bouwwerken moeten voldoen. Meestal beperkt de gemeente zich in het bestemmingsplan tot de belangrijkste: de plaats en de afmetingen, zoals de bouwhoogte en de hoogte van de dakgoten (goothoogte). Soms wordt daarbij ook een dakhelling voorgeschreven. Specifieke kenmerken van afzonderlijke bebouwing worden daarentegen geregeld in een Welstandsnota zoals materiaalgebruik (steen, hout, kunststoffen), kleur, kapvorm, gevelindelingen, en dergelijke. Dit is mede in relatie tot de vraag op welke wijze een bouwwerk het beste past bij zijn omgeving.

Om te kunnen worden gehonoreerd moet een aanvraag om bouwvergunning dan ook niet alleen voldoen aan het bestemmingsplan, maar ook aan de redelijke eisen van welstand, zoals die in de Welstandsnota Stad Appingedam staan omschreven. Alleen in uitzonderlijke gevallen worden deze aspecten ook in een bestemmingsplan geregeld. Dat is bijvoorbeeld het geval bij bestemmingsplannen voor beschermde stads- of dorpsgezichten, zoals de historische binnenstad van Appingedam en de kern Marsum. De bescherming van deze kenmerken wordt hier doorgaans zo belangrijk gevonden, dat deze via het bestemmingsplan wordt geregeld.

2.2.3 Bouwtechnische eisen

Behalve de welstandseisen zijn ook bouwtechnische eisen, waaraan gebouwen en andere bouwwerken moeten voldoen, niet in het bestemmingsplan opgenomen. Bij dergelijke eisen kan worden gedacht aan de belastbaarheid van de hoofdconstructie, de mate van daglichttoetreding, de isolatiewaarde, en dergelijke. Deze zaken zijn geregeld in een apart regeringsbesluit (Bouwbesluit). Ook aan deze technische eisen moet worden voldaan om een omgevingsvergunning te verkrijgen.

2.2.4 Andere wetten en regelingen

Het bestemmingsplan is dus een regeling van de gemeente over de inrichting van de ruimte, een belangrijke regeling, omdat de omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten hieraan rechtstreeks is gekoppeld. Ook andere wetten en regelingen regelen het gebruik en de inrichting van de ruimte. Het kan zijn dat er voor bouwwerken of activiteiten niet alleen voor de bouwactiviteiten een omgevingsvergunning nodig is, maar bijvoorbeeld ook voor milieuactiviteiten. Zo'n vergunning kan vereist zijn op grond van een wet van de rijksoverheid, maar ook op grond van een verordening van de provincie, de gemeente of het waterschap. Hierbij kan worden gedacht bijvoorbeeld aan een ligplaatsvergunning voor een recreatieschip, aan een vergunning voor het plaatsen van een reclamebord, het afgraven van gronden (ontgronden) of het beïnvloeden van het waterpeil.

Ook is het mogelijk dat bij bouwwerken op grond van dergelijke verordeningen aanvullende eisen in acht moeten worden genomen. Zo mag er vaak binnen een bepaalde afstand van (vaar)wegen niet worden gebouwd of zijn bepaalde activiteiten verboden in gebieden waar drinkwater wordt gewonnen. Het is dus raadzaam om bij de bevoegde instanties goed te informeren naar wat wel en niet mag en er voor te zorgen dat voor de gewenste (bouw)activiteiten de benodigde vergunning(en) worden gekregen.

2.3 Hoe zit een bestemmingsplan in elkaar?

Het bestemmingsplan bestaat uit verschillende kaarten (verbeelding) met bijbehorende regels en een toelichting.

2.3.1 De verbeelding

Een bestemmingsplan geeft bestemmingen aan een gebied waarop het betrekking heeft. Deze bestemmingen staan op een digitale en analoge verbeelding van het bestemmingsplan.

De analoge verbeelding is afgeleid van de digitale verbeelding. Een veelgebruikte vorm van een analoge verbeelding is een plankaart.

De verschillende bestemmingen zijn herkenbaar aan de hand van kleuren en/of arceringen en aanduidingcodes. Deze zijn verklaard in een legenda of renvooi, dat bij het bestemmingsplan is aangegeven.

2.3.2 Planregels

Bestemmingsplanregels

In de planregels is per bestemming een juridische regeling opgenomen, die nader aangeeft wat binnen de verschillende bestemmingen wel en niet is toegestaan. Bij elke bestemming hoort een artikel: een zogeheten bestemmingsbepaling of bestemmingsregel. De bestemmingen op de verbeelding corresponderen dus met de bestemmingsbepalingen in de planregels. Als het bestemmingsplan digitaal geraadpleegd wordt (bijvoorbeeld via het Internet), dan wordt door te klikken op een vlak met een bepaalde bestemming ook altijd rechtstreeks doorverwezen naar de betreffende bestemmingsbepaling. In het analoge (= papieren) bestemmingsplan zijn de bestemmingsbepalingen op alfabetische volgorde gerangschikt.

Inhoud bestemmingsplanregels

In de bestemmingsbepaling is de regeling van de gronden verder uitgewerkt. Hierin staat dus precies wat in de betreffende bestemming wel en niet is toegestaan. De onderdelen, die eerder zijn besproken, zijn in de bestemmingsbepaling terug te vinden. Zo bevat de bestemmingsbepaling een bestemmingsomschrijving (die de doelen c.q. functies van de bestemming weergeeft), bouwregels (die een regeling geven voor gebouwen en andere bouwwerken), (eventuele) afwijkingen van de regels (die een regeling geven voor andere werkzaamheden en bouwwerken) en gebruiksregels (die regelen welk gebruik is toegestaan en verboden). Daarnaast bevat de bestemmingsbepaling wijzigingsregels (die aangeven welke wijzigingen er binnen de bestemming mogen worden aangebracht of in welke andere bestemmingen de betreffende bestemming eventueel mag worden gewijzigd).

2.4 Hoe komt een bestemmingsplan tot stand?

Een bestemmingsplan komt niet zómaar tot stand, maar heeft vaak een lange procedure doorlopen voordat het in werking treedt. Deze procedure kan grofweg in drie fasen worden onderscheiden, namelijk:

  • de voorbereidingsfase;
  • de fase van Inspraak en Overleg;
  • de officiële fase van vaststelling.
2.4.1 Voorbereidingsfase

Tijdens de voorbereidingsfase wordt het bestemmingsplan in concept opgesteld. De gemeenteraad of Burgemeester en Wethouders (wanneer gedelegeerd) geven opdracht om voor een bepaald gebied een bestemmingsplan op te stellen en geven aan hoe dit er (in hoofdlijnen) uit moet zien. Vaak wordt zo'n bestemmingsplan daarna door de ambtelijke organisatie gemaakt, meestal in samenwerking met een gespecialiseerd adviesbureau.

Er wordt geïnventariseerd wat er aan functies en bebouwing in het plangebied aanwezig is en welke ontwikkelingen men (onder andere van het gemeentelijk beleid) nastreeft. Er worden allerlei onderzoeken verricht om te bepalen of het beoogde grondgebruik en de beoogde bouwactiviteiten mogelijk zijn (in relatie tot de hinder van bedrijven, verkeerslawaai, ecologie, archeologie, bodemgesteldheid, waterhuishouding, veiligheid, luchtkwaliteit, en dergelijke). Als het bestemmingsplan hierna in concept klaar is, spreekt men meestal van een voorontwerpbestemmingsplan.

2.4.2 Inspraak en Overleg

Als het gemeentebestuur met de inhoud van het voorontwerpbestemmingsplan kan instemmen, wordt het bestemmingsplan ook buiten de gemeentelijke organisatie gepresenteerd. Dit gebeurt door middel van de Inspraak en het Overleg. De bedoeling hiervan is vooral om na te gaan hoe er over het plan wordt gedacht en op welk draagvlak het plan kan rekenen.

In sommige gevallen kan het college afzien van een inspraakprocedure. Aangezien dit een conserverend bestemmingsplan betreft is in dit geval gekozen direct het ontwerpbestemmingsplan ter visie te leggen.

Daarnaast is het voorontwerp in het kader van het Overleg naar een aantal officiële instanties gezonden. Deze beoordelen het voorontwerp vanuit hun eigen (beleids)verantwoordelijkheid en geven op basis daarvan hun oordeel over de inhoud. Dit oordeel is mede van belang voor het vervolg van de procedure, denk hierbij aan eventuele ingediende zienswijzen en ingesteld beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De overlegreacties zijn in paragraaf 8.2.1 samengevat en voorzien van een reactie.

2.4.3 Officiële procedure

Vaststelling

De officiële vaststellingsprocedure begint zodra het ontwerpbestemmingsplan door Burgemeester en Wethouders voor een periode van zes weken ter inzage wordt gelegd. Tijdens die periode kan het ontwerpplan worden ingezien en kan iedereen schriftelijk zijn zienswijze over het ontwerpplan aan de gemeenteraad kenbaar maken. In de wet staat precies aangegeven hoe de terinzagelegging moet plaatsvinden en hoe deze (onder andere door advertenties) bekend moet worden gemaakt. Zo is onder meer bepaald dat iemand die zijn zienswijze over het ontwerpplan heeft gegeven, óók de mogelijkheid moet krijgen om deze mondeling nader toe te lichten.

Na afloop van de periode van terinzagelegging moet de gemeenteraad binnen een in de wet vastgelegde termijn over de vaststelling van het bestemmingsplan beslissen (12 weken na afloop van de terinzageleggingstermijn). De raad betrekt hierbij de zienswijzen die op het ontwerpplan zijn ingediend. Meestal geven Burgemeester en Wethouders aan de gemeenteraad aan hoe zij denken dat er met de zienswijzen moet worden omgegaan. Ook kan het zijn dat een raadsdelegatie of een raadscommissie die taak op zich neemt.

De raad kan bij de vaststelling eventueel besluiten om (naar aanleiding van de ingebrachte zienswijzen of op eigen initiatief) wijzigingen in het bestemmingsplan aan te brengen. Na vaststelling wordt het bestemmingsplan opnieuw gedurende zes weken ter inzage gelegd. Er is nu geen sprake meer van een ontwerpbestemmingsplan, maar van een vastgesteld bestemmingsplan.

De zienswijzen zijn samengevat en voorzien van een gemeentelijke reactie in de Reactienota zienswijzen. Deze nota met de zienswijzen is opgenomen als bijlage Bijlage 10 Reactienota zienswijzen.

Beroep

Tegen het vaststellingsbesluit kan een direct belanghebbende binnen een bepaalde termijn in beroep gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Na afloop van die beroepstermijn treedt het vastgestelde bestemmingsplan in werking. Dit houdt in dat het bestemmingsplan kan worden uitgevoerd, ook al is beroep ingesteld.

Om de uitvoering tegen te houden moet aan de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak worden gevraagd om het bestemmingsplan te schorsen. Als het bestemmingsplan niet door de Afdeling bestuursrechtspraak wordt vernietigd, wordt het bestemmingsplan na de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak over het beroep onherroepelijk.

Hoofdstuk 3 Historisch ruimtelijke ontwikkeling

Appingedam ligt in het zuidelijk deel van het wierdenlandschap, op de rand van het overgangsgebied van de Groninger zeeklei in het noorden naar het zand/veengebied in zuidelijke richting.

De eerste bewoning van Appingedam ontstond in de zevende of achtste eeuw toen vanuit Tjamsweer een wierde werd opgeworpen in de bocht van de stroom de Apt. Dit riviertje stroomde van de zuidelijk gelegen Woldstreek in de richting van de Eems. Deze wierde werd Appe genoemd. Appingedam wordt het eerst in 1224 in geschriften vermeld.

In 1327 kreeg Appingedam stadsrechten. Van een nederzetting heeft Appingedam zich in de loop der tijd ontwikkeld tot de voornaamste handelsplaats en regionale marktplaats van het toenmalige Fivelingo. Na de grote bloei van de stad in de veertiende eeuw, werd de stad in de vijftiende eeuw een haven aan een waterverbinding met Groningen. Deze Ommelander stad behoorde eens samen met Groningen tot de enige twee plaatsen in het gewest Stad en Lande met stadsrechten. Begin 16de eeuw ondervond Appingedam veel oorlogsgeweld en werden de vestingwerken afwisselend veroverd, opgebouwd en afgebroken. Toen in 1536 de stad werd veroverd door George Schenk van Toutenburg, in dienst van de landsheer Karel V, werden de vestingwerken definitief gesloopt, mede op aandringen van de stad Groningen, die geen tweede versterkte stad naast zich duldde. In het begin van de zeventiende eeuw brak een nieuwe bloeiperiode aan, die tot in de achttiende eeuw duurde. Het belang van het Damsterdiep (en daarmee van Appingedam) nam af na de aanleg van het Eemskanaal en de spoorlijn Groningen - Delfzijl. De stad is tot circa eind negentiende eeuw betrekkelijk kleinschalig gebleven getuige de historische kaart uit circa 1867 (zie figuur 3).

afbeelding "i_NL.IMRO.0003.STADAPPINGEDAM-VG03_0003.jpg"

Figuur 3: Historische kaart Appingedam uit omstreeks 1867

In de twintigste eeuw is hier verandering in gekomen en is het bebouwd oppervlak van de stad zelfs vertienvoudigd. Dit heeft ertoe geleid dat het grootste deel van de stad van geringere ouderdom is en dat met name de oorspronkelijke binnenstad de oudheid van de stad aangeeft. Juist door de zeer vroege bloeiperiode van (dit deel van) Appingedam (van circa 1150 tot 1300) maakt dat het stratenpatroon in het centrum nog uit de middeleeuwen stamt. De huidige binnenstad kan dan ook getypeerd worden als een historisch nog grotendeels gaaf centrum rondom het Damsterdiep. Dit heeft onder andere tot gevolg gehad dat een groot deel van de binnenstad op 13 november 1972 is aangewezen als beschermd stadsgezicht in het kader van de Monumentenwet 1988. Op 28 maart 1991 is nog een deel aangewezen.

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Europees beleid

Verdrag van Malta

Ter implementatie van het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. Deze wet maakt onderdeel uit van de Monumentenwet. De kern van de Wamz is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven. De Wamz verplicht gemeenten bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening te houden met de in hun bodem aanwezige waarden. Naast het inventariseren van de te verwachten archeologische waarde, zal het bestemmingsplan uiteindelijk, indien nodig (en mogelijk), een bescherming moeten bieden voor waardevolle gebieden. Dit kan bijvoorbeeld door een omgevingsvergunning verplicht te stellen voor uitvoering van (diepe) grondwerkzaamheden. In paragraaf 6.1 Archeologie en cultuurhistorie wordt hier nader op ingegaan.

Verder is in overleg tussen de provincie Groningen en de toenmalige Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek in 2001 een Archeologische MonumentenKaart (AMK) opgesteld. Voor de regio Noord-Groningen is het archeologiebeleid als vervolg daarop in een regionale beleidsadvieskaart uitgewerkt (zie ook paragraaf 4.4 Regionaal en gemeentelijk beleid).

Natura 2000

De lidstaten van de Europese Unie hebben zich verplicht om tot een samenhangend Europees ecologisch netwerk van natuurgebieden te komen, zodat een soort ecologische hoofdstructuur op Europese schaal, genaamd 'Natura 2000', wordt gerealiseerd. Afspraken waarmee dit bereikt moet worden, zijn onder meer vastgelegd in de EG-Vogelrichtlijn en de EG-Habitatrichtlijn.

Zowel de Vogel- als de Habitatrichtlijn streven naar soort- en gebiedsbescherming. Zij zijn in principe niet rechtstreeks bindend voor de burger. Daartoe moet eerst doorvertaling vinden naar bestemmingsplannen, of (voor natuurgebieden) de Natuurbeschermingswet.

De Natuurbeschermingswet (NB-wet) is de Nederlandse uitwerking van het internationale beleid, zoals dat is vastgesteld in de Vogel- en Habitatrichtlijn. Per 1 oktober 2005 is de gewijzigde Natuurbeschermingswet 1998 in werking getreden. Vanaf dat moment heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Provincies zijn in hoofdzaak het bevoegd gezag bij het verlenen van een Natuurbeschermingswetvergunning. In deze wet wordt uitgegaan van twee typen gebieden:

  • de beschermde natuurmonumenten (voormalige beschermde natuurmonumenten en Staatsnatuurmonumenten die buiten de Natura 2000- gebieden liggen);
  • de Natura 2000-gebieden.

De uitvoeringsinstrumenten voor de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in Nederland zijn de Natuurbeschermingswet 1998 (of kortweg Nb-wet 1998) en Flora- en faunawet (Ff-wet). De Nb-wet regelt gebiedsbescherming, terwijl de Ff-wet de soortbeschermingsaspecten van de Nederlands natuur beschermt. Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft het Natura 2000-gebied 'Waddenzee' (zie ook paragraaf 6.2 Ecologie).

Landbouwbeleid

Het landbouwbeleid wordt in belangrijke mate in Europees verband bepaald. Voor de landen van de EU is daarmee een open markt ontstaan, waarbinnen een gemeenschappelijk landbouwbeleid wordt gevoerd.

Door uitbreiding van de EU met landen uit Midden- en Oost-Europa staat dit landbouwbeleid meer en meer ter discussie. Verwacht wordt dat er een liberalisering van de markt optreedt met minder steunmaatregelen en een EU-prijsontwikkeling in de richting van de wereldmarktprijzen.

Agrarisch milieubeleid

Op Europees niveau worden meerdere milieurichtlijnen uitgevaardigd, die zijn of worden verwerkt in de eigen wet- en regelgeving. Van belang voor de agrarische sector zijn in het bijzonder:

  • regelgeving gericht op de productie van veilig voedsel voor de mens:
  • dierengezondheidsbeleid;
  • (veehouderij) beleid voor melkprijzen en quota-regeling;
  • (akkerbouw) marktordeningsbeleid voor graan, suiker en aardappelen;
  • de Europese nitraatrichtlijn, gericht op bescherming van de bodem. De doorwerking betekent eisen aan de individuele landbouwers met op bedrijfsniveau een beheersing van in- en uitstroom van mineralen;
  • de Europese richtlijn milieu-effectrapportage (m.e.r.).

Dienstenrichtlijn

De Dienstenrichtlijn bevat kwaliteitseisen waaraan overheidsbesluiten moeten voldoen. De richtlijn is inmiddels in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Voor de ruimtelijke ordening zijn met name de volgende onderwerpen van belang:

  • a. economische activiteiten mogen alleen afhankelijk worden gesteld van overheidstoestemming, in de vorm van een vergunning of ontheffing, als dwingende redenen van algemeen belang dit noodzakelijk maken en met controle achteraf niet kan worden volstaan;
  • b. de beoordelingscriteria dienen in het betrokken vergunning- of ontheffingstelsel te zijn opgenomen; zij moeten toegankelijk en vooraf openbaar bekend zijn gemaakt; hun inhoud moet duidelijk, ondubbelzinnig en objectief zijn;
  • c. zonder passend onderzoek wordt geen vergunning of ontheffing verleend;
  • d. het verlenen van een vergunning of ontheffing mag niet afhankelijk worden gesteld van onderzoek naar de economische behoefte of de marktvraag; evenmin mag de vergunning of ontheffing afhankelijk zijn van een beoordeling van de economische gevolgen van de activiteit en de geschiktheid daarvan voor het realiseren van door de overheid beoogde economische doelstellingen; wel mag worden getoetst aan criteria waarmee geen economische doelen worden nagestreefd en die voortkomen uit dwingende redenen van algemeen belang.

De Dienstenrichtlijn is ook van toepassing op regels in bestemmingsplannen.

Actuele rechtspraak en Europese regelgeving zorgen voor grote veranderingen en meer duidelijkheid in de winkelplanning. De Raad van State heeft aangeven dat pas van ontwrichting sprake is als inwoners van een gebied niet meer op een aanvaardbare afstand van hun woonplaats hun dagelijkse inkopen kunnen doen. De Raad vindt dat het uit een oogpunt van ruimtelijke ordening niet van belang is of het realiseren van nieuwe winkels leidt tot sluiting van bestaande winkels. De EU-Dienstenrichtlijn garandeert vrije marktwerking. Daarbij mag het verlenen van een vergunning niet afhankelijk zijn van onderzoek naar de economische gevolgen hiervan. Ruimtelijke ordening is geen instrument voor economische ordening. Het belang van de consument staat voorop, niet meer dat van de ondernemer.

De gemeente moet rekening houden met de voorkeuren van ondernemers én vooral met het winkelgedrag van consumenten. Recreatief winkelen doe je in de historische binnenstad. Boodschappen doe je bij een compleet winkelcentrum, dichtbij en goed bereikbaar. Voor meubels (thematisch winkelen) ga je naar woonboulevards. Voor doelgerichte aankopen naar bijvoorbeeld een grote bouwmarkt op een goed bereikbare locatie. Er moeten dus verschillende typen winkelgebieden zijn die complementair zijn aan elkaar en andere ruimtelijke kenmerken hebben. Niet het aantal winkelmeters, maar de kwaliteit van de winkelgebieden is bepalend. Het beleid moet die gebieden aanwijzen die echt geschikt zijn voor een bepaald type winkels en die passen binnen een gezonde en toekomstgerichte winkelstructuur. Dit kan zich vertalen in bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het 'ruimtelijk laadvermogen' van een gebied bepaalt de concrete situering en omvang van de locatie en de potentiële maximale hoeveelheid winkels. Dit laadvermogen stoelt niet meer op economische motieven, maar op ruimtelijk relevante criteria, zoals verkeerseffecten, parkeermogelijkheden en de ruimtelijke invloed van de nieuwe winkels op de omgeving. De markt reguleert de concurrentieverhoudingen, de gemeente niet.

4.2 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening.

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte ('Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig') in werking getreden. Deze nieuwe structuurvisie vervangt verschillende bestaande nota's, zoals de Nota Ruimte, de Nota Mobiliteit, de Agenda Vitaal Platteland en de Nota Pieken in de Delta.

Met de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) gooit het Rijk het roer om in het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid. Hoofdlijnen uit de SVIR zijn:

  • 1. de bemoeienis van het Rijk met de ruimtelijke ordening wordt teruggebracht tot een beperkt aantal opgaven van nationaal belang (selectiviteit);
  • 2. de blik van het Rijk (beleidsmatig en qua inzet van financiële middelen) wordt gericht op het vestigingsklimaat in gebieden met de hoogste verdiencapaciteit (de zogenaamde mainports, brainports en greenports);
  • 3. er wordt afgestapt van het concept van de Nationale Stedelijke Netwerken;
  • 4. overheveling van taken en verantwoordelijkheden op het gebied van de ruimtelijke ordening naar provincies (regierol) en gemeenten. Zo laat het Rijk de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Daarnaast wordt (boven)lokale afstemming en uitvoering van verstedelijking overgelaten aan (samenwerkende) gemeenten binnen provinciale kaders. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen neemt het Rijk enkel nog een 'ladder' voor duurzame verstedelijking op (gebaseerd op de 'SER-ladder'). In het mobiliteitsbeleid komt de gebruiker centraal te staan en wordt de samenhang tussen de verschillende modaliteiten en tussen ruimtelijke ontwikkeling en mobiliteit versterkt. Hierdoor ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0003.STADAPPINGEDAM-VG03_0004.jpg"

Figuur 4: Gebiedsgerichte nationale belangen en opgaven Noord-Nederland (bron Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte)

Een rijksverantwoordelijkheid kan aan de orde zijn indien:

  • 1. een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt; bijvoorbeeld ruimte voor militaire activiteiten en opgaven in de stedelijke regio's rondom de mainports, brainport en greenports;
  • 2. over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan; bijvoorbeeld voor biodiversiteit, duurzame energie of werelderfgoed;
  • 3. een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelingsrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is; bijvoorbeeld het hoofdnetwerk voor mobiliteit (over weg, water, spoor en lucht) en energie, waterveiligheid en de bescherming van gezondheid van inwoners.

Deze drie criteria zijn leidend bij de in de structuurvisie benoemde rijksdoelen en bijbehorende nationale belangen.

In de SVIR zijn voor het gebied Noord-Nederland (de provincies Fryslân, Groningen en Drenthe) de volgende opgaven aangemerkt als nationaal belang:

  • 1. het versterken van Energyport door het aanwijzen van locaties voor de vestiging van energiecentrales in de Eemshaven en het robuust en compleet maken van het hoofdenergienetwerk van Eemshaven via Ens naar Diemen (Noordwest 380 kV verbinding);
  • 2. het aanwijzen van leidingstroken voor buisleidingen voor gas en het ruimtelijk reserveren van locaties voor ondergrondse opslag;
  • 3. het aanwijzen van voorkeursgebieden voor grootschalige windenergie in Noord Nederland;
  • 4. de ontwikkeling van een robuust kustlandschap en zoetwatersysteem ter vergroting van de waterveiligheid en waterzelfvoorziening en het voorkomen van verdroging (onder andere door versterking van de afsluitdijk en bijbehorende sluizencomplexen, hoogwaterbeschermingsprogramma en deelprogramma's Zoetwatervoorziening, IJsselmeer en Waddengebied van het Deltaprogramma);
  • 5. het tot stand brengen en beschermen van de (herijkte) Ecologische Hoofdstructuur (EHS), inclusief de Natura 2000-gebieden en het Werelderfgoed (de Waddenzee).

De economische kracht van Noord Nederland ligt in de sterke internationale positie met betrekking tot energie, chemie (Delfzijl) en water(kennis)technologie. Energyport (Noord-) Nederland is het energieknooppunt van Noordwest Europa. Een groot aantal kabels en (buis)leidingen van elektriciteit, gas, telecom en data landt aan in de Eemshaven en vertakt zich naar de rest van Nederland en Europa. Energyport vormt het kenniscentrum voor energievoorziening en -transitie. De Waddenzee maakt onderdeel uit van het Europese Natura 2000 netwerk en van de herijkte EHS. Bovendien is de Waddenzee door de Unesco aangewezen als natuurlijk werelderfgoed. Het integrale beleid van het Rijk voor de Waddenzee staat weergegeven in de PKB Derde Nota Waddenzee. De hoofddoelstelling is de duurzame bescherming en ontwikkeling van de Waddenzee als natuurgebied.

Het Rijk gaat ervan uit dat de nationale ruimtelijke belangen die via wet- en regelgeving opgedragen zijn aan andere overheden door hen goed worden behartigd. De vereisten van de Rijksoverheid met betrekking tot ruimtelijke plannen liggen vast in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het is gericht op doorwerking van de nationale belangen in onder meer gemeentelijke bestemmingsplannen.

Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Deze 13 nationale belangen zijn:

  • 1. Rijksvaarwegen
  • 2. Mainportontwikkeling Rotterdam
  • 3. Kustfundament
  • 4. Grote rivieren
  • 5. Waddenzee en waddengebied
  • 6. Defensie
  • 7. Hoofdwegen en hoofdspoorwegen
  • 8. Elektriciteitsvoorziening
  • 9. Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen
  • 10. Ecologische hoofdstructuur
  • 11. Primaire waterkeringen buiten het kustfundament
  • 12. IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte)
  • 13. Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde

Voor het plangebied zijn de nationale belangen omtrent 'Kustfundament', 'Waddenzee en waddengebied' en 'Primaire waterkeringen buiten het kustfundament' gezien de ligging van het plangebied niet van belang. Wel van belang zijn de 'Ecologische hoofdstructuur' en 'Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen'.

Ecologische hoofdstructuur

Het rijk geeft aan dat het veiligstellen van ecosystemen met de daarbij behorende soorten van nationaal belang is. De uitwerking hiervan laat het rijk over aan de provincies. Bij provinciale verordening worden de op land liggende gebieden aangewezen die de Ecologische hoofdstructuur vormen en de plaats van die gebieden wordt geometrisch vastgelegd (zie paragraaf 4.3 Provinciaal beleid).

Nota Belvedere

De Rijksnota Belvedere richt zich op de relatie tussen cultuurhistorie en ruimtelijke inrichting. De nota is voor Appingedam van belang aangezien de stad in de nota is aangewezen als een 'in cultuurhistorisch opzicht belangrijke stad'. Naast de stad zelf is ook het Groninger Wierdenlandschap aangemerkt als Belvederegebied. Deze gebieden verdienen vanuit de cultuurhistorie extra aandacht. De provincie en gemeenten is gevraagd voor deze gebieden en steden actief cultuurhistorisch beleid te formuleren dat gericht is op het herkenbaar houden en versterken van de historische en ruimtelijke samenhang en deze vervolgens in respectievelijk streekplannen en bestemmingsplannen vast te leggen.

Kiezen voor karakter, Visie erfgoed en ruimte

In 'Kiezen voor karakter, Visie erfgoed en ruimte' schetst het kabinet haar visie op het borgen van onroerend cultureel erfgoed in de ruimtelijke ordening. De modernisering van de monumentenzorg wordt hiermee voortgezet. Eén van de doelen van die modernisering is het meewegen van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening, vanuit de overtuiging dat het voor een ontwikkelingsgerichte erfgoedzorg noodzakelijk is het ruimtelijke ordenings-instrumentarium te benutten, naast de sectorale instrumenten van de Monumentenwet. Het kabinet geeft op twee manieren invulling aan deze doelstelling. De aanpassing van het Besluit ruimtelijke ordening bewerkstelligt dat bij besluiten over nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen (onder andere bij het opstellen van bestemmingsplannen) bijzondere aandacht wordt besteed aan de waarden van cultureel erfgoed, onder en boven de grond. Specifiek gaat het Rijk duidelijker prioriteiten stellen, en aangeven welke cultuurhistorische gebieden en opgaven hij van (inter)nationaal belang vindt en waar het Rijk voor zichzelf een rol ziet in het gebiedsgerichte erfgoedmanagement. Het rijk kiest voor de komende jaren vijf prioriteiten in zijn gebiedsgerichte erfgoedbeleid:

1. Werelderfgoed: samenhang borgen, uitstraling vergroten;

2. Eigenheid en veiligheid: zee, kust en rivieren;

3. Herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: focus op groei en krimp;

4. Levend landschap: synergie tussen erfgoed, economie, ecologie;

5. Wederopbouw: tonen van een tijdperk.

Deze beleidsvisie is complementair aan en consistent met de Structuurvisie infrastructuur en ruimte. Kiezen voor karakter luidt een volgende fase van de monumentenzorg in. Het gericht verbinden van de zorg voor het cultureel erfgoed met andere ruimtelijke ontwikkelingsopgaven op het gebied van onder andere economie, veiligheid en duurzaamheid, staat daarin centraal.

Nationaal Waterplan

Het beleid dat in deze nota is opgenomen, heeft tot doel duurzame en veilige watersystemen in stand te houden of tot stand te brengen. Dit beleid vormt ook de basis voor de watertoets, die het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) voor alle ruimtelijke plannen voorschrijft.

Kaderrichtlijn Water

De Kaderrichtlijn Water (KRW), die sinds 2000 van kracht is, heeft als doel om de kwaliteit van watersystemen in Europa te beschermen en waar nodig, te verbeteren. De KRW bevordert duurzaam watergebruik en het terugdringen of beëindigen van lozingen van gevaarlijke stoffen. De KRW richt zich op grond- en oppervlaktewater. De essentie van de KRW ligt in de stroomgebiedbenadering. Het beheer van rivieren wordt vanuit het stroomgebied benaderd. Het belangrijkste instrument van de KRW is het stroomgebiedbeheersplan. Deze stroomgebieden zijn weer onderverdeeld in deelstroomgebieden. De KRW stelt zich tot doel landoppervlaktewater, overgangswater, kustwater en grondwater te beschermen om:

  • water afhankelijke ecosystemen in stand te houden en te verbeteren;
  • de beschikbaarheid van water veilig te stellen en het duurzaam gebruik te bevorderen;
  • het aquatisch milieu in stand te houden en te verbeteren door het voorkomen van verontreiniging;
  • de gevolgen van overstroming en droogte te beperken.

De KRW bevat tevens een instrumentarium om de doelstellingen te bereiken. De beschreven indeling in stroomgebieden, is één van de instrumenten om het beleid van de richtlijn te realiseren.

Volgens het Rijksbeleid geven in de eerste plaats provincies en gemeenten uitwerking aan het ruimtelijke waterbeleid: nadelige effecten op de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlaktewater moeten worden voorkomen, verminderd dan wel gecompenseerd. Waar mogelijk wordt optimaal gebruik gemaakt van de mogelijkheden die water biedt voor verbetering voor wonen, werken en recreëren aan het water. Het wateradvies van het Waterschap Noorderzijlvest (ten noorden van het Eemskanaal) en het Waterschap Hunze en Aa's (ten zuiden van het Eemskanaal) is in het bestemmingsplan opgenomen en verwerkt (zie paragraaf 6.3 Water).

4.3 Provinciaal beleid

Provinciaal Omgevingsplan Groningen 2009-2013

Provinciale Staten van Groningen hebben op 17 juni 2009 het Provinciaal Omgevingsplan Groningen 2009-2013 (POP) vastgesteld. Dit plan is een structuurvisie in de zin van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In de Wro is een cruciale rol weggelegd voor gemeenten om het ruimtelijk beleid van de provincie door middel van de vaststelling van onder andere bestemmingsplannen te realiseren. Voor zover de provincie het noodzakelijk vindt dat haar beleid juridisch bindend doorwerkt naar het gemeentelijk niveau, dient zij daartoe in beginsel gebruik te maken van proactieve sturingsinstrumenten, waaronder de provinciale ruimtelijke verordening.

De binnen de gemeente Appingedam gereserveerde ruimte voor infrastructurele voorzieningen (zoals het gereserveerde tracé wegverbinding N33) is op kaart 3 behorende bij het Provinciaal Omgevingsplan Groningen 2009-2013 weergegeven (zie figuur 5). Aangezien er geen nieuwe bouwmogelijkheden dichter naar de N33 in dit bestemmingsplan zijn opgenomen, is er geen speciale regeling voor het gereserveerde tracé wegverbinding N33 opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0003.STADAPPINGEDAM-VG03_0005.jpg"

Figuur 5: kaart 3 Provinciale Omgevingsplan Groningen 2009-2013

Bij de gebiedsopgaven geeft het POP specifieke aandacht voor de Eemsdelta. De provincie wil een actieve rol als ontwikkelaar en/of regisseur spelen bij de gebiedsgerichte opgave in de Eemsdelta. In de regio worden goede kansen voor economische ontwikkeling gezien. De dynamiek van de Eemsdeltahavens en het stedelijk centrum Delfzijl/Appingedam moet worden versterkt. De provincie wil deze opgave in nauwe samenwerking met de gemeenten Delfzijl, Eemsmond, Appingedam en Loppersum, de waterschappen Noorderzijlvest en Hunze & Aa's en het ministerie van I en M oppakken. In de regio zijn momenteel veel belangrijke ontwikkelingen en activiteiten gaande. Om die nu en in de toekomst in goede banen te leiden en goed op elkaar af te kunnen stemmen tegen de achtergrond van een duidelijk toekomstperspectief, is het noodzakelijk om een gezamenlijke regionale ontwikkelingsvisie voor de periode tot 2030 op te stellen. De 'Ontwikkelingsvisie Eemsdelta 2030' betreft een parapluvisie voor het Eemsdeltagebied met een langere tijdshorizon en leidend tot een uitvoeringsprogramma. De visie moet voldoende integraal en duurzaam zijn en kunnen rekenen op een breed maatschappelijk draagvlak. Belangrijke bouwstenen voor de Ontwikkelingsvisie Eemsdelta 2030 worden in het proces van visievorming geïntegreerd vanuit andere projecten, zoals:

  • het project Ecologie & Economie in Balans;
  • het project Klimaatadaptatie Eemsdelta;
  • ontwikkelingsperspectief Landelijk Gebied Eemsdelta 2030 (bestaande uit het Ontwikkelingsperspectief Appingedam-Delfzijl 2030 (Weusthuis, 27 mei 2009) en de Contramal ontwikkelingsperspectief Landelijk Gebied Eemsdelta van de gemeenten Eemsmond en Loppersum en het buitengebied van de gemeenten Delfzijl en Appingedam);
  • Woon- en Leefbaarheidsplan Eemsdelta.

Doel van de Ontwikkelingsvisie is bij te dragen aan de ontwikkeling van een leefbare regio Eemsdelta met een gezonde economie en een unieke, vitale natuur in een karakteristiek landschap. De visie moet bijdragen aan de realisering van de volgende subdoelen:

  • een leefbare regio met een aantrekkelijk woningaanbod, een aanvaardbaar voorzieningenniveau en een gezond leefmilieu;
  • een gezonde economische ontwikkeling, met name van de zeehavens en de bedrijventerreinen, met een sterk, innovatief energie- en chemiecluster en een internationaal concurrerende landbouw en een goed functionerende arbeidsmarkt;
  • een vitale plattelandseconomie, waaronder een versterkte ontwikkeling van toerisme en recreatie;
  • behoud en versterking van de unieke natuur, met name in de Waddenzee en de Eems-Dollard, en van de landschappelijke en cultuurhistorische kernkarakteristieken;
  • sterke kernen met een centrumfunctie;
  • een goede bereikbaarheid via weg, spoor, water en virtueel;
  • een veilige kustverdediging en goede waterhuishouding.

Eén van de centrale uitgangspunten van het provinciaal ruimtelijk beleid in

het Provinciaal Omgevingsplan (paragraaf 1.1.3), betreft het streven naar concentratie van wonen en werken in de stedelijke centra Groningen, Hoogezand-Sappemeer Appingedam/Delfzijl, Winschoten, Veendam en Stadskanaal. Daarmee wordt beoogd om deze steden een sterke(re) centrumfunctie te laten vervullen voor het omringende platteland. Als gevolg daarvan kan enerzijds de in deze steden beschikbare ruimte en infrastructuur optimaal worden benut en kunnen anderzijds ruimteclaims op het landelijk gebied en de groei van mobiliteit beperkt blijven. Dit uitgangspunt heeft onder meer tot de beleidskeuze geleid dat volumineuze detailhandelsvoorzieningen met een omvang groter dan 2.500 m2 alleen in stedelijke centra Groningen, Hoogezand-Sappemeer, Appingedam/ Delfzijl, Veendam, Winschoten en Stadskanaal, zijn toegestaan en grootschalige detailhandel (detailhandel geheel of in hoofdzaak bestaande uit niet-volumineuze goederen met een bovenregionale functie en een vloeroppervlakte van minimaal 1.500 m2 per vestiging), waaronder een factory-outletcenter uitsluitend in de stad Groningen.

In juli 2008 hebben de gemeenten Appingedam, Delfzijl, Eemsmond, Loppersum en de provincie Groningen het Bestuursakkoord Eemsdelta gesloten. Onderdeel van dit akkoord is een afsprakenset en een actielijst. De gemeenten Appingedam en Delfzijl zijn in 2008 gestart met het opstellen van een gezamenlijk perspectief en programma voor een samenhangende ontwikkeling van het stedelijk gebied. Dit heeft geleidt tot het Ontwikkelingsperspectief Appingedam-Delfzijl 2030 (Weusthuis, 27 mei 2009). In het vervolg hierop heeft de gemeenteraad van Appingedam op 28 februari 2011 de 'Startnotitie Ontwikkelingsvisie Eemsdelta 2030' vastgesteld. Het is de bedoeling dat de ontwikkelingsvisie medio/eind 2012 klaar is. Na de besluitvormingsprocedure stellen de provincie, de gemeenten en de waterschappen de visie vast. Het is dan een intergemeentelijke structuurvisie. Verwacht wordt dat dat begin 2013 gebeurt.

In het licht van de krimpproblematiek is de provincie bezig met een Provinciaal Actieplan Bevolkingsdaling (Kijk op Krimp, Provinciaal Actieplan Bevolkingsdaling, provincie Groningen, mei 2010). Daarin wordt een aantal concrete actiepunten voorgesteld rond de thema's:

  • communicatie en bewustwording;
  • regionale woon- en leefbaarheidsplannen;
  • experimenten;
  • strategische samenwerking;
  • kennis- en visieontwikkeling;
  • sociaal-economische vitalisering.

Provinciale Omgevingsverordening

Ter uitvoering van het beleid uit het POP hebben Provinciale Staten eveneens op 17 juni 2009 een provinciale Omgevingsverordening vastgesteld. Deze verordening bevat onder meer algemene regels omtrent de inhoud van bestemmingsplannen en de daarbij behorende toelichting. Deze regels moeten bewerkstelligen dat provinciale ruimtelijke belangen doorwerken op het lokale niveau. Dat betekent dat gemeenten zich bij het opstellen van (nieuwe) bestemmingsplannen moeten houden aan de bij de provinciale verordening gestelde regels. De genoemde richtlijnen en voorwaarden zijn dus zowel inhoudelijk als methodisch.

De Omgevingsverordening van de Provincie Groningen (17 juni 2009) geeft aan dat “bedrijvigheid (concentratie/bundeling bedrijfsterreinen, locatiebeleid bedrijfsterreinen, detailhandelsstructuur, locaties voor grootschalige voorzieningen)” als provinciaal belang wordt aangemerkt.

De omgevingsverordening schrijft voor dat de toelichting op een bestemmingsplan, dat voorziet in nieuwe locaties voor de vestiging van detailhandel, inzicht moet bieden in de wijze waarop de concentratie van winkelvoorzieningen en detailhandel wordt nagestreefd. In beginsel dienen winkelvoorzieningen en detailhandel te worden geconcentreerd in bestaande wijk- en winkelcentra. Voor bepaalde vormen van detailhandel kan een vestiging daarbuiten noodzakelijk zijn, bijvoorbeeld vanwege het volumineuze karakter of om veiligheidsredenen. De verordening geeft voorwaarden voor nieuwe detailhandelsvestigingen buiten de bestaande wijk- en winkelcentra.

Inmiddels hebben Provinciale Staten een herziening van een aantal onderdelen van de Omgevingsverordening vastgesteld (2 februari 2011). De herziening, zo geven Gedeputeerde Staten aan, is in hoofdzaak 'beleidsluw' van karakter. In relatie tot dit bestemmingsplan is onder meer van belang dat de woningbouw-verantwoording minder gedetailleerd hoeft plaats te vinden: meer regionaal benaderd en met een verantwoording achteraf (via de gereedmelding van woningen bij het CBS).

In artikel 4.17a is het Provinciaal Basisnet Groningen opgenomen. Hierin staat aangegeven dat bestemmingsplannen niet mogen voorzien in de bouw van nieuwe objecten of het gebruik van bestaande objecten ten behoeve van minder zelfredzame personen binnen een zone van 30 meter aan weerszijden van de N33, N360, N362 en de spoorweg Sauwerd-Delfzijl. In dit bestemmingsplan wordt binnen 30 meter uit de rand van deze wegen en de spoorweg niet voorzien in de bouw van nieuwe objecten of het gebruik van bestaande objecten ten behoeve van minder zelfredzame personen.

In de op 3 september 2011 vastgestelde partiële herziening verordening intensieve veehouderij is aangegeven dat een bestemmingsplan niet in de nieuwvestiging van een hoofd- of neventak intensieve veehouderij voorziet. Dit bestemmingsplan voorziet hier niet in.

Ontwerp Partiële herziening provinciale omgevingsverordening 2013

Bij brief van 23 juni 2011 aan Provinciale Staten hebben Gedeputeerde Staten aangegeven de Omgevingsverordening op onderdelen te willen herzien. Het gaat daarbij om vergroting van de doelmatigheid van de verordening, de introductie van de SER-ladder (het bestaand stedelijk gebied is daarbij van belang, zie figuur 6) en afstemming op regionaal niveau bij de planvorming voor nieuwe woningbouwlocaties.

afbeelding "i_NL.IMRO.0003.STADAPPINGEDAM-VG03_0006.jpg"

Figuur 6: Kaart behorende bij besluit 'Begrenzing Buitengebied'

Voorts vindt er door middel van de herziening aanpassing plaats van de milieubeschermingsgebieden, de begrenzing van de EHS (zie figuur 7) en de Landschapswaarden en de reserveringszones voor (energie-)infrastructuur. Ook is er een regeling opgenomen die voorziet in de bescherming van diepe waterplassen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0003.STADAPPINGEDAM-VG03_0007.jpg"

Figuur 7: nieuwe begrenzing EHS

4.4 Regionaal en gemeentelijk beleid

4.4.1 Ontwikkelingsvisie Appingedam 2030 (2002)

De gemeenteraad heeft als kader voor haar toekomstige ontwikkeling in 2002 de Ontwikkelingsvisie Appingedam 2030 'Unieke stad, schakel in de regio' vastgesteld. In deze ontwikkelingsvisie staat in hoofdlijnen beschreven welke ambities de gemeente Appingedam heeft ten aanzien van onder andere wonen, werken en winkelen en op welke wijze deze ambities kunnen worden gerealiseerd. Aan de ontwikkelingsvisie is een projectenboek gekoppeld. In 2007-2008 is de bestuurlijke wens uitgesproken om te komen tot een herijking en 'updating' van de Ontwikkelingsvisie, met de volgende voornaamste redenen:

  • 1. Een groot aantal in de Ontwikkelingsvisie gedefinieerde projecten is inmiddels in uitvoering, danwel gerealiseerd;
  • 2. Nieuwe ontwikkelingen, zoals de 'krimp', de Eendracht en dreigend functieverlies binnen het centrum vragen om hernieuwde aandacht voor beleidsuitgangspunten en ruimtelijke ordening/inrichting;
  • 3. Er is ingezet op een nieuw regionale woonvisie, dat zijn doorwerking en een wisselwerking heeft naar/met overige beleidsterreinen;
  • 4. De sociaal-economisch component dient een steviger plek te krijgen binnen de gemeentelijke beleidskaders (wijkgericht werken, woonserviceontwikkeling, brede school, herijking welzijnsbeleid, accommodatiebeleid, voorzieningen, centrummanagement/vitaal centrum);
  • 5. Verder- en vergaande samenwerking tussen Delfzijl en Appingedam ter zake stedelijke ontwikkeling, in het bijzonder met betrekking tot detailhandel, stadsactiviteiten (evenementen, citymarketing, revitalisering).
4.4.2 Bedrijventerreinvisie voor de Eemsmondregio (2003)

De gemeenten Appingedam, Delfzijl en Eemsmond, Groningen Seaports en de provincie Groningen werken aan een gezamenlijke aanpak voor de versterking van het Eemsmondgebied. Onderdeel hiervan vormt een gezamenlijke profilering van de regio als een aantrekkelijk vestigingsgebied voor bedrijven, waar voldoende bedrijventerrein van de gewenste kwaliteit beschikbaar is. Hiertoe hebben genoemde partijen de Bedrijventerreinenvisie voor de Eemsmondregio (2003) opgesteld. Deze visie bestaat uit een viertal onderdelen:

Analyse vraag en aanbod

Op basis van prognoses en een ondernemersenquête is de vraag naar bedrijventerreinen tot 2015 bepaald. Deze vraag is afgezet tegen het beschikbare aanbod. Het blijkt dat er kwantitatief geen problemen zijn. Wel komt naar voren dat sprake is van kwalitatieve mismatch op de niet-zeehaventerreinen. Dit geldt voor de segmenten 'modern gemengd', 'woon-werken', 'transport & distributie' en 'perifere detailhandel' (circa 35 ha). Het kwalitatief op elkaar afstemmen van de vraag en het aanbod geldt dan ook als de regionale opgave.

Kwaliteitsverbetering bestaande locaties

Om de kwalitatieve mismatch te verkleinen is allereerst bekeken of er binnen het bestaande aanbod door middel van een kwaliteitsimpuls nog ruimte beschikbaar is. Voor de terreinen Industrieweg, Farmsumerpoort en Eemskanaal Dok Zuidzijde zijn verbetermogelijkheden onderzocht. Daarmee kan de regionale opgave goeddeels worden gerealiseerd. De resterende opgave van enkele hectares (8) wonen-werken, modern gemengd, perifere detailhandel en transport kan worden geaccommodeerd op een tweetal nieuwe locaties als kleinschalig, lokaal bedrijventerrein namelijk Uithuizen of Uithuizermeeden en uitbreiding van het bedrijventerrein in Spijk. Hiermee kan bovendien worden voorzien in de lokale vraag naar bedrijventerreinen in het noordelijk deel van de regio.

Gezamenlijke promotie, acquisitie en marketing

Er is uitgewerkt op welke wijze de regionale samenwerking gestalte gaat krijgen. Ingezet wordt op een groeimodel, dat voortborduurt op de bestaande ambtelijke afstemming. De promotie, acquisitie en marketing wordt gezamenlijk opgepakt. Partijen werken hierbij volgens een één loket benadering in een netwerk samen.

Gevarieerd aanbod in de regio

Voor de Eemsmondregio is een aantal categorieën bedrijventerreinen benoemd, te weten de segmenten: zwaar, kantoren, hoogwaardig, PDV, modern gemengd, transport en distributie, wonen/werken, type A (bedrijfshal met woning) en type B (de woning met werkruimte). Het bestaande en te realiseren aanbod is in deze segmenten ondergebracht, waarbij binnen bedrijventerreinen specialisaties en/of thema's zijn benoemd. Resultaat hiervan is een gevarieerd aanbod van bedrijventerreinen in de regio dat is beschreven in een vijftiental terreinprofielen. Aan de hand van deze profielen zullen bedrijven worden begeleid in hun ruimtelijk keuzetraject. De acties die nodig zijn voor (her)ontwikkeling van bedrijventerreinen, zijn benoemd (programmering) en in de tijd uitgezet (fasering).

Er is gekozen voor een segmentering waarbij het uitgangspunt is dat de zwaardere bedrijven het beste passen in de Eemshaven en Delfzijl. In het achterland van deze twee havens is ruimte gereserveerd voor de lichtere segmenten waarbij in Appingedam het accent ligt op 'hoogwaardigheid', 'duurzaamheid' en 'transport'. Dit betekent voor Appingedam dat de vraag naar het segment 'kantoren' geaccommodeerd kan worden op de locatie NS station. Het segment hoogwaardige bedrijventerreinen kan daarnaast in Appingedam op het bedrijventerrein Fivelpoort vorm krijgen. Dit vanwege de centrale ligging van het terrein in de regio en vanwege het feit dat het hier een zichtlocatie aan de N33 betreft. Ook de vraag naar transport- en distributieterreinen kan op dit terrein geaccommodeerd worden vanwege de goede bereikbaarheid.

Het meest gewilde segment in de Eemsmondregio is de vraag naar modern gemengde bedrijventerreinen. Hier is bijna overal in de regio behoefte aan en in Appingedam zijn hiervoor de locaties Woldweg en Fivelpoort aangewezen. Dit heeft geleid tot een segmentering van de bedrijvengebieden in Appingedam, zoals die in dit bestemmingsplan is overgenomen van de vigerende bestemmingsplannen.

Bedrijvengebied   Segment  
Woldweg   Modern gemengd  
Farmsumerweg   PDV  
Fivelpoort (oostelijk)   Modern gemengd, hoogwaardig, transport  
4.4.3 Structuurvisie Tussengebied Appingedam-Delfzijl (8 november 2007)

Het Tussengebied is een landelijk gebied tussen Appingedam en Delfzijl. Door uitbreidingswijken en bedrijventerreinen zijn deze plaatsen steeds dichter bij elkaar komen te liggen. Het landelijke karakter van het Tussengebied is hierdoor onder druk komen te staan. Om alle ontwikkelingen die het Tussengebied nu en in de toekomst te wachten staan in goede banen te leiden, is voor het gebied een structuurvisie opgesteld. Het hoofddoel is de structuur van het Tussengebied te versterken. De waardevolle en karakteristieke elementen worden daarbij behouden en daar waar mogelijk versterkt. Deze visie is een invulling en vervolg op de Damsterdiepvisie. Het Tussengebied wordt hierbij in een aantal zones onderverdeeld. Per zone wordt vervolgens aangegeven welke ontwikkelingen hier gewenst zijn en op welke manier deze vormgegeven moeten worden. De structuurvisie dient dus primair als instrument gebruikt te worden om de verdere verrommeling van het Tussengebied tegen te gaan.

4.4.4 Ontwikkelingsperspectief Appingedam-Delfzijl 2030 (Weusthuis, 27 mei 2009)

De gemeentebesturen van Appingedam en Delfzijl werken samen met Loppersum en Eemsmond in de Eemsdelta regio. De samenwerking richt zich onder andere op wonen en voorzieningen, op arbeidsmarktbeleid en op gezamenlijke organisatorische vraagstukken. In het kader van deze samenwerking is afgesproken dat Appingedam en Delfzijl een gezamenlijke visie ontwikkelen voor de stedelijke kernen en het platteland van beide gemeenten. Op basis van deze visie willen beide gemeenten komen tot een gezamenlijke structuurvisie, conform de Wro 2008, voor het grondgebied van de beide gemeenten. Beide gemeenten willen de samenwerking op alle relevante beleidsterreinen versterken, de ontwikkelingen op elkaar afstemmen en de ruimtelijke ontwikkeling sturen in de gewenste richting. Beide gemeenten hebben te maken met belangrijke opgaven die vragen om een gezamenlijke aanpak. Gezien de samenwerking tussen Delfzijl en Appingedam met betrekking tot stedelijke ontwikkeling, in het bijzonder met betrekking tot detailhandel, stadsactiviteiten (evenementen, citymarketing, revitalisering) is er voor gekozen een gezamenlijke visie op te stellen, welke visie in 2009 is afgerond (Weusthuis, 27 mei 2009). Op basis van deze visie is in 2010 het projectenboek, uitvoeringsprogramma Ontwikkelingsperspectief 2030 Appingedam- Delfzijl, opgesteld. Het Ontwikkelingsperspectief 2030 voorziet behalve in een visie op de ontwikkeling van beide gemeenten ook in een uitvoeringsprogramma met een financiële onderbouwing. In het ontwikkelingsperspectief Appingedam-Delfzijl 2030 wordt geconstateerd dat als gevolg van met name krimp en de wijziging van consumentenpatronen er circa 25% minder winkelvloeroppervlakte nodig zal zijn voor de beide gemeenten. Het gemeentebestuur van Appingedam vindt het belangrijk dat Appingedam economisch sterk en vitaal blijft en haar positie als regionaal koopcentrum behoudt. Om dat te bereiken wil het gemeentebestuur een strategisch plan ontwikkelen waarin aan de hand van distributieplanologisch onderzoek en ruimtelijke analyses de ontwikkelingskansen voor het winkelcentrum worden geïnventariseerd en worden vertaald in concrete maatregelen. De gemeente wil dit strategisch plan uitdrukkelijk in samenwerking met private partijen (ondernemers, ontwikkelaars, eigenaren en brancheverenigingen) opstellen. De gemeente en private partijen hebben door bijvoorbeeld de ontwikkeling van het Overdiep positieve ervaringen met deze publiek-private samenwerking. Er is voor gekozen om bij de centrumaanpak van Appingedam te gaan werken met een Stuurgroep en verschillende werkgroepen. De stuurgroep bestaat uit vertegenwoordigers van besturen van gemeente en private partijen.

Op dit moment zijn er twee werkgroepen actief, te weten de werkgroep RO/winkelstructuur en de werkgroep Marketing en Communicatie. Vanuit deze publiek-private samenwerkingsvorm is in eerste instantie een Startnotitie opgesteld. De eerste uitwerking van deze Startnotitie is het inventariseren van de huidige situatie oftewel het maken van een quickscan. Aan bureau Broekhuis Rijs Advisering is vervolgens opdracht verstrekt om deze quickscan uit te voeren. Deze 'Quickscan toekomstperspectief detailhandelsvoorzieningen' van 23 december 2010, vormt samen met de resultaten van de interviews en de kwantitatieve en kwalitatieve analyse een goed beeld van het functioneren van het centrum van de kern Appingedam, maar geven ook aan welke acties er moeten plaatsvinden om het centrum te verbeteren.

4.4.5 Pact Regio Eemsdelta (22 oktober 2009)

De vier gemeenten in de Eemsdelta (Delfzijl, Eemsmond, Appingedam en Loppersum) hebben op belangrijke onderdelen een gemeenschappelijke problematiek aangaande bevolkingsontwikkeling, wonen en voorzieningen. Deze problematiek wordt door de vier gemeenten zoveel mogelijk gezamenlijk opgepakt. Centraal thema: de bevolkingsontwikkeling die een actieve inzet op diverse beleidsterreinen vraagt. Met het oog daarop is een onderzoek naar wonen en voorzieningen opgesteld (Onderzoek wonen en voorzieningen, Regio Eemsdelta, Companen, Arnhem, juni 2009). Als belangrijkste resultaten van het onderzoek worden weergegeven:

  • 1. de bevolking en het aantal huishoudens in de regio krimpt;
  • 2. de huishoudens veranderen van samenstelling en karakter door vergrijzing;
  • 3. de gemeenten lijken binnen de regio autonome gebieden, gelet op de beperkte onderlinge uitwisseling. Wel is er veel vertrek uit de regio;
  • 4. de centrumdorpen in de regio zijn relatief sterk, de woondorpen uiterst kwetsbaar, de woondorpen-plus en het landelijk gebied weten zich redelijk te handhaven;
  • 5. binnen het stedelijk gebied biedt Appingedam een relatief krachtig woonmilieu, terwijl Delfzijl juist kwetsbaar is;
  • 6. het voorzieningenniveau boet over vrijwel de volle breedte aan draagvlak in (behalve de ouderenzorg);
  • 7. op de woningmarkt doen zich substantiële kwalitatieve fricties voor, vooral in de huursector.

Mede op basis van het onderzoeksrapport hebben de regiogemeenten afspraken gemaakt over wonen en voorzieningen in het Pact Regio Eemsdelta (vastgesteld: 22 oktober 2009). Algemene doelstelling van het Pact is de leefkwaliteit van de regio op een hoog niveau te houden, zowel op het platteland als in de kleine en grote dorpen.

Basis van het beleid in het Pact is de bevolkingsontwikkeling zowel te accepteren als zoveel mogelijk te bestrijden. De wensen van de consument zijn uitgangspunt. Daaruit komt een groeiende belangstelling voor de centrumdorpen naar voren, meer eisen aan de woning en een extra behoefte aan nultredenwoningen of appartementen voor senioren, dichtbij de centrumvoorzieningen.

Het Pact houdt rekening met een aanzienlijke transformatie in de woningvoorraad: aanzienlijke sloop, gevolgd door (beperktere) vervangende nieuwbouw in een meer passend segment. Een zekere concentratie van voorzieningen is nodig in het stedelijk gebied, de centrumdorpen en mogelijk in bepaalde woondorpen. Samenwerking tussen aanbieders van voorzieningen en het betrekken van bewoners is belangrijk, binnen de gemeenten zelf maar ook tussen de gemeenten onderling.

De opgave gaat de regionale draagkracht ver te boven. Met de regionale aanpak als onderlegger wil het Pact bij het Rijk financiële middelen aanspreken.

De afspraken uit het Pact worden jaarlijks geëvalueerd en in 2014 wordt opnieuw een woonwensenonderzoek gehouden. Het Pact bevat een programma voor vervanging en nieuwbouw voor de periode 2008/2018.

4.4.6 Quickscan toekomstperspectief detailhandelsvoorzieningen

In 2002 is de Ontwikkelingsvisie Appingedam 2030 vastgesteld. Eén van de ambities van deze visie is de versterking van het winkelaanbod in het centrum om zo de positie als regionaal koopcentrum te behouden. Als uitwerking op deze visie is in 2006 ruimtelijk economisch onderzoek gedaan naar de gewenste en een haalbare ruimtelijk-economische structuur van het centrum. In 2007 is vervolgens de centrumvisie Appingedam, Binnenstad aan het water, opgesteld. Deze visie betreft een stedenbouwkundige uitwerking voor het centrumgebied van Appingedam.

Binnen het winkelcentrum Overdiep zijn de nieuwe Albert Heijn (large formule) en de nieuwe Aldi de grootste trekkers. In 2007-2008 is de bestuurlijke wens uitgesproken om te komen tot een herijking en 'updating' van de Ontwikkelingsvisie 2002, Redenen daarvoor zijn onder andere:

  • dat een groot aantal in de Ontwikkelingsvisie gedefinieerde projecten inmiddels in uitvoering is, dan wel is gerealiseerd;
  • dat nieuwe ontwikkelingen, zoals de 'krimp' en dreigend functieverlies binnen het centrum vragen om hernieuwde aandacht voor beleidsuitgangspunten en ruimtelijke ordening/inrichting;
  • dat de sociaal economisch component een steviger plek dient te krijgen binnen de gemeentelijke beleidskaders (zoals bijvoorbeeld voorzieningen, centrummanagement/vitaal centrum).
4.4.7 Woon- en Leefbaarheidsplan Eemsdelta 2012

Op 16 mei 2012 is in Appingedam een handtekening gezet onder het convenant 'Woon- en leefbaarheidsplan regio Eemsdelta' door een groep van 35 partijen. De partijen bestaande uit de provincie, de vier betrokken gemeenten, woningcorporaties, zorginstellingen, scholen en ondernemers verplichten zichzelf in dit plan om zich maximaal in te zetten voor het behoud van de leefbaarheid van het gebied. Het plan gaat over een periode die reikt tot 2040. In het convenant is afgesproken dat er een gezamenlijke lange termijn visie op de ontwikkeling van wonen en voorzieningen wordt opgesteld, alsmede een onderling afgestemd uitvoeringsprogramma voor de korte en middellange termijn, om goed te kunnen anticiperen op de voorspelde demografische omslag. De voorgenomen inventarisatie is uitgemond in de regio-atlas 'Wonen en leven in de Eemsdelta', april 2012. Deze atlas is het resultaat van een uitgebreide gebiedsinventarisatie, waarbij de thema's bevolkingsontwikkeling, wonen, voorzieningen en leefbaarheid centraal stonden. De atlas is tijdens een intensief proces tot stand gekomen, waarbij vele partijen en bewoners betrokken waren.

In het convenant baseren partijen zich op de door de provincie Groningen gecorrigeerde PRIMOS 2009 prognose ten aanzien van de huishoudenkrimp op lange termijn voor de regio als geheel. De prognose voorspelt een verdere bevolkingsdaling voor de regio. Tot 2020 met circa 7% en op langere termijn in 2040 met ruim 20%. Appingedam groeit, maar de andere drie gemeenten krimpen, waarbij de meest forse krimp zich afspeelt in de gemeente Delfzijl. Voor het bepalen van het transformatieprogramma wonen voor de korte termijn (2012 tot en met 2016) wordt daarom voor het stedelijk gebied uitgegaan van halvering van de geprognosticeerde krimp/groei (“recessiescenario”). Voor de middellange termijn (periode 2017 - 2022) wordt voor het stedelijk gebied uitgegaan van een bandbreedte tussen het “recessiescenario” en de (gecorrigeerde) PRIMOS 2009 prognose.

4.4.8 Uitvoeringsprogramma Woon- en Leefbaarheidplan Eemsdelta 2012

Het in maart 2013 vastgestelde Uitvoeringsprogramma Woon- en Leefbaarheidplan Eemsdelta bestaat uit twee delen. Het eerste deel betreft de Regionale programma's en het tweede deel het programma voor de gemeente Appingedam.

In het eerste deel van het Uitvoeringsprogramma Woon- en Leefbaarheidplan Eemsdelta wordt aangegeven dat één van de doelen van het Woon- en Leefbaaheidplan is het versterken van de woningmarkt van de Eemsdelta en het verbeteren van de kwaliteit van wonen. Om dat te bereiken is het van belang om te zorgen voor een goede afstemming tussen vraag en aanbod op de woningmarkt, ook met het oog op de toekomstige ontwikkelingen. De vraagkant wordt beïnvloed door veranderingen in de bevolking, zowel qua aantal als qua samenstelling. Dit is in beeld gebracht in de Regio-atlas (2012). De aanbodkant, de huidige woningvoorraad, geeft een beeld van de kwaliteit van de woningvoorraad en van de noodzaak of wenselijkheid van aanpassingen, renovatie, samenvoeging en sloop. Zoals eerder aangegeven zal jaarlijks een woningmarktmonitor worden uitgevoerd om te toetsen of de ontwikkelingen nog sporen met de aannames van het WLP.

Voor het bepalen van de woningbouwopgave voor de regio in de komende 20 jaar zijn de volgende drie aspecten van belang:

  • 1. De kwantitatieve ontwikkeling van de woningvraag: oftewel de ontwikkeling van het aantal huishoudens in de regio dat een huis nodig heeft. De kwantitatieve woningvraag is in de Regio-atlas (Wonen en leven in de Eemsdelta, april 2012) uitgewerkt op basis van de aangepaste bevolkingsprognose Primos 2009. De demografische opgave . 
  • 2. De verandering van de bevolkingssamenstelling en de woonwensen, waardoor de gewenste samenstelling van de woningvoorraad de komende jaren moet veranderen. De doelgroepenopgave . 
  • 3. De noodzaak de bouwkundige en woontechnische kwaliteit van de woningvoorraad aan te passen aan de wensen van de huidige en toekomstige bewoners. De kwaliteitsopgave.  

Op basis van deze drie opgaven is de regionale woningbouw ambitie bepaald en uitgewerkt per gemeente en verdeeld naar sloop en nieuwbouw.

afbeelding "i_NL.IMRO.0003.STADAPPINGEDAM-VG03_0008.jpg"

Vervolgens zijn in het convenant afspraken gemaakt over de verdeling van sloop en nieuwbouw over de koop- en de huursector. De verdeling van de sloop- en nieuwbouwopgave is bepaald op 1/3 koop en 2/3 huur.

In het tweede deel van het Uitvoeringsprogramma Woon- en Leefbaarheidplan Eemsdelta staat beschreven dat aan de hand van de gewenste huishoudensontwikkeling afspraken zijn gemaakt over de transformatieopgave van de woningvoorraad in Appingedam. Afspraken in het convenant van mei 2012 en in de stedelijke overlegtafel, zijn opgenomen in het eerste deel van de uitvoeringsprogramma. Op basis van de regionale uitgangspunten zijn afspraken gemaakt tussen gemeente en corporaties over de woningbouw- programmering in de komende 10 jaar. Deze afspraken zijn verwerkt in onderstaande tabel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0003.STADAPPINGEDAM-VG03_0009.jpg"

De tabel brengt het minimale investeringsprogramma voor Appingedam in beeld, zoals dat is afgesproken in het Bestuurlijk Platform Wonen Appingedam. Daarin zijn Woongroep Marenland, Woonstichting Groninger Huis en de gemeente Appingedam vertegenwoordigd.

Appingedam zet, volgens afspraak in op een groei van de woningvoorraad voor de periode 2012 t/m 2021 van 180 woningen: 400 nieuwbouw en 220 sloop. Voor de te slopen woningen is binnen de herstructureringswijk Opwierde ruimte om 189 woningen terug te bouwen (peildatum 1 jan 2012).

Buiten Opwierde zijn de volgende locaties bestemd voor woningbouw (peildatum 1 jan 2012):

1. Lambeck (Wijkstraat): 13 woningen;

2. Teuben (C. Albertstraat): 5 woningen;

3. Hilgeborn (Willem Alexanderlaan): 14 woningen;

4. Westersingel: 5 woningen;

5. Tichelplaats: 8 woningen;

6. Tolweg: 4 woningen;

7. De Tip: 45 woningen

8. Stationsweg 2, 2a: 2 woningen;

9. De Eendracht: 105 woningen (uitwerkingsplicht) tot en met 2021.

In totaal heeft de gemeente buiten de herstructureringswijk Opwierde dus plannen voor de komende 10 jaar om de woningvoorraad met 196 woningen te laten groeien. Dit betekent dat er in de gemeente een totale plancapaciteit beschikbaar is voor de nieuwbouw van 385 woningen.

Voor de periode 2012 t/m 2016 bedraagt de overeengekomen groei van de woningvoorraad van de gemeente 120 woningen. De plannen van de gemeente sluiten daar ook op aan: 120 groei door middel van 120 sloop en 240 nieuwbouw.

Voor de komende 10 jaar heeft de gemeente een woningbouwcapaciteit van 385 woningen (inclusief 189 in Opwierde). Eventuele benutting van deze capaciteit aan plannen in de periode tot 2017 kan een bedreiging vormen voor de realisatie van de transformatieplannen binnen de regio en kan ook leiden tot extra leegstand in de Eemsdelta. Om dit te voorkomen zal de uitwerking van de locatie De Eendracht pas in 2016 in procedure worden gebracht.

Om flexibiliteit te houden in de ontwikkeling van de nieuwbouw blijft in Olingermeeden een uitwerkingsbevoegdheid voor 35 woningen. Deze zal slechts worden benut indien hier overeenstemming is met de provincie en de regio Eemsdelta.

Kwaliteit van de woningvoorraad

Uit de analyse van de bestaande voorraad blijkt de gemeente Appingedam een omvangrijke opgave te hebben om de kwaliteit van de woningvoorraad te verbeteren. In totaal 950 woningen dienen in de komende twintig jaar te worden gesloopt of gerenoveerd. Er is een totale sloopopgave van 390 woningen. Voor de overige woningen wordt gekozen voor renovatie. Hiervoor zijn twee projecten gemaakt: de renovatie van 440 woningen in de huursector, waarvan 320 in de eerste tien jaar en 120 in de tweede tien jaar, en de renovatie van 120 woningen in de koopsector in de komende twintig jaar. Hiermee wordt, naast het sloop- en nieuwbouwprogramma, de kwaliteitsslag voor de huurvoorraad, welke in 2002 is ingezet met het Woonplan "koersen op eigen kracht", afgerond.

4.4.9 Structuurvisie De Eendracht

In 2006 sloot de strokartonfabriek De Eendracht haar deuren, na bijna honderd jaar het middelpunt te zijn geweest van de bedrijvigheid in Appingedam. De gemeente Appingedam heeft het terrein van de voormalige fabriek aangekocht om daarmee sturing te kunnen geven aan de herinrichting van dit gebied. Ook de beheersbaarheid tijdens de herontwikkeling - die een lange periode in beslag zal nemen - was een reden het terrein aan te kopen. In 2010 is het terrein overgedragen aan de gemeente. Gezien het belang van dit terrein en de mogelijkheden die zich hier voordoen is in oktober 2011 de Structuurvisie Stadstuin De Eendracht opgesteld. Hierin wordt in de grote lijnen de herontwikkeling van het gebied geschetst. Hier wordt in paragraaf 5.4 De Eendracht verder op ingegaan.

4.4.10 Woonschepen

De woonschepen zijn gelegen in het Damsterdiep langs de Fivelkade. Het gemeentelijk beleid ten aanzien van de woonschepen in Appingedam is gevat in een apart bestemmingsplan Woonschepen Damsterdiep (2004). De woonschepen zijn gelegen in het Damsterdiep langs de Fivelkade. Dit is in het bestemmingsplan stad Appingedam, deelplan Woongebieden, herziening 2011 integraal overgenomen. Middels het bestemmingsplan tezamen met de woonschepenverordening geeft de gemeente hiermee een helder beeld van ten aanzien van het woonschepenbeleid. Het plan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk (behalve waar het gaat om de aanwezigheid van bijgebouwen) maar heeft vooral een belangrijke rol in het beheren van de dat gedeelte van het Damsterdiep waar de woonschepen zijn afgemeerd. Dit is in het bestemmingsplan stad Appingedam, deelplan Woongebieden, herziening 2011 integraal verwerkt en in dit bestemmingsplan integraal overgenomen.

4.4.11 Waterplan Appingedam

Het Waterplan Appingedam (2004) heeft betrekking op het gehele grondgebied van de gemeente, zowel het stedelijk als het landelijk gebied. Met het Waterplan worden verschillende doelen gediend. Ten eerste dient het waterplan om te komen tot optimalisatie van het waterbeheer in Appingedam, zowel kwalitatief als kwantitatief en tegen aanvaardbare kosten. Ten tweede is water één van de ordende elementen in de ruimtelijke ordening geworden. Door water onder en boven de grond zichtbaar te maken en functies toe te kennen, kan een goede afweging gemaakt worden voor nieuwe ontwikkelingen. Daarnaast is samenwerking tussen verschillende beleidsvelden van belang, de bestuurlijke samenwerking en het waterplan maakt communicatie over water mogelijk.

De waterschappen die binnen de gemeente opereren zijn het Waterschap Noorderzijlvest en het Waterschap Hunze en Aa's. Het grootste gedeelte van het grondgebied van de gemeente valt onder het beheer van het waterschap Noorderzijlvest. Dit zijn de gronden ten noorden van het Eemskanaal. De gronden ten zuiden van het kanaal vallen onder het beheer van het waterschap Hunze en Aa's. Het waterschap Noorderzijlvest heeft zijn beleid verwoord in het Waterbeheerplan 2010-2015. Het waterschap Hunze en Aa's heeft zijn beleid vastgelegd in het Waterbeheerplan 2010-2015.

4.4.12 Monumentenbeleid

Appingedam kent vanwege de rijke historie van de stad een groot aantal rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten die zich met name in de historische binnenstad bevinden. Naast deze individuele monumenten is de binnenstad als geheel van een dermate historisch belang dat deze door het rijk is aangewezen als Beschermd Stadsgezicht. Deze aanwijzing is een erkenning van het bijzondere historische karakter van de binnenstad van Appingedam. De bedoeling van de aanwijzing is om deze bijzondere historische karakteristieken te behouden en nadrukkelijk een plaats te geven in toekomstige ontwikkelingen.

Uitgangspunt ten aanzien van de monumenten is om in principe qua gemeentelijke financiële ondersteuning aan te sluiten bij projecten die vanuit het Rijksmonumentenbeleid gesubsidieerd worden. In 1995 is echter al geconstateerd dat de beschikbare gemeentelijke subsidies te weinig restauratieprojecten initiëren, mede door het ontbreken van een beleidsdocument ten aanzien van monumentenzorg.

In 1999 is een inventarisatie verricht naar de restauratiemogelijkheden van binnenstedelijke panden. In de Dijkstraat is een voorbeeldpand bestudeerd en is aangegeven op welke wijze een binnenstedelijk pand kan worden gerestaureerd. Herstel van de oorspronkelijke gevelopbouw vormt hierbij het uitgangspunt. De gemeente is voornemens meer panden op deze wijze aan te pakken en daarbij particuliere initiatieven te stimuleren. Aangezien daarbij een groot deel van de restauratiekosten altijd voor eigen rekening van de eigenaar is, speelt voorlichting hieromtrent een belangrijke rol. Een groot deel van de monumenten is nu nog in eigendom bij woningcorporaties. Sommige van deze monumenten worden verkocht aan particulieren wat leidt tot een versnipperd eigendom. Deze versnippering kan knelpunten geven in het beheer van monumentale panden.

In tegenstelling tot het beschermd stadsgezicht is de bescherming van de Rijksmonumenten en de gemeentelijke monumenten afdoende geregeld in respectievelijk de monumentenwet en de gemeentelijke monumentenverordening, zodat in principe een uitgebreide regeling in het bestemmingsplan niet noodzakelijk is. Voor het bestemmingsplan is het meer de taak om de beeldbepalende gebiedswaarden te beschermen binnen het aangewezen gebied van het beschermd stadsgezicht van Appingedam en in dat kader een regeling te bieden voor waardevolle elementen van de niet als rijksmonument en gemeentelijk monument aangewezen bebouwing, de onderlinge samenhang en variatie in de bebouwing en de gehele stedenbouwkundige structuur.

4.4.13 Duurzaamheidsbeleid Appingedam 2011-2015

In mei 2011 heeft de gemeenteraad van Appingedam de nota Duurzaamheidsbeleid Appingedam 2011-2015 vastgesteld. In deze nota wordt het thema duurzaamheid in beeld gebracht en zijn de mogelijkheden verkent die de gemeente heeft om de komende jaren bij te dragen aan de landelijke en internationale duurzaamheidsdoelen. Belangrijk is dat duurzaamheid in regionaal verband wordt opgepakt. Zo betreft een van de samenwerkingsprogramma's in DEAL verband (Delfzijl, Eemsmond, Appingedam en Loppersum) het programma 'Klimaat en Natuur'. Speerpunt is onder andere het thema energiezuinig wonen.

Hoofdstuk 5 Uitgangspunten en planbeschrijving

5.1 Uitgangspunten

De uitgangspunten die beschreven staan in dit hoofdstuk, komen voort uit de bescherming van de huidige waarden (beschreven in Hoofdstuk 3 Historisch ruimtelijke ontwikkeling), de beleidsmatige keuzes (beschreven in Hoofdstuk 4 Beleidskader) of volgen uit de toets op sectorale wet- en regelgeving (beschreven in Hoofdstuk 6 Milieu- en omgevingsaspecten).

Uitgangspunt voor dit bestemmingsplan is dat bestaande belangen van private partijen zoals die in geldende bestemmingsplannen en andere relevante ruimtelijke besluiten zijn vastgelegd in dit bestemmingsplan zo veel mogelijk worden gewaarborgd.

Het bestemmingsplan moet een kader bieden voor de instandhouding van de ruimtelijke karakteristiek van het plangebied. Het is van belang dat deze karakteristiek door middel van het bestemmingsplan wordt beschermd en dat bij verbouw en nieuwbouw de schaal en maat van de bebouwing ingepast wordt in de bestaande structuur. Verder zijn uiteraard de bestaande groen-, wegen- en waterstructuur belangrijke elementen. Deze worden dan ook vastgelegd in het bestemmingsplan. Leidraad is het conserverende karakter van het bestemmingsplan. Binnen de regels biedt het bestemmingsplan wel de planologische mogelijkheden om vernieuwing en actief beheer gestalte te geven.

Verder gelden voor het plangebied de volgende algemene uitgangspunten ten aanzien van gebruik, omgeving en kwaliteit:

  • opstellen gelijke regelingen voor de bebouwing/functies in het gehele plangebied;
  • handhaven en versterken van de woonfunctie in het plangebied;
  • ruimte bieden voor vernieuwing en herinrichting;
  • het mogelijk handhaven van de in het plangebied passende niet-woonfuncties;
  • weren van nieuwe milieuhinderlijke bedrijvigheid;
  • bevorderen van meervoudig ruimtegebruik.

De redenen om één nieuw bestemmingsplan voor de gemeente Appingedam op te stellen zoals benoemd in paragraaf 1.2 Aanleiding, zijn uitgangspunt om het bestemmingsplan aan te passen.

Daarnaast speelt er een aantal nieuwe ontwikkelingen in Appingedam. Dit betreffen een herziening van de invulling van het uit te geven woningbouwgebied De Tip (zoals in paragraaf 1.2 Aanleiding al benoemd), een herontwikkeling van het noordelijk deel van het voormalig bedrijventerrein aan de Woldweg met betrekking tot De Eendracht, een toekomstige ontwikkeling van het uit te werken woongebied Olingermeeden en een actualisering van de bedrijventerreinen in Appingedam. In de volgende paragrafen wordt hierop ingegaan.

5.2 Inventarisatiebronnen

Bij het opzetten van dit bestemmingsplan zijn een aantal bronnen geraadpleegd. Deze kunnen door een ieder worden geraadpleegd.

De in paragraaf 1.2 Aanleiding genoemde geldende bestemmingsplannen stad Appingedam, deelplan centrumgebied (vastgesteld 21 januari 2010), het bestemmingsplan stad Appingedam, deelplan agrarische gebieden (vastgesteld 17 februari 2011) en het bestemmingsplan stad Appingedam, deelplan woongebieden, herziening 2011 (vastgesteld 15 december 2011) zijn in te zien op de website www.ruimtelijkeplannen.nl. Deze (en overige geldende) bestemmingsplannen en de in hoofdstuk 4 genoemde beleidsnota's zijn tevens in te zien op het Stadskantoor van de gemeente Appingedam aan de Wilhelminaweg 14 in Appingedam. Op de gemeentelijke website www.appingdam.nl zijn naast beleidsnota's ook diverse projecten in te zien.

Ruimtelijk beleid van hogere overheden is in te zien op de website www.ruimtelijkeplannen.nl. of de website van de provincie Groningen www.provinciegroningen.nl. Voor het beleid van het waterschap Noorderzijlvest kan de website www.noorderzijlvest.nl worden bezocht. Voor het beleid van het waterschap Hunze en Aa's de website www.hunzeenaas.nl.

Er is gebruik gemaakt van de basisregistratie adressen en gebouwen (BAG). Deze informatie kan tevens ingezien worden op de website van het in opdracht van het Ministerie van I&M en het kadaster ontwikkelde BAG viewer, http://bagviewer.geodan.nl/. Tot slot kan via de website van Google Maps luchtfoto's van het gebied worden bekeken, http://maps.google.nl/.

In Bijlage 3 Bedrijvenlijst is een overzichtslijst van bedrijven in de gemeente Appingedam opgenomen.

5.3 De Tip

Het plangebied De Tip betreft het braakliggende schiereiland ten westen van het stadscentrum Appingedam en is omsloten door het Damsterdiep, de Molenstraat, de Bouwmeestersstraat en het Nieuwe Diep. Door de ligging, grenzend aan de historische binnenstad en aan de waterassen die in belangrijke mate de stadsidentiteit mede bepalen, heeft het terrein unieke ontwikkelingsmogelijkheden. Voor het terrein van de voormalige gasfabriek is in 2003 een bestemmingsplan vastgesteld met woningbouwmogelijkheden op het terrein met circa 150 woningen (waarvan circa 40 huurwoningen). Ondertussen is het gasfabriekterrein gesaneerd en zou er in principe woningbouw gerealiseerd kunnen worden.

Door de gewijzigde marktomstandigheden is gezocht naar een nieuwe invulling van het terrein met minder woningen dan in het geldend bestemmingsplan beoogd. Huidig uitgangspunt is de bouw van circa 42-44 grondgebonden woningen. Hiervoor is de bestemming 'Wonen - Uit te werken 1' opgenomen met een maximale hoeveelheid van 45 woningen.

Ruimtelijke randvoorwaarden en kansen

Er zijn twee technische randvoorwaarden voor het plan. Parallel aan de Bouwmeestersstraat ligt een transport waterleiding en een gebied ter plaatse van de voormalige gasfabriek is een deel bodemverontreiniging afgedekt met een bentonietmat, waardoor op deze plekken geen woningen kunnen worden gebouwd. Het plangebied is opgehoogd met schone grond (leeflaag), zodat er woningen op kunnen worden gebouwd.

Naast belemmeringen zijn er ook kansen die kunnen worden benut. Zo kan de punt van het schiereiland worden ingericht als een publieke groene verblijfsplek met bijvoorbeeld een landmark. Daarnaast zijn er waardevolle elementen aan de rand van of buiten het plangebied, waarvoor zichtlijnen in de hoofdopzet kunnen worden gecreëerd. Het gaat dan om de kalkoven, de pijp van de Eendracht, de Fivelkade en het zicht over het Damsterdiep en Nieuwe Diep.

De voormalige kerk is geschikt voor een maatschappelijke functie in de vorm van bijvoorbeeld een zorgvoorziening of een buurtvoorziening zoals een trefpunt. Door het bijbehorende erf te voorzien van een openbare inrichting bijvoorbeeld in de vorm van een plein, groenvoorzieningen en een pad langs het water, wordt het plangebied ook bereikbaar voor voetgangers en fietsers vanaf de Snelgersmastraat.

De Molenstraat dient als hoofdontsluitingsweg en wordt doorgetrokken tot aan de westelijke punt van De Tip.

5.4 De Eendracht

In 2006 sloot de strokartonfabriek De Eendracht haar deuren. De gemeente Appingedam heeft het terrein van de voormalige fabriek aangekocht om daarmee sturing te kunnen geven aan de herinrichting van dit gebied. Zoals in paragraaf 4.4 Regionaal en gemeentelijk beleid is aangegeven, is er voor het gebied van de De Eendracht in oktober 2011 een structuurvisie opgesteld (Structuurvisie Stadstuin De Eendracht).

De Eendracht wordt als één samenhangend gebied herontwikkeld (zie figuur 8). Het terrein strekt zich straks merkbaar uit van Overdiep tot en met het bedrijventerrein aan de zuidzijde, en van Opwierde via de Woldweg tot de Groeve (en in de toekomst met een brug mogelijk zelfs daaroverheen). De aansluiting van De Eendracht op de omliggende gebieden krijgt - juist door de centrale ligging van het gebied - bijzondere aandacht. Alle individuele ingrepen verhouden zich tot de grote industriële maat en daarmee tot de geschiedenis, de sfeer en het karakter van De Eendracht.

Het gebied wordt toegankelijk en beleefbaar vanuit en langs één langzaam verkeersroute. Deze vormt de drager van het plan en het gebied. Daarnaast bepalen de grote ruimten uit het industriële verleden in belangrijke mate de ruimtelijke indeling en beleving van het gebied. Over de hele lengte en breedte is de behandeling van de openbare ruimte dezelfde; ook dit zorgt voor de gewenste samenhang en identiteit. Het gebied krijgt uiteindelijk een ruig en parkachtig karakter, waarin gewoond, gewerkt, genoten en gespeeld wordt. Daarbinnen liggen stukken (voormalig) industrieterrein, die in stappen worden ontgonnen. De invulling hiervan is flexibel en praktisch tegelijk: een intiem woonbuurtje, een woon-werkhof of een woonzorgmilieu; het kan in principe allemaal. De bebouwing bestaat uit verschillende volumes en architecturen, die aansluiten bij het bestaande karakter van grote ruimten en gebouwen. Centraal in de ervaring van het Eendrachtterrein zijn de herkenbare onderdelen van de oude Eendracht, die goed zichtbaar in het gebied staan en liggen. Deze ervaring geldt niet alleen op het terrein zelf; ook aan de randen moet de identiteit van het gebied ervaarbaar zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.0003.STADAPPINGEDAM-VG03_0010.jpg"

Figuur 8: Structuurvisiekaart Stadstuin De Eendracht (bron: Structuurvisie Stadstuin de Eendracht)

In dit bestemmingsplan is voor het gebied een bestemming 'Gemengd - Uit te werken' opgenomen. Bij de uitwerking zal in programmatische zin afstemming worden gezocht bij de uitgangspunten van het Woon- en Leefbaarheidsplan Eemsdelta. Bij de uitwerking zal voorts waar nodig rekening worden gehouden met een toets aan de omgevingsaspecten.

Op het Eendrachtterrein staat de Warmtekrachtcentrale (WKC), met een vergunning tot productie van warmtekracht tot 2021. Deze vergunning is gekoppeld aan een geluidscontour. Binnen die contour kan niet worden gebouwd. Deze contour is niet op de verbeelding opgenomen, maar betreft een 'rekenlijn' waarmee bij de uitwerking rekening dient te worden gehouden. Het betreft een geluidzone van rechtswege.

Rond het bedrijventerrein aan de zuidzijde van het plangebied ligt eveneens een geluidscontour. Deze geluidscontour is op de verbeelding opgenomen.

5.5 Olingermeeden

In het bestemmingsplan stad Appingedam, deelplan woongebieden, herziening 2011 is voor het gebied ten zuiden van Olingermeeden, bekend als fase 4, een bestemming 'Wonen - Uit te werken' opgenomen. Deze bestemming 'Wonen - Uit te werken 2' is in dit bestemmingsplan overgenomen met een maximale hoeveelheid van 35 woningen. Dit betekent dat tegen de tijd dat er behoefte is aan de uitwerking van dit gebied, hiervoor een apart uitwerkingsplan (ex artikel 3.6 lid 1 sub b Wro) zal worden opgesteld. Hiervoor zal te zijner tijd een stedenbouwkundig plan gemaakt moeten worden. Er wordt uitgegaan van de bouw van grondgebonden woningen. Waar het betreft de stedenbouwkundige hoofdstructuur zal worden aangesloten bij de reeds gerealiseerde fasen van de wijk Olingermeeden. Bij de uitwerking zal voorts waar nodig rekening worden gehouden met een toets aan de omgevingsaspecten. Meer in het bijzonder zal er een zekere bebouwingsvrije afstand ten opzichte van De Groeve worden aangehouden.

5.6 Revitalisering Opwierde

Zoals beschreven zet de gemeente Appingedam, volgens afspraak, in op een groei van de woningvoorraad voor de periode 2012 t/m 2021 van 180 woningen: 400 nieuwbouw en 220 sloop. Voor de te slopen woningen is binnen de herstructureringswijk Opwierde ruimte om 189 woningen terug te bouwen (peildatum 1 jan 2012). De wijk Opwierde is in het Woonplan Appingedam aangemerkt als een wijk waar de ruimtelijke structuur verder verbeterd moet worden, dit in combinatie met een meer verscheiden woningaanbod. Op basis van het in het woonplan geschetste ruimtelijke perspectief is het stedenbouwkundig plan Revitalisering “Hart van Opwierde” (Buro HKB, Groningen) voor de wijkvernieuwing ontwikkeld. De wens voor een verbetering van de ruimtelijke structuur komt niet alleen door de voornoemde geïsoleerde ligging van de wijk, maar ook doordat de wijk gekenmerkt wordt door een veelheid aan kleine ruimtelijke eenheden waarbij een duidelijke onderlinge relatie ontbreekt. De wijk heeft daardoor een versnipperd karakter. Ook bestaat er een ruimtelijke barrière tussen het noordelijk en zuidelijk deel van de wijk wat onder andere verband houdt met de onduidelijke ruimtelijke structuur in het gebied rond te school aan de Mr. A.T. Voslaan. De herinrichting van dit gebied is bij recht in dit bestemmingsplan meegenomen (specifiek bestemd).

5.7 Bedrijvengebieden Farmsumerweg, Woldweg en Fivelpoort

afbeelding "i_NL.IMRO.0003.STADAPPINGEDAM-VG03_0011.png"

Figuur 9: Bedrijvengebieden Farmsumerweg, Woldweg en Fivelpoort

5.7.1 Bedrijvengebied Farmsumerweg

In het noordoosten van Appingedam, in het tussengebied richting Delfzijl is het bedrijvengebied Farmsumerweg gelegen (zie figuur 9). Dit bedrijvengebied is gelegen tussen de Farmsumerweg en het Damsterdiep, en wordt doorsneden door de N33. Het bedrijventerrein Farmsumerweg kent een aan bedrijvengebied Woldweg vergelijkbaar gemengd karakter van verschillende soorten bedrijven. Hier wordt evenwel iets meer variatie aangetroffen in de vorm van volumineuze detailhandel en hoogwaardige (verzorgende) bedrijvigheid met eventueel een ondergeschikte productiefunctie. Langs de N33 en de Farmsumerweg is een woonplein met volumineuze detailhandel aanwezig en ook een McDonalds restaurant. Naast het woonplein, kan dit gebied historisch gezien worden opgesplitst in een oostelijk en een westelijk deel. Het meest oostelijk deel (ten oosten van de N33) kan worden gezien als een uitloop van de volumineuze detailhandelslocatie richting Delfzijl. Dit vertaalt zich onder andere in een keukencentrum, maar ook niet-detailhandelsbedrijven zoals een stomerij. Deze twee delen van het bedrijvengebied Farmsumerweg (het woonplein en het deel ten oosten van de N33) kunnen worden beschouwd als zichtlocatie. Op het meeste westelijke deel is machinefabriek Control Seal actief, een voor Appingedammer begrippen groot bedrijf. Tussen deze twee uitersten bevindt zich een deel van het bedrijvengebied waarop zich uiteenlopende vormen van bedrijvigheid bevinden, zoals een rioolwaterzuivering, een gasdrukregel- en meetstation maar ook reguliere bedrijven zoals een garagebedrijf. Qua milieuzonering zijn de bestaande rechten overgenomen, waarbij de bestemming 'Bedrijventerrein - 1' een milieucategorie van maximaal 2 is toegestaan, bij 'Bedrijventerrein - 2' een milieucategorie van maximaal 3.1. is toegestaan en bij 'Bedrijventerrein - 3' een milieucategorie van maximaal 3.2. is toegestaan.

5.7.2 Bedrijvengebied Woldweg

Het meest westelijk gelegen bedrijvengebied Woldweg (zie figuur 11) in Appingedam is gelegen tussen de Woldweg en de Groeve-Noord. Aan de noordzijde van dit bedrijvengebied was de voormalige Kartonfabriek 'De Eendracht' gelegen, waarvan de historie teruggaat tot de 19e eeuw. De onderneming is thans failliet verklaard en niet meer actief. De terreininrichting is echter nog intact. Zoals aangegeven in paragraaf 4.4 Regionaal en gemeentelijk beleid is voor de herontwikkeling van dit gebied een Structuurvisie opgesteld. Op dit terrein is een bestemming 'Gemengd - Uit te werken' neergelegd. Dit betekent dat een nadere uitwerking volgt op het moment dat op basis hiervan een stedenbouwkundig plan is gemaakt (zie paragraaf 5.4 De Eendracht).

Van meer recentere datum is het bedrijvengebied aan de zuidzijde langs de Woldweg. Dit bedrijvengebied heeft een belangrijke lokale opvangfunctie voor het segment 'modern gemengd' (industrie, handel en bouwnijverheid). In dit gebied bevinden zich bedrijven zoals bouwbedrijven, autoschadeherstelbedrijven en loonbedrijven. Er is nog beperkte uitbreidingsruimte.

5.7.3 Bedrijvengebied Fivelpoort

Het meest recente bedrijvengebied in Appingedam is Fivelpoort (zie figuur 9). Dit gebied is ten zuiden van het Eemskanaal gelegen, langs de N33 en de N989. Fivelpoort heeft niet alleen een functie voor Appingedam, maar ook voor Delfzijl en het hele Eemsmondgebied. Het terrein is dan ook gezamenlijk ontwikkeld door Groningen Seaports en de gemeenten Appingedam en Delfzijl, welke zich verenigd hebben in Fivelpoort CV. Eén en ander kwam voort uit de behoefte om op regionaal niveau een locatie te ontwikkelen voor representatieve bedrijven nabij een belangrijke (inter)regionale verbindingsweg.

Het bestemmingsplan “Bedrijvenpark Fivelpoort” is vastgesteld op 20 september 2001 en goedgekeurd op 16 april 2002. Het bedrijvenpark is bruto 45 ha groot. Circa tien ha hiervan is bestemd voor duurzaamheid, zoals ecologische voorzieningen en circa 9 ha is bestemd voor de infrastructuur. De netto uitgeefbare grootte van het terrein is 26,9 ha. De gronduitgifte is gestart in juni 2005. Er is begin juli 2012 een hoeveelheid van 4,3 ha uitgegeven. Dat is minder dan geprognosticeerd. Er is dus begin juli 2012 nog een voorraad uitgeefbaar terrein van 22,6 ha.

Fivelpoort richt zich op dienstverlening in kantoorachtige setting (segment hoogwaardig, zuidelijke strook), lichte productie, handel en bouwnijverheid (segment modern gemengd, middenstrook) en transport en distributie (segment logistiek, noordelijke strook). De in het bestemmingsplan Bedrijvenpark Fivelpoort opgenomen ambities en regelingen zijn integraal opgenomen in dit nieuwe bestemmingsplan. Fivelpoort biedt aan de zuid- en de zuidwestzijde ruimte aan kantoren. Andere bedrijven kunnen worden gevestigd op de andere delen van Fivelpoort. Op het bedrijvenpark zijn verschillende bedrijven gevestigd.

Gezien de actualisering van het bestemmingsplan, concrete ontwikkelingen en vragen van potentiële klanten is er op het bedrijventerrein Fivelpoort een aantal aanpassingen doorgevoerd. Zo is op het voorste deel van het terrein (waar een maximale milieucategorie 3.1. is toegestaan) volumineuze detailhandel in de vorm van auto's, boten en caravans en grove bouwmaterialen toegestaan. Daarnaast is er gezien het toenemende verkeer op de N33, in de toekomst A33, een concrete vraag naar een bemand brandstoffenpunt, met een wasstraat op het bedrijvenpark. Deze is gesitueerd op de toegang van het bedrijventerrein.

Op dit moment wordt de bestaande laad- en loskade aan de kade van het Eemskanaal ZZ gebruikt voor de overslag van granen en een weg- en waterbouwbedrijf. Er zijn ontwikkelingen gaande de kade mogelijk te gebruiken voor de overslag van zand en grind e.d. en containers. Daarnaast ligt er een afspraak met de Provincie Groningen, dat bij vervanging van de huidige Woldbrug in het Eemskanaal er een andere locatie voor de kade gezocht zal worden. Dit zal in oostelijke richtring plaatsvinden. Ook ontstaat er door het gebruik van het bedrijventerrein de behoefte om de kade ruimere gebruiksmogelijkheden te geven zodat deze door een grotere verscheidenheid aan bedrijven gebruikt kan worden.

Vanwege deze ontwikkelingen wordt in het nieuwe bestemmingsplan ruimte gereserveerd voor uitbreiding van de bestaande laad- en loskade in zowel afmeting als gebruik. De fysieke reservering bedraagt twee ligplaatsen van elk 130 meter.

Om het bedrijventerrein de genoemde ruimere gebruiksmogelijkheden te geven zodat deze door een grotere verscheidenheid aan bedrijven kan worden gebruikt is onderzoek uitgevoerd met betrekking tot de geluidssituatie richting de woningen aan de Woldweg. Uit dit onderzoek (Bureau Spreen, Akoestisch onderzoek Fivelpoortkade te Appingedam, Rapport: 20130705). blijkt dat er een geluidscherm tussen Fivelpoort en de woningen aan de Woldweg gebouwd dient te worden. Deze is op de verbeelding aangeduid als 'geluidscherm' en hiervan zijn specifieke bepalingen opgenomen in de bestemming Groen. De bouwhoogte van dit geluidscherm dient minimaal 3,5 meter bedragen.

5.8 Beschermd stadsgezicht

Een groot deel van het centrum van Appingedam is ingevolge artikel 35 van de Monumentenwet aangewezen als Beschermd Stadsgezicht. Deze aanwijzing is een erkenning van het bijzondere historische karakter van de binnenstad van Appingedam. De bedoeling van de aanwijzing is om deze bijzondere historische karakteristieken te behouden en nadrukkelijk een plaats te geven in toekomstige ontwikkelingen. Na de aanwijzing van een gebied als beschermd dorps- of stadsgezicht moet hiervoor een beschermend bestemmingsplan worden vastgesteld. Voor het centrum van Appingedam heeft dat plaatsgevonden met de vaststelling van het deelplan Centrumgebied in 2010. In voorliggend bestemmingsplan is de regeling uit dat plan één op één overgenomen.

Het beschermende beleid ten aanzien van de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden is niet bedoeld om het bestaande beeld volledig vast te leggen. De Monumentenwet voorziet hier al voor een belangrijk deel in door de beschermende regeling voor individuele rijksmonumenten. Voor het bestemmingsplan is het meer de taak om de beeldbepalende gebiedswaarden te beschermen en om vanuit dat perspectief een regeling te bieden voor waardevolle elementen (van de niet als rijksmonument en gemeentelijk monument aangewezen bebouwing), de onderlinge samenhang en variatie in de bebouwing en de gehele stedenbouwkundige structuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.0003.STADAPPINGEDAM-VG03_0012.jpg"

Figuur 10: Historisch-ruimtelijke waarderingskaart

Het is essentieel dat deze structurele kenmerken van het Beschermd Stadsgezicht worden vastgelegd, maar nog belangrijker dat marges worden aangegeven, waarmee op ontwikkelingen in de planperiode kan worden ingespeeld zonder dat de structurele kenmerken worden aangetast.

Binnen het gevarieerde gebied van de binnenstad zijn de belangen van het Beschermd Stadsgezicht niet overal gelijk.

De Historische-ruimtelijke waarderingskaart (zie figuur 10) geeft daar een beeld van. Deze kaart is destijds opgesteld door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (nu Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed) en maakt deel uit van het aanwijzingsbesluit van het Beschermd Stadsgezicht Appingedam van 1991. De indeling van deze kaart is richtinggevend voor de regeling van het bestemmingsplan.

De Historische-ruimtelijke waarderingskaart laat een driedeling zien in de te beschermen niveaus. Deze driedeling is maatgevend voor het beschermingsniveau dat in het bestemmingsplan wordt gehanteerd.

  • a. Beschermingsniveau 1 heeft uitsluitend betrekking op de regeling van de ruimtelijke hoofdstructuur: alleen het beloop van de wegen, de situering van de bebouwing ten opzichte van de weg (aanwezigheid voorgevelrooilijn) en het ruimtelijk profiel (de verhouding tussen bebouwing en openbare ruimte) zijn historisch van belang en worden als waardevol beschermd. Voor nieuwe ontwikkelingen betekent dit dat de schaalmogelijkheden van bebouwing worden getoetst aan het silhouet van het Beschermd Stadsgezicht en aan de waarde en betekenis van de aangrenzende openbare ruimte;
  • b. Beschermingsniveau 2 heeft tevens betrekking op de ruimtelijke waarden op het niveau van de straatwand. Behalve de ruimtelijke hoofdstructuur is ook de onderlinge samenhang in de bebouwing belangrijk. Dus naast de situering/rooilijn zijn ook de bebouwingsschaal en het ritme van de bebouwing bepalend. Van belang is dat aanwezige variaties in het bebouwingsbeeld gehandhaafd blijven;
  • c. Bij beschermingsniveau 3 gaat het mede om de historische waarden op gevelniveau. Naast de situering/rooilijn en de bebouwingsschaal worden ook de hoofdvorm, de detaillering en de architectuur van het individuele pand van belang. In de gevelwanden binnen deze gebieden vormen de vele monumenten de leidraad voor het beschermingsregime.

Beschikbare gevelkaarten zijn gebruikt bij het nader detailleren van de regelingen voor (deel)gebieden en als (digitale) informatie aan het bestemmingsplan gekoppeld. In de bouwvoorschriften zijn de volgende aspecten of combinaties daarvan vastgelegd:

  • a. de situering (rooilijn en kavelrichting);
  • b. inrichting en profiel van de buitenruimte;
  • c. bouwmassa (goothoogte, nokhoogte en korrelmaat);
  • d. ritme en individualiteit van bouwmassa;
  • e. kapvorm en nokrichting;
  • f. gevelindeling;
  • g. kleur en materiaalgebruik.

Voorts komen binnen de openbare ruimte elementen voor die mede de ruimtelijke kwaliteit van het Beschermd Stadsgezicht bepalen. Te denken valt aan bijvoorbeeld kades, bruggen, de profielindeling van de openbare ruimtes etcetera. In het aanwijzingsbesluit voor het Beschermd Stadsgezicht worden deze nader benoemd.

Dergelijke elementen verdienen bescherming, maar tegelijkertijd moet dubbele regelgeving voorkomen worden, daar waar zaken al op andere wijze afdoende worden geregeld. Voorts speelt hierin mee dat de gemeente over het algemeen zelf eigenaar is van de openbare ruimte en dus ook vanuit dien hoofde een leidende rol speelt bij herinrichtingsmaatregelen. Niettemin zijn vanwege de karakteristieke waarden enkele markante elementen extra beschermd.

Welstand

De gemeente Appingedam voert sinds lange tijd een actief welstandsbeleid. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een extern werkende welstandscommissie, ondergebracht bij Libau, de organisatie die in de provincie Groningen alle gemeenten adviseert over welstands- en monumentenzaken. Deze commissie baseert haar adviezen zoveel mogelijk op geformuleerd beleid, zoals dit is aangegeven in structuurplannen, dit bestemmingsplan, de welstandsnota en beeldkwaliteitplannen. Daarnaast geeft de bouwverordening algemene welstandscriteria.

Het bestemmingsplan regelt ondermeer de functie en ruimtebeslag van bouwwerken, met in het bijzonder kenmerkende (dak)vormen, bebouwingsbeelden en maatvoeringen wanneer het een Beschermd Stadsgezicht betreft. Het welstandsbeleid is, gelet op de jurisprudentie, ondergeschikt aan de regels van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan bepaalt met andere woorden de ruimte van het welstandsadvies. Bij strijdigheid tussen welstandscriteria en bestemmingsplanvoorschriften gaan de voorschriften uit het bestemmingsplan voor. Datgene wat door het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt kan dus niet door welstandscriteria worden tegengehouden.

De gewenste beeldkwaliteit met betrekking tot de binnenstad zal dus eveneens worden nagestreefd door middel van het welstandstoezicht. Dit zal plaatsvinden op grond van de criteria die zijn gesteld in de gemeentelijke Welstandsnota. Zowel voor de afstemming op de Monumentenwet als op de Welstandsnota is een bepaling in de voorschriften opgenomen. De inzet is om de eigenlijke welstandsaspecten niet in de bestemmingsplanvoorschriften te regelen, maar via het welstandsbeleid.

Rijks- en gemeentelijke monumenten

In de binnenstad van Appingedam zijn een flink aantal individuele monumenten aangewezen die net als het Beschermd Stadsgezicht beschermd worden in de monumentenwet. De bescherming van de Rijksmonumenten is afdoende geregeld in de monumentenwet zodat in principe een uitgebreide regeling in het bestemmingsplan niet noodzakelijk is.

Naast de Rijksmonumenten kent de gemeente een aantal beeldbepalende c.q. karakteristieke panden die niet zijn aangewezen als Rijksmonument maar binnen de gemeente wel als behoudenswaardig worden gezien.

Voor deze gemeentelijke monumenten geldt ter bescherming de gemeentelijke monumentenverordening. Appingedam heeft namelijk sinds 1991 een gemeentelijke monumentenverordening waarin de formele zaken in het verlengde van de Monumentenwet zijn vastgelegd.

De grondslag voor de Damster monumentencommissie is neergelegd in deze Monumentenverordening. Voor de advisering inzake wijzigingen aan de gemeentelijke- en rijksmonumenten en ingrijpende wijzigingen binnen het Beschermd Stadsgezicht maakt de gemeente, naast de 'eigen' Damster monumentencommissie, gebruik van de provinciale monumentencommissie van Libau. Dit is een commissie die met de nodige specifieke deskundigen is geïntegreerd in de eerdergenoemde welstandscommissie. Behoudens ondergeschikte wijzigingen aan de monumenten, worden de Damster leden altijd uitgenodigd door de provinciale commissie om een gezamenlijk advies op te stellen.

5.9 Detailhandel

Appingedam heeft van oudsher voor wat betreft winkelvoorzieningen een verzorgende functie in de regio, waarbij het zich met name door de aantrekkelijke historische ambiance en het relatief grote (modisch-recreatieve) aanbod onderscheidt van het nabijgelegen centrum van Delfzijl. Het (winkel)centrum van de stad is tamelijk langgerekt waarbij de meeste winkels aan de Dijkstraat te vinden zijn. Deze straat is de belangrijkste winkelstraat van de stad en is dan ook ingericht als verblijfsgebied. De historische panden aan deze betrekkelijk nauwe straat geven het winkelgebied een aantrekkelijke historische uitstraling. Verder is het centrum goed bereikbaar door de aanwezigheid van diverse, goed bereikbare (gratis) parkeerterreinen rondom de binnenstad. Ter versterking van de mogelijkheden voor de dagelijkse boodschappen is ten zuiden van het winkelgebied, op het Overdiepterrein, een supermarkt-cluster ontwikkeld.

Gestreefd wordt naar de ontwikkeling van drie sterke polen in het centrumgebied: Cleveringaplein, Ossedrift en het Overdiepterrein (zie figuur 8).

afbeelding "i_NL.IMRO.0003.STADAPPINGEDAM-VG03_0013.jpg"

Figuur 8: Centrumvisie detailhandelsstructuur (bron: Droogh Trommelen Broekhuis)

Een heldere begrenzing van het winkelgebied vormt daarmee de Dijkstraat en de drie polen (Ossedrift, Cleveringaplein en Overdiep). Hierbuiten dienen winkelontwikkelingen te worden afgeremd. Op deze wijze wordt zoveel mogelijk ingezet op verplaatsing van winkelbedrijven naar het centrumgebied. Om de Dijkstraat ook in de toekomst te behouden tot hoofdwinkelstraat van Appingedam dient de branchering in deze straat uit een compleet aanbod te bestaan. Dit impliceert dat zowel voor boodschappenwinkels als overige winkels ruimte dient te bestaan. Hiervoor is het onder andere noodzakelijk dat bestaande winkels vergroot kunnen worden. Voorwaarde daarbij is wel dat het historische karakter (gevels) van de panden behouden blijft. Daarnaast is het voor de verlenging van de verblijfsduur gewenst om (dag)horeca in te passen in deze hoofdwinkelstraat.

Voor de beide winkelpolen (Ossedrift en het Cleveringaplein) is een ontwikkeling gewenst waarbij één of meer middelgrote winkelpanden (400 tot 800 m²) zich hier kunnen gaan vestigen om als trekkers te kunnen fungeren. Met name het Cleveringaplein is een unieke locatie voor vestiging van winkelondersteunende horeca met terrassen aan het water. Daarnaast is vooral aan dit plein een uitbreiding van de parkeergelegenheden nodig. Tot slot kan de branchering in de Solwerderstraat afgestemd worden op het winkelaanbod door het productaanbod in deze straat meer te richten op ambachtelijke bedrijvigheid, galeries en ateliers, dienstverlening en sociaal-culturele functies (cultuurtoerisme). Door een optimalisatie van de verbinding over het Damsterdiep tussen deze straat en de Dijkstraat vindt een betere uitwisseling van bezoekersstromen plaats en wordt de toeristisch-recreatieve status van de stad vergroot. Het winkelgebied Dijkstraat, Ossedrift en Cleveringaplein is in het bestemmingsplan ondergebracht in de bestemming 'Centrum', die onder meer detailhandel, wonen (ter plaatse van de Dijkstraat vanaf tweede bouwlaag) en andere centrumfuncties (zoals dienstverlening) bij recht toestaat. Met name voor de Dijkstraat is het van belang dat voor boodschappenwinkels en overige winkels (in de niet dagelijkse goederen) voldoende vestigingsmogelijkheden aanwezig zijn. Het Overdiepterrein kent een bestemming die meer specifiek op detailhandel, in combinatie met dienstverlening en wonen, is gericht. Bestaande detailhandel buiten het aangegeven centrumwinkelgebied is zodanig bestemd dat na vertrek/beëindiging van de detailhandelsactiviteiten de bestemming gewijzigd kan worden in een andere bestemming dan detailhandel. Op die manier wordt bewerkstelligd dat de detailhandelsfunctie zich mettertijd concentreert binnen het kernwinkelgebied. De gemeente wil het centrum van Appingedam vitaal houden door het voorkomen van leegstand. Mede vanuit de problematiek krimp is leegstand een actueel probleem in Noord-Nederland.

Volumineuze detailhandel

Langs de N33 en de Farmsumerweg is een woonplein met volumineuze detailhandel aanwezig en ook een McDonalds restaurant. Ten oosten van de N33 ligt een uitloop van de volumineuze detailhandelslocatie richting Delfzijl. Dit vertaalt zich onder andere in een keukencentrum, maar ook niet-detailhandelsbedrijven zoals een stomerij. Deze twee delen van het bedrijvengebied Farmsumerweg (het woonplein en het deel ten oosten van de N33) kunnen worden beschouwd als zichtlocatie. Deze locatie, gelegen buiten het centrum is bij uitstek geschikt voor volumineuze detailhandel.

Het beleid van de gemeente is er al jaren op gericht om dit ook zo te houden en de leefbaarheid van het centrum te behouden. De kern van dit beleid is dat de positie van het bestaande winkelcentrum centraal staat. Het is van belang om dit bestaande centrum aantrekkelijk te houden voor de bezoekersmotieven 'boodschappen doen' en 'recreatief winkelen'. Door het clusteren van winkels (en aanvullende horeca en culturele voorzieningen) wordt voor deze bezoekersmotieven een aantrekkelijk gebied in stand gehouden voor winkelen, horecabezoek en cultuurbezoek. Kenmerkend is immers de behoefte aan combinatiebezoek van meerdere voorzieningen of winkels. Vernieuwing of uitbreiding van detailhandel is daarmee alleen wenselijk binnen het bestaande winkelgebied. Hiermee wordt het goed functioneren van het winkelcentrum geborgd en structurele leegstand zoveel mogelijk voorkomen (zorgvuldig ruimtegebruik). Voor niet-frequente doelgerichte aankopen (bezoekersmotief 'doelgericht winkelen') is detailhandel buiten de bestaande winkelcentra mogelijk, indien deze moeilijk inpasbaar is in het bestaande centrum, vanwege de volumineuze aard, het brand of explosiegevaar en vanwege de verkeersontsluiting (dagelijkse bevoorrading, parkeerbehoefte bezoekers). Dit is ook de reden waarom voor deze volumineuze detailhandel buiten het centrum is gekozen voor branchering van detailhandel. Volumineuze detailhandel richt zich op specifieke productgroepen en branches, zoals auto's, boten, caravans, tuincentra, bouwmarkten, grove bouwmaterialen, keukens, sanitair en meubels. Het gaat dus niet alleen om de oppervlakte van de winkelunit, maar ook om het bezoekersmotief en de specifieke kenmerken van de producten.

Volumineuze detailhandel op Fivelpoort 

Gezien de actualisering van het bestemmingsplan, concrete ontwikkelingen en vragen van potentiële klanten is er op het bedrijventerrein Fivelpoort een aantal aanpassingen doorgevoerd. Zo is op het voorste deel van het terrein volumineuze detailhandel in de vorm van auto's, boten en caravans en grove bouwmaterialen toegestaan. Daarnaast is er gezien het toenemende verkeer op de N33 een concrete vraag naar een bemand brandstoffenpunt, met een wasstraat op het bedrijvenpark. Deze is gesitueerd op de toegang van het bedrijventerrein.

5.10 Groen en water

In het Groenstructuurplan Appingedam-2000 en het Waterplan Appingedam is de uitgangssituatie aangaande groen en water beschreven. Samengevat zijn voor de bedrijvengebieden met name de groene randen belangrijk. Zo zijn/worden de kantoren in het zuidelijke deel van bedrijvengebied Fivelpoort in een groene setting gesitueerd. Ook is het groen in de centrale delen van zowel bedrijvengebied Woldweg als bedrijvengebied Farmsumerweg kenmerkend. Het kleinschalige openbare groen dat in de bedrijvengebieden aanwezig is, is vooral van betekenis voor het kwaliteitsbeeld van de bedrijvengebieden zelf.

Wat betreft het water zijn met name het Eemskanaal, de Groeve-Noord en het Nieuwe Damsterdiep van betekenis voor de bedrijvengebieden. De waterpartij aan de zuidzijde van Fivelpoort draagt bij aan een hoogwaardig beeld vanaf de N33.

5.11 Horeca

Het gemeentelijk horecabeleid zet in op een verdere horecaontwikkeling in de Wijkstraat, als onderdeel van de inrichting van deze straat tot verblijfsgebied en dan met name de omgeving van de Oude Rechtbank/Nicolaikerk. Ook deze ontwikkeling creëert een kwalitatief betere relatie tussen het Overdiep en de historische binnenstad.

In z'n algemeenheid geldt dat voor wat betreft de horecavestigingen in de binnenstad een onderverdeling worden aangehouden bij de wijze van bestemmen. Daarbij wordt overeenkomstig het gestelde in de horecanota onderscheid gemaakt in hotels/restaurants/dagzaken, cafetaria's en avond-/nachthoreca. Voorts is het mogelijk om zwaardere vormen van horeca om te zetten naar lichtere.

Nieuwvestiging van horeca kan plaatsvinden conform het horecavestigingsbeleid van de gemeente. Dit betekent dat binnen de op de figuur 9 aangegeven horecazone nieuwvestiging van dag- en avond-/nachthoreca conform de daartoe aangewezen gebieden onder voorwaarden is toegestaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0003.STADAPPINGEDAM-VG03_0014.jpg"

Figuur 9: Horeca in de binnenstad

5.12 Maatschappelijke voorzieningen

De ontwikkelingen die in het onderwijs spelen, hebben betrekking op een verdergaande schaalvergroting en concentratie van onderwijsinstellingen. Een goed voorbeeld hierin is de concentratie van de activiteiten van de brede school op één locatie.

Verdere voorspellingen over ruimtelijke ontwikkelingen die in de planperiode (de komende tien jaar) gaan spelen, kunnen niet exact gemaakt worden. Dit brengt voor het bestemmingsplan met zich mee dat voor de onderwijsvoorzieningen de nodige flexibiliteit dient te worden geboden om zoveel mogelijk in te spelen op toekomstige ontwikkelingen.

De overige maatschappelijke voorzieningen zijn voorzien van een conserverende regeling. Wel dient er een bepaalde mate van uitwisselbaarheid tussen de verschillende maatschappelijke functies aanwezig te zijn, waarmee kan worden ingespeeld op mogelijke ontwikkelingen in de planperiode.

Voor de sportieve en recreatieve voorzieningen wordt behoud en versterking van de aanwezige voorzieningen voorgestaan, waarmee de (toekomstige) recreatieve status van Appingedam zo goed mogelijk ondersteund wordt.

5.13 (Verblijfs)recreatie op en rond het Damsterdiep

In de nota (Verblijfs)recreatie op en rond het Damsterdiep van november 2009 zet de gemeente Appingedam in op de recreatief / toeristische ontwikkeling van de binnenstad van Appingedam, met als onderleggers historie, cultuur en gezellig winkelen. Twee van de belangrijks speerpunten hierbij zijn: (1) de beleving van het water in en rond het centrum versterken, en (2) de ontwikkeling van de jachthaven als passantenhaven. In het kader van het thema 'wonen' is gekozen voor het stimuleren van de ontwikkeling van een buitenplaatszone aan de westkant van Appingedam, met aandacht voor de recreatieve betekenis van de Damsterdiepzone richting Delfzijl en aanvulling van de ecologische verbinding Schildmeer - Noordelijk Wierdenlandschap.

De gemeente Appingedam heeft in het kader van de stimulering van het plattelandstoerisme binnen de bestemmingsplannen nadrukkelijk ruimte gecreëerd voor recreatief medegebruik en kleinschalige verblijfsrecreatie. De keuze is gemaakt om geen nieuwe grootschalige en / of intensieve vormen van recreatie zich te laten ontwikkelen. Een uitgangspunt dat aansluit bij de intenties om het Damsterdiep een 'parelketting' en de 'tuin van het Noorden' te laten zijn. De gemeente Appingedam stimuleert daarbij de ontwikkeling van kleinschalige verblijfsrecreatie ten behoeve van het plattelandstoerisme een en ander ter verbreding van en in aansluiting op het (verblijfs)recreatieve segment in de kern van Appingedam, zoals Bed & Breakfast-voorzieningen (B&B), een kleinschalige vorm van verblijfsrecreatie.

Conclusies en aanbevelingen uit het de nota zijn:

  • Het Damsterdiep is een bijzonder gebied dat kwaliteiten heeft die te vangen zijn in woorden als 'lommerrijk', 'rustgevend', … Afgewogen keuzes zijn hier dus van belang.
  • In de ontwikkelde visies en beleidsplannen is ruimte voor nieuwe recreatieve en culturele ontwikkelingen op en rond het Damsterdiep, bijvoorbeeld bij (beoogde) recreatieve knooppunten. Deze zogenaamde 'stapstenen' zullen de ontdekking van het Damsterdiep-gebied bevorderen.
  • Voor stapstenen in of in de nabijheid van Appingedam kan gedacht worden aan landgoed Ekenstein, in de nabijheid van Museum Møhlmann en de passantenhaven.
  • Het verdient aanbeveling bij de ontwikkeling van deze stapstenen ook de ontwikkeling van Toeristische InformatiePunten (TIP) en / of Toeristische OverstapPunten (TOP) in overweging te nemen om zodoende de kleine watersporter en de wandelende of de fietsende recreant / toerist beter te kunnen bedienen.

5.14 Werken en bedrijvigheid

In het bestemmingsplan is aangesloten bij de milieuzonering van de VNG

Kantoren

Ter uitwerking van het beleid uit de regionale visie Markt en profiel van de bedrijventerreinen in de Eemsmondregio is in het stationsgebied voorzien in een verdere ontwikkeling van zakelijke dienstverlening: het bestemmingsplan reserveert ruimte voor enkele kantoren. Qua locatie en hoofdvorm sluiten deze aan bij de al bestaande vestigingen. Op bedrijvengebied Fivelpoort zijn de zogeheten 'parels' aan de zuidzijde van het terrein aangewezen voor de vestiging van kantoren.

Individueel gevestigde bedrijven

Voor individueel gevestigde bedrijven in het plangebied wordt onderscheid gemaakt tussen gemengde gebieden en rustige woonwijken.

Gemengde gebieden

Dit zijn gebieden waar, naast functies als het wonen, maatschappelijke functies of horeca, de bedrijvigheid zich van oudsher heeft ontwikkeld. In Appingedam gaat het met name om de gebieden rondom de verbindingswegen vanuit het centrum en rond de bedrijvengebieden.

De woonfunctie is in deze gebieden dus niet de enige functie, maar verschillende functies komen in onderlinge afwisseling voor. De milieukwaliteit van deze gebieden wordt daarom bepaald door omgevingsgeluid, verkeersbeeld, visuele aspecten, etc. Binnen deze gebieden is 'lichte' bedrijvigheid aanvaardbaar.

Rustige woonwijken

Anders dan voor de gemengde gebieden geldt voor 'rustige' woonwijken (zoals bijvoorbeeld Opwierde en Olingermeeden) als uitgangspunt dat het wonen de bepalende functie is en dat de bedrijfsfunctie hieraan ondergeschikt is. Dit impliceert dat bedrijvigheid geen belemmering voor de uitoefening en ontwikkeling van de woonfunctie mag vormen. De vestiging van bedrijven op nieuwe locaties binnen de bestaande woongebieden zal daarom, met uitzondering van beroeps- en bedrijfsactiviteiten aan huis, in beginsel niet mogelijk worden gemaakt.

Niettemin is er binnen woongebieden op een enkele locatie bedrijvigheid gevestigd. Hiervoor geldt een vergelijkbaar zoneringsprincipe als voor de gebieden met een gemengd karakter, met dien verstande dat alleen bedrijven van de lichtste milieucategorie (categorie 1) in het algemeen kunnen worden toegelaten. Bij deze bedrijven dient op grond van de VNG-lijst een grootste richtlijnafstand van 10 meter ten opzichte van gevoelige bebouwing (zoals woningen) in acht te worden genomen. Bestaande bedrijven die tot deze categorie behoren, hebben zodanig beperkte milieueffecten dat zij zonder meer in een woonomgeving kunnen worden bestemd.

Bedrijfstypen van de milieucategorie 2, waarvoor een richtlijnafstand van 30 meter dient te worden aangehouden, worden in een woonomgeving aanvaardbaar geacht als de richtlijnafstand ook daadwerkelijk in acht kan worden genomen.

Bedrijfsverplaatsing en -beëindiging

De solitaire bedrijven, die qua milieubelasting afwijken van de algemene regeling voor het gebied en daardoor eerder thuishoren op een bedrijventerrein, hebben in dit bestemmingsplan een specifieke regeling.

Na (eventuele) beëindiging van het betreffende bedrijf mag alleen een bedrijf met een minder milieubelastende activiteit, dan wel een bedrijf met een soortgelijke bedrijfsvoering op de betreffende locatie gevestigd worden. Als het laatste niet het geval is, kan de specifieke regeling bij bedrijfsverplaatsing of -beëindiging van de betreffende bedrijfslocatie afgehaald worden. Hiervoor geldt wel het beleid dat dit pas wordt gedaan als de functie er minimaal een jaar niet meer is gevestigd.

De gemeente voert hierbij een beleid dat volgend is aan de maatschappelijke ontwikkelingen. Er zal geen actief verplaatsingsbeleid worden gevoerd.

Uitgangspunt voor solitaire bedrijven in de woongebieden is dat de bestaande bedrijven van de milieucategorie 1 zonder meer aanvaardbaar zijn en daarom positief zijn bestemd ('Bedrijf - 1').

Voor bedrijvigheid uit de categorie 2 geldt het “ja, mits-principe”: deze bedrijven kunnen op de aanwezige locaties worden toegelaten, maar alleen indien deze locatie voldoet aan de richtlijnafstand van 30 meter. Is dit niet het geval, dan is het bedrijf specifiek bestemd en wordt alleen de ter plaatse gevestigde bedrijfsactiviteit mogelijk gemaakt ('Bedrijf - 2').

Voor bedrijven uit een hogere categorie (3 e.v.) wordt het “nee, tenzij-principe” gehanteerd. Alleen de specifieke bedrijfsvorm is via een aanduiding op de reguliere bedrijfsbestemmingen (“Bedrijf - 1 en Bedrijf - 2”) bestemd. Hiermee wordt voorkomen dat na beëindiging/verplaatsing van het betreffende bedrijf een andersoortig bedrijf uit dezelfde categorie (met wellicht een grotere milieubelasting) zich in de woonomgeving kan gaan vestigen.

5.15 Verkeer

In Appingedam kan op basis van de verkeersfunctie onderscheid gemaakt worden tussen verschillende typen wegen. De belangrijkste wegen in de externe ontsluiting zijn de N33, die de verbinding vormt tussen de Eemshaven en de A7/A28,en de N360 tussen Groningen en Delfzijl. In de interne ontsluiting vormen de Woldweg (N989) en de Farmsumerweg de belangrijkste wegen in de ontsluiting van de verschillende bedrijvengebieden en zo ook voor de woongebieden en het centrumgebied in Appingedam. Deze wegen zijn als gebiedsontsluitingswegen aangegeven met een maximumsnelheid van 50 km per uur met een ruim profiel. De overige wegen in het plangebied behoren tot een bedrijvengebied en zijn/worden als 30-km/uur-weg ingericht.

5.16 Wonen

Bestaande woongebieden

Uitgangspunt voor de woonbestemmingen is een regeling waarbij de ruimtelijke eigenheid van de verschillende woongebieden zoveel mogelijk aanwezig blijft. Voor het centrumgebied is een aparte op maat gesneden bestemming opgenomen vanwege de ligging in het beschermd stadsgezicht.

Hoofdbebouwing woningen en woongebouwen

In dit plan is daarbij onderscheid gemaakt tussen woonhuizen in gestapelde vorm en de zogeheten grondgebonden woningen. Binnen deze laatste categorie zijn woningen onderverdeeld naar woningtype (rijen, half-vrijstaand of vrijstaand) en afmetingen (op basis van goot- en bouwhoogte). Wanneer het straat- en bebouwingsbeeld dit toelaat, kan binnen deze categorie de woonbebouwing naar een ander woningtype omgezet worden of kunnen andere afmetingen mogelijk worden gemaakt. Belangrijke toetsingskaders daarbij zijn het Woonplan Appingedam en de Welstandsnota Stad Appingedam.

In dit bestemmingsplan hebben de woningen in de bestaande woonbuurten een op de aard en omvang afgestemde bestemming hebben gekregen; de aanwezige woningtypen zijn de basis voor de verschillende woningtypen.

Woongebouwen hebben daarnaast een eigen bestemming gekregen.

De mogelijkheden voor het (uit)bouwen van woonhuizen zijn per woningtype zoveel mogelijk gelijk getrokken. Daarmee wordt aan een groot deel van het woningbestand een zekere uitbreidingsruimte geboden. Bij vrijstaande woningen wordt in beginsel een bouwvlak gelegd met een diepte van 15 meter met als maximale oppervlaktemaat 150 m2.

Indien deze 15 meter vanwege de (minimale) afstand van 5 meter tot de achterperceelsgrens niet mogelijk is, is het bouwvlak minder diep aangegeven. De (minimale) breedte is, met inachtneming van de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens, 10 meter.

Bij halfvrijstaande en rijenwoningen wordt een bouwvlak gelegd met een diepte van 12 meter, waarbij voor de rijenwoningen geldt dat het bouwvlak op 3 meter vanaf de achtergevel gelegd is, tot een maximum van 12 meter.

Erfbebouwing

Bij erfbebouwing, oftewel de aan het hoofdgebouw in functionele en/of ruimtelijke ondergeschikte bebouwing, is onderscheid gemaakt tussen bijgebouwen, aan- en uitbouwen en overkappingen. Hieraan ligt zowel een ruimtelijk criterium ten grondslag (hoofdgebouwen zijn architectonisch bepalend, bijgebouwen en aan- en uitbouwen zijn daaraan ondergeschikt, alsook een functioneel criterium (aan- en uitbouwen zijn functioneel - dus qua gebruik - niet ondergeschikt aan het hoofdgebouw, bijgebouwen zijn dat wel). De mogelijkheden voor het realiseren van erfbebouwing is gerelateerd aan de grootte van het perceel. Wel geldt een maximum van 60 m2 aan erfbebouwing (waarvan een vrijstaand bijgebouw of overkapping maximaal 35 m² groot mag zijn), mits dit niet meer dan maximaal 50% van het erf behelst. Bij kleinere percelen kan het dus voorkomen dat minder dan 60 m² aan erfbebouwing gebouwd mag worden.

Deze regeling is opgenomen om een goede verhouding tussen hoofdgebouw, bijgebouwen en erf te waarborgen.

Tuinen

Daar waar vanuit stedenbouwkundig oogpunt geen erfbebouwing gewenst is, zijn de gronden bestemd als “Tuin”. In de meeste gevallen is dit aan de voorzijde, maar ook bij hoek- en zijerven kunnen bestaande rooi- en zichtlijnen en de eventuele aanwezigheid van bebouwing op zijerven de bestemming “Tuin” gewenst maken. Indien vanuit deze invalshoek het leggen van deze bestemming nodig is, wordt deze gelegd op maximaal 2 meter vanuit de perceelsgrens. Bij woningen die niet evenwijdig aan de weg gesitueerd zijn, is voor de ligging van de bestemming “Tuin” een op-maat-oplossing gekozen, rekening houdend met voldoende vrije ruimte naar de wegzijde.

Beroeps- en bedrijfsactiviteit aan huis

Binnen alle woonbestemmingen is een beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis toegestaan.

Het gaat dan om kleinschalige activiteiten die in ruimtelijk-functioneel opzicht ondergeschikt zijn aan de woonfunctie en daardoor verantwoord zijn in woongebieden.

Hierbij kan zowel gedacht worden aan de klassieke "vrije" beroepen (arts, advocaat, notaris, e.d.) alsook de overige beroepsmatige (makelaar, accountant e.d.) en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten (kapper, schoonheidsspecialist).

Het bestemmingsplan biedt binnen woonbestemmingen ruimte voor de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis, onder afstemming op de recente beleidslijn in het plan Olingermeeden, met als criteria:

  • a. de activiteit mag niet meer dan 30% van de totale gezamenlijke begane vloeroppervlakte van de aanwezige bebouwing op het bouwperceel (bouwvlak én erf) bevatten, met een absoluut maximum van bijvoorbeeld 75 m².
  • b. de beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis mag geen uitzondering op de erfbebouwingsregeling (maximaal 60 m² aan gebouwen op het erf, mits maximaal 35 m² vrijstaand en mits niet meer dan 50% van dat erf wordt bebouwd) met zich meebrengen. Er worden voorwaarden gesteld waarmee gewaarborgd wordt dat de activiteiten qua uitstraling/vorm ondergeschikt zijn aan de woonfunctie. Dit zijn onder andere de volgende voorwaarden:
  • detailhandel dient direct verband te houden met het aan-huis-verbonden beroep, waarbij de woonfunctie de overwegende functie moet blijven;
  • de activiteit brengt geen verkeersaantrekkende werking met zich mee, terwijl parkeervoorzieningen op het erf aanwezig moeten zijn.

Hoofdstuk 6 Milieu- en omgevingsaspecten

Naast het feit dat een nieuwe bestemmingsregeling binnen het vigerende beleid tot stand moet komen, dient er ook rekening te worden gehouden met de aanwezige functies in en rond het gebied. In de volgende paragrafen zijn de randvoorwaarden, die voortvloeien uit de fysieke omgeving, beschreven. Achtereenvolgens komen aspecten als milieueffectrapportage, archeologie en cultuurhistorie, ecologie, water, geluid, externe veiligheid, luchtkwaliteit, bodem, geur, bedrijven en milieuzonering, kabels en leidingen en duurzaamheid aan bod.

6.1 Archeologie en cultuurhistorie

6.1.1 Archeologie

Ter implementatie van het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving is op 1 september 2007 de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. De kern van deze nieuwe wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven. De Wamz verplicht gemeenten bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening te houden met de in hun bodem aanwezige waarden. Naast het inventariseren van de te verwachten archeologische waarde, zal het bestemmingsplan uiteindelijk, indien nodig (en mogelijk), een bescherming moeten bieden voor waardevolle gebieden. Dit kan bijvoorbeeld door middel van een vergunningstelsel.

De gemeenten in de regio Noord-Groningen hebben in een Nota Archeologiebeleid een uitwerking gegeven aan hun archeologiebeleid.

Zo geven de gemeenten aan:

  • hun beleid te willen laten aansluiten op de nieuwe wetgeving over de archeologische monumentenzorg;
  • archeologische waarden zoveel mogelijk 'in situ' te laten behouden;
  • cultuurhistorie (archeologie) vroegtijdig in te brengen van in de totstandkoming van ruimtelijke plannen;
  • aandacht te hebben voor interactie tussen ruimtelijke ordening en het bodemarchief.

De archeologische waarden in het plangebied zijn vertaald in de Archeologische verwachtingskaart en beleidsadvieskaart gemeente Appingedam (zie Bijlage 3 Bedrijvenlijst). In dit onderzoek is een gemeentedekkend overzicht gegeven van de aanwezigheid van bekende archeologische vindplaatsen en verwachte archeologische waarden.

Voor een aantal gebieden is een archeologische dubbelbestemming opgenomen. Voor de Rijksbeschermde AMK-terreinen (Waarde - Archeologie 1 (WR-A1)) is het Rijk bevoegd gezag. Voor elke bodemingreep dient via de gemeente een vergunning aangevraagd te worden bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Aan de overige gebieden is een archeologische dubbelbestemming gekoppeld die is opgenomen in de bestemmingsplanregeling (Waarde - Archeologie 2 (WR-A2), Waarde - Archeologie 3 (WR-A3) of Waarde - Archeologie 4 (WR-A4)).

In opdracht van de gemeente Appingedam is door Libau op 11 september 2012 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor de locatie Stadstuin De Eendracht (zie Bijlage 7 Archeologisch bureauonderzoek Stadstuin De Eendracht). Conclusie van dit onderzoek is dat het gehele plangebied voor de 'Stadstuin De Eendracht' archeologisch wordt vrijgegeven. Mochten tijdens de bodemingrepen onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan geldt krachtens de Monumentenwet (1988) een meldingsplicht. Vondsten dienen in dat geval zo spoedig mogelijk te worden gemeld bij de gemeente Appingedam en bij Libau.

6.1.2 Cultuurhistorie

Met de wijziging van het Bro per 1 januari 2012 dienen gemeenten nadrukkelijk aandacht te besteden aan het aspect cultuurhistorie. Het bestemmingsplan dient een beschrijving te geven van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.

Naast een groot aantal Rijksmonumenten kent Appingedam een aantal gemeentelijke monumenten. Uiteraard is het merendeel van deze monumenten gelegen in de historische binnenstad. De Rijksmonumenten worden beschermd op grond van de Monumentenwet. Hiermee worden deze monumenten afdoende beschermd en hoeft in het bestemmingsplan geen aanvullende beschermende regeling te worden opgenomen.

Het beschermd stadsgezicht van de binnenstad van Appingedam is in de regels en verbeelding van het bestemmingsplan meegenomen. Het aanwijzingsbesluit is opgenomen in bijlage Bijlage 1 Aanwijzingsbesluit Beschermd stadsgezicht. De toelichting op dit aanwijzingsbesluit is opgenomen in bijlage Bijlage 1 Aanwijzingsbesluit Beschermd stadsgezicht.

In de Partiële herziening provinciale omgevingsverordening 2012 zijn voorwaarden in artikel 4.27a met betrekking tot het opnemen van een inventarisatie en beschrijving van de in het plangebied aanwezige karakteristieke gebouwen opgenomen. Uitgangspunt voor de gemeente Appingedam is dat er zich alleen karakteristieke gebouwen bevinden in het beschermd stadsgezicht binnenstad Appingedam. Met een beschermende regeling voor dit gebied is een goede regeling opgenomen om de in het plangebied aanwezige karakteristieke gebouwen te handhaven.

6.2 Ecologie

De wettelijke bescherming van natuurwaarden valt uiteen in twee delen: de gebiedsbescherming en de soortenbescherming.

Gebiedsbescherming

De gebiedsbescherming is geregeld in de Natuurbeschermingswet. In de deze wet wordt uitgegaan van twee typen gebieden:

  • de Natuurbeschermingswetgebieden (beschermde staatsmonumenten en natuurmonumenten);
  • de Natura 2000-gebieden.

Deze laatste betreffen de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. De al eerder aangewezen Vogelrichtlijngebieden worden daarbij opnieuw aangewezen. De aanwijzing van Natura 2000-gebieden is in 2007 begonnen en bevindt zich in de afrondingsfase. Tot die tijd geldt voor Habitatrichtlijngebieden nog steeds de rechtstreekse werking van de Habitatrichtlijn. Wanneer door ontwikkelingen in of in de nabijheid van beschermde gebieden schade kan optreden is nader onderzoek noodzakelijk.

Het dichtstbijzijnde gelegen Natura 2000-gebied is de Waddenzee, op een kilometer ten oosten van de gemeente Appingedam. Aan de noordzijde van Appingedam liggen grote EHS gebieden (zie figuur 10). Ontwikkelingen in de omgeving mogen geen negatieve effecten hebben op deze natuurgebieden. Het bestemmingsplan voorziet niet in grootschalige ontwikkelingen nabij deze natuurgebieden. De effecten van het plan op de meest nabijgelegen natuurgebieden zijn dan ook nihil.

afbeelding "i_NL.IMRO.0003.STADAPPINGEDAM-VG03_0015.png"

Figuur 10. Bestaande EHS gebieden in en om de gemeente Appingedam (bron: website ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie)

Soortenbescherming

Op grond van de Flora- en faunawet is het verboden om vaste broed-, rust en groeigebieden van bepaalde dieren en planten te vernielen of te verstoren. In sommige gevallen is onder voorwaarden ontheffing van dit verbod mogelijk. Voor wat betreft het bestemmingsplan zal bij nieuwe ontwikkelingen moeten worden nagegaan of zich in het betreffende gebied beschermde soorten bevinden en er in die zin conflicten optreden met de Flora- en faunawet.

Aangezien het bestemmingsplan conserverend van aard is en geen grootschalige nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, zal dit niet leiden tot het verwijderen van groeiplaatsen van beschermde plantensoorten en het beschadigen of verstoren van voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van beschermde diersoorten.

Voor het woningbouwgebied De Tip is sprake van een recent gesaneerd terrein. Hier is op dit moment geen sprake van het dempen van sloten, het slopen van gebouwen of het kappen van opgaand groen. Het gebied wordt intensief gemaaid, zodat de kans op het vernielen of verstoren van om vaste broed-, rust en groeigebieden van bepaalde dieren vrijwel nihil is. Aangezien nog niet exact duidelijk is wanneer de werkzaamheden voor het bouwrijp maken starten, wordt ondanks het bovenvermelde toch geadviseerd vóór het starten van deze werkzaamheden een ecologische quickscan uit te voeren om strijdigheid met de Flora- en faunawet te voorkomen.

Conclusie

Aangezien het bestemmingsplan een overwegend conserverend karakter heeft zal deze geen of nauwelijks effect hebben op de ecologie. Een (inventariserend) ecologisch onderzoek voor het gehele plangebied is dan ook niet noodzakelijk. Voor grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen dient wel ecologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Dit is als randvoorwaarde bij de uitwerkingsgebieden meegenomen.

6.2.1 Locatie De Eendracht

Op de locatie van De Eendracht is een quickscan flora en fauna uitgevoerd op het voormalig bedrijfsterrein van de Eendracht en een weiland ten zuiden van het bestaande bedrijventerrein De Eendracht (zie  Bijlage 4 Quickscan flora en fauna De Eendracht) .

Op geen van beide locaties bevinden zich strikt beschermde dier- of plantensoorten die door de voorgenomen werkzaamheden wezenlijk kunnen worden beïnvloed. In het kader van de te doorlopen planologische procedure zijn er vanuit de beschermde flora en fauna geen belemmeringen. Een uitzondering hierop is het voorkomen van zwaar beschermde soorten zoals de Huis- en Boerenzwaluw op het voormalige bedrijfsterrein de Eendracht. Omdat beide vogelsoorten in en aan gebouw 12 en 24a broeden en deze gebouwen voorlopig gehandhaafd blijven, zijn er op dit moment geen belemmeringen ten aanzien van de werkzaamheden op het terrein en de in de toekomst in te richten woningbouw. Worden in de toekomst de aanwezige gebouwen gesloopt (buiten het broedseizoen), dan wordt aanbevolen de aanwezige Huiszwaluwenkolonie (gebouw 12) te compenseren door het plaatsen van speciale Huiszwaluwnestkasten.

Op de locaties komen mogelijk wel enkele algemene kleine zoogdieren en amfibieënsoorten voor, die weliswaar beschermd zijn, maar zo algemeen, dat hun voortbestaan niet wordt bedreigd. Voor deze soorten hoeft geen ontheffing ex. art. 75 van de Flora- en faunawet te worden aangevraagd voor het overtreden van verbodsbepalingen.

Door de voorgenomen werkzaamheden zullen voor vleermuizen geen verblijfplaatsen (aanwezige bebouwing blijft voorlopig gehandhaafd), vliegroutes, noch een significant oppervlak aan foerageergebied worden aangetast. Er treden geen negatieve effecten op. Derhalve hoeft geen ontheffing ex. art. 75 van de Flora- en faunawet te worden aangevraagd. Worden in de toekomst de aanwezige gebouwen (12 en 23) gesloopt, dan wordt aanbevolen om een aanvullend vleermuisonderzoek uit te laten voeren. Daarnaast wordt geadviseerd om tijdens de inrichting van het terrein (woningbouw), vleermuisvriendelijke maatregelen te nemen door het aanplanten van groen en het plaatsen van vleermuiskasten.

De aangetroffen vissoorten zijn niet beschermd. Het opschonen van de bassins en deze in de toekomst omvormen tot vijvers zal niet leiden tot aantasting van de instandhouding van de voorkomende soorten. Door de bassins in te richten als vijverpartijen zullen deze op termijn een positieve uitwerking hebben op verschillende soortgroepen.

De onderzochte locaties vallen niet binnen Natura 2000-gebied en in dit kader zullen zich geen negatieve effecten voordoen. De locaties vallen eveneens buiten de begrenzing van de EHS. De EHS kent geen externe werking. De voorgenomen werkzaamheden hebben om deze reden geen negatieve effecten op het functioneren van de EHS. In dit kader zullen zich dan ook geen negatieve effecten voordoen.

Aanbevelingen locatie De Eendracht

Voor alle beschermde soorten geldt de bepaling van de zorgplicht. Deze houdt in dat bij de uitvoering van werkzaamheden rekening moet worden gehouden met kwetsbare perioden van dieren, zoals winterslaap en voortplantingstijd. Door een zorgvuldige planning van de werkzaamheden kan de zorgplicht goed worden ingepast in het werk. Met betrekking tot de aanwezige bomen en struweel die eventueel worden gerooid, wordt geadviseerd om deze werkzaamheden buiten het broedseizoen (half maart tot en met half juli) uit te voeren. Bouwwerkzaamheden vinden bij voorkeur plaats in de daglichtperiode, opdat verstoring van de omgeving door verlichting wordt voorkomen. Bij nachtelijke verlichting van de bouwplaats dient uitstraling naar de omgeving te worden voorkomen. Wanneer de bouwplaats is gelegen in de nabijheid van een migratieroute van vleermuizen, wordt de verlichting dusdanig aangepast dat de migrerende vleermuizen hier geen hinder van ondervinden. Dit kan door het gebruik van lagere lichtmasten en door de lampen/armaturen aan de bovenkant af te schermen zodat de verlichting alleen omlaag schijnt.

6.3 Water

Water mede-sturend laten zijn bij ruimtelijk ordening is in de eerste plaats een kans. Door de waterkansenkaart te gebruiken en de watertoets toe passen kunnen problemen vaak worden voorkomen.

Het water in Appingedam en dan met name rond de binnenstad heeft belangrijke recreatieve, culturele en ecologische waarden, die zoveel mogelijk behouden en waar mogelijk versterkt dienen te worden. Het Waterplan Appingedam biedt hiervoor het kader.

Zowel het waterschap Noorderzijlvest als het waterschap Hunze en Aa's hebben hun beleid vastgelegd in het Waterbeheerplan 2010-2015.

In de Notitie Stedelijk Water van november 2006 is het beleid van Waterschap Noorderzijlvest voor watersystemen in bebouwd en te bebouwen gebied vertaald in richtlijnen voor ontwerp, toetsing, inrichting, beheer en onderhoud van deze watersystemen. De notitie is geschreven voor initiatiefnemers van ruimtelijke plannen, zoals gemeenten, projectontwikkelaars en de daarbij betrokken adviseurs. De richtlijnen zoals weergegeven in deze notitie hebben de status van beleidsregels. Samen vormen deze een toetsingskader.

Daarnaast is het van belang om een veerkrachtig watersysteem aan te leggen. Het is wenselijk om het gebiedseigen water langer vast te houden in het gebied, dit kan door seizoensberging. Ook is algemeen de aanleg van meer oppervlaktewater gewenst om (grond)wateroverlast te voorkomen. Voldoende oppervlaktewater en herstel van het oppervlaktewatersysteem is eveneens noodzakelijk voor de opvang van hemelwater dat door een verdere afkoppeling opgevangen zal moeten worden. Deze afkoppeling heeft een positief effect op de benodigde zuiveringscapaciteit van de RWZI.

 

Voor het bestemmingsplan geldt in het algemeen dat in ieder geval alle hoofdwatergangen specifiek zijn bestemd en de toegekende functies mogelijk worden gemaakt. Voorts wordt rekening gehouden met de volgende vereisten:

  • bij nieuwe ontwikkelingen waterneutraal bouwen;
  • bij herstructurering zoveel mogelijk verhard oppervlak afkoppelen en voor de opvang van het hemelwater voldoende bergingscapaciteit bieden, wat ook positief effect heeft op grondwateroverlast;
  • bestemmen van de waterlopen conform de daaraan gekoppelde functietoekenning;
  • positief bestemmen van de (geplande) recreatieve watervoorzieningen.

Conclusie

Het bestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg aan zowel het Waterschap Noorderzijlvest als het Waterschap Hunze en Aa's worden voorgelegd. Het advies van beide waterschappen is in het bestemmingsplan verwerkt.

6.4 Geluid

6.4.1 Industrielawaai

Binnen de gemeente komt een tweetal gezoneerde industrieterreinen voor. Dit zijn terreinen waar zogenaamde "grote lawaaimakers" gevestigd kunnen worden en waarvoor op grond van de Wet geluidhinder een zonegrens dient te worden vastgesteld door de gemeente. In Appingedam zijn dit de industrieterreinen Woldweg en Farmsumerweg.

Dit bestemmingsplan geeft onder andere de planologische regeling weer voor de ruimtelijke ontwikkelingen op de industrieterreinen Woldweg en Farmsumerweg. Om de ruimtelijke ontwikkeling mogelijk te maken en om de akoestische situaties van beide industrieterreinen te actualiseren wordt de ligging van beide geluidszones aangepast. Om de geluidszones te actualiseren is een nieuwe geluidzone berekend voor het zuidelijk deel van de Woldweg en de Farmsumerweg (zie Bijlage 6 Akoestisch onderzoek geluidzone Woldweg en Farmsumerweg). Op basis hiervan zijn nieuwe geluidzones vastgesteld. De voorgestelde zone is hierbij op de verbeelding opgenomen.

Woldweg

Voor het industrieterrein Woldweg is voor het noordelijke deel van het industrieterrein de industriefunctie vanwege het wegvallen van 'de Eendracht' niet meer nodig. Voor dit gebied kan transitie naar andere functies plaatsvinden en is de geluidszone niet meer nodig. Tijdelijk dient nog rekening met de warmtekrachtcentrale te worden gehouden. Ook voor een groot deel van het middendeel (weiland in de huidige situatie) kan transitie (woon-/gemengde functie) plaatsvinden en de zone vervallen. Voor het zuidelijke deel geldt dat hier mogelijkheden voor vestiging van art. 2.1-3 Bor-inrichtingen (zogenaamde 'grote lawaaimakers') wenselijk is. Vanwege de huidige ligging van de zonegrens, de wens voor uitbreidingmogelijkheden van bedrijven en de gewijzigde wetgeving dient de gehele zone te worden aangepast. Figuur 11 geeft de geluidszone weer. Voor achttien woningen is een hogere waarde vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders.

afbeelding "i_NL.IMRO.0003.STADAPPINGEDAM-VG03_0016.jpg"

Figuur 11. Industrieterrein Woldweg (zuid) met voorstel toekomstbestendige zone (blauw), berekende 50 dB(A) etmaalwaarde geluidscontour (groen) en nieuwe grens van het industrieterrein (paars)

Eendrachtterrein

Het terrein van De Eendracht maakte eerst ook onderdeel uit van het gezoneerde terrein. De Eendracht is inmiddels weg van dit terrein. De geluidzone is hierop aangepast, zie hiervoor onder Woldweg en ook het onderzoek zoals opgenomen in bijlage Bijlage 6 Akoestisch onderzoek geluidzone Woldweg en Farmsumerweg. De WKC (Warmtekrachtcentrale) staat er nog wel, maar zal ontmanteld worden tijdens de planperiode (in ieder geval binnen een periode van tien jaar). Zolang de WKC er nog is (en ook nog een vergunning heeft) blijft de geluidzone die hier rondom is gelegen op grond van de Wet geluidhinder van rechtswege bestaan. In het bestemmingsplan is de WKC en de zone evenwel wegbestemd.

Farmsumerweg

Voor industrieterrein Farmsumerweg wijzigt de zone rond het westelijke gedeelte (het bedrijf Control Seal) niet. Gezien de feitelijke en gewenste situatie om aan de Energieweg geen art. 2.1-3 Bor-inrichtingen toe te staan wordt de grens van het industrieterrein richting Control Seal verlegd, zodat alleen dit bedrijf, inclusief bijbehorende kavels, op het industrieterrein is gelegen. De resterende braakliggende kavels krijgen de bestemming agrarisch. De bedrijven rond de Energieweg liggen dan op een bedrijventerrein. Het regime verandert hierbij voor de woningen niet. Voor de bedrijven verandert het regime wel, echter heeft dit geen consequenties. Figuur 12 geeft de gewijzigde geluidszone.

afbeelding "i_NL.IMRO.0003.STADAPPINGEDAM-VG03_0017.jpg"

Figuur 12 Industrieterrein Farmsumerweg met toekomstbestendige zone (blauwe lijn), berekende 50 dB(A) etmaalwaarde geluidscontour (lichtgroen) vigerende zone (donkergroen, westzijde komt overeen met nieuwe zone = blauwe lijn) en nieuwe grens van het industrieterrein (paars)

Conclusie

Het aspect industrielawaai vormt geen belemmering voor de voorgenomen aanpassing van de zonegrenzen. Voorwaarde is dat voor de woningen die in de zone van Woldweg-Zuid komen te liggen een hogere waarde vastgesteld.

6.4.2 Verkeerslawaai

In de Wet geluidhinder wordt de omvang van de wettelijke zones langs verkeerswegen aangegeven. Op grond van de Wet geluidhinder hebben alle wegen een geluidszone, tenzij er sprake is van een woonerf, een 30-km/uur-gebied of een gemeentelijke geluidsniveaukaart waaruit blijkt dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabijgelegen rijstrook 48 dB of minder bedraagt. De 48 dB is de voorkeursgrenswaarde voor het wegverkeerslawaai. Voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen die in een zone geprojecteerd worden, bepaald de wet dat akoestisch onderzoek verplicht is. De geluidbelasting van het verkeer op de buitengevels van geluidsgevoelige bestemmingen mag de in de wet genoemde normen niet overschrijden.

Bestaande situaties

Met de consequenties van het wegverkeerslawaai voor geluidsgevoelige functies is, voor zover noodzakelijk, rekening gehouden. Van de wegen in het buitengebied is op de plankaart een dwarsprofiel opgenomen. Van het dwarsprofiel mag slechts via een omgevingsvergunning worden afgeweken, mits er geen wezenlijke verandering in de geluidssituatie optreedt en de verkeersveiligheid niet onevenredig zal worden aangetast. De bestaande geluidsgevoelige bebouwing langs de zoneplichtige wegen mag niet dichter naar de weg toe worden gebouwd

Conclusie

Het bestemmingsplan is erop gericht een bestaande situatie vast te leggen en staat geen grootschalige ontwikkelingen voor (met uitzondering van de De Tip en De Eendracht). Het doen van akoestisch onderzoek is niet noodzakelijk. Voor de gebieden waarvoor in dit bestemmingsplan een uitwerkingsplicht is opgenomen, (De Tip, Olingermeeden en De Eendracht) zal dit plaatsvinden bij de verdere planvorming en is als voorwaarde opgenomen dat moet worden voldaan aan de eisen die de Wgh daaraan stelt. Mocht het dan nodig zijn om hogere grenswaarden vast te stellen, dan kan dat tijdens de procedures van de verschillende uitwerkingsplannen.

6.4.3 Spoorweglawaai

Ten noorden van het woongebied loopt de spoorlijn Groningen-Delfzijl. Ook spoorwegen hebben wettelijke zones waarbinnen grenswaarden gelden voor de geluidsbelasting van geluidsgevoelige bestemmingen, zoals bijvoorbeeld woningen. Deze zijn vastgelegd in het besluit geluidhinder spoorwegen, waaronder de voorkeursgrenswaarde van 55 dB. In het kader van de actualisering van het gemeentelijk geluidbeleid is ook het spoorweggeluid van dit tracé onderzocht.

Ten behoeve van het in beeld brengen van mogelijke saneringssituaties als gevolg van het railverkeer is een akoestisch onderzoek verricht (eindmelding sanering railverkeerslawaai Appingedam, DGMR Industrie, Verkeer en Milieu BV, 2007). Het onderzoek stelt het volgende vast:

  • reeds uit een eerdere melding aan het Ministerie van VROM was gebleken dat er ten gevolge van het railverkeer geen sprake was van saneringswoningen;
  • ook uit de hier aan de orde zijnde eindmelding zijn geen saneringswoningen langs de spoorweg naar voren gekomen. Ook is er geen geluidsgevoelig buitenterrein of ander geluidsgevoelige bestemming bepaald waar een saneringssituatie in de zin van de Wet Geluidhinder aan de orde is. Woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen staan daarvoor op voldoende afstand van het traject van de spoorbaan.
6.4.4 Vliegverkeer

Op circa 1,5 kilometer buiten de bebouwde kom ligt aan de Garrelweersterweg 16 een modelvliegtuigterrein van Aeroclub Fivelingo. Ook bij dergelijke vliegterreinen dient rekening te worden gehouden met eventuele geluidsbelasting. Gezien echter het gebruik van het terrein voor modelvliegtuigen en de tijdstippen waarop dit gebeurt in relatie tot de grote afstand (1,5 km) tot aan de bebouwde kom, zijn er geen beperkingen voor de juridisch-planologische mogelijkheden voor de geluidsgevoelige functies.

6.5 Externe veiligheid

In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is het veiligheidsbeleid voor inrichtingen vastgelegd. Bij externe veiligheid gaat het om de grootte van het overlijdensrisico voor omwonenden als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen, zowel bij de opslag als het vervoer daarvan. De mate van externe veiligheid wordt bepaald door de grootte van twee te berekenen grootheden: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Deze variabelen geven inzicht in het overlijdensrisico van personen in de omgeving van gevaarlijke stoffen.

Ten aanzien van het plaatsgebonden risico (PR) geldt voor nieuwe situaties een grenswaarde van 10-6 per jaar. Dit betekent dat de overlijdenskans niet groter mag zijn dan één op de miljoen per jaar. Voor bepaalde inrichtingen zijn in de Regeling Externe Veiligheid Inrichtingen (REVI) vaste afstanden tot gevoelige functies vastgelegd. Nieuwe ontwikkelingen mogen binnen de zonering rond een inrichting niet plaatsvinden.

Het plaatsgebonden risico geeft de kans weer op een dodelijk slachtoffer bij een ramp met gevaarlijke stoffen. Hierbij wordt bepaald hoe groot de kans is dat een onbeschermde persoon dodelijk wordt getroffen op een bepaalde afstand van de risicobron. Bij de berekening van het risico wordt geen rekening gehouden met het aantal personen in de omgeving van de risicobron. Voor het plaatsgebonden risico is de volgende factor bepalend: De jaarlijkse kans op een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit hangt af van de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen, de daarmee verrichte handelingen en de getroffen veiligheidsmaatregelen.

Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp met gevaarlijke stoffen en het mogelijke aantal slachtoffers. Het groepsrisico geeft aan hoe groot de kans is dat bij een dergelijk ongeval 10, 100 of 1000 dodelijke slachtoffers tegelijk vallen. Hierbij wordt wel rekening gehouden met het aantal personen in de omgeving van de risicobron. Het groepsrisico is daardoor een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp. Voor het groepsrisico speelt ook de volgende factor mee: Het aantal potentiële slachtoffers in de omgeving van de activiteit. Dit hangt af van de hoeveelheid én spreiding van de bevolking en de effecten van de gevaarlijke stof bij een ongeluk. Het groepsrisico neemt dus ook toe als er meer personen in de omgeving gaan wonen of werken.

Een belangrijke consequentie van de Bevi voor ruimtelijke plannen is dat er rekening moet worden gehouden met het feit dat er geen kwetsbare functies binnen een PR 10-6 risicocontour (PR) van een gevaarzettende functie worden gepland. Bovendien moet gekeken worden naar de beperkt kwetsbare functies binnen zo'n contour.

Op de risicokaart staan de risico's (en aandachtspunten) met betrekking tot externe veiligheid weergegeven. Onderstaand is gekeken naar de soort inrichting (wel of geen Bevi-inrichting) en de bijzonderheden op de risicokaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.0003.STADAPPINGEDAM-VG03_0018.jpg"

Figuur 13. Risicokaart provincie Groningen

Risicobronnen

Op de risicokaart zijn meerdere hogedruk gasleidingen opgenomen, alsmede de risicovolle inrichting WKC De Eendracht (voorheen Heinzel Paper Board) aan de Woldweg 18 (geen Bevi-inrichting) met een warmtekrachtcentrale. Omdat dit geen Bevi-inrichting is, valt deze onder het Activiteitenbesluit (officieel Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer). In het Activiteitenbesluit staan veiligheidszones genoemd. Daarmee wordt voorkomen dat de risicobronnen te dicht bij gevoelige objecten worden gelegd. Echter het voorkomt niet dat in het bestemmingsplan (mogelijke) gevoelige bestemmingen te dicht bij een risicobron worden gelegd.  Aangezien de risicocontour nul meter bedraagt, vloeit hiervoor geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan uit voort.

Binnen het plangebied bevinden zich gasontvangstation N-154 (G.O.S. N-154) en gasontvangstation N-297 (G.O.S N0297). Aan deze gasontvangstation liggen veiligheidsaspecten ten grondslag (veiligheid van personen, goederen en milieu in de directe omgeving en het bedrijfszekere gastransport). Deze zijn dan ook als zodanig bestemd.

Op basis van de plannen van initiatiefnemer kunnen op het Tankstation Fivelpoort naast benzine en diesel ook bio-ethano, aardgas (CNG en / of LNG) worden opgeslagen. LNG gaat mogelijk in verband met de risico's onder het Bevi vallen.

Hiertoe is op de verbeelding een veiligheidszone Bevi opgenomen van 50 meter rondom het tankstation (met uitzondering richting het naastgelegen kantoor).

Bij de graanhandel aan het Eemskanaal vindt op- en overslag van graanproducten c.q. diervoeders plaats. Op 3 maart 2001 een melding gedaan voor een uitbreiding. Het gaat hier niet om een BEVI-inrichting (geen opslag van gevaarlijke stoffen), al zal materieel wel rekening moeten worden gehouden met stofexplosies. Hierover is in overleg met het Steunpunt Externe Veiligheid Groningen meer specifiek het volgende gebleken: voor inrichtingen met gevaar voor stofexplosies zijn de zogenaamde ATEX-richtlijnen van toepassing. Deze bevatten preventieve voorzieningen, zoals een adequate drukontlasting. Er zijn geen toetsingsafstanden of risicoafstanden van toepassing.

Transport gevaarlijke stoffen

Naast inrichtingen kan het aspect van externe veiligheid een rol spelen bij (spoor/weg/auto)wegen in verband met het transport van gevaarlijke stoffen.

Het Steunpunt Externe Veiligheid Groningen heeft met betrekking tot het externe veiligheidsaspect, verbonden aan het transport gevaarlijke stoffen, de volgende provinciale kaders aangegeven (Basisnet):

  • rekening houden met de 10-6 contour als gevolg van het transport;
  • groepsrisico verantwoorden tot 200 m langs de transportassen (gemeten vanaf de rand);
  • binnen 30 m–zone van de weg beperkingen voor specifiek kwetsbare objecten, zoals crèches, scholen, bejaardencentra, ziekenhuizen, zorgwoningen en hoogbouw > 6 verdiepingen.

Plaatsgebonden risico

Spoorwegen

De spoorweg Delfzijl-Groningen voor het vervoer van brandbare stoffen.

De belangrijkste risicofactoren waren de chloortransporten van AKZO Nobel in Delfzijl, per 1 juli 2006 gestopt, (zie TK 27801, nr. 29). Wel moet er mogelijk rekening worden gehouden met het vervoer van andere gevaarlijke stoffen.

Voor de spoorwegen geldt een 10-6 contour van minder dan 10 m. Zowel voor de bestaande bebouwing, als voor geplande ontwikkelingen binnen een zone van 200 m moet worden berekend welke de gevolgen dat heeft voor het groepsrisico.

Wegen

Voor de N33 geldt 10-6 contour van 25 m met een verantwoording van het groepsrisico binnen een zone van 200 m.

Het Steunpunt Externe Veiligheid wijst wat betreft de N360 (Groningen-Delfzijl) en de N387 (Hoogezand-Slochteren) op routering gevaarlijke stoffen en de mogelijke opheffing daarvan.

Vaarwegen

Het Eemskanaal is van belang voor het vervoer van brandbare stoffen.

Volgens de risicokaart van de provincie moet hier rekening worden gehouden met een effectafstand van 50 meter. Volgens de Risicoatlas vaarwegen ligt de 10-8 risicocontour op 32 meter uit de oever. Materieel wil dit zeggen dat de 10-6 contour niet buiten de walkant komt. Wel moet in voorkomend geval binnen de afstand van 200 meter rekening worden gehouden met een verantwoording van het groepsrisico.

Groepsrisico

Binnen de invloedsgebieden van de transportroutes gevaarlijke stoffen worden er in dit bestemmingsplan ten opzichte van de vigerende bestemmingsplannen geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die een verhoging van het groepsrisico zouden kunnen inhouden.

Buisleidingen

Op grond van per 1 januari 2011 in werking getreden Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) moet op basis van artikel 12 het groepsrisico binnen het invloedsgebied (1% letaliteitsgrens) worden verantwoord.

In haar beroepsschrift tegen het vastgesteld bestemmingsplan 'Stad Appingedam, deelplan Woongebieden, herziening 2011' vraagt de Gasunie bij wijzigingsbevoegdheden binnen de letaliteitsgrens de voorwaarde op te nemen dat er geen strijdigheid met het Besluit externe veiligheid buisleidingen op mag treden. Deze voorwaarde is in dit bestemmingsplan verwerkt, door bij toepassing van wijzigingsbevoegdheden te toetsen aan de milieusituatie. Tevens is deze voorwaarde opgenomen bij de bestemming 'Gemengd - Uit te werken', waarbij aangetoond moet worden dat de ontwikkeling vanuit het oogpunt van externe veiligheid acceptabel is;

In artikel 14 van het Bevb is bepaald dat binnen de belemmeringenstrook een vergunningstelsel voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden moet zijn opgenomen. Een dergelijke omgevingsvergunning kan alleen worden verleend voor zover de veiligheid met betrekking tot de in de belemmeringenstrook gelegen buisleiding niet wordt geschaad. In de toelichting op dit artikel is opgenomen dat uit oogpunt van zorgvuldige besluitvorming (afdeling 3.2. van de Algemene wet bestuursrecht) Burgemeester en Wethouders daarbij de mening van de exploitant over de veiligheid van de buisleiding moeten betrekken. Dit is in de regels van dit bestemmingsplan verwerkt.

In onderstaande tabel zijn de externe veiligheidsrisico's van de leidingen weergegeven:

afbeelding "i_NL.IMRO.0003.STADAPPINGEDAM-VG03_0019.jpg"

Plaatsgebonden risico

Bij de leidingen binnen het plangebied ligt het plaatsgebonden risico op de leiding. Binnen deze contour bevinden zich geen kwetsbare objecten en deze worden ook niet toegelaten. Dit betekent dat voor de andere leidingen het plaatsgebonden risico geen belemmering vormt voor dit bestemmingsplan.

Groepsrisico

Voor de leidingen binnen het plangebied geldt dat er nauwelijks sprake is van groepsrisico doordat de invloedsgebieden dunbevolkt zijn. Doordat het bestemmingsplan conserverend van aard is, is er geen sprake van een toename van het groepsrisico.

Belemmeringenstrook

Voor hoofdgastransportleidingen (leidingnummers beginnend met A en een hogere maximale werkdruk van 40 bar) moet een belemmeringstrook van 5 meter ter weerszijden van de hartlijn van de leiding in acht worden genomen, voor de regionale leidingen (vanaf een werkdruk van 16 bar tot en met een maximale werkdruk van 40 bar) 4 meter. Doel van deze strook is het waarborgen van een veilig en bedrijfszeker gastransport en ter beperking van gevaar voor personen en goederen in de directe omgeving van de leiding. De belemmeringstroken zijn bestemd als 'Leiding - Gas'.

Conclusie

De Brandweer Regio Groningen adviseert gemeenten over het groepsrisico en heeft daarin een wettelijke taak. Het advies geeft inzicht in de mogelijke omvang van een ongeval met gevaarlijke stoffen en de bestrijdbaarheid daarvan. Daarnaast geeft het advies inzicht in de mate van zelfredzaamheid van de personen in de omgeving. Aan de hand van de bevindingen bepaalt de brandweer samen met de gemeente met welke risicobeperkende maatregelen aan veiligheid is te winnen. De Brandweer Regio Groningen is gevraagd advies uit te brengen op dit bestemmingsplan in het kader van externe veiligheid, specifiek het groepsrisico. Dit advies is opgenomen als Bijlage 9 Advies Regionale Brandweer Groningen in dit bestemmingsplan en tevens toegestuurd naar de Gasunie. In dit advies geeft de Brandweer Regio Groningen aan dat het bestemmingsplan een conserverend karakter heeft en daarmee voornamelijk de bestaande situatie vastlegt. De groepsrisico's nemen hierdoor niet of nauwelijks verder toe. Ten aanzien van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid lever het bestemmingsplan over het algemeen geen knelpunten op. Hierover is op onderliggende plandelen in het verleden reeds door de Brandweer Regio Groningen geadviseerd.

6.6 Luchtkwaliteit

Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit') bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. In de Wet milieubeheer zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer:

    • 1. een ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit;
    • 2. ten gevolge van een ontwikkeling de concentraties van de betreffende stoffen verbeteren of ten minste gelijk blijven;
    • 3. een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van de betreffende stoffen in de buitenlucht;
    • 4. een ontwikkeling past binnen een vastgesteld programma (zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit).

Een nadere uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip 'niet in betekenende mate' is vastgelegd in het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)'. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als 'niet in betekenende mate' worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Er is blijkens deze regeling geen onderzoek nodig voor 'woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat'.

Voorliggend bestemmingsplan is een overwegend conserverend bestemmingsplan waarbij de bestaande situatie wordt vastgelegd en slechts beperkt nieuwe woningen mogelijk worden gemaakt.

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met het bepaalde in de Wet milieubeheer. Er bestaan voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen.

6.7 Lichthinder

Blootstelling aan kunstmatige verlichting heeft tijdens de nachtperiode negatieve gevolgen voor mens en dier. Waar het bij dieren leidt tot een verstoring van de oriëntatie en het bioritme, heeft het bij mensen vooral invloed op de kwaliteit van de nachtrust.

Strikte normen met afstandsbepalingen voor lichthinder zijn niet voorhanden. De regelgeving die voorhanden of in voorbereiding is, richt zich vooral op de lichtbronnen, de veroorzakers van licht. Specifieke regels over kunstlicht zijn opgenomen in:

  • het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit);
  • het Besluit glastuinbouw;
  • het Besluit landbouw milieubeheer.

De strekking van de regels is dan als volgt:

  • lichthinder wordt voorkomen en als dat echt niet mogelijk is wordt het tot een aanvaardbaar niveau beperkt;
  • de verlichting van gebouwen en van open terrein(en) van de inrichting, inclusief de verlichting ten behoeve van reclamedoeleinden, wordt zodanig uitgevoerd dat directe lichtinstraling op lichtdoorlatende openingen van woon- of slaapvertrekken, in gevels of daken van woningen wordt voorkomen;
  • gedurende een specifiek tijdspad is de verlichting uit of niet zichtbaar (bijvoorbeeld bij assimilatiebelichting en verlichting bij sportvelden e.d.).

Op grond van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en het Provinciaal Omgevingsplan wordt duisternis, samen met onder andere rust en ruimte, tot een van de kernkwaliteiten van het landschap gerekend. Het rijk bevordert daarom energiezuinige (straat)verlichting met behoud van kwaliteit en (verkeers)veiligheid bij gemeenten en provincies.

In de Provinciale Omgevingsverordening Groningen (juni 2009) is een regeling opgenomen die specifiek van toepassing is op de ligboxenstallen bij agrarische bedrijven. De regeling is erop gericht de kernkarakteristiek duisternis te beschermen. De lichtuitstraling van ligboxenstallen mag daarbij niet meer bedragen dan 150 lux, tenzij tussen 20.00 uur en 6.00 uur de lichtuitstraling met ten minste 90% wordt gereduceerd. Overeenkomstig het provinciaal beleid is ten aanzien van ligboxstallen een bepaling in de planregels opgenomen.

Glastuinbouw is niet aan de orde in het buitengebied van Appingedam. In de planregels is een bepaling opgenomen die het oprichten van bedrijfsmatige kassen niet toestaat.

6.8 Duisternis en stilte

Duisternis en stilte zijn belangrijke kernkarakteristieken. Lichtuitstoot en lawaai verstoren het dagnachtritme, de oriëntatie en de rust van dieren en tasten de belevingswaarde van duisternis en stilte voor de mens aan.

In dit bestemmingsplan zijn duisternis en stilte op de volgende manier beschermd:

Duisternis:

  • er is een bepaling opgenomen voor de lichtuitstraling van ligboxstallen (zie paragraaf 4.5.4);
  • in de planregels is een bepaling opgenomen die het oprichten van kassen niet toestaat (zie paragraaf 4.5.4).

Stilte:

  • er zijn geen bedrijfsmatige activiteiten mogelijk gemaakt die veel lawaai maken. De bedrijfsmatige activiteiten die mogelijk zijn, zijn kleinschalig van aard (zie paragraaf 5.8);
  • er zijn bepalingen opgenomen die er voor zorgen dat er niet zonder meer geluidgevoelige bestemmingen worden gerealiseerd binnen bepaalde geluidzones van (spoor)wegen en industrie.

6.9 Bodem

Op grond van artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening moet een bodemonderzoek worden verricht om te beoordelen of een (bestemmings)wijziging realiseerbaar is. Voor alle bestemmingsplannen waar een functiewijziging of herinrichting mogelijk is, moet ten minste een verkennend bodemonderzoek worden verricht. Aangezien er voor het plangebied een conserverend bestemmingsplan wordt opgesteld, waarbij geen functieveranderingen met milieutechnische gevolgen worden mogelijk gemaakt, is een bodemonderzoek niet noodzakelijk. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient inzicht in bodemkwaliteit te worden verkregen.

In het kader van bodemsanering zijn de gronden op De Tip gesaneerd. Hier mag dus in het kader van dit bestemmingsplan verondersteld worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde functie. Bij de Eendracht wordt vooralsnog uitgegaan van het uitsluiten van woningbouw op vervuilde locaties. Bij de uitwerking zal dit aspect nader worden onderzocht.

Conclusie

Voorliggend bestemmingsplan is een overwegend conserverend bestemmingsplan waarbij de bestaande situatie wordt vastgelegd. Er bestaan geen belemmeringen vanuit het aspect bodem.

6.10 Geur

Grotere industriële geurveroorzakers, waarbij rekening dient te worden gehouden met een stankcirkel (zoals bijvoorbeeld rioolwaterzuiveringsinstallaties) komen binnen de gemeentegrenzen niet voor. Wel zijn in het buitengebied van Appingedam enkele veehouderijen aanwezig, waarbij rekening moet worden gehouden met een geurcontour. Eén bedrijf verdient in het kader van onderhavig bestemmingsplan extra aandacht. Dit betreft het vleeskuikenbedrijf aan de Garrelweersterweg 16. Volgens de richtlijn veehouderij en stankhinder heeft dit bedrijf bij gewone stallen een stankcirkel van 230 meter in relatie tot de bebouwde kom. Dit bedrijf ligt zeker op 1,5 kilometer ten opzichte van het meest nabijgelegen bebouwing, in dit geval de wijk Olingermeeden. Deze afstand in acht nemende levert dit bedrijf voor de mogelijkheden in dit bestemmingsplan geen problemen op.

Daarnaast ligt er nog een agrarisch bouwperceel aan de zuidzijde van het woongebied, maar de afstand daarvan tot het plan (400 à 500 meter) is zodanig dat hieruit geen beperkingen voortvloeien.

6.11 Bedrijvigheid en milieuzonering

6.11.1 Agrarische bedrijven

Binnen de grenzen van het plangebied komen agrarische bedrijven voor. Voor vrijwel al deze bedrijven geldt het Activiteitenbesluit. Voor vergunningplichtige bedrijven geldt deels het Activiteitenbesluit en is voor veehouderijen onder andere de Wet geurhinder en veehouderij van toepassing.

Voor veehouderijen zijn in het Activiteitenbesluit vanuit de Wet geurhinder en veehouderij waarden (geureenheden) en normen (vaste afstanden) opgenomen voor de geurbelasting, die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet hier rekening mee worden gehouden. Er moet enerzijds worden getoetst of ter plaatse van nieuwe geurgevoelige objecten sprake is van een goed woon- en verblijfsklimaat. Anderzijds moet worden getoetst of de agrarische bedrijven niet onevenredig in hun toekomstige groeimogelijkheden worden beperkt. Hierbij moet rekening worden gehouden met de zogenaamde omgekeerde werking. Een geurnorm is bedoeld om mensen te beschermen tegen overmatige geurhinder, omgekeerd moet het bevoegde gezag dan ook niet toestaan dat mensen zichzelf blootstellen aan overmatige geurhinder.

Voor alle agrarische bedrijven gelden in nieuwe situaties minimale afstandseisen tot geurgevoelige objecten en wel van de muur van de stal tot de muur van de woning (50 meter binnen en 25 meter buiten de bebouwde kom). Voor veehouderijen met dieren, waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, gelden daarnaast twee maal grotere afstanden die gerekend worden vanaf het emissiepunt van de stal. Veehouderijen met dieren waarvoor wel een geuremissiefactor is vastgesteld, moeten naast bovengenoemde minimale afstand van muur tot muur rekening houden met een geurcontour (een berekende geurbelasting op een geurgevoelig object). Een uitzondering hierop vormen bedrijfswoningen van andere veehouderijen, waarvoor een vaste afstand geldt (100 meter binnen en 50 meter buiten de bebouwde kom).

Voor agrarische bedrijven, waar geen landbouwdieren worden gehouden, zijn in het Activiteitenbesluit in tegenstelling tot het Besluit landbouw milieubeheer, geen afstandseisen in de voorschriften opgenomen. Het niet voldoen aan bepaalde afstanden kan binnen de Wabo na 1 januari 2013 ook niet langer tot vergunningplicht leiden. Wel zijn in het Activiteitenbesluit voor de verschillende milieuaspecten regels opgenomen ter voorkoming of beperking van hinder en andere nadelige gevolgen voor het milieu. Hierbij kan gedacht worden aan bepaalde in acht te nemen geluidsnormen, waardoor bepaalde activiteiten niet zonder meer op een te korte afstand plaats mogen vinden.

De wetgever heeft beoogd om voor nieuwe bedrijven de bescherming middels afstandseisen te regelen in het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan kan geen regels stellen aan de bedrijfsvoering van een inrichting en kan niet regelen welke milieumaatregelen een bedrijf moet nemen om te zorgen voor een goed woon- en leefklimaat.

Wel kunnen en zijn dan ook minimum aan te houden afstanden tussen het agrarische bedrijf en bestaande gevoelige objecten (onder andere woningen) opgenomen in het bestemmingsplan, waardoor een goed woon- en leefklimaat behouden blijft.

Het Activiteitenbesluit voorziet in de mogelijkheid om op basis van de algemene zorgplicht via maatwerk nabijgelegen gevoelige objecten (minder dan 25 meter tot emissiepunt) te beschermen tegen eventuele blootstelling aan emissies van bestrijdingsmiddelen. In specifieke gevallen zal hiervan gebruik worden gemaakt.

Via een geurverordening kunnen gemeenten afwijken van de 'standaard' normen die in de Wgv zijn opgenomen.

Voorliggend bestemmingsplan is een conserverend bestemmingsplan waarbij de bestaande situatie wordt vastgelegd en geen nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk worden gemaakt.

6.11.2 Niet-agrarische bedrijven

Binnen het plangebied zijn verschillende bedrijven aanwezig. Het betreft solitair gevestigde bedrijven, die zich verspreid over het plangebied bevinden. De milieuhinder die bedrijven veroorzaken kan globaal worden beoordeeld met behulp van de methodiek van de VNG-handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). In deze handreiking is een bedrijvenlijst opgenomen, die informatie geeft over de milieukenmerken van verschillende typen bedrijven. In de lijst is op basis van een aantal factoren (waaronder geluid, geur en gevaar) een indicatie gegeven van de afstand tussen bedrijven en hindergevoelige functies (zoals woningen) waarmee gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening kunnen houden.

In de VNG-handreiking worden twee omgevingstypen onderscheiden, namelijk 'rustige woonwijk'/'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. De indicatieve afstanden uit de bedrijvenlijst zijn de afstanden die moeten worden aangehouden tot de gevels van woningen in een 'rustige woonwijk'.

Voor woningen in een 'gemengd gebied' mag deze afstand worden gecorrigeerd en kan de indicatieve afstand met één trede worden verlaagd. Een correctie is alleen mogelijk voor de aspecten geluid, geur en stof. Voor het aspect gevaar is verlaging van de indicatieve afstand niet mogelijk. Het uitgangspunt van de VNG-handreiking is gemotiveerd toepassen, in plaats van gemotiveerd afwijken.

De indicatieve afstanden uit de VNG-handreiking geven een goede indicatie van de aan te houden afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. De (milieu) wetgeving blijft echter leidend.

Op basis van de indicatieve afstanden zijn de bedrijven op de bedrijvenlijst in de VNG handreiking ingedeeld in milieucategorieën die variëren van 1 (indicatieve afstand 10 meter) tot 6 (indicatieve afstand 1.500 meter). In het plangebied komen zowel kleinschalige ambachtelijke bedrijven (categorie 1 of 2) als meer grootschalige bedrijven (categorie 3) voor.

De in het plangebied aanwezige solitaire bedrijven zijn positief bestemd. In het algemeen geldt dat bedrijven in de milieucategorieën 1 en 2, gezien de beperkte hinder die zij veroorzaken, goed inpasbaar zijn in de woonomgeving. Nieuwvestiging van bedrijven is hier in deze milieucategorieën direct toegestaan.

Op een aantal locaties zijn bedrijven gevestigd die in een hogere milieucategorie vallen. Deze zijn uit het vigerend bestemmingsplan overgenomen. Deze bedrijven zijn positief bestemd door middel van een aanduiding. Hierdoor mogen op de betreffende percelen, naast de algemeen toegestane bedrijven in milieucategorie 1 en 2, ook de bestaande bedrijven gevestigd blijven.

De in het plangebied op bedrijventerreinen gelegen bedrijven zijn overeenkomstig de geldende bestemmingsplannen bestemd.

Bij de graanhandel aan het Eemskanaal vindt op- en overslag van graanproducten c.q. diervoeders plaats. Dit is vastgelegd in het bestemmingsplan Buitengebied 1996 (vastgesteld 19-09-1996), waarin de kade een bestemming 'Bedrijfsdoeleinden Graanhandel (bg) heeft. Hierin is op- en overslag van granen toegestaan (laad-, los- en overslagbedrijven t.b.v. binnenvaart, granen < 500 ton/uur betreft een milieucategorie 4.2.).

In de nieuwe situatie is het de bedoeling de kade ook te kunnen gebruiken voor de op - en overslag van zand en grind e.d. (< 2.000 m2) en containers, met uitzondering van tankercleaning. Dit betreft net als overslag van granen een milieucategorie 4.2. De loskade nabij de Woldbrug is eigendom van Groningen Seaports. Groningen Seaports heeft hiervoor een erfpachtcontract met de Provincie Groningen. Het betreft een openbare kade die door meerdere partijen gebruikt kan worden. Sinds afgelopen jaar komt de kade steeds meer in trek en dient de melding voor het activiteitenbesluit aangepast te worden. Tot nu toe werd van incidenteel gebruik in de melding voor het activiteitenbesluit uit gegaan. De kade zal in de toekomst worden gebruikt voor het laden en lossen van agrarische producten, zand, grond, bouwstoffen en materialen in bulk en in container. Het incidenteel gebruik tot nu toe bestond uit o.a. Graansilo Appingedam en verschillende aannemers in de weg- en waterbouw. Het bedrijf Heuvelman Ibis is van plan de kade te gebruiken voor de overslag van bouwstoffen en heeft hiervoor terrein gekocht op Bedrijvenpark Fivelpoort. Daarnaast is de Graansilo van plan uit te breiden op Fivelpoort. Andere geïnteresseerde partijen hebben ook geïnformeerd naar de mogelijkheden. De kade is momenteel nog opgenomen in het oude bestemmingsplan Buitengebied en is buiten het plangebied van het deelplan Agrarische gebieden (vastgesteld in februari 2011) gelaten. In het vigerende bestemmingsplan zijn werkzaamheden toegestaan die vallen onder de huidige categorie 4.2 zoals opgenomen in de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering. De VNG-afstanden moeten worden aangehouden als er sprake is van nieuwe ontwikkelingen. Hiervan kan overigens gemotiveerd worden afgeweken. Hier gaat het om een bestaande situatie, de kade is er al en ook al op die wijze bestemd. Ook wordt het gebruik van de gronden ten behoeve van tankercleaning niet toegestaan, vanwege het aspect gevaar. Voor wat betreft de overige aspecten zoals geur, stof en gevaar zijn de toegestane categorieën, namelijk maximaal categorie 4.2 zijn ook de richtafstanden van de VNG-brochure van belang. Voor de nieuwe onderdelen, dus wat extra ten opzichte van het hiervoor geldende bestemmingsplan wordt toegestaan is vooral het aspect geluid van belang. Hiervoor geldt de richtafstand van 300 meter. Voor de andere aspecten geldt voor de aspecten geur, stof en gevaar afstanden die aanmerkelijk kleiner zijn dan 100 meter (zie de richtafstanden genoemd onder SBI-code 2008 52242 in de VNG Brochure, editie 2009). Omdat het hier niet een rustige woonwijk betreft, maar gemengd gebied kan in ieder geval één categorie lager worden aangehouden. Dat betekent een afstand van 200 meter.

Het laden en lossen van schepen aan de kade hebben een zekere geluidemissie. Zoals hiervoor aangegeven en zoals onderbouwd in het akoestisch onderzoek worden in overleg met Groningen Seaports maatregelen genomen om het aspect geluid te ondervangen. Door het plaatsen van een geluidsscherm van 3,5 meter en de eisen die sowieso al gelden op grond van het Activiteitenbesluit kan worden voldaan aan de maximale geluidsbelasting op de woningen van reclamanten. Het maaiveld ter plekke van het geluidsscherm ligt ongeveer 1,5 meter onder het straatniveau. Vanaf het straatniveau is 2 meter zichtbaar. Voor de overslag van granen en meelsoorten, voor zover met een verwerkingscapaciteit van minder dan 500 ton per uur (categorie 4.2), zijn deze werkzaamheden al op grond van het oude bestemmingsplan Buitengebied toegestaan en is daar dus sprake van een bestaande situatie. Het nabijgelegen deel van het bedrijventerrein en de kade zelf zijn bestemd als Bedrijventerrein - 3. De kade is specifiek aangeduid en daarmee bestemd voor de op- en overslag van goederen. In de bedrijvenlijst staan ook bedrijven die daaronder vallen met een hogere categorie dan 4.2. In de regels van het bestemmingsplan is dit begrensd, zodat geen hogere categorieën bedrijven voor de op- en overslag van goederen op de kade zijn toegestaan.

In de regels is een wijzigingsbevoegdheid voor het college van burgemeester en wethouders opgenomen de bestaande kade in oostelijke richting te kunnen verplaatsen indien dit in het kader van de verbreding van de Woldwegbrug dan wel voor toekomstige uitbreiding van de activiteiten van bedrijventerrein Fivelpoort nodig is. Uitgangspunt is dat daarmee ten opzichte van de woningen aan de Woldweg een betere milieusituatie ontstaat. De wijzigingsbevoegdheid kan alleen worden toegepast indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. Gezien het feit dat de wijzigingsbevoegdheid bedoeld is om de kade verder van de gevoelige functies in de omgeving te verplaatsen wordt uitgegaan van een acceptabel woon- en leefklimaat. Bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid wordt onderzoek gedaan naar de relevante milieu- en omgevingsaspecten.

De gemeentewerf met kga depot aan de Dijkhuizenweg 28 is betreft een milieucategorie 3.1. Aangezien dit terrein een Bedrijventerrein - 1 (maximaal milieucategorie 2) bestemming heeft is dit zwaardere bedrijf apart op de verbeelding weergegeven.

Bouwbedrijf Kooi aan de Kanaalweg 4 betreft een bedrijf met een milieucategorie 4.2. Bollegraaf Recycling Machinery aan de Tweede Industrieweg 1 en 13 is een bedrijf met een milieucategorie 4.1. Aangezien het bedrijventerrein ter plaatse van deze bedrijven een bestemming Bedrijventerrein - 3 heeft (maximaal milieucategorie 3.2.) zijn ook deze bedrijven apart op de verbeelding aangeduid. Het bedrijf van Bollegraaf zou, na toepassing van een binnenplanse wijzigingsbevoegdheid, nog kunnen worden uitgebreid op een perceel ten noorden van het bedrijf. Voordat deze bevoegdheid kan worden toegepast dient in ieder geval aangetoond te worden dat de geluidsbelasting op de nabij gelegen woningen (gelegen in de geluidzone) de vastgestelde hogere grenswaarde niet te boven gaat.

Bij de regels van dit bestemmingsplan is een staat van bedrijfsactiviteiten opgenomen waarin de binnen het plangebied toegestane bedrijfsactiviteiten zijn opgenomen.

Omdat voorliggend bestemmingsplan, met uitzondering van de bedrijventerreinen, een overwegend conserverend bestemmingsplan is waarbij de bestaande vergunde situatie wordt vastgelegd en in de nabijheid van de bedrijven geen nieuwe gevoelige objecten mogelijk worden gemaakt is het bestemmingsplan op dit onderdeel uitvoerbaar.

Conclusie

Het bestemmingsplan is op het onderdeel bedrijven en milieuzonering uitvoerbaar.

6.12 Kabels en leidingen

Relevante kabels en leidingen voor de planologie zijn: transportleidingen voor gevaarlijke stoffen, gastransportleidingen, watertransportleidingen en rioolpersleidingen met een regionale functie en optisch vrije paden. Binnen het plangebied zijn de relevante leidingen als hoogspanningsleidingen, rioolleidingen en persleidingen op de verbeelding weergegeven.

De provincie Groningen speelt al sinds decennia een zeer belangrijke rol in de energievoorziening van ons land. Energie biedt goede kansen voor economische ontwikkeling, met name in de Eemsdelta. Dit vereist tijdige beschikking over de benodigde (inter)nationale infrastructuur in de vorm van bijvoorbeeld buisleidingen, hoogspanningskabels, opslagfaciliteiten, en ook kennis en innovatie, mede ten behoeve van de productie en opslag van stikstof. Groningen kan zich ontwikkelen tot Europese Gasrotonde. Maar dan moet de bestaande infrastructuur, vooral in de Eemsdelta, op een aantal onderdelen worden uitgebreid. Daarom heeft de provincie onder andere ruimte gereserveerd voor tracés van buisleidingen (gelegen buiten het plangebied).

6.13 Duurzaamheid

Zoals in paragraaf 4.4. beschreven heeft de gemeenteraad van Appingedam de nota Duurzaamheidsbeleid Appingedam 2011-2015 vastgesteld. In deze nota wordt het thema duurzaamheid in beeld gebracht en zijn de mogelijkheden verkent die de gemeente heeft om de komende jaren bij te dragen aan de landelijke en internationale duurzaamheidsdoelen. Duurzaamheid wordt in regionaal verband opgepakt. Zo betreft een van de samenwerkingsprogramma's in DEAL verband (Delfzijl, Eemsmond, Appingedam en Loppersum) het programma 'Klimaat en Natuur'. Speerpunt is onder andere het thema energiezuinig wonen. Ook stimuleert de gemeente in zijn algemeenheid het duurzaam bouwen. Dat blijkt ook uit het Woonplan Appingedam.

Daarnaast is in het Groenstructuurplan Appingedam (2000) als uitgangspunt aangegeven: het groen binnen de gemeente duurzaam in stand worden te houden en zo mogelijk op die wijze verder te ontwikkelen. Voorts is het Verkeersveiligheidsplan Appingedam (2000) opgesteld tegen de achtergrond van het principe van duurzaam veilig. Daar waar waterpartijen worden gegraven, is/wordt de vrijkomende gronden zoveel als mogelijk in het bestemmingsplangebied gebruikt. Uitgangspunt is om te werken volgens een gesloten grondbalans. Hergebruik van bestaande grond wordt - waar dat ook milieutechnisch mogelijk is - bevorderd.

Wat betreft het gemeentelijk beleid aangaande duurzaam bouwen wordt bij de uitvoering van het plan waar mogelijk rekening gehouden met de principes van duurzaam bouwen. De gemeenten in Noordoost-Groningen hebben samen met onder meer woningcorporatie Marenland het Convenant Duurzaam Bouwen Groningen ondertekend. Daarin is afgesproken, dat ingeval van projectmatige nieuwbouw volgens het Nationaal Pakket Duurzame Woningbouw wordt gebouwd. Eventueel verder gaande maatregelen met energiebesparing en duurzaam bouwen als doel, zullen bij de planuitvoering op hun mogelijkheden worden bezien.

Hoofdstuk 7 Toelichting op de bestemmingen

7.1 Opzet van het bestemmingsplan

De uitgangspunten die beschreven staan in Hoofdstuk 5 Uitgangspunten en planbeschrijving, zijn juridisch doorvertaald in bestemmingen. In dit hoofdstuk worden deze bestemmingen toegelicht. De bestemmingen regelen de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden binnen het plangebied. Het bestemmingsplan geeft aan voor welke doeleinden de gronden zijn bestemd.

7.2 Afstemming op de landelijke standaard

Dit bestemmingsplan is opgezet conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), zoals deze gelden per 1 juli 2008. Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is de opvolger van de SVBP 2008 en is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt.

De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld conform deze standaarden Zo voorziet het SVBP in een standaardopbouw van een bestemmingsplan door onder meer:

  • 1. standaardbenamingen van een bestemming en de daarin voorkomende bepalingen;
  • 2. alfabetische volgorde van begrippen en bestemmingen en een vaste volgorde in de bestemmingen;
  • 3. een aantal standaard begripsbepalingen;
  • 4. een standaard wijze van meten;
  • 5. vaste kleuren en kleurcodes van een bestemming op de verbeelding;
  • 6. standaardbenamingen van aanduidingen in de regels en op de verbeelding.

7.3 Verbeelding ('geometrische bestanden')

Het bestemmingsplan is (in analoge vorm) op meerdere kaarten weergegeven. In digitale zin - en daar doelt de Wet ruimtelijke ordening ook op - is er overigens geen sprake van een papieren plankaart (dat is immers een analoog bestand), maar van een 'geometrisch bestand' met een legenda weergegeven op een schaal 1:1000.

7.4 Bestemmingen

Agrarisch

De gronden binnen de bestemming 'Agrarisch' hebben als hoofdfunctie het agrarisch gebruik van de gronden. In de gebieden worden mogelijkheden geboden voor de voortzetting van de landbouwfunctie op bedrijfseconomische grondslag. De bescherming van het landschap is in beginsel ondergeschikt aan het agrarisch gebruik, met uitzondering van een aantal waardevolle landschapselementen. De gronden met deze bestemming waren in eerste instantie opgenomen in het deelplan Agrarische gebieden, maar vallen nu deels in dit bestemmingsplan vanwege de wijziging van de geluidzone rondom Industrieterrein Woldweg. Ook het deel van Agrarische gebieden dat is meegenomen vanwege de uitspraak van de Afdeling is deels bestemd als Agrarisch.

Agrarisch - Bedrijf

Binnen het plangebied komt zeer incidenteel de bestemming 'Agrarisch - Bedrijf' voor. Zo ligt er aan de zuidoostelijke rand, op de overgang van de stad naar het buitengebied, een agrarisch bedrijf. Dat is in dit plan met een beperkt bouwblok bestemd. Ook aan de Jan Bronsweg 4 komt de bestemming “Agrarisch - Bedrijf” voor. De bedrijfswoningen binnen deze bestemming zijn geregeld door middel van een aanduiding. Binnen de aangegeven bouwvlakken zijn ontwikkelingsmogelijkheden opgenomen voor de bedrijven. Gelet op de ligging op een wierdegebied en de relatief bescheiden bedrijfsvoering zijn deze overigens bescheiden gehouden. Als andere bouwwerken zijn uitsluitend erf- en terreinafscheidingen mogelijk.

Agrarisch - Cultuurgrond

Binnen het plangebied liggen op enkele plaatsen agrarische cultuurgronden. Deze cultuurgronden zijn overeenkomstig hun huidige gebruik bestemd. Binnen de bestemming wordt geen bebouwing mogelijk gemaakt, met uitzondering van enkele bestaande schuren, die zijn specifiek aangeduid. Als andere bouwwerken zijn uitsluitend erf- en terreinafscheidingen mogelijk.

Bedrijf - 1 en - 2

Op enkele plaatsen binnen het plangebied komen de bestemmingen 'Bedrijf - 1' en 'Bedrijf - 2' voor. Deze regelen over het algemeen kleinschalige (nijverheids- en verzorgende) bedrijven die zich binnen woongebieden hebben ontwikkeld. Binnen deze bestemmingen wordt de aard van de bedrijven vastgelegd. De meeste van de bedrijven zijn te midden van of nabij woningen gelegen en een negatieve beïnvloeding van de woonfunctie moet worden voorkomen. Daarom wordt uitgegaan van een basisregeling die bedrijven uit respectievelijk de milieucategorieën 1 (Bedrijf - 1) en 2 (Bedrijf - 2) toestaat. Dat zijn lichte vormen van bedrijvigheid die algemeen passend en aanvaardbaar worden geacht voor vestiging in het woongebied. In de bijlagen bij de regels is een bedrijvenlijst opgenomen, die gebaseerd is op de 'Basiszoneringslijst' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Bedrijven uit een hogere milieucategorie zijn specifiek aangeduid.

Er is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen waardoor er ook bedrijven zijn toegestaan die naar aard en invloed op de omgeving vergelijkbaar zijn met de in bijlage Bijlage 3 Bedrijvenlijst genoemde bedrijven mits het niet gaat om geluidszoneringsplichtige bedrijven, risicovolle inrichtingen en/of vuurwerkbedrijven. Dit kan gelden voor nieuwe bedrijvigheid, die niet als zodanig in de lijst is genoemd, of zwaardere bedrijvigheid, die qua omvang zodanig gering is, dat de milieubelasting vergelijkbaar is met de milieubelasting van een lichtere vorm van bedrijvigheid.

De zwaardere bedrijven die niet passen in de in bijlage Bijlage 3 Bedrijvenlijst genoemde bedrijvenlijst, worden met een aanduiding op de verbeelding aangegeven. Wanneer er een (gedeeltelijke) bedrijfsverplaatsing of beëindiging van een dergelijk bedrijf aan de orde is, dan kan de bestemming zodanig worden veranderd dat zich op de betreffende locatie alleen nog eenzelfde soort bedrijf of een bedrijf uit categorie 1 en 2 kan vestigen, of worden gewijzigd naar een woonbestemming.

In principe wordt per bedrijf rekening gehouden met een bijbehorende bedrijfswoning. Deze zijn aangeduid op de verbeelding. Daar waar geen aanduiding is opgenomen is geen bedrijfswoning toegestaan.

Bedrijf - Gasontvangstation

De gasontvanginstallatie van de Gasunie hebben een specifieke bestemming gekregen. Ook is binnen deze bestemming een omheining mogelijk van 3 meter. Rondom de installatie is de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - externe veiligheid' opgenomen ter bescherming van de veiligheid van personen. Het gasontvangstation op het terrein van De Eendracht is niet als zodanig bestemd. Er zijn concrete plannen dat dit station gesloopt wordt.

Bedrijf - Nutsvoorzieningen

Bestaande aanwezige nutsgebouwen zijn dienovereenkomstig bestemd. Dit geldt ook voor het nutsbedrijf aan de Energieweg. Desgewenst voorzien enkele wijzigingsbevoegdheden in de plaatsing van nieuwe nutsgebouwtjes.

Bedrijf - Verkooppunt van motorbrandstoffen

Deze bestemming komt twee keer in het plangebied voor en wel ter plaatse van Woldweg 13 en van Farmsumerweg 62. De bestemming is afgestemd op de bestaande situatie; verkoop van LPG is vanwege aspecten van externe veiligheid uitgesloten.

Bedrijventerrein - 1 tot en met - 4

Het merendeel van de gronden binnen de bedrijventerreinen Farmsumerweg, Woldweg en Fivelpoort is onder de bestemming 'Bedrijventerrein' gebracht. In paragraaf 5.7 zijn de uitgangspunten weergegeven. Om enerzijds de bedrijfseconomische belangen en vigerende rechten in acht te nemen en anderzijds de woonfunctie in de directe omgeving te beschermen tegen hinder van bedrijven, is de bestemming in drie categorieën onderverdeeld door middel van categorieaanduidingen. Deze categorieaanduidingen zijn gebaseerd op de milieucategorieën uit de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering”.

  • bedrijven tot en met milieucategorie 2. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter tot aan woonomgeving;
  • bedrijven tot en met milieucategorie 3.1. Hiervoor geldt een richtafstand van 50 meter tot aan woonomgeving;
  • bedrijven tot en met milieucategorie 3.2". Hiervoor geldt een richtafstand van 100 meter tot aan woonomgeving.

Binnen de bestemmingen 'Bedrijventerrein - 1' tot en met 'Bedrijventerrein - 3' is het onderscheid louter gebaseerd op de milieucategorisering. De bestemming 'Bedrijventerrein - 4' is gehanteerd voor het zuidwestelijk deel van Fivelpoort. Naast een maximum milieucategorie (3.1) zijn hier ook bedrijven uit de lichte industrie, handel en bouwnijverheid toegestaan. Binnen deze bestemming is beperkt voluminieuze detailhandel toegestaan, namelijk detailhandel in auto's, boten, caravans en grove bouwmaterialen toegestaan.

In het gehele plangebied is de vestiging van risicovolle inrichtingen, vuurwerkbedrijven en geluidszoneringsplichtige inrichtingen uitgesloten. Voor de gezoneerde bedrijventerreinen is een gebiedsaanduiding 'gezoneerd terrein' opgenomen, waarbij bedrijven tot en met de in de bestemming genoemde categorieën zijn toegestaan, inclusief geluidgezoneerde bedrijven.

Binnen de bedrijventerreinbestemmingen komen bedrijven voor uit een hogere milieucategorie dan is toegestaan. Deze bedrijven zijn door middel van specifieke aanduidingen geregeld. Hiermee wordt voor deze bedrijven een regeling geboden waarmee ze in de toekomst op de huidige locatie kunnen blijven functioneren. Bij beëindiging of verplaatsing van het bedrijf mag op deze plek alleen een gelijk bedrijf of een ander bedrijf tot en met de toegestane milieucategorie zich vestigen. Ook voor de rioolwaterzuiveringsinstallatie aan de Energieweg is gezien het karakter van dit bedrijf gekozen voor een specifieke aanduiding. Als het bedrijf met de hogere categorie dan algemeen in de betreffende bestemming toegestaan, weggaat, kan met een wijzigingsbevoegdheid de aanduiding worden verwijderd. Hiervoor wordt wel het criterium gehanteerd dat het bedrijf minimaal een jaar weg moet zijn. Is er inmiddels een soortgelijk bedrijf gevestigd, dan is dat geen reden om de wijzigingsbevoegdheid toe te passen.

De bebouwingsmogelijkheden op het bedrijventerrein zijn in het plan op een vrij globale manier vastgelegd. In verband met de landschappelijk inpassing is aan de west- en zuidrand van het bedrijvengebied Fivelpoort een lagere bouwhoogte toegestaan. Verder is de afstand van een gebouw tot de zijdelingse bouwperceelgrens afgestemd op de huidige situatie dan wel de vigerende regeling. In het plangebied komt een aantal bedrijfswoningen voor. Deze zijn allen aangeduid. Het is niet toegestaan nieuwe bedrijfswoningen (behalve ter vervanging van de huidige) in het plangebied te situeren.

Bos

Nabij de nieuwe woonuitbreiding Olingermeeden ligt een brede bosstrook die dienovereenkomstig is bestemd. Datzelfde geldt voor een bebost gebied nabij het crematorium en enkele bosgronden aan de zuidoostzijde van het woongebied. De bestemming 'Bos' regelt daarnaast enkele bestaande bospercelen in de randzones van de wijken.

Centrum

Het kernwinkelgebied van Appingedam is vanwege de grote functiemenging en de ambitie om de verzorgende (regio)functie van dit gebied te versterken, voorzien van de bestemming 'Centrum'. Detailhandel, dienstverlening en lichte horeca (categorie 1) zijn en worden de belangrijkste functies naast wonen. Op de plaatsen waar de aanduiding “specifieke vorm van horeca - logiesverstrekking” is opgenomen, is logiesverstrekking toegestaan. Ook op andere locaties binnen deze bestemming is logiesverstrekking (onder voorwaarden) mogelijk, nadat een wijzigingsprocedure succesvol doorlopen is. Ook een aan huis verbonden beroep is mogelijk tot 30% van het totale begane vloeroppervlak met een maximum van 75 m2. Op de meest oostelijke en westelijke percelen binnen deze bestemming is horeca niet toegestaan, omdat deze gebieden niet passen binnen het horecabeleid zoals aangegeven in paragraaf 4.4 Regionaal en gemeentelijk beleid, Horeca. Wonen op de begane grond aan de Dijkstraat is niet toegestaan (met uitzondering van een bestaande woning).

Door middel van aanduidingen zijn de verschillende (vaak kenmerkende en onderscheidende) goot- en bouwhoogtes vastgelegd. Ter bescherming van de waardevolle doorzichten en achterkantsituaties aan het Damsterdiep moeten alle gebouwen binnen het bouwvlak gebouwd worden.

Detailhandel - 1

Enkele op zichzelf gelegen winkels, zijn dienovereenkomstig bestemd. Dit betreffen de detailhandelsbedrijven in de uitlopers en polen van het kernwinkelgebied (onder andere Overdiepterrein, Cleveringaplein en Ossendrift) en aan de Farmsumerweg. De supermarkten in het plangebied zijn, vanwege de grootte van het vloeroppervlak, specifiek geregeld via de aanduiding “specifieke vorm van detailhandel - voedings- en genotmiddelen”. Eventueel aanwezige (bedrijfs)woningen en het wonen op het Overdiepterrein zijn mogelijk gemaakt middels de aanduiding “wonen”.

Detailhandel - 2

Het woonplein aan de Farmsumerweg heeft een bestemming die primair is afgestemd op volumineuze detailhandel. Op deze locatie wordt ruimte geboden aan detailhandel die qua soort artikel niet in een stadscentrum thuishoort, zoals meubelzaken en bouwmarkten. In het Tussengebied is binnen de bestemming 'Bedrijventerrein - 1' volumineuze detailhandel mogelijk (voorzien van specifieke aanduiding). Ook binnen de bestemming 'Bedrijventerrein - 4' is een mogelijkheid voor volumineuze detailhandel (in beperkte vorm) opgenomen voor het oostelijkste deel van bedrijventerrein Fivelpoort.

Dienstverlening

Deze bestemming heeft betrekking op enkele kantoorlocaties in het plangebied, zoals die op de stationslocatie (westzijde station), aan de Farmsumerweg en aan de Burgemeester Klauckelaan. Ook heeft de bestemming “Dienstverlening” betrekking op enkele kantoor- en dienstverlenende activiteiten voor zover zij niet binnen de bestemmingen 'Centrum' of 'Gemengd - 2' gesitueerd zijn. De bestemming is enerzijds in hoofdzaak afgestemd op de aanwezige situatie, terwijl anderzijds enige ontwikkelingsruimte is geboden nabij het station, conform het daarover ingezette beleid.

Gemengd - 1

De bestemming 'Gemengd - 1' heeft betrekking op het nieuwe wijkwinkelcentrum in de wijk Opwierde. Het betreft hier een bestemming waarin ruimte bestaat voor winkels, dienstverlening en maatschappelijke voorzieningen, al dan niet in combinatie met het wonen.

Gemengd - 2

De bestemming 'Gemengd - 2' is specifiek van toepassing op het gebied rondom de Solwerderstraat. Het beleid is hier gericht op profilering richting ambachtelijke bedrijvigheid, galeries en ateliers, lichte horeca (categorie 1), dienstverlening en sociaal-culturele functies (cultuurtoerisme). Dientengevolge is de detailhandel (winkels) binnen deze bestemming speciaal geregeld via aanduidingen ('detailhandel') die relatief eenvoudig kunnen worden verwijderd. Dit is om geleidelijke verschuiving van dergelijke activiteiten naar de Dijkstraat mogelijk te maken. Vanuit een heel ander perspectief is de aanduiding 'onderdoorgang' opgenomen, die de hangende keukens regelt. De voor Appingedam zo kenmerkende incidentele uitbouw boven het Damsterdiep wordt hiermee beschermd en vastgelegd.

Groen 

Waardevolle groengebieden zoals parken, groene zones langs het water en enkele markante groene plekken vallen onder de bestemming 'Groen'. Deze bestemming beoogt handhaving van de structurele en waardevolle groenfunctie die deze gebieden en terreinen hebben in het centrumgebied. De muziekkoepel past binnen de regeling van de bestemming. Plaatselijk komt binnen de bestemming 'Groen' ook water voor. Gelet ook op de waterhuishoudkundige betekenis, houdt de bestemmingsomschrijving daar rekening mee.

Horeca - 1, - 2 en - 3

Zoals eerder aangegeven komt in het centrumgebied een flink aantal horecabedrijven voor. Ook in de woongebieden is een aantal horecabedrijven. Overeenkomstig het gemeentelijk horecabeleid zijn de aanwezige horecabedrijven al naar gelang hun mogelijk invloed op de omgeving in drie categorieën onderverdeeld, ieder met een eigen bestemming.

In de begripsbepalingen zijn de drie categorieën nader gedefinieerd. Een 'Horeca - 1' bestemming is voornamelijk bedoeld voor bedrijven die dranken en eenvoudige etenswaren overdag bereiden en verstrekken zoals een croissanterie, koffiebar, lunchroom, ijssalon of petit-restaurant.

De 'Horeca - 2' bestemming is van toepassing op zowel de eerder aangehaalde lichte als de iets zwaardere horecabedrijven die over het algemeen hoge bezoekersfrequenties kennen gedurende de avond, zoals het McDonalds restaurant op het woonplein langs de Farmsumerweg / N33. Zij zijn voornamelijk gericht op het bereiden en verstrekken van maaltijden en/of (alcoholische) dranken, zoals een bar, (grand)café, eetcafé of (café-)restaurant, al dan niet in combinatie met logiesverstrekking of een zalencentrum.

Een horecabedrijf dat voornamelijk gericht is op het 's avonds en/of 's nachts verstrekken van (alcoholische) dranken en waar tevens gelegenheid wordt geboden tot dansen of vergelijkbaar vermaak, zoals een bar-dancing, discotheek of nachtclub valt onder de 'Horeca - 3' bestemming. Overigens zijn ook lichtere horecabedrijven binnen deze bestemming mogelijk.

Middels een gebiedsgebonden (langs de Wijkstraat) wijzigingsbevoegdheid is de voorgestane concentratie van vooral de iets zwaardere (avond- en nacht)horeca langs deze straat mogelijk. De huidige bestemmingen binnen het betreffende gebied kunnen worden omgezet naar één van de eerder genoemde (lichtere) horecabestemmingen.

De woningen zijn binnen de horecabestemmingen specifiek aangeduid.

Kantoor

Het zuidelijke en zuidwestelijke deel van bedrijvengebied Fivelpoort is specifiek inbestemd voor kantoren. Het betreft kantoren zonder baliefunctie. De regeling is afgestemd op het vigerende bestemmingsplan. In verband met de landschappelijke inpassing en de hoogwaardige uitstraling van Fivelpoort is binnen de kantoorbestemming een lagere bouwhoogte toegestaan dan op andere delen van Fivelpoort. Binnen de bouwvlakken mag maximaal 600 m2 worden bebouwd.

Op het westelijke bestemmingsvlak zijn ruimere mogelijkheden. Hier mag maximaal 1.000 m2 meter worden gebouwd en is de aanduiding “specifieke vorm van bedrijventerrein - service- en centrumcomplex” van toepassing. Op deze plaats is een multifunctioneel complex mogelijk, al dan niet met administratie-, beheers-, beveiligings-, vergader-, presentatie- en promotieruimten, horecagelegenheid, verkooppunt motorbrandstoffen (zonder LPG), autowasstraat en vergelijkbare facilitaire voorzieningen, een en ander in samenhang met ondergeschikte detailhandel.

Maatschappelijk - 1 en - 2

De maatschappelijke functies in het plangebied zijn ondergebracht in twee verschillende bestemmingen. Gebouwen met een lichtere maatschappelijke functie, zoals de kerken, sociaal-culturele voorzieningen, sociaal-medische voorzieningen en scholen zijn onder de bestemming 'Maatschappelijk - 1' gebracht. De bestemming 'Maatschappelijk - 2' is specifiek toegekend voor het hospice aan de Wieger van den Bosstraat. Hoewel de regeling primair is afgestemd op de aanwezige bebouwing, kan een zekere ontwikkeling mogelijk worden gemaakt. Het bouwvlak op de verbeelding geeft daarvoor de reservering aan. Bij gewenste grotere ontwikkelingen vindt een op-maat gerichte beoordeling plaats (door middel van toepassing van een afwijking van de bouwregels).

Maatschappelijk - Begraafplaats

De aanwezige begraafplaatsen zijn dienovereenkomstig bestemd. Ook het crematorium aan de zuidzijde van de stad valt binnen deze bestemming en is daarbinnen dienovereenkomstig aangeduid.

Sport

Aan de westzijde van Appingedam ligt een uitgestrekt sportcomplex. Dit sportcomplex is met bijbehorende voorzieningen onder de bestemming 'Sport' gebracht. De aanwezige bebouwing is door middel van bouwvlakken op de plankaart aangegeven. Ook het ijsbaanterrein bij Opwierde en het complex tennisbanen benoorden de Farmsumerweg zijn onder de bestemming 'Sport' gebracht.

Sport - Manege

Aan de zuidzijde van het plangebied ligt het paardensportcentrum “De Veenhoeve”. Dit centrum is overeenkomstig bestemd, inclusief de bijbehorende open terreinen aan de noordzijde. Binnen de bestemming is rekening gehouden met een bijbehorende bedrijfswoning.

Tuin

Om het onbebouwde karakter van voor- en bepalende zijtuinen te beschermen, is daarvoor de afzonderlijke bestemming 'Tuin' opgenomen. Dit dient zowel het ruimtelijk beeld als het belang van omwonenden. Bebouwing is binnen deze bestemming niet toegestaan. Dit sluit trouwens aan op de gegroeide praktijk. Om wille van een zekere flexibiliteit mag een woonhuis binnen de bestemming (evenwel alleen buiten het Beschermd Stadsgezicht) overigens wel met een erker uitgebouwd worden.

Ook de erf- en terreinafscheidingen zijn hier lager: maximaal 1 meter voor de naar de weg gekeerde gevel(s) van een hoofdgebouw. Op de gronden achter het museum is een prieel aanwezig, voor dit bouwwerk is een specifieke aanduiding opgenomen in de planregeling.

Verkeer

Binnen de bestemming 'Verkeer' staat de verkeersfunctie voorop. Bruggen, dammen of duikers, sloten, bermen en beplanting, parkeervoorzieningen en parkeerterreinen vallen ook onder deze bestemming. Het betreft doorgaande wegen in het plangebied zoals de Woldweg / N989 en de Farmsumerweg, alsmede de wijkontsluitingswegen die in de verkeersstructuur een functie hebben voor het verkeer vanuit de wijken naar de overige doorgaande wegen.

De geluidszoneringsplichtige wegen zijn voorzien van een dwarsprofiel. Dit profiel legt de bestaande inrichting van de weg vast, zodat er niet zonder bestemmingswijzigingen een verandering in het profiel kan worden aangebracht. Dit is noodzakelijk om te voorkomen dat door een verandering aan de weg de geluidsbelasting op gevels van geluidsgevoelige functies kan veranderen. Bij wijziging zal daarom eerst geluidsonderzoek moeten worden gedaan om aan te tonen dat de geluidssituatie niet verslechterd.

Voor bebouwing in de vorm van wachthuisjes (abri's) en dergelijke is geen specifieke regeling getroffen. Deze kunnen in het algemeen op grond van het Besluit omgevingsrecht zonder omgevingsvergunning worden gerealiseerd.

Verkeer - Parkeren

De grotere, voor het centrumgebied belangrijke, parkeerterreinen, alsmede het parkeerterrein bij het woonplein in het bedrijvengebied Farmsumerweg zijn vastgelegd met de bestemming 'Verkeer - Parkeren'. De binnen deze bestemmingen gelegen garageboxen zijn geregeld middels een aanduiding. Binnen de bestemming 'Verkeer - Parkeren' zijn ook die gebieden aangeduid ('evenemententerrein') die periodiek worden gebruikt voor evenementen zoals een markt of festiviteit.

Verkeer - Railverkeer

De bestemming “Verkeer - Railverkeer” heeft betrekking op het stationsgebied van Appingedam. De bijbehorende bebouwing is aangeduid.

Verkeer - Verblijf

De voor “Verkeer - Verblijf” aangewezen gronden betreffen met name de openbare straten in het plangebied, met in hoofdzaak een functie voor bestemmingsverkeer. Ook klein buurtgroen (bermen) en parkeervoorzieningen vallen onder deze bestemming, evenals de bijbehorende bouwwerken. De binnen deze bestemmingen gelegen garageboxen zijn geregeld middels een aanduiding. Binnen de bestemming 'Verkeer - Verblijf' zijn ook die gebieden aangeduid (“evenemententerrein”) die periodiek worden gebruikt voor evenementen zoals een markt of festiviteit. Openbare paden die deel uitmaken van de woonomgeving en in feite alleen bedoeld zijn voor het gebruik van direct aanwonenden, zijn binnen de woonbestemming opgenomen. Het spreekt voor zich dat deze paden niet bebouwd mogen worden en toegankelijk moeten blijven.

Water - 1 en - 2

Deze bestemming is gelegd op de bestaande hoofdwatergangen. De bijbehorende kaden, dijken en oeverstroken zijn ook als zodanig bestemd. Op deze gronden mogen geen bouwwerken en overkappingen worden gebouwd. Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor de realisatie van steigers ten behoeve van de recreatievaart met uitzondering van het Eemskanaal.

Er is onderscheid gemaakt in het Eemskanaal, het Damsterdiep, Nieuwediep, De Groeve en een aantal grotere waterpartijen die een verkeersfunctie hebben ('Water - 1') en kleinschaligere wateren die een landschappelijke functie hebben, zoals waterpartijen in de woonwijken ('Water - 2'). De waterpartijen op de bedrijvengebieden zijn ook onder de bestemming 'Water - 2' geregeld.

Binnen de bestemming 'Water - 1' zijn de wandelsteigers c.q. wandelpromenade specifiek geregeld door middel van een aanduiding. Aan het Damsterdiep, ter hoogte van de Fivelkade, komt een aantal ligplaatsen voor woonschepen voor. Overeenkomstig het huidige beleid zijn deze door middel van een zone op de verbeelding aangegeven.

In relatie tot de waterstructuur, die een belangrijke plaats in delen van het plan inneemt, is verder het bestaand beleid aangaande de toelaatbaarheid van steigers van belang. Steigers die vanuit een privé-tuin het water insteken, betekenen een uitbreiding van de privé-sfeer en zijn ruimtelijk beeldbepalend. Daarom is het van belang te bepalen in welke vormgeving steigers toelaatbaar zijn. Anderzijds worden de recreatieve vaarmogelijkheden ermee gediend. Het bestemmingsplan voorziet binnen de bestemming 'Water - 1' in een aantal gevallen voor de aanleg van steigers. Uitgangspunt hierbij is:

  • het dient te gaan om woonpercelen die direct aan de betreffende waterbestemming (veelal doorgaande waterlopen) liggen. In dat geval wordt één steiger toegestaan. Voor zover er sprake is van een locatiegebonden aanduiding “steiger” (gebied langs de Tip) mogen er twee steigers zijn;
  • er wordt uitgegaan van een steigerdiepte van 1,5 m bij een lengte van maximaal 6,00 m. De planregels bevatten nadere bepalingen over de hoogtes van steigers, palen en kunstwerken;
  • het gaat hierbij om een zelfstandige constructie, niet zijnde een kade.

Water - Haven

De haven aan het Nieuwe Diep heeft een specifieke bestemming 'Water - Haven' gekregen teneinde het gebruik (zoals het maximaal aantal ligplaatsen) zoveel mogelijk af te stemmen op de ambities.

Water - Waterkering

De waterkering langs het Eemskanaal en De Groeve zijn onder een aparte bestemming gebracht. De bestemming is vanuit veiligheidsmotief opgenomen en verbiedt iedere activiteit die aan de waterkerende functie afbreuk kan doen.

Wonen

In het bestemmingsplan Stad Appingedam is een bestemmingsregeling gekozen die afgestemd is op het aanwezige onderscheid in hoofdvorm. Onderstaand is de bestemmingsregeling voor de grondgebonden woningen schematisch weergegeven. Het betreft in hoofdzaak bestaande woningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0003.STADAPPINGEDAM-VG03_0020.jpg"

De woonfunctie mag bij recht gecombineerd worden met een beroeps- en bedrijfsactiviteit aan huis; een beroep dat in of bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend en dat is gericht op het verlenen van diensten.

Binnen de woonbestemmingen is de gebruikelijke gemeentelijke regeling voor bijgebouwen opgenomen, hetgeen betekent dat er maximaal 60 m² aan aan-, uit- en bijgebouwen gerealiseerd mag worden (inclusief overkappingen).

Bouwstroken met de bestemming “Wonen - D2” zijn gebruikt voor nader in te vullen situaties, met name in de vervolgfase herstructurering Opwierde (fase 2). De bouwstroken geven de stedenbouwkundige hoofdstructuur aan; daarbinnen mag binnen de bestemming “Wonen - D2” tot maximaal vijf aaneen worden gebouwd in woningtypen van één tot twee bouwlagen.

Woningbouw in het buitengebied is opgenomen in een bestemming 'Wonen – E1'. In het buitengebied zijn bouwvlakken op de kaart aangegeven waarbinnen het hoofdgebouw moet vallen. Over het algemeen zijn de bouwvlakken 10 meter breed en 15 meter diep. Bij de bestemming “Wonen - E1” mag maximaal 75 m² aan aan-, uit- en bijgebouwen gerealiseerd worden (inclusief overkappingen).

Woningsplitsing is in alle woonbestemmingen niet mogelijk. Daarom is in de specifieke gebruiksregels opgenomen dat het strijdig is dat een woonhuis gebruikt wordt voor meer dan één woning.

Wonen - Wooncentrum

De bestemming 'Wonen - Wooncentrum' heeft betrekking op woonvoorzieningen waar tevens een sprake is van gemeenschappelijke voorzieningen, zoals bij het verpleeghuis Solwerd en De Schakel en de zorgcentra Damsterheerd en Paasweide. De bestemming is in beginsel afgestemd op de aanwezige situatie. Voor eventueel gewenste uitbreidingen buiten de bouwvlakken bevat het bestemmingsplan een afwijkingsmogelijkheid.

Wonen - Woongebouw

De bestemming 'Wonen - Woongebouw' heeft betrekking op flats en appartementen (ook wel niet-grondgebonden woningen). De bestemming komt op meerdere locaties voor en dan met name langs de Groote Heekt, Damsterdiep en Nieuwe Diep. De regeling is afgestemd op het complexmatige karakter van de gebouwen. Er wordt in bescheiden mate ruimte gereserveerd voor bergingen en dergelijke (maximaal 20 m² per woning). De verschillende hoogtes van de appartementengebouwen zijn in de respectievelijke bouwvlakken aangegeven. Ook is het aantal wooneenheden c.q. woningen per relevant bouwvlak aangegeven.

In een woongebouw op het Overdiepterrein is een supermarkt geregeld. Deze is vanwege het vloeroppervlak specifiek geregeld via de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - voedings- en genotmiddelen'.

Gemengd - Uit te werken

Voor de herontwikkeling van het gebied De Eendracht is een structuurvisie opgesteld. In paragraaf 5.4 De Eendracht is hier nader op ingegaan. Een nadere uitwerking volgt op het moment dat op basis hiervan een stedenbouwkundig plan is gemaakt. De uit te werken bestemming bevat de marges waarbinnen de uitwerking gestalte zal krijgen. Er wordt uitgegaan van de mogelijke vestiging van bedrijven in de milieucategorie 1 en 2, met uitzondering van geluidzoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtingen en/of vuurwerkbedrijven, de mogelijke vestiging van detailhandel, dienstverlenende bedrijven en/of dienstverlenende instellingen, horecabedrijven van categorie 1 en 2, medische en sociaal-medische voorzieningen, zorg- en welzijnsvoorzieningen, kinderopvang en maximaal 105 grondgebonden woningen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis. Bij de uitwerking zal in programmatische zin afstemming worden gezocht bij de uitgangspunten van het Woon- en Leefbaarheidsplan Eemsdelta. Bij de uitwerking zal voorts waar nodig rekening worden gehouden met een toets aan de omgevingsaspecten.

Wonen - Uit te werken 1 en 2

Het gebied De Tip is onder de bestemming 'Wonen - Uit te werken 1' gebracht. Er wordt al wel gewerkt aan de stedenbouwkundige invulling van het gebied. In paragraaf 5.3 De Tip is nader op de uitbreiding ingegaan. Die invulling staat nog niet voldoende vast om het wonen al bij recht te kunnen opnemen. Daarom is gekozen om dit gebied in een uitwerkingsplan later nader uit te werken. Er is daarbij gekozen voor een flexibele invulling, de bestemming biedt nog ruimte voor een nadere invulling, zoals de verschijningsvormen van te bouwen woonhuizen bijvoorbeeld. Het aantal woningen is vastgelegd op maximaal 45.

De vervolgfase van de uitbreiding Olingermeeden is ook als een uit te werken bestemming opgenomen. In paragraaf 5.5 Olingermeeden is nader op de uitbreiding ingegaan. Een nadere uitwerking volgt op het moment dat op basis van een actueel woonprogramma een stedenbouwkundig plan is gemaakt. De uit te werken bestemming bevat de marges waarbinnen de uitwerking gestalte zal krijgen. Er wordt uitgegaan van de bouw van maximaal 35 grondgebonden woningen. Waar het betreft de stedenbouwkundige hoofdstructuur zal worden aangesloten bij de reeds gerealiseerde fasen van de wijk Olingermeeden. Bij de uitwerking zal voorts waar nodig rekening worden gehouden met een toets aan de omgevingsaspecten. Meer in het bijzonder zal er een zekere bebouwingsvrije afstand ten opzichte van De Groeve worden aangehouden.

7.5 Dubbelbestemmingen

Leiding - Gas

Deze dubbelbestemming heeft betrekking op hoofdgastransportleidingen. De regeling voorziet in de aanwezigheid van deze functie en in de bescherming ervan door middel van een belemmeringenstrook op de verbeelding.

Binnen de aangegeven strook mogen geen gebouwen en bouwwerken worden gebouwd, anders dan ten behoeve van de leidingen. Voor werkzaamheden die schadelijk kunnen zijn voor de leidingen, is een omgevingsvergunning verplicht.

Leiding - Riool

De rioolpersleiding is overeenkomstig bestemd. Ook hier mogen binnen de bestemming geen gebouwen gerealiseerd worden, anders dan voor deze bestemming is bedoeld.

Binnen de aangegeven strook mogen geen gebouwen en bouwwerken worden gebouwd, anders dan ten behoeve van de leidingen. Voor werkzaamheden die schadelijk kunnen zijn voor de leidingen, is een omgevingsvergunning verplicht.

Leiding - Water

De hoofdwaterleiding is overeenkomstig bestemd. Ook hier mogen binnen de bestemming geen gebouwen gerealiseerd worden, anders dan voor deze bestemming is bedoeld.

Binnen de aangegeven strook mogen geen gebouwen en bouwwerken worden gebouwd, anders dan ten behoeve van de leidingen. Voor werkzaamheden die schadelijk kunnen zijn voor de leidingen, is een omgevingsvergunning verplicht.

Waarde - Archeologie 1, 2, 3 en 4

Onder meer in de paragraaf 6.1 Archeologie en cultuurhistorie is het belang van de archeologie aangegeven, waarbij er sprake is van enkele terreinen van monumentale of hoge archeologische waarde, respectievelijk bestemd tot 'Waarde - Archeologie 1, 2, 3 en 4'. Daarbij is afstemming gezocht met de Archeologische Advieskaart voor Noord-Groningen (2008).

De bestemming 'Waarde - Archeologie 1' is gelegd op de archeologische monumenten. De bescherming vindt plaats op grond van de monumentenwet. Het bestemmingsplan bevat hiervoor slechts een beperkte (afstemmings)regeling, waarbij verwezen wordt naar een noodzakelijke vergunning van de Rijksdienst voor Cultureel erfgoed.

Binnen de overige bestemmingen (dus 'Waarde - Archeologie 2, 3 en 4') is aansluitend op wat in de basisbestemmingen is geregeld, rekening gehouden met de cultuurhistorische waarden van de betreffende gebieden. Plaatselijk, zoals bijvoorbeeld bij het gebied Opwierde, is tevens sprake van zichtbare landschappelijke kenmerken, zoals die bijvoorbeeld tot uiting komen in de wierdestructuur. De bescherming van de cultuurhistorische/archeologische waarden is geregeld door middel van bouwregels en een omgevingsvergunning. De bouwregels lopen op naar mate de waarden hoger zijn. Voor gebieden die alleen een verwachtingswaarde kennen, wordt door het opnemen van een omgevingsvergunning geregeld, dat er activiteiten in het gebied plaatsvinden die onevenredige afbreuk (kunnen) doen aan de archeologische waarden die zich (mogelijk) in de bodem bevinden. In de omgevingsvergunning is de bodemingreep gekoppeld aan een diepte van meer dan 0,40 m bij een oppervlakte respectievelijk 15 m2, 100 m2 tot 200 m² in de bestemmingen 'Waarde - Archeologie 2, 3 en 4'. Indien archeologische waarden worden aangetroffen, zal een erkend archeoloog worden geraadpleegd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek kunnen leiden tot aanvullende bepalingen in de omgevingsvergunning.

Waarde - Beschermd stadsgezicht

De gebieden die vallen binnen het beschermd stadsgezicht, zijn eveneens van een dubbelbestemming voorzien. Deze gronden zijn, naast de andere daar voorkomende bestemming, tevens bestemd voor het behoud, herstel en de uitbouw van de  in paragraaf 6.1.2 Cultuurhistorie aangegeven cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het gebied en zijn bebouwing.

In dit bestemmingsplan is de bescherming vormgegeven door het toevoegen van een dubbelbestemming met extra bouwregels; één en ander in aansluiting op de eerder aangehaalde drie beschermingsniveaus. Overigens gelden deze extra bouwregels naast de regels van de andere bestemmingen.

Bij de wijze van bestemmen is, afhankelijk van het te hanteren beschermingsniveau (klasse), op de volgende wijze met de te beschermen waarden rekening gehouden:

Bouwvlakken

Binnen de verschillende bestemmingen wordt onderscheid gemaakt tussen het bouwen binnen en buiten het bouwvlak. Speciaal punt van aandacht hierbij vormt de mogelijkheid voor het uitbouwen van (monumentale) panden in het kernwinkelgebied aan de achterzijde en de relatie die daarbij met name qua bouwhoogte en dakvorm wordt gelegd met aangrenzende panden die hun oriëntatie op een achtergelegen weg of straat hebben.

De bouwvlakken zijn zo strak mogelijk om de bestaande bebouwing neergelegd. Waar mogelijk is gewerkt met bouwstroken van een bepaalde diepte (per bestemming nader bepaald op basis van de bestaande bouwdiepte). Binnen het Beschermd Stadsgezicht zijn erkers niet toegestaan.

Voorbouwgrenzen

Indien er gebouwd dient te worden in de voorbouwgrens, is een gevellijn aangegeven. Hierbij is de driedeling aangehouden die op de Historisch-ruimtelijke waarderingskaart, behorende bij het aanwijzingsbesluit dat is opgenomen in Bijlage 1 Aanwijzingsbesluit Beschermd stadsgezicht van deze toelichting, is gegeven ten aanzien van gevelwanden.

Onderlinge samenhang

De bedoeling van de regeling ten aanzien van de vorm, massa en individualiteit van de panden is in het plan verduidelijkt door middel van het opnemen van een zogenaamde gevelwandaanduiding (gebaseerd op de eerder aangehaalde beschermingsniveaus.

Met een voorbeeld is de eis uit de regels verduidelijkt hoe de individualiteit van panden herkenbaar kan blijven binnen het ritme van de bebouwingswand (zie onderstaand figuur).

Bij een overeenkomst van twee bouwlagen en kapvorm is juist het maatverschil in goot- en nokhoogte en een wisselende gevelbreedte bepalend. Naast een regeling voor de marges binnen de goot- en nokhoogte en voor de kap zijn deze bepalende aspecten in de regels vastgelegd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0003.STADAPPINGEDAM-VG03_0021.jpg"

Voorbeeld type gevelwand

Goot- en bouwhoogtes

Goot- en bouwhoogtes van de basisbestemmingen buiten het Beschermd Stadsgezicht zijn per bestemming op plankaart aangegeven. Voor de basisbestemmingen binnen het Beschermd Stadsgezicht wordt het volgende bouwschema gehanteerd:

afbeelding "i_NL.IMRO.0003.STADAPPINGEDAM-VG03_0022.jpg"

Gevelbreedtes en nokrichtingen

De bestaande bebouwing wordt in het algemeen gedomineerd door betrekkelijk kleinschalige gebouwen met een beperkte gevelbreedte en een dwarskap (nok haaks op de lengteas van de weg). Dit uitgangspunt is in de regels vastgelegd.

Afwijkende bebouwing kenmerkt zich in het algemeen door een grotere gevelbreedte en een langskap (nok evenwijdig aan de lengteas van de weg). Om de bestaande variatie in het bebouwingsbeeld te behouden, is deze afwijkende bebouwing voorzien van aanduidingen die de (afwijkende) nokrichting en gevelbreedte vastleggen.

Kapvormen

In het plangebied komen overwegend de volgende kapvormen voor: zadeldak, schilddak, mansardedak en afgeknot schilddak, dan wel samengestelde delen van deze kapvormen. Behoud van deze kapvormen is als uitgangspunt in de regels vastgelegd. Om het bestaande bebouwingsbeeld zoveel mogelijk te kunnen behouden, is vastgelegd dat de gebouwen over een diepte van minimaal 6,00 m vanaf de voorbouwgrens dienen te worden voorzien van één van deze kapvormen. Dit biedt eventueel de mogelijkheid voor uitbouw aan de achterzijde van de panden (bijvoorbeeld voor centrumfuncties) zonder aantasting van de beeldkwaliteit. Gebouwen met afwijkende kapvormen, zoals platte daken of boogkappen, zijn voorzien van een aanduiding om de bestaande beeldvariatie te kunnen waarborgen.

Gevelindelingen

De gevelindeling van de gebouwen kenmerkt zich doordat de hoogte van de openingen van de in de voorbouwgrens gebouwde gevels in het algemeen groter is dan de breedte van de openingen. Dit principe is ook vastgelegd. Panden met een afwijkende gevelindeling zijn voorzien van een aanduiding. Bovendien geldt dit principe niet voor de eerste bouwlaag van de gronden die de bestemming 'Centrum' hebben (dit is bijvoorbeeld het geval bij winkels met een grote etalageruimte).

Omgevingsvergunning voor het aspect sloop

De bescherming van gebouwen met cultuurhistorische/ruimtelijke waarden heeft onder meer geresulteerd in de eis van een omgevingsvergunning voor het aspect sloop, voor zover niet reeds een vergunning vereist is in het kader van de Monumentenwet.

Omgevingsvergunning voor de uitvoering van werken

In de openbare ruimte komen elementen voor die mede de ruimtelijke kwaliteit van het Beschermd Stadsgezicht bepalen. De bijzondere waarden van deze markante elementen als kades, bruggen, profiel en materiaalgebruik in openbare ruimtes, enzovoort zijn extra beschermd door middel van een omgevingsvergunning voor de uitvoering van werken.

7.6 Gebiedsaanduidingen

Geluidzone - industrie

De geluidszone voor het industrielawaai is van toepassing op de gebieden rond de bedrijventerreinen Woldweg en Farmsumerweg en de NAM-locatie. De zone geeft de 50 dB-contour aan. Mochten er ontwikkelingen zijn binnen de contour, dan mag de belasting op het gebouw niet hoger zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een vastgestelde hogere grenswaarde.

Veiligheidszone - externe veiligheid

Rondom de beide gasontvangstations in het plangebied is een veiligheidszone opgenomen ter bescherming van (beperkt) kwetsbare objecten in de directe omgeving.

Vrijwaringszone - vaarweg

Deze gebiedsaanduiding heeft betrekking op de beheerszone langs het Eemskanaal. De zone is op de plankaart en in de regels geregeld. De zone heeft een breedte van 30 meter vanuit de waterlijn op zomerpeil. De gronden binnen de zone zijn mede bestemd voor de bescherming van en het veilig en doelmatig functioneren van de vaarweg. In beginsel mag binnen deze aandachtszones niet gebouwd worden, tenzij een ontheffing van de beheerder is gekregen.

Wetgevingzone - wijzigingsgebied 1

Langs de Wijkstraat in het centrumgebied is binnen het aangeduide gebied 'Wetgevingzone - wijzigingsgebied 1' de mogelijkheid opgenomen onder voorwaarden de bestemmingen te wijzigen ten behoeve van bepaalde horecaontwikkelingen.

Wetgevingzone - wijzigingsgebied 2

Ten noorden van het bedrijventerrein Fivelpoort is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Deze bevoegdheid maakt het mogelijk het bestemmingsplan te wijzigen indien sprake is van verbreding van de Woldwegbrug. De huidige aanlegkade voor binnenvaartschepen is dan niet meer bereikbaar, waardoor er in het verlengde daarvan een nieuwe kade moet worden aangelegd. Om in te kunnen spelen op toekomstige economische ontwikkelingen en mogelijke uitbreidingsmogelijkheden is een zone van 130 meter aangehouden. Uiteraard kan de wijzigingsbevoegdheid ook eerst alleen voor de helft worden toegepast.

Wetgevingzone - wijzigingsgebied 3

Op industrieterrein Woldweg (Bedrijventerrein - 3) is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor de uitbreiding van het bedrijf Bollegraaf. Als hiervan gebruik wordt gemaakt moet worden voldaan aan enkele criteria. Hierbij geldt in ieder geval dat voor wat betreft het aspect geluid voldaan moet worden aan de hogere grenswaarden zoals die voor de naastgelegen woningen zijn vastgesteld.

Hoofdstuk 8 Haalbaarheid

In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van dit bestemmingsplan aangetoond. Een bestemmingsplan moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte toelichting gegeven en daarnaast worden de doorlopen procedures weergegeven.

8.1 Financieel

8.1.1 Economische uitvoerbaarheid

De kosten die met voorliggend bestemmingsplan gemoeid zijn, zijn volledig voor rekening van de gemeente. In haar begroting is met deze kosten rekening gehouden.

8.1.2 Kostenverhaal

Wanneer met een bestemmingsplan een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld om gemeentelijke kosten te kunnen verhalen.

Naast uitgifte van woningbouw, waarbij dekking van kosten door verkoop van grond plaatsvindt of een anterieure overeenkomst is gesloten, heeft het bestemmingsplan overwegend een beheerkarakter en maakt geen nieuwe bouwplannen, zoals opgenomen in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk. De gronden met een uit te werken bestemming zijn in eigendom van de gemeente. Hierbij zullen de kosten via gronduitgifte worden verhaald. Dit is overigens pas aan de orde als de uitwerkingsplannen zijn vastgesteld. In het kader van die procedures zal nader worden ingegaan op het kostenverhaal.

Gezien bovengenoemde wijze van kostenverhaal kan de vaststelling van een exploitatieplan daarom achterwege blijven.

8.2 Maatschappelijk

8.2.1 Overleg

Het voorontwerpbestemmingsplan 'Stad Appingedam' is conform artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening in vooroverleg gezonden naar de provincie Groningen, de Gasunie, het Waterschap Noorderzijlvest en het Waterschap Hunze en Aa's. Het Waterschap Hunze en Aa's heeft met het Waterschap Noorderzijlvest afgesproken dat het Waterschap Noorderzijlvest namens beide waterschappen een overlegreactie naar de gemeente stuurt. Van de genoemde instanties is een overlegreactie ontvangen.

Deze overlegreacties zijn hieronder samengevat en voorzien van een gemeentelijke reactie.

1. Provincie Groningen

De provincie geeft aan dat bij de beoordeling van het plan de provinciale ruimtelijke belangen, zoals deze zijn opgenomen in de Omgevingsverordening van de provincie Groningen, als kader zijn gehanteerd.

Over de inhoud van deze overlegreactie heeft nog nader overleg plaatsgevonden tussen de provincie en de gemeente.

Woningbouw

Afgesproken is dat de gemeente de totale plancapaciteit die beschikbaar is/komt voor de groei van de woningvoorrraad met minimaal 143 woningen vermindert. Tevens is afgesproken dat de gemeente de zekerheid zal bieden dat de overcapaciteit tot 2017 niet wordt benut, dal we dat deze benutting gekoppeld wordt aan extra sloop. In het voorliggend bestemmingsplan worden deze afspraken niet benoemd. Ook is het onduidelijk of aan deze afspraken met voorliggend plan invulling wordt gegeven.
Onduidelijk is ook in hoeverre de (potentiële) woningbouwcapaciteit in dit plan bij recht en via wijzigingsbevoegdheden (bestemmingen 'Centrum', 'Detailhandel - 1', 'Dienstverlening', 'Gemengd - 1 en 2', 'Horeca 1 tot en met 4' en 'Maatschappelijk - 1') zich verhoudt tot de opgave van de bouwplancapaciteit per 1 januari 2012. De plantoelichting geeft onvoldoende duidelijkheid hierover. Daarnaast is een aantal in de planregels opgenomen mogelijkheden voor woningbouw niet objectief begrensd. De provincie stelt voor in overleg te treden om tot een meerjarenafspraak over de bouwgrondcapaciteit te komen.

Reactie

In de toelichting van het bestemmingsplan is nader uitgewerkt hoe de (potentiële) woningbouwcapaciteit zich verhoudt tot de opgave van de bouwplancapaciteit. De toelichting is op dit punt dus verduidelijkt. In de betreffende wijzigingsbevoegdheden is toegevoegd dat het bestaande aantal woningen niet mag toenemen. In de wijzigingsbevoegdheden waarin een functiewijziging van bijvoorbeeld een bedrijfsbestemming naar wonen mogelijk wordt gemaakt is opgenomen dat het aantal woningen na toepassing van de wijzigingsbevoegdheid maximaal één mag bedragen.

Voor wat betreft de onderlinge uitwisselbaarheid binnen de bestemmingen 'Centrum' en 'Gemengd - 2' (beide gelegen in het winkelcentrum van Appingedam) is de gemeente van mening dat hier enige mogelijkheid voor de uitwisselbaarheid van functies, waaronder wonen, zou moeten bestaan. Met name met het oog op de leefbaarheid van het centrum zou bijvoorbeeld in een winkel, of een gebouw met een andere functie, die leeg komt te staan een woning moeten kunnen komen. Het helemaal vastleggen van het bestaande aantal woningen in het centrum zou belemmerend werken en doet afbreuk aan een goed leefbaar en vitaal centrumgebied. Daarom is een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid opgenomen, zodat binnen de beide bestemmingen in totaal het aantal woningen mag toenemen met 15 (de resterende woningbouwcapaciteit).

Voor de straten die bij uitstek kunnen worden aangemerkt als de winkelstraten van het centrum, is al binnen de bestemming 'Centrum' een gebied aangegeven waarbinnen wonen op de begane grond niet is toegestaan.

Ruimtelijke kwaliteit

Gebied de Eendracht

Voor het gebied de Eendracht is een structuurplan opgesteld. De provincie adviseert het raamwerk zoals omschreven in de structuurvisie concreet te bestemmen. Het raamwerk bestaat uit de wegen, de kenmerkende bebouwing en het cultureel erfgoed. Uit de planregeling moet duidelijk worden waar binnen het gebied nieuwe ontwikkelingen te verwachten zijn.

Reactie

In het Structuurplan "Stadstuin de Eendracht" wordt aangegeven dat de visie voor de Eendracht uitgewerkt zal worden in een flexibel bestemmingsplan. In dit bestemmingsplan is dit tot uitdrukking gebracht met een uitwerkingsplicht, opgenomen in de bestemming 'Gemengd - Uit te werken'. In de uitwerking hiervan wordt gedetailleerder dan in de visie aangegeven waar zich verschillende functies bevinden en in welke verhouding tot elkaar. Per deelgebied wordt, als een ontwikkelingsmogelijkheid zich voordoet, een uitwerkingsplan opgesteld. Er is nu gekozen voor een uit te werken bestemming, zodat deze in de toekomst nog wat lucht kan geven, zodat ingespeeld kan worden op toekomstige ontwikkelingen.

In het voorontwerpbestemmingsplan is inderdaad aangegeven waar vanuit bodemverontreiniging op dit moment niet gebouwd zou kunnen worden. Aangezien er nog bodemsaneringen zullen plaatsvinden, werken deze milieucontouren belemmerend voor toekomstige ontwikkelingen. De betreffende aanduiding is in het bestemmingsplan verwijderd.

Daarnaast is het uitdrukkelijk niet de bedoeling de visie in dit bestemmingsplan te vertalen, maar willen wij een zekere mate van flexibiliteit voor de toekomst behouden om effectiever op toekomstige ontwikkelingen in te kunnen spelen. De beoogde kwaliteit van het plan zoals beschreven in de structuurvisie wordt daarmee in onze ogen alleen maar verbeterd. Graag wil de gemeente in de toekomst met het provinciaal bouwheerschap in overleg treden om gezamenlijk invulling aan het gebied te geven. Bovendien wordt ook een uitwerkingsplan, als dat in procedure wordt gebracht, (overigens verplicht) naar de provincie gestuurd.

Enkele kwaliteiten, zoals het behoud van cultuurhistorische bebouwing en een stedenbouwkundige structuur zoals opgenomen in de structuurvisie, zullen in de uitwerkingsregeling van de bestemming 'Gemengd - Uit te werken' worden verwerkt, maar het kaartbeeld wordt niet aangepast. Het nadeel van bijvoorbeeld het gedetailleerd vastleggen van de wegenstructuur betekent ook dat dit vast komt te liggen. Het is beter om dit in het uitwerkingsplan nader uit te werken. De structuurvisie is hierbij het leidende document en hier zal bij de nadere planvorming dan ook bij worden aangesloten. Bovendien zal tijdens de procedure van één of meerdere uitwerkingsplannen uiteraard (overigens verplicht op grond van het Bro) de provincie bij het plan worden betrokken.

Gebied Fivelpoort

Op het bedrijventerrein Fivelpoort is een nieuwe bestemming opgenomen voor een tankstation. De locatie is echter niet passend binnen de bestaande functionele en ruimtelijke karakteristiek van het bedrijventerrein. De provincie adviseert een locatie aan de andere zijde van de ontsluitingsweg te kiezen en de aangegeven locatie te behouden voor een kantoorfunctie.

Reactie

Aangezien een tankstation niet dezelfde kwalitatieve ruimtelijke uitstraling als een kantoor heeft, zijn wij het met de provincie eens dat goed overwogen moet worden of een tankstation op de beoogde locatie passend is. Langs de N33 willen wij een zevental kantoren op rij realiseren, waarmee wij de totale kwalitatieve uitstraling van het bedrijvenpark, bezien vanaf de N33, willen versterken. Momenteel zijn vanaf de oostzijde de eerste en de vierde kantoorlocaties (parels) ingevuld met een kantoor. Op de zevende parel heeft Groningen Seaports momenteel een landmark gesitueerd om, zolang het bedrijventerrein Fivelpoort nog in ontwikkeling is, dit bedrijventerrein een duidelijke herkenning te geven. Dit betreft een tijdelijke situatie, die vooralsnog onder het overgangsrecht valt. Het beoogde tankstation staat ten westen van deze rij kantoren geprojecteerd en staat ten opzichte van de overige beoogde kantoren het meest verwijderd van de N33. Op zich vinden wij een tankstation in het beeld vanaf de N33 passend. Aangezien dit tankstation zich niet tussen de toekomstige kantoren bevindt, vindt de gemeente de situering van het tankstation acceptabel.

Reclamemasten

De provincie verzoekt een eenduidige regeling op te nemen die in overeenstemming is met artikel 4.14 van de verordening.

Reactie

De regels worden conform het verzoek van de provincie aangepast. Er wordt volstaan met de regel die is opgenomen in het artikel Algemene bouwregels. De regels waarin wordt verwezen naar de maximale bouwhoogte van reclamemasten worden in de betreffende artikel verwijderd. De algemene bouwregel is uiteraard op het hele plan van toepassing, ook indien van bouwregels in de overige artikel wordt afgeweken met een binnenplanse afwijkingsbevoegdheden.

Agrarische bedrijfsbebouwing en bouwwerken buiten bouwperceel

Bestemmingen 'Agrarisch' en 'Agrarisch - Cultuurgrond'

De provincie verzoekt de artikel 3.2.2, sub b, e en f en 5.2.3, sub b van de planregels én de artikel 3.3 en 5.3 van de planregels te schrappen. Tevens verzoekt de provincie artikel 3.5, waarin het mogelijk is met een omgevingsvergunning een paardrijbak aan te leggen, in overeenstemming te brengen met artikel 4.19a, lid 5 van de verordening.

Reactie

De genoemde artikelen zijn als volgt gewijzigd:

  • artikel 3.2.2 sub b, e en f zijn geschrapt;
  • artikel 3.3 en 5.3 zijn geschrapt;
  • voor wat betreft de regeling voor paardrijdbakken is de gemeente van mening dat de regeling zoals die er nu in zit voldoende waarborgen biedt dat de paardrijdbak op een landschappelijke verantwoorde wijze wordt ingepast. Bovendien is er eerst nog een nader toetsmoment door het college, omdat er een omgevingsvergunning nodig is waarmee kan worden afgeweken van het bestemmingsplan.

De provincie verzoekt de wijzigingsbevoegdheid, opgenomen in artikel 3.7 en de regeling in artikel 5.2.2 in overeenstemming te brengen met de in voorbereiding zijnde herziening van de verordening, artikel 4.19a, lid 6.

Reactie

De wijzigingsbevoegdheid in artikel 3.7 is zodanig aangepast dat wordt aangesloten op het betreffende artikel van de herziening van de verordening.

Artikel 5.2.2 is niet aangepast, omdat deze regeling ziet op bestaande schuren binnen de bestemming 'Agrarisch - Cultuurgrond'. Deze regel ziet dus niet op nieuwe agrarische bedrijfsbebouwing buiten het bouwperceel, maar is slechts een regeling voor bestaande bebouwing.

Bestemming 'Agrarisch - Bedrijf'

De provincie verzoekt artikel 4.2.3 en artikel 4.3 sub c aan te passen. Er dient opgenomen te worden dat deze bouwwerken binnen het agrarisch bouwperceel dienen te worden opgericht.

Tevens verzoekt de provincie om artikel 4.2.2 sub b, f, en h en artikel 4.3 sub d te schrappen. Tevens verzoekt de provincie artikel 4.5, waarin het mogelijk is met een omgevingsvergunning een paardrijbak aan te leggen, in overeenstemming te brengen met artikel 4.19a, lid 5 van de verordening.

Op grond van de verordening is het niet toegestaan mest op te slaan buiten het agrarisch bouwperceel. In het bestemmingsplan is dit, op basis van artikel 4.4 sub c wel toegestaan. De provincie verzoekt de regeling in overeenstemming te brengen met de verordening.

Reactie

De gronden die zijn bestemd als 'Agrarisch - Bedrijf' zijn feitelijk het agrarisch bouwperceel van de agrarische bedrijven in het plangebied. De overige gronden (die dus buiten het agrarisch bouwperceel zijn gelegen) zijn bestemd als 'Agrarisch - Cultuurgrond'. De gewenste aanpassingen zijn dus niet doorgevoerd, omdat de bestemming uitsluitend betrekking heeft op agrarische bouwpercelen.

Vrijkomende gebouwen in het buitengebied

De provincie verzoek het bestemmingsplan voor wat betreft vrijkomende agrarische gebouwen, voor zover gelegen in het door Gedeputeerde Staten aangewezen buitengebied, in overeenstemming te brengen met artikel 4.27, lid 4 van de verordening. Tevens adviseert de provincie rekening te houden met artikel 4.27a van de in voorbereiding zijnde herziening van het de verordening, waarin regels worden gesteld omtrent cultuurhistorisch erfgoed voor zover deze betrekking heeft op het door Gedeputeerde Staten aangewezen buitengebied.

Reactie

In het plangebied bevinden zich geen vrijkomende agrarische gebouwen. In de wijzigingsbevoegdheid waarbij de agrarische bestemming kan worden gewijzigd in een woonbestemming zijn de in artikel 4.27 lid 4 van de verordening opgenomen voorwaarden overgenomen.

Niet-agrarische bedrijvigheid in het buitengebied

Binnen diverse bedrijfsbestemmingen is de mogelijkheid opgenomen om bij omgevingsvergunning af te wijken van de bouwregels in die zin dat ten hoogste 25% van de oppervlakte van het gebouw buiten een bouwvlak kan worden gebouwd. Voor zover gelegen in het door Gedeputeerde Staten aangewezen buitengebied verzoekt de provincie op grond van artikel 4.27, lid 7, van de verordening deze planregeling aan te passen in die zin dat de uitbreidingsmogelijkheden beperkt worden tot een eenmalige uitbreiding van de totale vloeroppervlakte van de bestaande bedrijfsbebouwing tot een percentage dat de 20% niet mag overschrijden.

Reactie

Binnen het plangebied van dit bestemmingsplan vallen geen niet-agrarische bedrijven in het buitengebied. Dit onderdeel van de reactie is dus niet van toepassing op dit bestemmingsplan.

Oppervlakte woningen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen

Voor zover gelegen in het door GS aangewezen buitengebied, wordt verzocht de regels van de woonbestemmingen met artikel 4.27, lid 8, van de verordening in overeenstemming te brengen.

Reactie

Deze reactie is alleen van toepassing op de bestemming Wonen - E1. De oppervlakte van de woningen die vallen onder deze bestemming zijn opgenomen in een bouwvlak. Die oppervlakte en de maximale oppervlakte aan aan- en uitbouwen en bijgebouwen gezamenlijk is minder dan 300 m². Aan de afwijkingsregels voor vergroting van de oppervlakte is de maximale maat van 300 m² toegevoegd.

Wierden en visuele invloedssferen

In het plangebied liggen een drietal wierden. Het bestemmingsplan dient ingevolge artikel 4.36, lid 1, van de verordening regels te bevatten ter bescherming van de landschappelijke openheid. Daarbij is het volgens de provincie in ieder geval van belang dat in de rondom deze wierden gelegen agrarische bestemmingen en de bestemming 'Sport' houtteelt, boomteelt en/of fruitteelt in boomgaarden wordt uitgesloten. De provincie verzoekt het bestemmingsplan op deze punten in overeenstemming met de verordening te brengen.

Reactie

De provincie geeft aan dat de invloedszone van de wierde ook is gelegen binnen de bestemming 'Sport'. Deze bestemming staat geen houtteelt, boomteelt of fruitteelt in boomgaarden toe. Wat wel (als ondergeschikt aan de sportfunctie) wordt toegestaan zijn groenvoorzieningen. In de specifieke gebruiksregels van dit artikel zal worden opgenomen dat het niet is toegestaan de gronden als bos te gebruiken. Hiermee wordt voorkomen dat de groenvoorzieningen op een zodanige wijze kunnen groeien dat het zicht op de wierde wordt belemmerd. Binnen de agrarische bestemming (Agrarisch - Cultuurgrond) die is gelegen binnen de invloedszone wordt de genoemde teelt ook aangemerkt als strijdig gebruik. Hierbij is aangesloten op de regeling zoals die al is opgenomen in de bestemming Agrarisch.

Bos- en natuurgebieden buiten de ecologische hoofdstructuur

Ingevolge artikel 4.48 van de verordening voorziet een bestemmingsplan dat betrekking heeft op de in bijlage 10, kaart 4, aangegeven bos- en natuurgebieden buiten de ecologische hoofdstructuur niet in wijziging van de bestemming of wijziging ter zake van het gebruik van de grond ten gevolge waarvan significante mate afbreuk wordt gedaan aan het areaal van de tot het bos- en natuurgebied behorende gronden of de actuele natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het bos- of natuurgebied. Een bosgebied aan de noordoostzijde van het te ontwikkelen woongebied 'Olingermeeden' is bestemd als 'Wonen - Uit te werken'. Dit gebied is op bijlage 10, kaart 4 van de verordening aangeduid als 'overig bos- en natuurgebied'. De provincie verzoekt het bestemmingsplan op dit punt aan te passen en in overeenstemming te brengen met de verordening.

Reactie

Het bestemmingsplan is overeenkomstig het verzoek van de provincie aangepast. Concreet is het bosgebied bestemd als 'Bos' en dus niet langer als 'Wonen - Uit te werken'.

Externe veiligheid

In paragraaf 6.5 ontbreekt een groepsrisicoverantwoording voor in deze paragraaf genoemde bronnen en de niet genoemde bronnen. Artikel 4.17 van de verordening vereist dat er in ieder geval een groepsverantwoording moet worden opgenomen indien er geen eerdere groepsverantwoording is die minder dan 10 jaar oud is en anders in ieder geval een beperkte groepsrisicoverantwoording. Daarnaast moet op grond van artikel 4.17 van de verordening de risicobronnen N360 en het spoor in het plantoelichting worden benoemd en de consequenties hiervan worden beschreven.

Reactie

De toelichting is op genoemde punten uitgebreid. Daarnaast is de Brandweer Regio Groningen gevraagd advies uit te brengen over dit bestemmingsplan in het kader van externe veiligheid, specifiek het groepsrisico. Dit advies zal alvorens het bestemmingsplan wordt vastgesteld in het bestemmingsplan worden meegenomen.

Overige opmerkingen

Nevenactiviteit bij agrarische bedrijven

Voorzover gelegen in het door GS aangewezen buitengebied, verzoekt men aan artikel 4.5, sub b, van de planregels toe te voegen dat bij het toestaan van nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven de agrarische hoofdfunctie behouden dient te blijven. Als toetsingscriterium dient het behoud van cultuurhistorische waarden te worden toegevoegd (artikel 4.26, lid 2, sub b en d van de verordening).

Reactie

De regels zijn conform het verzoek van de provincie aangepast.

Mestvergistingsinstallatie

Verzocht wordt de regeling zoals opgenomen in artikel 4.5, sub a, van de planregels, in overeenstemming te brengen met artikel 4.1, sub ii van de verordening.

Reactie

De regels zijn conform het verzoek van de provincie aangepast.

Stilte en duisternis

Op grond van artikel 4.21 van de verordening biedt de toelichting op het bestemmingsplan inzicht in de wijze waarop met de aspecten stilte en duisternis rekening is gehouden. Voorzover gelegen in het door GS aangewezen buitengebied wordt verzocht de toelichting hiermee in overeenstemming te brengen.

Reactie

In de toelichting is een paragraaf opgenomen omtrent 'lichthinder' en 'stilte en duisternis' voor wat betreft het deel van het plangebied dat onderdeel uitmaakt van het buitengebied.

Energie en duurzaam bouwen

Op grond van artikel 4.6 van de verordening biedt te toelichting inzicht in de wijze waarop met de aspecten energie en duurzaambouwen wordt omgegaan. Voor gebieden De Eendracht en Olingermeeden ontbreekt dit inzicht. Verzocht wordt hier alsnog aandacht aan te besteden.

Reactie

In de toelichting is het aspect duurzaamheid nader toegelicht. Dit slaat tevens op de nog te ontwikkelen gebieden als De Tip, De Eendracht en Olingermeeden.

Geluidszone industrielawaai

De warmtekrachtcentrale op het terrein de Eendracht is voorzien van een recent aangepast geluidszone, waarbinnen niet kan worden gebouwd. Het bedrijf en de bijbehorende geluidszone zijn niet overeenkomstig bestemd, terwijl de milieuvergunning van het bedrijf nog niet is ingetrokken. Voordat het bestemmingsplan wordt vastgesteld moet hierover duidelijkheid bestaan.

In paragraaf 6.4 van de plantoelichting wordt opgemerkt dat motorenfabriek Brons de productie van motoren heeft gestaakt en zich alleen nog maar richt op service en reparatie. Het is onduidelijk waarom de geluidszone ter plaatse moet worden gehandhaafd. De provincie verzoekt hierover duidelijkheid.

Reactie

De Eendracht is er inmiddels niet meer. Alleen de warmtekrachtcentrale staat er nog. Tijdens de planperiode zal de milieuvergunning worden ingetrokken. Daarom is ervoor gekozen om de warmtekrachtcentrale 'weg' te bestemmen. Op grond van artikel 41 lid 3 Wgh blijft de zone voortbestaan zolang de geluidzoneringsplichtige inrichting zich op het terrein bevindt. Er geldt dus, zolang de warmtekrachtcentrale er nog is, een geluidzone 'van rechtswege'. In het bestemmingsplan is de zone en ook de functie niet langer opgenomen.

In de toelichting wordt nog gesproken over motorenfabriek Brons. Dit bedrijf is niet langer op het bedrijventerrein Farmsumerweg gevestigd. In het voorontwerpbestemmingsplan is ten onrechte uitgegaan van onjuiste informatie hierover. Wel is er op het bedrijventerrein nog een geluidzoneringsplichtig bedrijf aanwezig, namelijk ControlSeal. De geluidzone die rondom dit bedrijf is gelegen is gedeeltelijk gedezoneerd. Een nadere uitleg hierover is opgenomen in de toelichting en het akoestisch rapport dat is opgesteld door DGMR (opgenomen in de bijlage bij de toelichting).

2. Waterschap Noorderzijlvest

Vooroverleg

Het Waterschap Noorderzijlvest geeft aan dat ze tevens de opmerkingen van het waterschap Hunze en Aa's mee hebben genomen in deze vooroverlegreactie.

Reactie

De gemeente neemt dit voor kennisgeving aan.

Toelichting

Op pagina 21 wordt gesproken over waterschap Hunsingo. Dat moet zijn waterschap Noorderzijlvest. Tevens ziet het waterschap graag dat in paragraaf 6.3 een verwijzing wordt opgenomen naar het Waterbeheerplan 2010-2015 en de Notitie Stedenlijk Water.

Reactie

De tekst van de toelichting is conform het verzoek van het waterschap aangepast.

Regels

In artikel 16 ontbreekt de bestemmingsomschrijving 'water'. In artikel 38.5 wordt de term Wet Verontreiniging Oppervlaktewateren gebruikt. Dit dient te worden vervangen door de term Waterwet.

Tevens meent het waterschap dat het wellicht beter is de term 'uitbaggeren' niet te gebruiken in artikel 65.4.1. onder c. Het uitbaggeren valt onder het normale onderhoud en kan Watervergunningsvrij worden uitgevoerd.

Reactie

De regels zijn conform het verzoek van het waterschap op deze punten aangepast. De bestemming 'Cultuur en ontspanning' (in het voorontwerpbestemmingplan artikel 16) is in het ontwerpbestemmingsplan gewijzigd naar 'Maatschappelijk - 1'. Deze opmerking is dus niet meer van toepassing op het bestemmingsplan.

Voor wat betreft de opmerkingen van het waterschap met betrekking tot de vergunningplicht voor het uitbaggeren van watergangen is contact gezocht met Libau (opsteller van het archologische beleid van de gemeente Appingedam). Nader onderzoek door Libau heeft ertoe geleid dat de vergunningplicht voor het uitbaggeren van watergangen slechts op één watergang binnen de gemeente zou moeten gelden. Het betreft een smalle watergang rond en in De Wierde (bij het kerkhofgedeelte). De betreffende watergang is gelegen binnen de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1' (binnen deze bestemming is sowieso voor elke roering van de grond een vergunning nodig van de Rijksdienst voor Cultureel erfgoed) en 'Waarde - Archeologie 4'. In deze laatstgenoemde dubbelbestemming is de betreffende watergang aangeduid, hiervoor is de vergunningplicht wel van toepassing. Voor het overige is het uitbaggeren van watergangen onder het normaal onderhoud gebracht binnen de verschillende dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie' (namelijk 2, 3 en 4, voor zover niet aangeduid als 'specifieke vorm van waarde - archeologie').

Overige opmerkingen

Daarnaast heeft nog apart overleg plaatsgevonden met het waterschap Noorderzijlvest over een aantal andere punten. Er is gebleken dat de ligging van de rioolpersleidingen die zijn gelegen in het plangebied niet overal juist op de verbeelding zijn weergegeven. Ook zijn er verschillende hoofdwatergangen, die als zodanig op de Legger van het waterschap zijn weergegeven, niet bestemd als 'Water'. Daarnaast zijn de regionale waterkeringen (met uitzondering van de waterkering rondom het Eemskanaal die al juist is bestemd) niet op de verbeelding van het bestemmingsplan weergegeven. Het waterschap heeft voor al deze onderdelen digitale bestanden aangeleverd die op de verbeelding zijn vertaald. Dit heeft geleid tot het op enkele locaties aanpassen van de ligging van de dubbelbestemming 'Leiding - Riool', de toevoeging van de functieaanduiding 'waterkering' op de regionale waterkeringen (met uitzondering van de waterkering rondom het Eemskanaal die al grotendeel is bestemd als 'Water - Waterkering') en het bestemmen van de hoofdwatergangen als 'Water'. Er is, voor wat betreft dit laatste onderdeel, gekozen om de bestemming 'Water' niet te leggen op het Eendrachtsterrein, deze watergangen maken onderdeel uit van de bestemming 'Gemengd - Uit te werken'. Als deze bestemming nader wordt uitgewerkt zal hiermee rekening worden gehouden en wordt het plan in het kader van het overleg (dat overigens verplicht is op grond van het Bro) voorgelegd aan het waterschap.

3. N.V. Nederlandse Gasunie

Verbeelding

Buitenbeheer zijnde leiding

Op de verbeelding is de regionale aardgastransportleiding N-509-40-KR-033-BB opgenomen die buiten beheer is. Omdat er door deze leiding geen gastransport meer plaatsvindt, is de leiding niet mee planologisch relevant. Verzocht wordt de leiding van de plankaart te verwijderen.

Reactie

Het bestemmingsplan is conform het verzoek van de Gasunie aangepast.

Opname leiding

De aardgastransportleiding N-509-04-KR-004 is niet volledig op de plankaart opgenomen. De Gasunie verzoekt de verbeelding conform het toe te zenden leidingbestand aan te passen.

Reactie

Het bestemmingsplan is conform het verzoek van de Gasunie aangepast.

Bouwblokken

Verschillende bouwblokken zijn binnen de belemmeringen strook op of de aardgasleiding geprojecteerd. Verzocht wordt nieuwe bouwblokken buiten de belemmeringenstrook te brengen.

Reactie

Het bestemmingsplan is conform het verzoek van de Gasunie aangepast.

Gasontvangstations N-154 en N-297

De Gasontvangstations N-154 en N-297 bevinden zich respectievelijk binnen de bestemming 'Gemengd - Uit te werken' en 'Bedrijf - Nutsvoorziening'. Verzocht wordt de bestemming van G.O.S. N-154 en N-297 te wijzigen in 'Bedrijf - Gasontvangstation'. De Gasunie streeft een beleid na om gasontvangstations op een eenduidige en uniforme wijze te bestemmen. Ook liggen er veiligheidsaspecten die voor gasontvangstations gelden aan dit verzoek ten grondslag. Tevens wordt er op gewezen dat een gasontvangstation binnen milieucategorie 3.1 valt.

Reactie

Het bestemmingsplan is conform het verzoek van de Gasunie aangepast. De bestemming 'Bedrijf - Gasontvangstation' is toegevoegd.

Invoerleidingen

De toe- en afvoerleidingen, met bijbehorende belemmeringenstrook, van en naar G.O.S. N-154 en N-297 zijn niet opgenomen op de verbeelding. Verzocht wordt dit alsnog op te nemen.

Reactie

Het bestemmingsplan is conform het verzoek van de Gasunie aangepast.

'Veiligheidszone - bedrijven'

Om G.O.S. N-154 en G.O.S. N-297 moet een veiligheidsafstand van 15 meter worden aangehouden ten opzichte van kwetsbare objecten gemeten vanaf de bestemmingsgrens. De Gasunie ziet de contour graag op de verbeelding opgenomen als een rechthoek met afgeronde hoeken. Op deze wijze wordt zeker gesteld dat er geen ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden richting het station.

Reactie

Het bestemmingsplan is conform het verzoek van de Gasunie aangepast. Deze gebiedsaanduiding, die 'veiligheidszone - externe veiligheid' is genoemd, is opgenomen op de verbeelding en in het artikel Algemene aanduidingsregels.

Dubbelbestemming 'Leiding - Gas'

Rondom de bestemming van het G.O.S. dient een dubbelbestemming 'Leiding - Gas' opgenomen te worden met een belemmeringenstrook van 4 meter. Dit biedt de ruimte om het station toegankelijk te houden. Tevens zorgt dit voor een vrije aanrijroute voor de brandweer en andere hulpverleners.

Reactie

Het bestemmingsplan is conform het verzoek van de Gasunie aangepast.

Regels

G.O.S. N-154 en G.O.S. N-297 bestemming 'Bedrijf - Gasontvangstation'

Verzocht wordt om in plangregels een artikel op te nemen voor de bestemming 'Bedrijf - Gasontvangstation'. Hiervoor doet de Gasunie een tekstvoorstel. Niet alleen de bestemmingsomschrijving is van belang, maar ook de maatvoering. De hoogte van perceel- en terreinafscheiding dient minimaal 3 meter te zijn.

Reactie

Het bestemmingsplan is conform het verzoek van de Gasunie aangepast.

'Veiligheidszone - bedrijven'

Verzocht wordt om in artikel 71 een bepaling toe te voegen die betrekking heeft op de aanduiding 'veiligheidszone - bedrijven', waarin bepaald wordt dat ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - bedrijven' geen kwetsbare objecten zijn toegestaan.

Reactie

Het bestemmingsplan is conform het verzoek van de Gasunie aangepast.

Bestemming 'Leiding - Gas'

De bestemming 'Leiding - Gas' (artikel 60) is naar mening van de Gasunie te beperkt. De opzet van de bepaling brengt met zich mee dat de veiligheid van de hoge druk aardgasleiding, de personen in de nabijheid van de leiding en het bedrijfszekere gastransport niet wordt gegarandeerd. Verzocht wordt de bestemming op de volgende punten aan te passen.

Reactie

Het bestemmingsplan is conform het verzoek van de Gasunie aangepast.

Voorrangsbepaling

Verzocht wordt een voorrangsregeling ten behoeve van de dubbelbestemming 'Leiding - Gas' op te nemen. De dubbelbestemming 'Leiding - Gas' valt samen met de bestemmingen 'Waarde 2 - Archeologie' en 'Leiding - Water'. In de plangregels bij deze bestemmingen zijn regels opgenomen die de belangen van de hoge druk aardgastransportleiding kunnen schaden.

Reactie

Het bestemmingsplan is conform het verzoek van de Gasunie aangepast.

Afwijken van de bouwregels

In artikel 60.3 is een regeling opgenomen voor het afwijken van de bouwregels. deze toepassingsvoorwaarden zijn te beperkt en in strijd met het bepaalde in artikel 14, derde lid Besluit externe veiligheid buisleidingen. Aan artikel 60.3 dient te worden toegevoegd dat er geen kwetsbare objecten worden toegelaten.

Reactie

Het bestemmingsplan is conform het verzoek van de Gasunie aangepast.

Omgevingsvergunningsplichtige activiteiten

De Gasunie verzoekt de omgevingsvergunningplichtige activiteiten in artikel 60.4.1 te concretiseren of uit te breiden. Tevens verzoekt men een activiteit aan het artikel toe te voegen. De Gasunie geeft in haar reactie aan hoe de tekst dient te worden aangepast.

Reactie

Het bestemmingsplan is conform het verzoek van de Gasunie aangepast.

Schriftelijk advies

In artikel 60.3 onder 1 en artikel 60.5.1 onder 1 moet opgenomen worden dat het advies dat ingewonnen dient te worden, schriftelijk dient te worden ingewonnen.

Reactie

Het bestemmingsplan is conform het verzoek van de Gasunie aangepast.

Onevenredig

Het woord 'onevenredig' dient te worden verwijderd uit artikel 60.3 onder 2, Artikel 60.4.3 en artikel 60.5.2. Het woord onevenredig impliceert dat er enige beoordelingsvrijheid bestaat over de mate van 'afbreuk' aan de veiligheidssituatie.

Reactie

Het bestemmingsplan is conform het verzoek van de Gasunie aangepast.

Toelichting

Externe veiligheid

In de toelichting wordt in hoofdstuk 6.5 aandacht besteed aan de externe veiligheid. Verzocht wordt om in deze paragraaf aandacht te besteden aan G.O.S. N-154 en G.O.S. N-297 en in het bijzonder dat binnen de 'veiligheidszone - bedrijven' geen kwetsbare objecten zijn toegestaan. Tevens verzoekt de Gasunie de term 'belemmerende strook' te wijzigen in 'belemmeringenstrook'.

Reactie

De tekst van de toelichting is hierop aangepast.

8.2.2 Vaststelling

Vanaf 28 februari 2013 heeft het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn 18 zienswijzen ingediend. In de Reactienota zienswijzen zijn deze zienswijzen samengevat en voorzien van een gemeentelijke reactie. De nota met bijbehorende bijlagen is als bijlage Bijlage 10 Reactienota zienswijzen opgenomen bij deze toelichting. In de reactienota staat ook omschreven hoe met de zienswijzen is omgegaan in het bestemmingsplan. Er is ook een aantal ambtshalve wijzigingen in het bestemmingsplan doorgevoerd. Deze zijn ook in de reactienota verwoord.

Op 19 juni 2013 heeft de raad van de gemeente Appingedam het bestemmingsplan gewijzigd vastgesteld. Na vaststelling is het voor belanghebbenden mogelijk om beroep in te stellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Hoofdstuk 9 Uitspraak Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State, 2015

Tegen de vaststelling van het bestemmingsplan Stad Appingedam door de gemeenteraad op 19 juni 2013 werden beroepen ingediend. Over een deel van de beroepen besliste de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) op 9 september 2015.

In de uitspraak van de Afdeling is de de bedrijfsbestemming van de kade op het bedrijventerrein Fivelpoort vernietigd. Het betreft het deel direct aan de oostzijde van de brug over het Eemskanaal; onderstaand kaartfragment maakt dat duidelijk. De Afdeling heeft aangegeven dat de gemeenteraad voor 9 maart 2016 een herziening voor dit plandeel moeten vaststellen. Daarin moet rekening worden gehouden met de uitspraak.

De gevolgen van deze uitspraak zijn nu in het bestemmingsplan Stad Appingedam verwerkt in de vorm van een zogenaamde partieel hervaststellingsbesluit. Daarbij zijn de structuur en opzet van het bestemmingsplan ongewijzigd gebleven. De wijzigingen in de toelichting betreffen uitsluitend dit hoofdstuk.

Uitgangssituatie bestemmingsplan Stad Appingedam 2013

Het bestemmingsplan zoals de gemeenteraad van Appingedam dat eerder (19 juni 2013) vaststelde, kent voor de kade op Fivelpoort, aan de oostkant van de Woldbrug over het Eemskanaal, een bestemming Bedrijventerrein - 3 (op de verbeelding weergegeven met het symbool BT-3). De kade maakt daarmee deel uit van de algehele bestemming Bedrijventerrein - 3, maar heeft binnen die bestemming wel een aparte aanduiding. Die aanduiding is genoemd 'specifieke vorm van bedrijf - op- en overslag.' De aanduiding regelde de specifieke kadefunctie langs het kanaal. Er ligt geen bouwvlak op de kade, zodat er niet gebouwd kan worden.

De betreffende kade is op onderstaand fragment indicatief aangeduid (het paarse vlak ten noorden van de weg Eemskanaal ZZ). De rode arcering ziet nog op de wijzigingsbevoegdheid waarmee de kade verplaatst en/of verlengd kon worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0003.STADAPPINGEDAM-VG03_0023.png"

Binnen de aanduiding voor de kade zijn laad-, los- en overslagbedrijven voor de binnenvaart toegestaan tot ten hoogste milieucategorie 4.2. De planregels sluiten daarbij echter tankercleaning op voorhand uit.

Tussen bedrijven en milieugevoelige functies als het wonen worden richtafstanden gehanteerd om een goed woon- en leefmilieu te waarborgen. Daarvoor is aangesloten bij de afstanden die de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten (VNG) in haar publicatie Bedrijven en Milieuzonering hanteert. In deze plantoelichting wordt wat dat betreft uitvoerig ingegaan (hoofdstuk 6.11.2) op de vraag hoe om te gaan met deze richtafstanden en wat deze in het bijzonder voor de situatie rond de kade op Fivelpoort betekenen.

Geconstateerd is dat de kade vanouds een functie heeft voor de op- en overslag van granen en andere agrarische producten, terwijl het in de nieuwe situatie ook de bedoeling is om de kade te gebruiken voor de op- en overslag van zand, grind en dergelijke. Verder is gebleken dat de kade een intensiever gebruik krijgt en dat er sprake is van een toenemende belangstelling voor het gebruik van de kade. Dat heeft in het bestemmingsplan geleid tot extra aandacht voor de regeling. Naast wat functioneel en ruimtelijk is geregeld, is vanuit milieu-optiek in het bestemmingsplan uit 2013 aangegeven dat de richtafstanden vanuit de milieuzonering dienen te worden afgestemd op die van 'gemengd gebied'. De richtafstanden kunnen daarmee een stap lager worden aangegeven. In het eerdere hoofdstuk 6.11.2 is geconstateerd, dat in dat geval een richtafstand van 200 meter mag worden aangehouden. Daarnaast heeft Groningen Seaports NV, die de openbare kade in erfpacht heeft, akoestische maatregelen genomen (plaatsing van een geluidscherm) om de hinder te weren.

Ten slotte bevat het plan een binnenplanse wijzigingsbevoegdheid voor verplaatsing van de kade in oostelijke richting. In de beroepsprocedure is vooral de relatie aan de orde geweest met de woonfunctie aan de westzijde van de Woldbrug, alwaar twee geschakelde woningen staan (nummers 12 en 14).

Herziening naar aanleiding van uitspraak Raad van State, 2015

De Afdeling heeft geaccepteerd dat het in het kader van de milieubeoordeling om een zogenaamd 'gemengd gebied' gaat. Tegelijkertijd betreft het een heroverweging om te komen tot een meer zorgvuldige bestemmingskeuze. Daaraan wordt nu voldaan en dat wordt in dit hoofdstuk toegelicht.

De gemeente Appingedam zet dan ook in op:

  • een maatwerkregeling voor de kade op Fivelpoort, die enerzijds recht doet aan de functie van de laad- en loskade, maar anderzijds niet zodanig algemeen is geformuleerd dat ook andere (minder of niet relevante) bedrijven worden toegestaan;
  • dit te onderbouwen door een gericht milieuonderzoek en zo nodig daaruit voortvloeiende maatregelen te nemen en deze in deze bestemmingsplanherziening op te nemen.

Dit betekent eerst het opnieuw vaststellen van de omschrijving van de bestemming Bedrijventerrein - 3 in artikel 13 lid 13.1 in die zin dat sublid f, wordt verwijderd. Hierin werd de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - op- en overslag' geregeld. Er is nu voor gekozen om voor de kade een aparte bestemming op te nemen, dit is Bedrijf - 3 geworden. Hierin is een aparte maatwerkregeling opgenomen die uitsluitend op de kade van toepassing is. Het tweede betekent dat een aanvullend onderzoek heeft plaatsgevonden naar twee aspecten, namelijk de geluidsituatie en de situatie aangaande mogelijke stofoverlast en dat daaruit voortvloeiende maatregelen in het bestemmingsplan zijn vastgelegd. Op basis daarvan is de aanvaardbaarheid van de laad- en loskade gebleken. Dat wordt hierna onderbouwd.

Nadere onderbouwing bestemmingsplan met milieuonderzoeken

Als nadere onderbouwing worden twee milieuonderzoeken (geluid en stof) benut:

  • 1. Akoestisch onderzoek Fivelpoortkade te Appingedam (Ingenieursbureau Spreen, Schipborg, november 2013)
  • 2. Kade bedrijventerrein Fivelpoort te Appingedam - stofdepositieonderzoek (DGMR, Drachten, januari 2016)

De milieuonderzoeken resulteren in de volgende conclusies:

 
Ad 1. Akoestisch onderzoek (bijlage 11)

Ten behoeve van een melding in het kader van het Activiteitenbesluit heeft Groninger Seaports als gebruiker van de openbare kade een akoestisch onderzoek laten opstellen. In het onderzoek is nagegaan of de door de inrichting (= de kade) veroorzaakte geluidsbelasting op de omgeving kan voldoen aan de geluidsvoorschriften. Het wettelijk kader wordt geschetst en de bedrijfssituatie wordt beschreven met uitgangspunten voor de berekening.

Het gaat om een openbare kade die in principe alleen in de dagperiode wordt gebruikt; incidenteel kunnen er in de avond- en nachtperiode laad- en losactiviteiten plaatsvinden.

In het onderzoek wordt geconstateerd dat bronmaatregelen (aan kranen, shovels en vrachtwagens) als niet doelmatig moeten worden aangemerkt. Doelmatig is wel de plaatsing van geluidwerende voorzieningen in het overdrachtsgebied en wel de plaatsing van een scherm tussen de kade en de woningen Eemskanaal ZZ 12 en 14. Afhankelijk van de precieze situering van een dergelijk geluidscherm is de lengte en de hoogte van een geluidscherm aangegeven. Aldus kan ter plaatse van alle woningen worden voldaan aan de geluidsvoorschriften met betrekking tot het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau.

Wel constateert het akoestisch onderzoek dat - om aan het maximaal geluidsniveau te kunnen voldoen - er nog extra maatregelen nodig zijn. Dit om een overschrijding tegen te gaan die wordt veroorzaakt door het laden van de eerste laag stortstenen in een vrachtwagen of een schip. Indien deze eerste laag rustig wordt geladen, kan wel aan de geluidsvoorschriften worden voldaan. Deze voorwaarde is in de regels van de bestemming Bedrijf - 3 opgenomen.

Daarnaast geeft het akoestisch onderzoek als conclusies:

  • het tegengaan van geluidsbelasting in incidentele situaties moet met maatwerkvoorschriften worden geregeld;
  • wat betreft de geluidsbelasting vanwege indirecte hinder van het wegverkeer wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde;
  • wat betreft de geluidsbelasting van de indirecte hinder van de scheepvaart wordt eveneens ruimschoots voldaan aan de te hanteren voorkeursgrenswaarde (op basis van de circulaire Geluidhinder wegverkeer).

Resumerend kan worden gesteld, dat met inachteming van de hiervoor genoemde maatregelen tot een akoestisch aanvaardbare situatie kan worden gekomen en dat dit aspect daarmee geen belemmering vormt voor het vaststellen van (de aanpassing van) het bestemmingsplan Stad Appingedam. Voor het bestemmingsplan betekent dit: voor de bouw en de instandhouding van het geluidscherm is een voorwaardelijke verplichting in de planregels opgenomen, die instandhouding garandeert. Eveneens is in de planregels een specifieke regeling opgenomen aangaande het rustig laden van een eerste laag stortstenen.

Ad 2. Onderzoek stofdepositie (bijlage 12)

In het onderzoek naar stofdepositie is de invloed van stof op de omliggende woningen inzichtelijk gemaakt. In het onderzoek wordt vastgesteld dat er in Nederland weliswaar geen wettelijk beoordelingskader is voor stofdepositie. Er kan derhalve worden aangesloten op het Duits wettelijk kader, dat goed aansluit bij onderzoek naar waarnemingsdrempels ten aanzien van hinder.

Hierbij wordt ook aangetekend dat weliswaar geen wettelijk kader voor stofdepositie in Nederland aanwezig is, maar dat dit niet betekent dat er helemaal geen regelgeving is. De regeling in Nederland is gericht op een beperking van de uitstoot oftewel de emissie en dus niet op de depositie (neerslag). De Nederlandse regelgeving is neergelegd in de Nederlandse Emmissierichtlijn (de NER) en de voorschriften daarvan zijn in het Activiteitenbesluit opgenomen. Aanvullend kan het bestemmingsplan in een regeling voorzien. Zorgvuldigheidshalve is onderzocht of stofdepositie tot een onaanvaardbare woon- en leefsituatie zou leiden.

In het onderzoek wordt geconstateerd dat bij de berekende depositie op de woningen ruimschoots kan worden aangesloten op de richtwaarde, zoals die is gehanteerd uit het Duits wettelijk kader. Hinder op de woningen in de nabijheid van de kade ten gevolge van de stofdepositie bij de op- en overslag van stuifgevoelige bulkgoederen op de kade kan op basis van het onderzoek worden uitgesloten. Hierbij wordt er in het onderzoek wel vanuit gegaan dat er geen overslag van kolenstof plaatsvindt.

Resumerend kan worden gesteld, dat de kade op Fivelpoort onder het Activiteitenbesluit valt en dat op grond daarvan reeds voorschriften gelden aangaande de luchtkwaliteit, voortvloeiend uit de NER (de Nederlandse Emissie richtlijn voor luchtkwaliteit). Het normatieve gedeelte uit de NER is ondergebracht in het Activiteitenbesluit. Verder wordt opgemerkt, dat gelet op de hiervoor genoemde onderzoeksresultaten hinder van stofdepositie ten gevolge van de op- en overslag van bulkgoederen kan worden uitgesloten en daarmee geen belemmering vormt voor het vaststellen van (de aanpassing van) het bestemmingsplan Stad-Appingedam.

Regeling herziening 2016

Met deze partiële hervaststelling wordt in artikel 13 lid 13.1, sublid f geschrapt. Verder wordt ook in de bestemmingskeuze een gerichte wijze van regelen opgenomen waarbij er sprake is van:

  • een gerichte bestemming Bedrijf - 3 voor de kade (dus niet meer als onderdeel van de bedrijfsbestemming) met gerichte toevoegingen vanuit het akoestisch en stofdepositie onderzoek.
  • een bestemming Verkeer - Verblijf voor het deel van de weg Eemskanaal Zuidzijde dat ten zuiden van de kade is gelegen;
  • binnen de bestemmingen Groen, Verkeer en Verkeer - Verblijf zijn geluidwerende voorzieningen mogelijk gemaakt;
  • het achterwege laten van de wijzigingszone voor een eventuele uitbreiding/verplaatsing van de kade op Fivelpoort.

Ten slotte is in de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State ook de wijzigingsbevoegdheid voor uitbreiding van de kade niet gehandhaafd. Gelet daarop is deze niet in aangepaste vorm opnieuw opgenomen. Mocht er in de toekomst behoefte blijken aan zo'n uitbreiding dan zal deze op het actuele moment worden afgewogen en van een partiële regeling worden voorzien met een aparte procedure.